Het werk, dat ons te doen staat, is zwaar en alleen door vereende

krachten en door de nauwste samenwerking zal het gelukken, de taak

die vervuld moet worden, zoo te vervullen als de omstandigheden het

eischen. Tijd van voorbereiding is er niet, er moet gehandeld

worden, onverwijld. Maar het dringende der behoeften en de

onafwijsbaarheid van de eischen tot tegemoetkoming daarin, doen

bij ieder onzer de hersens sneller werken en versterken bij ons den

wil en de kracht, onverwijld ten uitvoer te brengen wat snelle en

intensieve overweging als noodig heeft aangewezen. Bij het werk,

dat onze krachten vraagt, vinden wij wel aansluiting bij

maatschappelijk werk, dat ook in normale tijden bestaat, maar toch

is er een fundamenteel verschil tusschen dit normale

maatschappelijk werk, inzonderheid de armenzorg, en hetgeen thans

van ons gevraagd wordt.

Armenzorg en ander maatschappelijk werk gaan er van uit, dat in

onze hedendaagsche maatschappij alle goederen gewaardeerd worden

naar hun handelswaarde. Van een groot deel der goederen geldt dit

ook thans nog, zelfs onder de zeer buitengewone omstandigheden,

waaronder wij verkeeren. Maar voor een aantal goederen,

inzonderheid voor levensmiddelen, komt, onder den druk der

omstandigheden, een andere maatstaf naar voren; voor de

levensmiddelen wordt thans de directe gebruikswaarde hoofdzaak, en

dit de meer, nu ook Regeering en Wetgever gedwongen zijn, door hun

maatregelen er toe bij te dragen, dat de gewone regelen van het

handelsverkeer op verschillende punten buiten werking gesteld

worden of in abnormale banen worden geleid. Voor levensmiddelen is

het thans niet de vraag, wat verkoopbaar maar wat eetbaar is.

Dit is geen theoretische beschouwing. Voor theoretische

beschouwingen heeft thans niemand onzer tijd. Het is een aanwijzing

van een der grondslagen, waarop ons werk moet rusten. Terwijl in

normale tijden de armenzorg voor een groot deel uit giften in geld

kan bestaan, en ook nu giften in geld niet ter zijde gesteld

behoeven te worden, zal toch veel meer dan in gewone omstandigheden

de steun in het beschikbaar stellen van levensmiddelen moeten

bestaan. Daarbij komt, dat nu met toevoer van buitenaf plotseling

niet meer in beteekenende mate gerekend mag worden, een eerste

plicht is, er nauwlettend op toe te zien, dat van wat er eetbaars

is in Nederland niets teloor gaat, onverschillig of het verkoopbaar

is of niet. Indien niet snel en krachtig wordt ingegrepen,

verrotten en bederven verschillende tuinbouwproducten, omdat ze als

handelswaar het plukloon niet waard zijn, weet men met producten

van visscherij geen raad, omdat men er geen koopers voor vinden

kan, dreigen fabrieken van levensmiddelen, die in den regel voor

export werken, en wier producten thans voor binnenlandsch gebruik

hoogst welkom, zoo niet onmisbaar zijn--ik noem slechts onze

cacaofabrieken--te worden stopgezet.

Dit alles moet verhinderd worden. Op de voorkoming daarvan moet de

organisatie, die wij staan in het leven te roepen, in de eerste

plaats toezien. Voorts moeten degenen, die steun behoeven, worden

doordrongen van het besef, dat hun voedsel thans vaak van anderen

aard zal moeten zijn dan dat, waaraan zij gewoon zijn. De aardappel

zal soms vervangen moeten worden door de een of andere groente, het

brood zal bij sommige maatregelen plaats moeten maken voor

rijstepap, enz.

Men zal thans het volk moeten doen beseffen, dat het niet meer kan

aankomen op wat men graag lust, maar alleen en uitsluitend op wat

men krijgen kan en welke waarde het als voedsel heeft. Daartoe

kunnen vooral de ontwikkelde vrouwen in Nederland veel bijdragen.

Landbouwcomité, Tuinbouwraad en Maatschappij van Nijverheid zullen

in het op te richten comité de rol hebben te vervullen van

fourageurs. Zij zullen het comité hebben in te lichten, waar en hoe

land- en tuinbouwproducten, alsmede artikelen van de

voedingsnijverheid, die niet of moeilijk verkoopbaar zijn,

verkregen kunnen worden en welke prijzen men er voor besteden kan

eenerzijds zonder de te vormen kas te spoedig uit te putten,

anderzijds zonder nieuwe slachtoffers te maken, door hun, die deze

producten voortbrengen, zelfs niet een bescheiden belooning te

geven voor hun moeite. Op hen rust dit deel der intendance, die wij

gaan inrichten, dat de noodige levensmiddelen beschikbaar stelt.

