In de eerste dagen van Augustus 1914, toen leiding gegeven moest worden

aan het ontwrichte economisch leven en richting aan het staatsbeleid op

economisch gebied onder de zoo plotseling veranderde omstandigheden,

ontbrak daartoe de tijd. Wat geschiedde kon ook geen uiting zijn van

theoretische overtuiging, want die geldt op economisch gebied alleen

voor normale omstandigheden. Men behoefde zulk eene overtuiging, toen de

toestanden plotseling geheel abnormaal waren geworden, niet af te

zweren, haar niet geschikt te achten om in de rommelkamer te worden

opgeborgen; maar wèl was het besef noodig, dat zij tijdelijk niet tot

leiddraad kon strekken. Men moest zich los maken van theorieën, die

alleen voor normale omstandigheden bedoeld zijn en die, voor zoover zij

het moderne economisch leven betreffen, steeds den meestal

onuitgesproken ondergrond hebben, dat het internationaal verkeer,

behoudens belemmering door protectionistische tarieven, geen hinderpalen

op zijn weg vindt; dat de handel zonder aanzien der nationaliteit, met

dat voorbehoud, ongehinderd en veilig kan worden uitgeoefend en dat

inzonderheid de economische tendensen sterk genoeg werken, om voor elk

modern georganiseerd land schaarschte van levensmiddelen als ernstig

gevaar uitgesloten te achten. Onder die onuitgesproken voorwaarde, is

het voor de overheid geraden den weg der prijszetting niet op te gaan.

Hoezeer ik die meening ben toegedaan, bleek nog kort vóór het uitbreken

van den oorlog, toen ik bij de behandeling der Stuwadoorswet tegen

sterken aandrang zoowel van links als van rechts mijn verzet heb

volgehouden tegen regelingen, welke principieel de kiem van officieele

prijs- of loonzetting van overheidswege in zich droegen.

De oorlog heeft mijn overtuiging te dezen aanzien niet geschokt, maar

het plotseling wegvallen van essentieele factoren uit de gewone

voorwaarden, waaronder het maatschappelijk leven wordt geleefd, onttrok

aan die overtuiging de basis, waarop zij voor practische toepassing

geschikt was. Ik word dan ook niet geplaagd door wroegingen van mijn

economisch geweten omdat ik, zonder aarzeling, er toe heb medegewerkt,

om voor den buitengewonen tijd, waarin de gewone maatschappelijke

levensregelen waren omvergeworpen en waarin toch ook moest worden

geleefd, de vrijheid van het economisch handelen van overheidswege in te

perken voor zoover de omstandigheden dit eischten. De oorlog had

plotseling Europa op economisch gebied, en op dat gebied niet alleen,

meer dan een eeuw teruggezet. De maatregelen, die men nam, moesten

geschikt zijn voor toestanden uit het verleden, welke weer harde

werkelijkheid waren geworden en die, zoo zij al niet middeneeuwsch

waren, toch een middeneeuwschen bijsmaak hadden.

