Noord-Amerika, van waar ook belangrijke zendingen kleederen inkwamen,
een en ander afkomstig van afstammelingen van oude Hollanders in de
Vereenigde Staten. Groot was ook de belangstelling voor het Kon. Nat.
Steuncomité in Nederlandsch-Indië, van waar uit eveneens groote
hoeveelheden kleedingstukken werden gezonden. Er vormde zich te
Batavia een Centraal Comité tot het inzamelen van giften onder
eere-voorzitterschap van den Gouverneur-Generaal. De Javasche Bank droeg
ƒ 50.000 bij. Op 31 December 1915 beliep het totaal der bijdragen uit
Nederlandsch-Indië omstreeks een millioen. Het daaruit sprekend gevoel
van saamhoorigheid in nood stemt tot voldoening en dankbaarheid.
Op zeer te waardeeren wijze gaven onze kunstschilders en andere
beeldende kunstenaren uiting aan hun sympathie voor de gedachte, die aan
het Kon. Nat. Steuncomité ten grondslag ligt. Door de samenwerking van
de verschillende genootschappen, maatschappijen en vereenigingen op het
gebied der beeldende kunsten en der kunstnijverheid, werden in het
voorjaar van 1915 in de zalen van „Pulchri Studio” in den Haag en in
verschillende der grootere steden van ons land tentoonstellingen van
schilderijen en andere kunstvoorwerpen georganiseerd, waaraan een
loterij ten bate van het Kon. Nat. Steuncomité was verbonden. De ziel
van de commissie, die dit denkbeeld verwezenlijkte, was Jhr. Mr. W.
Röell. Tal van kunstenaars werkten ertoe mede. De opening van de
tentoonstelling in den Haag had plaats door de Koningin. De heer Röell
hield daarbij een openingsrede, waarin hij zoowel het doel als de wijze
waarop men dit wilde bereiken, uiteenzette en zijn dank uitsprak in de
eerste plaats aan H. M. de Koningin en voorts aan de kunstenaars die
door hun algemeene medewerking de verwezenlijking van dat doel hadden
mogelijk gemaakt. Als 1e voorzitter van het Steuncomité hield ik daarop
een korte toespraak, die zich aansloot bij de woorden van den heer
Röell. Het succes van deze even eigenaardige als belangrijke wijze van
medewerking tot het doel van het Kon. Nat. Steuncomité was groot. Aan
den penningmeester werd niet minder dan ƒ 140.000 als opbrengst ter hand
gesteld.
Bij elkaar beliepen de bijdragen die het Kon. Nat. Steuncomité ontving,
op 31 December 1915 meer dan ƒ 3.500.000. Alleen de Ned. Overzee
Trust-Maatschappij, die volgens haar statuten haar geheele saldo aan het
Kon. Nat. Steuncomité afstaat, droeg daarin voor ƒ 300.000 bij. In Juli
jl. droeg de N. O. T. opnieuw ƒ 300.000 af. Met instemming van de
Staten-Generaal stelde ik reeds spoedig na de oprichting in uitzicht,
dat de Staat, zoo noodig, evenveel zou bijdragen als van elders inkwam.
Gelukkig was het tot dusver niet noodig van deze toezegging ten volle
gebruik te maken. Op 31 December 1915 was door den Staat ƒ 900.000
bijgedragen.