Voor de verdeeling van de producten alsook voor den steun in geld,

daar waar met dezen kan worden volstaan, zal op de andere

organisaties, die door Hare Majesteit tot deze bijeenkomst werden

opgeroepen, een beroep worden gedaan. Dat hierbij de

armencommissies nuttig werk kunnen doen door met haar ervaring en

met haar organisatie ten dienste te staan, spreekt wel vanzelf.

Vandaar de uitnoodiging aan de Algemeene Armencommissie, die als

het ware de vertegenwoordigster is van het gansche Nederlandsche

armwezen.

De nog zoo jonge Werkloosheidsraad, die werd ingericht tot

tegemoetkoming en leniging van nood door werkloosheid, heeft zelf

nog wel geen ervaring, maar het feit, dat deze instelling na

nauwgezette studie speciaal met dit doel werd georganiseerd, mag

doen vermoeden, dat ook zij goede diensten zal kunnen bewijzen.

Vooral is dit het geval, omdat zij in verschillende opzichten in

aanraking is met den werkenden stand en met de vakbonden van

verschillende politieke en godsdienstige kleur, die in den

Werkloosheidsraad vertegenwoordigd zijn, zoodat het comité door de

medewerking van dit college tevens heeft den raad en daadwerkelijke

hulp van vakorganisaties,--een raad en hulp, waarop het comité

zonder twijfel bij voortduring een beroep zal moeten doen.

Dat hier, waar zooveel en zulk een buitengewone nood te lenigen zal

vallen, vrouwenwerk in overvloed noodig zal zijn, zal wel door

niemand worden betwijfeld. De Nationale Vrouwenraad zal door het

groote aantal vrouwen, dat hij onder zijn leden telt, in staat zijn

aan het comité de vrouwenhulp te verzekeren, waaraan het zoo

dringend behoefte hebben zal.

Daar het onderzoek naar de gevallen, waarin steun wordt gevraagd,

de zorg, dat die steun werkelijk wordt verleend, waar hij noodig

is, en de verleening en uitkeering van dien steun zelf uit den aard

der zaak plaatselijk geregeld moeten zijn, is de medewerking der

reeds opgerichte plaatselijke comité’s vanzelf gewenscht.

Op mijn verzoek heeft de Directeur-Generaal van den Arbeid zich

bereid verklaard, de leiding van het algemeen secretariaat van het

comité op zich te nemen. Dit heeft het voordeel, dat daarmede ook

zijn over het geheele land vertakte, met de industrie in nauwe

aanraking staande dienst, aan welken stoornissen in de bedrijven

niet kunnen ontgaan, voor het werk van het comité ter beschikking

staat. Het zal echter wel gewenscht zijn voor het speciale doel,

dat hier moet worden nagestreefd, het secretariaat van het comité

aan te vullen met eenige personen, die kunnen gekozen worden uit

een groot aantal hunner, die aan het Ministerie van Landbouw in

deze ernstige tijden bijna dagelijks hun diensten komen aanbieden.

Zoo aanstonds zullen wij gelegenheid hebben, de organisatie van het

op te richten comité meer in bijzonderheden uit te bouwen en de

werkverdeeling te regelen. Ik heb echter gemeend goed te doen, de

hoofdtrekken hier met enkele breede lijnen aan te geven. De taak,

die ons wacht, is zwaar, maar met vereende krachten zullen wij haar

weten te vervullen. Hoe ernstig onze economische toestand ook moge

wezen, er _mag_ geen honger worden geleden in Nederland, en er

_zal_ geen honger worden geleden in Nederland.

Dat wij met onze organisatie zóó bijtijds gereed staan, dat wij ook

met _deze_ mobilisatie niet te laat komen, hebben wij te danken aan

Uwe Majesteit, aan Haar helder inzicht. Ik hoop dan ook, dat Uwe

Majesteit ons de eer zal willen aandoen, met recht de kroon op onze

in ’t leven te roepen organisatie te zetten en het

Eere-Voorzitterschap van het comité te willen aanvaarden.