Het heeft aan critiek op het vierkant omzetten van het roer van staat op

economisch gebied bij het uitbreken van den oorlog niet ontbroken. Niet

algemeen was men doordrongen van het besef, dat de zoo plotseling

geworden toestand niet mocht worden gemeten naar gewonen maatstaf, niet

mocht worden beoordeeld naar gewone theorieën en niet kon worden

beheerscht met gewone middelen. In de allereerste weken, toen het

oorlogsgevaar het meest dreigde en de volksvertegenwoordiging evenals de

geheele bevolking nog sterk gevoelde dat het, ook al werden er fouten

begaan, vóór alles noodig was het vertrouwen in de Regeering hoog te

houden;--in de allereerste weken legde de critiek zich zelve het zwijgen

op. Maar die zelfbeheersching is aan sommigen spoedig te machtig

geworden. De veranderde stemming uitte zich niet slechts in critiek op

bepaalde regeeringsdaden; een critiek die, voor zoover zij zakelijk was,

door de Regeering gretig werd aanvaard. Niemand was zoozeer als de

verantwoordelijke personen zelven ervan doordrongen dat bij het zoo

plotseling betreden van reeds sedert eeuwen onbekend geworden paden,

fouten niet konden worden vermeden, en dat zakelijke, opbouwende critiek

er toe kon bijdragen, ze tot het onvermijdelijk minimum terug te

brengen. Maar ook het uitgangspunt van de regeeringsbemoeiing werd als

ondeugdelijk aangetast. De Regeering regeerde te veel; zij liet aan

handel, nijverheid en landbouw te weinig vrijheid, mengde zich te veel

in de verhoudingen op de markt; vergat te veel de wet van vraag en

aanbod. Die boodschap heeft de Regeering reeds spoedig gehoord en

allengs sterker werd zij haar aangezegd; toch heeft zij getoond, dat het

geloof in de juistheid daarvan haar ontbrak. Het is voor het land een

geluk, dat zij zich door die critiek niet van de wijs heeft laten

brengen. Zeker zou zij door aan de wet van vraag en aanbod vrij spel te

laten, minder gelegenheid hebben gehad fouten te maken.

Wie niets doet, maakt ook geen fouten. Maar het niets doen zelf kan een

fout zijn van heel wat ernstigeren aard dan de gebreken, die het

handelen nu eenmaal aankleven. Dat er fouten gemaakt zouden worden, heb

ik van het eerste oogenblik af openlijk erkend. In de vergadering van de

Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 zeide ik daaromtrent: „Dat onder deze

uiterst moeilijke omstandigheden door de Regeering herhaalde malen

fouten zullen worden begaan, dat er maatregelen zullen worden genomen,

waarvan de Regeering zelf na korten tijd zegt: wij hadden dat eigenlijk

anders moeten doen,--ik zou haast zeggen, dat spreekt zoo vanzelf, dat

ik geen oogenblik aarzel om te erkennen, dat ongetwijfeld nu reeds

fouten zijn begaan en er nog veel meer fouten begaan zullen worden.

„Maar--wanneer later wij ter verantwoording zullen worden geroepen,

hoop ik, dat men, waar er fouten kunnen worden geconstateerd--en dat zal

zeker geschieden--hiermede rekenen zal, dat wij onze maatregelen moeten

nemen in een tempo, waarin lang wikken en wegen herhaaldelijk onmogelijk

is, en onder omstandigheden, waarin het veel beter is, dat er van tijd

tot tijd fouten worden begaan, dan dat door lang delibereeren men te

laat komt met de maatregelen, die moeten worden genomen”.

Wat ik toen voorzag, is uitgekomen. Er zijn fouten gemaakt. Voor zoover

ik ze in mijn verhaal tegenkwam, heb ik ze niet verbloemd. Ze te

vermijden zou alleen mogelijk geweest zijn door blindelings te

vertrouwen op economische krachten uit het normale maatschappelijk

leven, zonder er mede rekening te houden, dat die thans voor een goed

deel faalden, en door in dat blind vertrouwen den tijd van handelen te

laten voorbijgaan en de bevolking aan haar lot over te laten.

Had de Regeering de vingerwijzing gevolgd, haar door de hier bedoelde

economische raadslieden in en buiten de Kamer gegeven, de maatregelen

waarover dit hoofdstuk handelt, zouden veel minder in aantal, veel

minder veelzijdig en veel minder ingrijpend zijn geweest, maar de

noodzakelijkheid van voorzieningen in dientengevolge in hun uitwas niet

belemmerde noodtoestanden zou des te dringender zijn geworden. De

economische zwakte zou zich verder hebben uitgebreid en de steun van de

daaronder lijdenden zou nog heel wat omvangrijker hebben moeten zijn,

dan nu reeds het geval was.