De giften van particulieren, maatschappijen en vereenigingen aan het
nationale comité vormen intusschen slechts een deel, zij het ook een
belangrijk deel, van hetgeen vooral in de eerste maanden van den
crisistijd vrijwillig werd afgezonderd tot leniging van den nood
dergenen, die hun bron van inkomst plotseling hadden zien opdrogen. Men
moet, ter verkrijging van een volledig beeld, bij de ingekomen bijdragen
ook tellen wat door de plaatselijke steuncomité’s werd ontvangen. Te
dezen aanzien was de houding der schenkers nog al afwijkend naar gelang
van de plaats hunner inwoning. Zoo droeg bijv. Rotterdam naar verhouding
weinig bij voor het nationale comité, maar werden daarentegen aldaar zóó
groote bijdragen voor het plaatselijke comité verkregen, dat het
Rotterdamsche steuncomité, niettegenstaande het in den nood van een
groot aantal havenarbeiders had te voorzien, geruimen tijd zijn
uitgaven uit eigen middelen bestrijden kon, zonder gedwongen te zijn,
bij het nationale comité aan te kloppen. Te Amsterdam daarentegen was de
verhouding tusschen hetgeen aan het nationaal en aan het plaatselijk
steuncomité werd gegeven, eenigszins anders. Uit Amsterdam ontving het
Kon. Nat. Steuncomité naar verhouding veel meer dan uit Rotterdam, maar
daar stond tegenover dat, hoewel de vermogende Amsterdammers ook het
plaatselijk steuncomité niet vergaten, dit comité veel spoediger de hulp
van het nationale comité moest inroepen, dan het Rotterdamsche comité
dit behoefde te doen. Ten deele is dit mede toe te schrijven aan het
groot getal diamantbewerkers dat plotseling buiten werk was gekomen,
maar deels ook aan het zooeven aangeduide verschil in de houding der
schenkers te Rotterdam en te Amsterdam. Dit hield weer hiermede verband,
dat het Rotterdamsche steuncomité vrijwel de onverdeelde sympathie had
van het deel der bevolking waarvan de bijdragen van beteekenis moesten
komen, terwijl velen in Amsterdam een niet volledig vertrouwen hadden in
de wijze waarop de steunbeweging daar werd geleid. De controle en de
geheele wijze van werken was te Rotterdam inderdaad beter dan te
Amsterdam. De Amsterdamsche schenkers, die in de eerste plaats het Kon.
Nat. Steuncomité bedachten, bereikten daarmede hun doel. Het
Amsterdamsche steuncomité moest als gevolg daarvan spoedig bij het
nationale steuncomité aankloppen, dat nu aan zijn bijdragen in de
Amsterdamsche uitgaven voorwaarden verbinden kon. De voortdurende
aandrang van de zijde van het Kon. Nat. Steuncomité heeft er, na heel
wat heen en weer geschrijf, toe geleid, dat te Amsterdam de controle op
de gesteunden werd verscherpt en dat bij de leiders van het Kon. Nat.
Steuncomité het onbehaaglijke gevoel niet behoefde te blijven bestaan,
dat het door het Amsterdamsche steuncomité uitgegeven geld niet slechts
bij hooge uitzondering te recht kwam bij gezinnen en personen voor wie
het niet bestemd was. Toen de controle verscherpt werd, krompen de
uitgaven van het Amsterdamsche steuncomité niet onbelangrijk in.
Wie zich de moeite getroost de door het Kon. Nat. Steuncomité
gepubliceerde lijsten van giften na te gaan, zal er door worden
getroffen hoe betrekkelijk weinig weerklank het woord van Hare Majesteit
bij de plattelandsbevolking heeft gevonden. Eenigszins verklaarbaar is
dit wel, daar spoedig bleek dat ten platten lande over het algemeen
weinig oorlogsnood te lenigen viel, maar dit had ook ten gevolge dat in
de dorpen zoo goed als niets buitengewoons behoefde gegeven te worden
tot leniging van plaatselijke ellende. Toen weldra bleek dat de
oorlogstoestand voor de boeren een zilveren, zoo niet een gulden tijd
bracht, zou het aan de waardeering voor den boerenstand niet ten kwade
zijn gekomen, als hij, en bloc genomen, wat vrijgeviger was geweest,
waar het gold vrijwillig bij te dragen tot leniging van nood van
landgenooten, die door den oorlogstoestand in verdrukking waren gekomen,
ook al zag men die verdrukking niet in zijn onmiddellijke nabijheid. Het
spreekwoord dat de winnende hand mild is, stamt blijkbaar niet uit een
boerendorp.
Het is mijne bedoeling niet, hier een vergelijking te trekken tusschen
de gemiddelde vrijgevigheid van de ingezetenen der verschillende
gemeenten des lands. De zooeven gemaakte opmerkingen moesten mij echter
van het hart.
Doch ik kan maar niet verder komen met mijn verhaal omtrent hetgeen er
op den dag van de constitutie van het Kon. Nat. Steuncomité gebeurde.