Overtuigd te handelen namens alle aanwezigen, van welke kleur of

richting ook, bied ik het U eerbiedig aan, eensdeels als erkenning

van Uw initiatief in deze, anderdeels omdat _Uw_

Eere-voorzitterschap niet nalaten zal groote kracht bij te zetten

aan den oproep tot het Nederlandsche volk, dien het comité, in

aansluiting aan Uw Koninklijk woord, zal hebben te doen.

Nadat de Koningin had verklaard het Eerevoorzitterschap van het comité

te willen aanvaarden, deed ik Hare Majesteit uitgeleide. Met het

verlaten der vergadering door de Koningin was een treffende bladzijde

uit de inwendige geschiedenis van ons vaderland omgeslagen.

* * * * *

Terstond nadat de Koningin de vergadering verlaten had, werd van

gedachten gewisseld over doel en werkwijze van het Nationaal Comité.

Daarbij werd spoedig overeenstemming gekregen over het belangrijke punt,

dat de plaatselijke comité’s niet mochten worden verdrongen. Als

resultaat van de gedachtenwisseling hierover in de vergadering werd door

mij opgemerkt: „de bestaande plaatselijke comités moeten gehandhaafd en

gesteund worden, terwijl waar zulke comités ontbreken, nieuwe

plaatselijke centrale comités moeten worden opgericht. Aldus zullen aan

het Nationale comité ook voortdurend de gegevens worden verschaft, die

noodzakelijk zijn om te kunnen beoordeelen wat en waar gegeven moet

worden.”

Met toestemming van Hare Majesteit kreeg het comité den naam van

Koninklijk Nationaal Steuncomité 1914. Nadat over naam en doel was

beraadslaagd, werd overwogen op welke wijze men aan het noodige geld zou

komen. Daarbij kon door mij worden medegedeeld dat de Koningin was

voorgegaan door ƒ 20.000 beschikbaar te stellen, een bedrag waaraan door

Hare Majesteit later nog ƒ 100.000 werd toegevoegd.

Overwogen werd bij de behandeling van den te publiceeren oproep om geld,

dat die oproep een zeer algemeen karakter hebben moest en dat tevens

duidelijk zou moeten uitkomen, dat het nationale steuncomité de

plaatselijke comités niet zou overbodig maken, zoodat zij die voor de

steunbeweging geld wilden afzonderen zoowel het nationale als het

plaatselijke comité hadden te bedenken. Ten einde aan den oproep de

verlangde algemeenheid te geven, werd de hulp van de Commissarissen

der Koningin ingeroepen, om opgaaf te doen van bekende personen in

hunne provincie, die geschikt en bereid waren om door hunne

mede-onderteekening het algemeen nationale karakter, dat reeds door het

initiatief en de medewerking van Hare Majesteit vaststond, in alle

deelen van het land nog duidelijker te doen uitkomen.

Daar het moeilijk bleek ter vergadering de Uitvoerende Commissie

zoodanig te kiezen dat zij aan de verschillende eischen, waaraan moest

worden voldaan, geheel zou beantwoorden, werd besloten dat de

voorzitters van: den Werkloosheidsraad, de Algemeene Armencommissie, den

Nationalen Vrouwenraad, den Nederlandschen Tuinbouwraad, het

Nederlandsch Landbouwcomité en de Maatschappij van Nijverheid te zamen

zouden vaststellen, wie de uitvoerende commissie vormen „en daarbij in

het oog zullen houden eenerzijds dat het uitvoerend comité

vertegenwoordigers der genoemde organisaties en ook van de

vakorganisaties moet bevatten, anderzijds dat zoo mogelijk de

verschillende politieke richtingen in de Uitvoerende Commissie

vertegenwoordigd moeten zijn”. Met toestemming van den heer Van Aalst

werd de Nederlandsche Handel-Maatschappij aangewezen als kassier van het

Comité.