Toch is zulk een economische politiek voor den oorlogstijd bepleit,

zelfs met erkenning en aanvaarding van de onvermijdelijkheid van dat

gevolg. Op die wijze zou men de paarden achter den wagen hebben

gespannen; het zou in de oorlogscrisis averechtsche politiek zijn

geweest. De Regeering heeft zich van den aanvang af op het standpunt

geplaatst, dat waar de omstandigheden aan het verkeer niet meer zijn

eigen gang lieten gaan, de politiek van het „laisser faire” minder dan

ooit op haar plaats was. Geen oogenblik heeft bij haar voorgezeten

bepaalde groepen van ingezetenen te belemmeren in het maken van

oorlogswinst, als en voor zoover die gemaakt kon worden zonder de

bevolking in haar geheel op kosten te jagen, welke door ingrijpen van

overheidswege konden vermeden of verminderd worden. Maar geen oogenblik

ook is het bij haar opgekomen, dat zij haar roeping in den moeilijken

oorlogstijd zou hebben vervuld, door het maken van oorlogswinst vrij te

laten, ook daar waar die, zonder noodzaak, zou zijn behaald op kosten

van de geheele bevolking en naar verhouding het meest op kosten van de

minst weerstandskrachtigen. Dit zou geweest zijn het kwaad eerst

ongestoord laten voortwoekeren, om het daarna door steun te verstrekken

niet alleen aan hen, die van het begin af economisch zwak waren, maar

ook aan diegenen, die men dit door zijn stilzitten had laten worden,

weer zoo goed mogelijk te heelen.

Zulk een repressief optreden zou, zelfs voor zoover het had kunnen

slagen, allerlei nadeelen zoowel van stoffelijken als van geestelijken

aard voor de bevolking met zich hebben gebracht. In stede van de groote

verschuivingen in draagkracht en welstand, welke een oorlogstoestand

medebrengt, naar vermogen in te toomen, zou het die tot bergstortingen

hebben laten aangroeien en daarmede de noodzakelijkheid, aan de

slachtoffers de helpende hand toe te steken, zeer hebben vergroot. Dit

zou de schatkist, die toch reeds voor zulke zware uitgaven stond, nog

veel meer hebben gedrukt en het zou verslappend hebben gewerkt, door de

groepen der bevolking, welke, zonder armlastig te zijn, niet voldoende

weerstand konden bieden aan den druk der buitengewone omstandigheden,

ongehinderd in omvang te doen aanzwellen. Op die wijze zouden breedere

lagen der bevolking geleerd hebben, het vertrouwen op eigen kracht prijs

te geven voor het steunen op hulp van elders, dan bij een zooveel

mogelijk preventief optreden, als waartoe de Regeering haar toevlucht

nam, onvermijdelijk was. Daarbij zou de volkskracht onnoodig veel hebben

ingeboet. Ook voor oorlogstijd geldt, dat voorkomen beter is dan

genezen. Met volle bewustheid dat zij daarbij fouten niet zou kunnen

vermijden, heeft de Regeering dien regel in toepassing gebracht.

Daarvoor zal zij zich te verantwoorden hebben, zoo al niet

staatsrechtelijk dan voor de rechtbank der vaderlandsche geschiedenis.

Haar uitgangspunt zal die rechter zeker niet veroordeelen.

HOOFDSTUK III.

VOORKOMEN EN LENIGEN VAN NOOD.

§ 1. _Het Koninklijk Nationaal Steuncomité._

De economische politiek welke door de Regeering in den oorlogstijd werd

toegepast, had wel ten doel en tot gevolg de kringen dergenen, ten

aanzien van wie speciale voorzieningen noodig waren, om hen door den

plotseling ingetreden noodtoestand heen te helpen, zooveel mogelijk te

beperken. Zij kon niet voorkomen, dat zulke speciale voorzieningen

noodig waren, en zij heeft, zonder aarzeling, voor zooveel dergelijke

voorzieningen moesten getroffen worden, daartoe bijgedragen.