Gelijk reeds werd medegedeeld, was het de bedoeling behalve in
bijzondere gevallen, niet rechtstreeks hulp te verleenen, maar dat over
te laten aan de plaatselijke comités, die door bekendheid met locale
toestanden beter er voor konden zorgen, dat de steun zou terecht komen
bij hen die daaraan wezenlijk behoefte hadden. Een der eerste
werkzaamheden van het comité was dan ook de oprichting van zulke
plaatselijke comités aan te moedigen en te bevorderen. Dit had tot
resultaat dat tegen het einde van 1914 ruim 500 plaatselijke comités in
werking waren. Daarbij deed het Kon. Nat. Steuncomité al zijn invloed
gelden om te bereiken, dat die comités zouden worden ingericht naar het
voorbeeld van het nationale comité zelf, d. w. z. een plaatselijke
centrale zouden vormen van de verschillende locale vereenigingen en
commissies, welke zich met het steunen van noodlijdenden als gevolg van
de oorlogscrisis, in verschillenden vorm, bezig hielden. Als gedragslijn
stelde het Kon. Nat. Steuncomité zich daarom, dat het in elke plaats
slechts ééne locale steunorganisatie erkende. Voorts werd er door het
nationale comité steeds op aangedrongen, dat inzonderheid het voorbeeld
van de nationale steunorganisatie in dit opzicht zou worden gevolgd, dat
in de plaatselijke comités ook vertegenwoordigers der vakorganisaties
van arbeiders zouden worden opgenomen. Aanvankelijk, toen de
plaatselijke comités zich over het algemeen zelf bedruipen konden, moest
het nationale comité zich beperken tot het geven van wenken en
raadgevingen, die wel in de meeste gevallen maar toch niet algemeen
opgevolgd werden. Zoo vaak echter de toestand zich in zoover wijzigde,
dat het plaatselijk comité, ter voortzetting van zijn werk, bij het
nationale comité om geld moest aankloppen, kon dit met meer kracht
optreden en zijn medewerking afhankelijk stellen van zoodanige wijziging
of aanvulling der plaatselijke steunorganisatie als het noodig of
wenschelijk oordeelde. Op deze wijze is verkregen, dat op niet meer dan
een paar uitzonderingen na, de steunbeweging over het geheele land op
overeenkomstigen voet werd georganiseerd. In de uitzonderingsgevallen,
in welke het Kon. Nat. Steuncomité zijn eisch omtrent de organisatie van
het plaatselijke comité niet volhield (ik herinner mij trouwens slechts
één geval daarvan), gaf het alleen toe op deze overweging, dat bij het
onthouden van financieele medewerking, daar waar het plaatselijk comité
zelf in de behoefte niet kon voorzien en dit toch niet wenschte te
voldoen aan den gestelden eisch, de steunbehoevenden slachtoffers zouden
zijn geworden van de halsstarrigheid der leiders van de plaatselijke
organisatie. Het overigens streng vasthouden aan den bedoelden eisch,
spruitte niet voort uit „Principienreiterei”; het is ook niet geheel te
verklaren uit den op zich zelf zeker niet onredelijken wensch, ter wille
van een goede werking van het geheel, de onderdeelen daarvan op een
gelijkvormige leest te zien geschoeid. De grond van het verlangen naar
medewerking van de vakvereenigingen ligt dieper.
Van den eersten dag af heeft het Kon. Nat. Steuncomité begrepen, dat de
steunbeweging duidelijk afgescheiden moest blijven van de gewone
armenzorg. Men ontveinsde zich natuurlijk niet, dat in de hulp wegens
oorlogsnood het element der liefdadigheid niet ontbrak, maar men erkende
tevens, dat de gesteunden met de gewone armlastigen niet op gelijke lijn
mochten worden gesteld. Bij de gewone armlastigen heeft men te doen met
personen en gezinnen, die onder normale omstandigheden den
maatschappelijken strijd niet hebben kunnen volhouden en die te gronde
zouden gaan, indien hetzij de kerkelijke of de particuliere
liefdadigheid hetzij de overheidsarmenzorg zich niet over hen
ontfermde. Zulk een tekort aan maatschappelijke kracht behoeft niet
altijd blijvend te zijn; ook gezinnen en personen, die onder gewone
omstandigheden tijdelijk niet in staat zijn om met eigen kracht het
hoofd boven water te houden, vindt de armenzorg op haar weg en tracht
zij den noodigen weerstand voor den strijd om het leven in de
maatschappij te hergeven. Het is echter bekend genoeg, dat het streven
om hen, die niet blijvend buiten staat zijn in eigen onderhoud te
voorzien, er toe te brengen zich onafhankelijk te maken van giften en
gaven en hun maatschappelijke zelfstandigheid te herwinnen, slechts in
de minderheid der gevallen een gunstig resultaat heeft. Het karakter van
de meerderheid der menschen zoowel in de hoogere lagen der maatschappij
als in de lagen der minvermogenden, is nu eenmaal niet al te sterk. Een
der meest algemeene uitingen van karakterzwakte is, dat men zich spoedig
gewent aan het zonder moeite ontvangen van hetgeen men anders in het
zweet zijns aanschijns moet verdienen. Dit hoogst nadeelig bijkomend
gevolg der armenzorg tracht men wel eens te verkleinen; ontkend wordt
het door niemand.