Nadat nog eenige algemeene beschouwingen waren gehouden over hetgeen op

het gebied der levensmiddelen-voorziening en vooral ten aanzien van de

distributie daarvan noodig zijn zou, werd besloten de verdere

voorbereiding en de uitvoering van hetgeen zou hebben te geschieden over

te laten aan de te benoemen Uitvoerende Commissie. Daarbij deed ik nog

eens uitdrukkelijk uitkomen, dat door het Comité zou getracht worden

niet alleen nood te lenigen, maar waar het kon, die ook te voorkomen,

bijv. door pogingen in het werk te stellen om de noodzakelijkheid van

het stopzetten van fabrieken af te wenden en zoodoende uitbreiding van

werkloosheid tegen te gaan. Omtrent de wijze waarop ter bereiking van

dit doel door het steuncomité zou kunnen worden medegewerkt, werden ter

vergadering nog eenige behartigingswaardige wenken gegeven, waarna ik

aan het slot der vergadering, resumeerende, opmerkte: „Natuurlijk moet

er op aangestuurd worden het economisch leven tot normale banen terug te

brengen, maar op dit oogenblik is dat onmogelijk en deze toestand zal

nog weken, misschien nog maanden kunnen duren”. Wèl is de toestand niet

lang zoo uiterst zorgwekkend gebleven als hij zich in de eerste helft

van Augustus 1914 liet aanzien, doch wie dacht toen, dat de weken niet

slechts maanden, maar ook de maanden jaren zouden worden, voordat het

economische leven weer in zijn normale banen zou zijn teruggeleid!

Zoodra de vergadering was gesloten, kweten de voorzitters der genoemde

zes organisaties zich van de hun opgedragen taak der aanwijzing van de

leden van de Uitvoerende Commissie. Het voorzitterschap werd aan mij

opgedragen, als ondervoorzitter werd gekozen Prof. Is. P. de Vooys, tot

leden werden aangewezen: Mevrouw H. van Bierna-Hymans (Nationale

Vrouwenraad) en de heeren Jhr. Mr. W. Th. C. van Doorn, tevens

penningmeester (Nederlandsche Tuinbouwraad); J. van Hasselt

(Maatschappij van Nijverheid); J. R. Snoeck Henkemans (Algemeene

Armencommissie); Mr. J. T. Linthorst Homan (Nederlandsch

Landbouwcomité), Prof. Dr. W. H. Nolens, J. Oudegeest, A. S. Talma

(Werkloosheidsraad). Overeenkomstig hetgeen ik in mijn schrijven aan de

Koningin als wenschelijk had te kennen gegeven, werd de heer H. A. van

IJsselsteyn, Directeur-Generaal van den Arbeid, aangewezen als algemeen

secretaris; hem werden toegevoegd als adjunct-secretarissen de volgende

heeren, die zich daartoe welwillend bereid hadden verklaard: J. W.

Albarda, Jhr. Mr. W. M. de Brauw, Mr. J. G. Meilink, Mr. W. A. J. M. van

Waterschoot van der Gracht, Mr. J. A. de Wilde.

Later kwamen zoowel in de samenstelling van de Uitvoerende Commissie als

vooral in die van het secretariaat eenige wijzigingen, die echter op de

werkwijze van het Comité geen invloed hebben gehad en die ik dus met

stilzwijgen voorbijga. De opdracht van het secretariaat aan den

Directeur-Generaal van den arbeid is een gelukkige greep geweest. Niet

alleen omdat de heer van IJsselsteyn alles wat hij op zich neemt met

groote toewijding volvoert; maar bovendien bleek de bedoeling, dat op

die wijze het Steuncomité, door de organisatie van den dienst der

arbeidsinspectie, van den stand der arbeidsmarkt voortdurend op de

hoogte zou zijn, geheel tot haar recht te komen. De combinatie van het

secretariaat van het Kon. Nat. Steuncomité met den dienst der

arbeidsinspectie heeft zeer veel er toe bijgedragen om het werk van het

comité aan de daarvan gekoesterde verwachting te doen beantwoorden.

Vooral ook ter controleering van sommige plaatselijke comités, die de

zaak wat gemoedelijk opnamen en niet voldoende doordrongen waren van de

nadeelen van het geven zonder goede contrôle of hetgeen men gaf, wel

goed besteed was, is de medewerking van den dienst der arbeidsinspectie

en in de eerste plaats van den algemeenen secretaris zelf niet slechts

zeer nuttig, maar onmisbaar gebleken. Door dit hier met nadruk te

constateeren, kom ik aan niemands verdienste te na, ook niet aan die van

den onder-voorzitter, Prof. de Vooys, die feitelijk van het begin af,

het Steuncomité heeft geleid op een wijze, welke door allen die met hem

samenwerkten, eenstemmig wordt geprezen. De veeljarige samenwerking die

tusschen de heeren de Vooys en van IJsselsteyn had bestaan, kwam aan het

werk van het Steuncomité zeer ten goede, en de omstandigheid, dat de

heer de Vooys en ik gedurende den tijd, dat wij in de Staatscommissie

over het werkloosheidsvraagstuk hadden samengewerkt, elkander van nabij

hadden leeren kennen en waardeeren, vergemakkelijkte het in gang zetten

en in gang houden dezer noodorganisatie zeer.