De even plotselinge als hevige schok in het maatschappelijk leven, welke

sommigen omhoog wierp, deed te gelijker tijd breede lagen van hen, die

op de grens der zelfstandigheid stonden, naar beneden vallen. Voor

zoover het ingrijpen der overheid dien val niet kon breken, was

steunverleening noodzakelijk. Die noodzakelijkheid werd geheel spontaan

in verschillende gemeenten van het land reeds aanstonds zóó sterk

gevoeld, dat al in de allereerste dagen van Augustus 1914 zich in enkele

plaatsen comité’s vormden, om in de buitengewone behoefte aan hulp en

steun te voorzien. Aan het gelukkig initiatief van Hare Majesteit de

Koningin is het te danken, dat die plaatselijk opgekomen drang geleid

werd in de geregelde banen eener over het geheele land verspreide

organisatie en daardoor een veel grooter en nuttiger uitwerking kon

hebben, dan bij het plaatselijk en zonder algemeen nationaal verband

verstrekken van hulp ware mogelijk geweest.

Bij een audiëntie, welke mij op den avond van 7 Augustus 1914 door de

Koningin werd verleend ter bespreking van reeds genomen en nog te nemen

maatregelen op economisch gebied, gaf Hare Majesteit mij Haar vrees te

kennen, dat de plaatselijk zich vormende comités tot leniging van nood,

ontstaan door den oorlogstoestand, bij gebrek aan onderlinge

samenwerking, zouden leiden tot versnippering van krachten en tot eene

ongewenschte ongelijkheid in de behandeling van mindergegoeden, die als

gevolg van den oorlogstoestand steun zouden behoeven. Ten einde met den

vereischten spoed eenheid te brengen in de spontaan ontsproten

plaatselijke steunbewegingen, had Hare Majesteit het plan opgevat

zichzelve aan het hoofd te stellen van eene centrale nationale

organisatie der steunverleening en werd mij door Haar de wensch te

kennen gegeven, dat ik mij met het ontwerpen van zulk een organisatie

zou onledig houden. Bij die audiëntie zelve werden door mij daaromtrent

voorloopig eenige denkbeelden ontwikkeld, die ik later nog eens

overdacht. Daar er groote haast bij was, moest hier, zooals zoo vaak in

de eerste oorlogsweken, in toepassing worden gebracht „que la nuit porte

conseil”. Als resultaat daarvan schreef ik den volgenden ochtend, 8

Augustus 1914, aan den particulieren secretaris van Hare Majesteit een

brief, waarvan ik den inhoud met Hare toestemming hier laat volgen:

DEN HAAG, 8 Augustus 1914.

HoogEdelGestrenge Heer,

Nadat H. M. de Koningin mij gisteren avond de eer had gedaan mij

Haar wensch kenbaar te maken, zich aan het hoofd te stellen van een

comité dat eenheid en organiek verband kan brengen in de

verschillende pogingen tot leniging en--zoo het kan--tot voorkoming

van nood, door den oorlog in de ons omringende landen en het

oorlogsgevaar hier, heb ik van nacht de zaak nog eens rijpelijk

overdacht. Als gevolg daarvan kom ik er toe, aan H. M. een

eenigszins breederen opzet in overweging te geven dan door mij

gisteren avond mondeling werd opgeworpen.

Wèl blijf ik er bij, dat practisch het werk voor een groot deel kan

uitgaan van den onlangs opgerichte Werkloosheidsraad, waarvan Prof.

De Vooys voorzitter is, maar toch komt het mij, bij nader inzien,

beter voor, de zaak niet aan den Werkloosheidsraad alleen op te

dragen.

Om aan de zaak aanstonds het breede en in elk opzicht onpartijdige

en algemeen nationale karakter te geven, dat hier onmisbaar is,

geef ik thans in overweging het te benoemen comité samen te stellen

uit den _Werkloosheidsraad_ (of zijn dagelijksch bestuur),

voorzitter Prof. De Vooys; de _Algemeene Armencommissie_,

voorzitter Jhr. Mr. J. H. J. Quarles van Ufford en het Hoofdbestuur

hetzij van „_Arbeid adelt_”, hetzij van „_Tesselschade_”. Welke van

deze twee vrouwenvereenigingen voor dit doel het meest in

aanmerking komt, kan H. M. zelve of H. M. de Koningin-Moeder beter

beoordeelen dan ik.