Reeds op grond van deze overweging was het noodig het onderscheid
tusschen hen, die niet in staat waren zich zonder hulp door de
oorlogscrisis heen te slaan, en de armlastigen niet te doen vervagen.
Bij elke plotselinge calamiteit,--in dit opzicht staat een oorlogscrisis
gelijk met een watersnood--worden personen uit hun brood gestooten, wien
het aan werklust noch aan werkkracht ontbreekt, maar aan wie, zoolang
die calamiteit aanhoudt of haar gevolg doet gevoelen, de gelegenheid
wordt onthouden hun werkkracht aan te wenden. Wanneer men zulke
slachtoffers van plotselinge rampen helpt, behoort men vóór alles er op
bedacht te zijn, hun het gevoel van eigen kracht en eigen waarde niet te
ontnemen.
Waar nu het Kon. Nat. Steuncomité niet ten doel had en niet ten doel
hebben kon, armlastigen te helpen, maar slachtoffers van de
oorlogscrisis daarover heen te brengen, was het noodig ook uiterlijk het
verschil tusschen deze slachtoffers en de maatschappelijk gestrande
armlastigen hoog te houden. Hiertoe kon veel worden bijgedragen door aan
de gesteunden die tot een vakvereeniging behoorden, den steun te doen
uitreiken door organen van de vakvereeniging zelve, waartoe zij
behoorden. Dit was reeds een zeer gewichtige reden om de
steunorganisatie voeling te doen houden met de vakorganisatie. Die reden
was echter niet de eenige. Het Kon. Nat. Steuncomité, dat opgericht was
ter voorziening in nood als gevolg van de oorlogscrisis, stond met zijn
werk midden in de crisiswerkloosheid. Eensdeels trachtte het, op nader
meer in het bijzonder te bespreken wijze, de crisis in omvang te
beperken, door zijn medewerking bij het op gang brengen of op gang
houden van onder de crisis lijdende bedrijven en zoodoende werkloosheid
te voorkomen of in te krimpen; anderdeels stelde het zich tot taak de
gevolgen der werkloosheid, die het niet had kunnen voorkomen of
beëindigen, te lenigen. Aangezien nu de vakorganisaties zich in de
latere jaren allengs meer met vakwerkloosheid bezig houden, zich allengs
beter er op toe leggen den stand der arbeidsmarkt en den omvang der
werkloosheid in het vak op elk gegeven oogenblik te kennen, was hare
medewerking bij de steunbeweging ook gewenscht wegens de gegevens, welke
zij ter beoordeeling van den toestand konden verstrekken, de
medewerking, die zij bij de beoordeeling der steunaanvragen konden
verleenen en de controle welke zij op hen, die steun ontvingen, konden
uitoefenen.
Ware het Kon. Nat. Steuncomité er niet op bedacht geweest, dat voor
zoover steun aan loonarbeiders werd verstrekt, met hooge uitzondering
alleen werkloozen daarvoor in aanmerking kwamen, dan zou het gevolg van
zijn werkzaamheid hoogst bedenkelijk zijn geweest. De steun zou dan
ontaard zijn in een toeslag op het loon, een toeslag waartoe, in verband
met het duurder worden der levensmiddelen, in de meerderheid der
gevallen alle aanleiding bestond, maar die, voor zoover hij noodig was,
door de werkgevers moest worden gegeven. Door uitkeeringen te
verstrekken ook aan loontrekkenden, zouden de steuncomités langs een
omweg de werkgevers hebben gesteund. Dat dit in het algemeen
desorganiseerend zou hebben gewerkt, is duidelijk; voorkoming van zulk
een werking was niet alleen een algemeen belang, maar ook een vakbelang
van elke groep waarbij zulke averechtsche steunverleening, indien zij
niet ware voorkomen, wellicht had kunnen insluipen. Er waren dus redenen
te over voor het Kon. Nat. Steuncomité om er bij de plaatselijke comités
op aan te dringen, ter wille van een goede uitvoering van de taak, welke
men zich had gesteld, de vakorganisaties niet voorbij te gaan.