Toen de heer Posthuma mij als Minister van Landbouw, Nijverheid en

Handel opvolgde, werd met goedkeuring van de Koningin besloten, ook

dezen bewindsman in het bestuur van het Kon. Nat. Steuncomité op te

nemen, opdat het zoo noodige contact tusschen dit comité en het

Departement van Landbouw niet zou worden verbroken. De heer Posthuma en

ik werden nu algemeene voorzitters en Prof. de Vooys voorzitter van het

Uitvoerend Comité, een regeling die met de werkelijkheid overeenkwam.

Opdat de beide algemeene voorzitters van het werk van het Steuncomité op

de hoogte zouden blijven en deel zouden kunnen blijven nemen aan de

algemeene leiding daarvan, kwamen de heeren Posthuma en de Vooys

geregeld met mij op het Departement van Financiën samen. Aanvankelijk

hadden die bijeenkomsten tweemaal per week plaats, later werden zij tot

eenmaal per week beperkt en bij de geleidelijke vermindering van het

werk van het Steuncomité werden de bijeenkomsten ongeregelder. Sedert

mijn aftreden zijn zij spoedig geheel achterwege gebleven.

Bij mijn aftreden als Minister was mijn voornemen ook uit het Kon. Nat.

Steuncomité te treden. Op de afscheidsaudientie, welke de Koningin mij

verleende, over dat voornemen sprekende, gaf Hare Majesteit mij echter

Haar wensch te kennen dat ik, indien mijnerzijds daartegen geen

overwegend bezwaar bestond, 1e Algemeene Voorzitter van het Steuncomité

zou blijven; een wensch, die voor mij natuurlijk afdoende reden was, om

mijn aanvankelijk voornemen te laten varen.

Op deze wijze heeft het verloop der feiten mij op even eigenaardige als

afdoende wijze in het gelijk gesteld ten aanzien van de

staatsrechtelijke vraag, welke naar aanleiding van hetgeen bij de

installatie van het Steuncomité werd gesproken, in de Tweede Kamer naar

voren kwam. Bij de behandeling van den begrootingspost betrekking

hebbende op het door het Rijk aan het Steuncomité te verleenen subsidie,

erkende ik mijne staatsrechtelijke verantwoordelijkheid voor het

voorstel daartoe en aanvaardde ik ook het debat over de wijze van

optreden van het Steuncomité, daar het oordeel over den voorgestelden

begrootingspost natuurlijk ten nauwste samenhing met het oordeel dat de

Kamer had over de werkzaamheid van het Steuncomité. Daarentegen wees ik

elke staatsrechtelijke verantwoordelijkheid over hetgeen bij de

installatie van het comité gesproken werd, af. Ik kwam daartoe, omdat in

de Kamer in debat werd gebracht, hetgeen de Koningin bij die gelegenheid

had gezegd. Daartegen kwam ik in verzet. Moest voor woorden, door de

Koningin bij zulk een gelegenheid gesproken, een Minister de

verantwoordelijkheid dragen, als hij bij het uitspreken daarvan

tegenwoordig is, dan zou dit Haar vrijheid van spreken op geheel

onnoodige en ongewenschte wijze aan banden leggen. De Koningin zou dan

zeer belemmerd worden in het uiting geven aan hetgeen opwelt uit Haar

eigen gemoed. Dat Zij dit wèl kon doen en in de crisis bij meer dan één

gelegenheid ook gedaan heeft, is aan hetgeen ter leniging van nood had

te geschieden, zeer ten goede gekomen.

Ik plaatste mij daarom in de Kamer op het m.i. niet op goede gronden

aantastbare standpunt, dat de Koningin bij zulke gelegenheden niet

optreedt als constitutioneel Vorstin, maar als de hoogstgeplaatste

persoon in den lande en dat Hare Majesteit derhalve voor woorden, welke

Zij alsdan spreekt, niet het contraseign van een Minister behoeft.

Optredende als constitutioneel Vorstin spreekt de Koningin nooit te

gelijk met een Minister. Als zoodanig treedt de Koningin, krachtens de

Grondwet, slechts bij ééne gelegenheid in het publiek op, namelijk bij

de opening der vereenigde vergadering van de Staten-Generaal. Voor

hetgeen bij die plechtigheid wordt gezegd, zijn de Ministers

verantwoordelijk. Overigens treden de verantwoordelijke Ministers niet

naast, maar namens de Kroon op en vertegenwoordigen zij als zoodanig de

uitvoerende macht en het aandeel dat de Kroon heeft in de wetgevende

macht. Zoo dikwijls de Koningin uiting geeft aan Haar persoonlijke

belangstelling in eenige blijde of droeve gebeurtenis, is Zij in Haar

spreken niet gebonden door constitutioneele banden, maar alleen door

Haar eigen persoonlijk inzicht en door de inspraken van Haar eigen

gemoed.