De hoofdleiding zou dan kunnen liggen bij een dagelijksch bestuur

gevormd door de voorzitters van de drie genoemde organisaties. Daar

H. M. te kennen gaf dat Zij het noodig oordeelt dat er samenwerking

zij tusschen het op te richten comité en het departement van

Landbouw enz., een samenwerking die inderdaad hoogst gewenscht is,

zou de volgende regeling van de hoofdleiding m.i. passend kunnen

zijn.

H. M. de Koningin, _Beschermvrouwe_ of _Eere-Voorzitster_, ter

beslissing van H. M. zelve; de ondergeteekende, in hoedanigheid van

Minister van Landbouw enz., _voorzitter_; de drie bedoelde

presidenten _onder-voorzitters_. Mijne bedoeling zou dan zijn, de

leiding feitelijk in handen te laten van de drie onder-voorzitters

als college van dagelijksch bestuur. Maar bij deze organisatie zou

er voor zijn gezorgd, dat ik bij meer of minder principieele

beslissingen medezeggenschap zou hebben.

Ik heb Prof. De Vooys er op voorbereid, dat hij van avond bij H. M.

zal worden ontboden en ik zal overeenkomstig Haar verlangen hem

voorloopig op de hoogte brengen van de wenschen en bedoelingen van

H. M. ten aanzien van deze aangelegenheid. Tevens zal ik hem van

den inhoud van dezen brief mededeeling doen.

Mocht H. M., niettegenstaande Hare drukke en drukkende

werkzaamheden in deze ernstige dagen, gelegenheid hebben nog vóór

heden avond van dezen brief kennis te nemen, dan zou bij de

audientie welke Zij aan Prof. De Vooys wil verleenen, kunnen

blijken in hoever het in enkele algemeene trekken hier neergelegde

plan van organisatie met de wenschen van H. M. strookt.

Ik heb gezocht naar eene combinatie van bestaande organisaties,

omdat op deze wijze 1º de zaak in enkele dagen is in elkaar te

zetten, 2º het gevaar van gevoeligheden op te wekken--een gevaar

dat bij het uitkiezen van individueele personen haast niet te

vermijden zijn zou--tot de kleinste afmetingen wordt teruggebracht,

en 3º de grootste waarborg wordt verkregen dat het comité een

waarlijk nationaal karakter zal dragen.

Mocht blijken dat ook Staatshulp hier niet te ontberen zijn zal,

dan zou ook de Regeering in een aldus samengesteld comité het

orgaan kunnen vinden, dat ook de Staatssteun verdeelt en brengt

waar hij noodig is en zou op deze wijze Koninklijk en particulier

initiatief met Staatszorg op, naar het mij wil voorkomen, gelukkige

wijze zijn gecombineerd.

Ik heb van dit schrijven mededeeling gedaan aan mijne ambtgenooten.

Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn,

HoogEdelGestrenge Heer

Uw dienstw.

TREUB.

HoogEdelGestrengen Heere

F. M. L. Baron VAN GEEN,

Particulier Secretaris van H. M. de Koningin.

Gelijk ik in den brief mededeelde, had ik denzelfden dag een onderhoud

met den heer de Vooys, wien ik er op voorbereidde, dat hij des avonds

ten Paleize zou worden ontboden en met wien ik het denkbeeld van de

Koningin en de wijze van uitvoering daarvan besprak in verband met de

audientie die hem zou worden verleend. Het resultaat van onze

besprekingen en van het nader overleg door Hare Majesteit met Prof. de

Vooys ter audientie gepleegd, was dat ten einde aan de zaak een zoo

algemeen mogelijk karakter te geven, het aantal vereenigingen, dat

uitgenoodigd werd tot de vergadering ter constitueering van de in het

leven te roepen nationale steun-organisatie belangrijk werd uitgebreid.

Zondag 9 Augustus werden de uitnoodigingen tot bijwoning der vergadering

telegrafisch verzonden. De vergadering zelve had plaats Maandag 10

Augustus des namiddags te 3 uur in de Trèves-zaal. Aanwezig waren

omstreeks 60 personen, meerendeels vertegenwoordigers der opgeroepen

vereenigingen.