Dit neemt niet weg, dat het Kon. Nat. Steuncomité ook de medewerking van
hen die op het gebied der armenzorg ervaring hadden opgedaan, op
grooten prijs heeft gesteld. Speciaal wat de controle op de gesteunden
betreft, was zij hoogst nuttig. Waar de uitkeeringen der steuncomités
over het algemeen hooger waren dan die der armeninstellingen, ontstond
een zeer begrijpelijk streven onder hen, die bij de armenzorg thuis
hoorden en onder de arbeidsschuwen, om zich als slachtoffers van de
oorlogscrisis bij de steuncomités aan te melden. Tot bestrijding van
dezen uitwas, heeft de medewerking van armverzorgers veel bijgedragen;
men mocht van de vakorganisaties niet verlangen dat te dezen aanzien van
hen de noodige kracht zou uitgaan.
Ook was er tegenover de vakvereenigingen in tweeërlei opzicht een
tegenwicht noodig. Eenerzijds waren zij te veel geneigd, de uitkeeringen
op te drijven en daarmede den prikkel om aan het werk te gaan te
verminderen; zij oordeelden in dit opzicht, begrijpelijk genoeg, over
hun vak- en klassegenooten te gunstig en meenden, dat die prikkel ook
bij hoog opgevoerde uitkeeringen wel voldoende zou blijven werken.
Daarnaast stelden zij zich te spoedig aan de zijde van werklooze
vakgenooten, die wel aan het werk konden gaan, maar die van oordeel
waren dat het werk, dat zij krijgen konden, voor hen niet passend was.
De ervaring heeft dan ook bewezen, dat het voor de goede werking der
steuncomités noodig was, dat zij in samenwerking met de vakvereenigingen
optraden, maar dat de invloed van deze vereenigingen toch ook niet
overwegend was en door andere elementen werd in toom gehouden. Ik heb
sterk den indruk gekregen, dat de niet geheel onberispelijke werking van
het Amsterdamsche comité, waarop ik hierboven met een enkel woord
doelde, aan het ontbreken van een voldoende tegenwicht tegen den aldaar,
ook in verband met plaatselijk politieke toestanden, te sterk
overwegenden invloed der vakorganisatie moet worden geweten.
* * * * *
Onder de hulp, welke door de steuncomités werd verleend, behoort hetgeen
werd gedaan ter voorkoming van uitzettingen wegens huurschuld
afzonderlijke vermelding. Vooral in de eerste maanden van de crisis
heeft het gevaar van zulke executies op groote schaal ook aan de
Regeering heel wat hoofdbreken gekost. Er hebben daarover tusschen den
Minister van Justitie en mij verschillende besprekingen plaats gehad.
Het was een moeilijk op te lossen vraagstuk. Eenerzijds kon den
huiseigenaren niet worden opgelegd, dat zij van de hun verschuldigde
huur geheel of gedeeltelijk afstand zouden doen en de gezinnen uit de
arbeidende klasse, of meer bijzonder die waarvan de hoofden door de
oorlogscrisis werkloos waren geworden, voor niets of voor een heel
kleine huur zouden laten wonen. Dit zou, als de wet er toe verplicht
had, een vorm van onteigening zonder schadevergoeding zijn geweest,
waaraan niet te denken viel. Maar men kon aan den anderen kant aan de
werklooze arbeiders niet het gevaar boven het hoofd laten hangen, dat
zij met hunne gezinnen zouden worden op straat gezet. Den uitweg, die
door den heer Mendels reeds in de vergadering van de Tweede Kamer van 31
Augustus 1914 werd aangeprezen en door hem den 29sten September d. a. v.
in een wetsvoorstel werd belichaamd, dat de huurders geheelen of
gedeeltelijken afslag van huur zouden ontvangen, maar zonder dat de
verhuurders belangrijke schade zouden lijden, wilde de Kamer evenmin
opgaan als de Regeering. Dat wetsvoorstel werd dan ook door hem
ingetrokken, nadat art. 1 daarvan, na eene uitvoerige en belangwekkende
gedachtenwisseling op 4 December 1914 was verworpen. Het onvermijdelijke
element daarvan, dat hetgeen de huurder te weinig betaalde, aan den
verhuurder op kosten van den Staat zou worden vergoed, was niet alleen
wegens de consequenties waartoe het zou hebben geleid, niet vrij van
ernstige bedenking. Afgezien van het principieele bezwaar tegen dat
denkbeeld, zou verwezenlijking ervan practisch allerlei moeilijkheden
hebben gebracht en wegens het haast onmogelijke van het onderscheiden
waar wel en waar niet aanleiding was tot het overnemen van huurschuld
door den Staat, zou de maatregel, gelijk vooraf was te voorzien,
zich--eenmaal in practijk gebracht--ver buiten de grenzen der strikte
noodzakelijkheid hebben uitgezet.