Al heb ik daarover later eenige schampere opmerkingen moeten hooren,

houd ik nog onverzwakt vol, dat deze opvatting volkomen strookt met

onze Grondwet en dat daarvan de onafwijsbare consequentie is, dat een

Minister die bij zulk een gelegenheid tegenwoordig is, daarbij niet als

zoodanig optreedt, op zulk een oogenblik geen staatsrechtelijke functie

vervult, en dat hij derhalve ook niet staatsrechtelijk verantwoordelijk

is voor hetgeen hij zelf alsdan zegt. „Wie spreekt bij een dergelijke

gelegenheid als bij de installatie van het Koninklijk Nationaal

Steuncomité--zoo zeide ik den 4en Maart 1915 in de Tweede Kamer--zal

zich natuurlijk steeds bewust zijn van de positie die men bekleedt, maar

het zou volkomen in strijd zijn met de vrijheid van handelen, die ook

het hoofd van den Staat moet hebben, wanneer men hier in de Kamer een

Minister ter verantwoording kon roepen over hetgeen Hare Majesteit, niet

als hoofd van de uitvoerende macht maar alleen als de hoogste burgeres

in den staat, uitte op een oogenblik, waarin zij meende voor zichzelve

uiting te moeten geven aan Haar gevoel en duidelijk te moeten maken, dat

zij medeleeft met Haar volk.”

Niet als Minister was ik daar tegenwoordig, maar als iemand die aan zijn

ministerschap dankte, dat de Koningin hem Haar vertrouwen had geschonken

in een zaak, welke Haar bijzonder ter harte ging en voor welker

uitvoering Hare Majesteit medewerking noodig had. Natuurlijk legde ik in

die vergadering mijn ministerschap niet af, maar dit nam niet weg, dat

ik daar niet als zoodanig, niet ambtelijk optrad en niet ambtelijk

sprak. De omstandigheid dat mijne positie in het Kon. Nat. Steuncomité

na mijn aftreden als Minister, op voor mij zeer vereerend verlangen van

de Koningin, onveranderd blijven kon en onveranderd gebleven is,

bewijst, beter dan het uitvoerigste betoog, de correctheid van het door

mij ten aanzien van deze staatsrechtelijke kwestie ingenomen standpunt.

Te allen overvloede voeg ik hier nog bij, dat het alleen ging om een

staatsrechtelijke kwestie en dat ik persoonlijk niet het minste bezwaar

heb tegenover het geheele land de volle verantwoordelijkheid te dragen

voor hetgeen bij de installatie van het Kon. Nat. Steuncomité voorviel.

Integendeel stel ik er een groote eer in, aan die installatie een

werkzaam aandeel te hebben mogen nemen.

Doch ik moet terugkeeren tot hetgeen ik heb te vertellen. Den avond van

denzelfden dag, waarop ’s middags de constitueerende vergadering van het

Kon. Nat. Steuncomité plaats had, kwam de Uitvoerende Commissie daarvan

in het Departement van Landbouw bijeen. Daar werd in de eerste plaats

nader geregeld, hoe de oproep tot het ontvangen van bijdragen zou worden

ingericht. De publicatie van dien oproep liet wat langer op zich

wachten dan wel gewenscht was, omdat niet alle Commissarissen der

Koningin, tot wie men zich telegrafisch gewend had, even spoedig gereed

waren met hun opgaaf van de namen der personen in hun provincie, die

voor mede-onderteekening daarvan in aanmerking kwamen.

Reeds voordat de oproep was verschenen, volgde de Ned.

Handel-Maatschappij het Koninklijke voorbeeld met een bijdrage

van ƒ 50.000; op den voet werd zij gevolgd door de Kon. Ned.

Petroleum-Maatschappij, die ƒ 90.000 schonk. Ik vermeld deze beide

giften niet alleen om haar bedrag, maar ook omdat zij, naast de bijdrage

van de Koningin, als gangmakers dienst deden. Op die giften volgden tal

van grootere en kleinere bijdragen. Toen de stroom daarvan begon te

luwen en de behoefte nog groot was, herhaalde het Comité zijn oproep

niet zonder succes.

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 12 / 40 段