Het was een plechtig oogenblik, toen de Koningin, die zonder eenig

gevolg ter vergadering verscheen, door mij werd binnengeleid. Ieder der

aanwezigen gevoelde het treffende van het feit, dat de Koningin op zulk

een wijze deelnam aan een bijeenkomst, belegd om eenheid en kracht te

geven aan de pogingen tot voorkoming en leniging van nood in den

oorlogstijd, en door Hare tegenwoordigheid en Haar woord de groote

beteekenis van hetgeen stond te gebeuren en den diepen ernst van den

toestand, die moest worden beheerscht, te onderstrepen. Ook aan de

Koningin zelve was het aan te zien dat Zij onder den indruk was van de

beteekenis van Haar onder zulke omstandigheden en met zulk een doel

zonder eenige praal, in den grootsten eenvoud, verschijnen te midden van

een aantal vertegenwoordigers van vereenigingen met een zeer

uiteenloopend karakter, maar die alle dit eene gemeen hadden, dat zij

konden medewerken aan het denkbeeld ter verwezenlijking waarvan de

vergadering was bijeengeroepen.

Ter vergadering waren behalve vertegenwoordigers van de vereenigingen en

commissies, welke door de Koningin in Haar toespraak werden genoemd,

aanwezig vertegenwoordigers van het Nederlandsch Verbond van

Vakvereenigingen, het Bureau van de Roomsch Katholieke Vakorganisatie,

het Christelijk Vaksecretariaat en het Nederlandsch Verbond van Neutrale

Vakvereenigingen, voorts hoogst enkele persoonlijk uitgenoodigden, onder

wie met name zijn te noemen de heeren C. J. K. van Aalst, president der

Nederlandsche Handel-Maatschappij en Dr. D. Bos, alsmede eenige heeren,

die zich hadden bereid verklaard hunne persoonlijke medewerking bij de

uitvoering van het plan te verleenen.

Ter vergadering verschenen, nam Hare Majesteit plaats tusschen den heer

Van Aalst en mij en sprak Zij, onmiddellijk na Haar binnentreden, de

volgende rede uit:

„De berichten, die tot mij komen omtrent de stoornis of den

stilstand in bedrijven, ontstaan ten gevolge van den oorlog en het

ten onzent bestaande oorlogsgevaar, doch bovenal de kommer en de

zorg, die mij allerwegen tegemoet treden, waar ik mij beweeg te

midden van mijn volk, vervullen mij met groote deernis voor de

velen, die in zoo benarde omstandigheden verkeeren. Het is daarom,

dat ik een beroep doe op al mijn landgenooten, die tot helpen in

staat zijn, ten einde met mij eendrachtig de handen ineen te slaan

om plannen te beramen en uit te voeren, opdat aan den nood, voor

zoover dit in ons vermogen ligt, het hoofd worde geboden. Daartoe

heb ik gemeend in de eerste plaats de medewerking te moeten inroepen

van den Werkloosheidsraad, van de Algemeene Armen-commissie, van den

Nationalen Vrouwenraad, van den Tuinbouwraad, van het

Landbouwcomité, van de Maatschappij van Nijverheid en van de

plaatselijke commissies, die zich te Amsterdam, Rotterdam, ’s

Gravenhage en Utrecht gevormd hebben, en naar ik hoop in andere

plaatsen nog gevormd zullen worden, om in overleg te willen treden.

Doch ik wil uitdrukkelijk verklaren, dat iedere vereeniging, die tot

hetzelfde doel wenscht samen te werken, met instemming zal worden

begroet en dat ik dus bij den oproep tot deze vergadering geen

voorkeur heb willen toonen voor enkele commissies, met

achterstelling van andere. Met groote waardeering heb ik kennis

genomen van de alom getoonde hulpvaardigheid. Zoo vertrouw ik, dat

het hier te stichten comité het middelpunt zal vormen van de

pogingen, die allerwege gedaan worden tot leniging van den nood, en

dat wij allen eenmaal de blijde voldoening zullen smaken, dat menig

bezorgd hart verruimd zal kunnen kloppen. Den Minister van Landbouw,

Nijverheid en Handel mijn oprechten dank voor zijn bereidverklaring,

de leiding van deze vergadering op zich te nemen. Ik verzoek U

thans, onder voorzitterschap van den Minister van Landbouw,

Nijverheid en Handel, Uw beraadslagingen aan te vangen, en vertrouw,

dat gij met den Minister een kern-comité zult vormen”.