De ervaring heeft bewezen, dat een zoo kras en diep ingrijpen als waarop
de sociaal-democraten aandrongen, ook niet noodig was. Zonder dat de
wetgever is tusschenbeide gekomen, is het mogelijk geweest ook aan deze
moeilijkheid het hoofd te bieden. Reeds aanstonds werd daartoe
medegewerkt door den Minister van Justitie met zijne circulaire, waarin
bij rechterlijke autoriteiten, notarissen en deurwaarders werd
aangedrongen op groote matiging bij het bevelen, bevorderen of uitvoeren
van executies in het algemeen en speciaal ter zake van huurschuld. Die
wenk kon echter wel tijdelijk eenige verlichting brengen; helpen, in den
eigenlijken zin van het woord, kon hij niet. De oplossing werd gevonden
door het Rotterdamsche steuncomité, dat het voorbeeld heeft gegeven voor
eene regeling die, zonder geheel onberispelijk te zijn, haar practische
bruikbaarheid in uiterst moeilijke tijden heeft bewezen. Dat comité
stelde de verstrekking van wekelijksche huurbons in, tot een bedrag van
de helft der weekhuur. Zulk een bon werd echter niet betaald, tenzij bij
hare aanbieding een kwitantie voor de volle huurschuld werd overgelegd.
Het gevolg van deze regeling was niet--hoewel het op het eerste gezicht
aldus schijnt--dat de huiseigenaar, indien hij met een huurbon genoegen
nam, de helft van de huur moest laten vallen, maar dat huurder en
verhuurder beiden belang kregen het omtrent het niet door den huurbon
gedekte deel met elkander eens te worden. Bij dit stelsel werd nu eens
tegen volle kwijting ¾ of ⅔ van de huur betaald, terwijl het ook wel zal
zijn voorgekomen, dat met de helft werd genoegen genomen of dat de volle
wederhelft van de huur boven den huurbon werd betaald. Het stelsel was
dus vatbaar voor aanpassing aan verschillende bijzondere omstandigheden
en er werd mede bereikt, dat als de arbeider weer werk vond en hij
opnieuw uit zijn eigen verdienste zijn gezin zou kunnen onderhouden, hij
niet nog weken of maanden lang zuchten zou onder opgeloopen huurschuld
uit de weken zijner werkloosheid. De toepassing daarvan werd dan ook
door het Kon. Nat. Steuncomité sterk aangemoedigd door een circulaire
van 5 October 1914 aan de plaatselijke steuncomités, waarin het de
Rotterdamsche huurbon-regeling uiteenzette en zich bereid verklaarde de
kosten van een dergelijke huurbonregeling overal waar zij werd
overgenomen, voor ½ voor zijn rekening te nemen boven de uitkeering,
welke het toch reeds aan het plaatselijk comité deed. Het gevolg daarvan
is geweest, dat de Rotterdamsche huurbonregeling met verschillende niet
principieele varianten in een aantal plaatsen werd overgenomen.
De huurbonregeling heeft bij uitstek nuttig gewerkt; zij heeft er meer
dan eenige andere maatregel toe bijgedragen dat de uitzettingen wegens
huurschuld het normale getal niet hebben overschreden. Zij verdient uit
dien hoofde volle waardeering, ook al wekte zij bij de belanghebbenden
lang niet volle bevrediging. De huiseigenaren hadden er op tegen, dat er
een sterke moreele druk in was gelegen tot kwijtschelding van een
grooter of kleiner deel van de huur, terwijl de werklooze huurders
meenden, dat zij niet ver genoeg ging. Volmaakt was de regeling zeker
niet, maar ondanks hare gebreken is hare werking bij uitstek nuttig
geweest. Tot 1 Januari 1916 werd aan de plaatselijke comités een bedrag
van ƒ 833.000 door het Kon. Nat. Steuncomité toegezonden, uitsluitend
bestemd voor bijdragen in huurschuld.
* * * * *