Nadat de Koningin haar rede had beeindigd, en mij de leiding der

vergadering had toevertrouwd, sprak ik als volgt:

Majesteit! Gaarne aanvaard ik de leiding dezer bijeenkomst, door U

aan mijn handen toevertrouwd. De tijden zijn hoogst ernstig. Ook al

zucht ons land niet onder de rechtstreeksche verschrikkingen van den

oorlog, en al mogen wij hopen, dat die rechtstreeksche

verschrikkingen aan ons zullen voorbijgaan, toch is de toestand

zorgvol, ook voor Nederland. In het moderne economische leven

vervult het internationale verkeer zulk een overwegende rol, dat

door den plotselingen stilstand van dit verkeer alle lagen des volks

voor moeilijkheden geplaatst worden, waarvan ze zich nog geen goede

voorstelling kunnen maken. Hen, die moeten leven van de opbrengst

van den arbeid, zal die plotselinge stilstand, door het bange

vooruitzicht, dat met den dag toeneemt, met angst vervullen, hun

eenige bron van inkomsten te zien opdrogen. Het economische leven is

als het ware met één slag uit zijn voegen gerukt. Voor maar al te

velen onzer medeburgers beteekent dit: gevaar voor honger. Van

verschillende kanten is gevoeld, dat men tegenover een zóó dreigend

en zóó ernstig gevaar niet mag blijven stilzitten. Vandaar de

oprichting van steuncomité’s in eenige groote steden, vandaar ook de

plannen van verschillenden aard tot leniging van den nood in

bepaalde gevallen of voor bepaalde kringen der bevolking. Uwe

Majesteit, die dezer dagen meer dan ooit met haar volk medeleeft en

een open oog heeft voor de gevaren, die het, niet alleen van

buitenaf, bedreigen, heeft gevoeld, dat, indien er niet eenheid komt

in die pogingen tot voorkoming en tot leniging van nood,

versnippering van krachten daarvan onvermijdelijk gevolg zou zijn en

dat dientengevolge zij, die bedreigd worden, niet half zoo goed

zouden worden geholpen, als het geval zal zijn bij onderlinge

samenwerking tusschen alle comité’s en vereenigingen, die zich

opmaken om voor Nederland het hongergevaar af te wenden. Ik stel er

prijs op te verklaren, dat het juiste inzicht in hetgeen noodig is,

niet van buitenaf tot Uwe Majesteit is gekomen, maar dat het een

uiting is van wat er thans omgaat in Uw eigen hart en in Uw eigen

hoofd.

De gedachte van deze bijeenkomst, en de daad, daaraan door Uwe

tegenwoordigheid en door Uw woord wijding te geven, zijn

uitsluitend van Uwe Majesteit afkomstig. Uw volk heeft recht dit te

weten, en Gij hebt recht, dat Uw volk het wete, al zoudt Gij mij

niet veroorloofd hebben, het hier openlijk te zeggen, indien ik U

vooraf toestemming gevraagd had. Zeker zou ik het niet gewaagd

hebben, hier een mededeeling te doen, die door Uwe Majesteit niet

is gewild, indien ik niet besefte, dat de wetenschap bij heel het

volk, dat het werk, hetgeen wij staan te beginnen, te danken is aan

Uw eigen initiatief, in hooge mate ten goede zal komen aan het

bereiken van het beoogde doel, en indien ik niet mocht vertrouwen,

bij Uwe Majesteit zelf uit dien hoofde verontschuldiging te vinden.

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 11 / 40 段