aan het ontwrichte economisch leven en richting aan het staatsbeleid op
economisch gebied onder de zoo plotseling veranderde omstandigheden,
ontbrak daartoe de tijd. Wat geschiedde kon ook geen uiting zijn van
theoretische overtuiging, want die geldt op economisch gebied alleen
voor normale omstandigheden. Men behoefde zulk eene overtuiging, toen de
toestanden plotseling geheel abnormaal waren geworden, niet af te
zweren, haar niet geschikt te achten om in de rommelkamer te worden
opgeborgen; maar wèl was het besef noodig, dat zij tijdelijk niet tot
leiddraad kon strekken. Men moest zich los maken van theorieën, die
alleen voor normale omstandigheden bedoeld zijn en die, voor zoover zij
het moderne economisch leven betreffen, steeds den meestal
onuitgesproken ondergrond hebben, dat het internationaal verkeer,
behoudens belemmering door protectionistische tarieven, geen hinderpalen
op zijn weg vindt; dat de handel zonder aanzien der nationaliteit, met
dat voorbehoud, ongehinderd en veilig kan worden uitgeoefend en dat
inzonderheid de economische tendensen sterk genoeg werken, om voor elk
modern georganiseerd land schaarschte van levensmiddelen als ernstig
gevaar uitgesloten te achten. Onder die onuitgesproken voorwaarde, is
het voor de overheid geraden den weg der prijszetting niet op te gaan.
Hoezeer ik die meening ben toegedaan, bleek nog kort vóór het uitbreken
van den oorlog, toen ik bij de behandeling der Stuwadoorswet tegen
sterken aandrang zoowel van links als van rechts mijn verzet heb
volgehouden tegen regelingen, welke principieel de kiem van officieele
prijs- of loonzetting van overheidswege in zich droegen.
De oorlog heeft mijn overtuiging te dezen aanzien niet geschokt, maar
het plotseling wegvallen van essentieele factoren uit de gewone
voorwaarden, waaronder het maatschappelijk leven wordt geleefd, onttrok
aan die overtuiging de basis, waarop zij voor practische toepassing
geschikt was. Ik word dan ook niet geplaagd door wroegingen van mijn
economisch geweten omdat ik, zonder aarzeling, er toe heb medegewerkt,
om voor den buitengewonen tijd, waarin de gewone maatschappelijke
levensregelen waren omvergeworpen en waarin toch ook moest worden
geleefd, de vrijheid van het economisch handelen van overheidswege in te
perken voor zoover de omstandigheden dit eischten. De oorlog had
plotseling Europa op economisch gebied, en op dat gebied niet alleen,
meer dan een eeuw teruggezet. De maatregelen, die men nam, moesten
geschikt zijn voor toestanden uit het verleden, welke weer harde
werkelijkheid waren geworden en die, zoo zij al niet middeneeuwsch
waren, toch een middeneeuwschen bijsmaak hadden.
Het heeft aan critiek op het vierkant omzetten van het roer van staat op
economisch gebied bij het uitbreken van den oorlog niet ontbroken. Niet
algemeen was men doordrongen van het besef, dat de zoo plotseling
geworden toestand niet mocht worden gemeten naar gewonen maatstaf, niet
mocht worden beoordeeld naar gewone theorieën en niet kon worden
beheerscht met gewone middelen. In de allereerste weken, toen het
oorlogsgevaar het meest dreigde en de volksvertegenwoordiging evenals de
geheele bevolking nog sterk gevoelde dat het, ook al werden er fouten
begaan, vóór alles noodig was het vertrouwen in de Regeering hoog te
houden;--in de allereerste weken legde de critiek zich zelve het zwijgen
op. Maar die zelfbeheersching is aan sommigen spoedig te machtig
geworden. De veranderde stemming uitte zich niet slechts in critiek op
bepaalde regeeringsdaden; een critiek die, voor zoover zij zakelijk was,
door de Regeering gretig werd aanvaard. Niemand was zoozeer als de
verantwoordelijke personen zelven ervan doordrongen dat bij het zoo
plotseling betreden van reeds sedert eeuwen onbekend geworden paden,
fouten niet konden worden vermeden, en dat zakelijke, opbouwende critiek
er toe kon bijdragen, ze tot het onvermijdelijk minimum terug te
brengen. Maar ook het uitgangspunt van de regeeringsbemoeiing werd als
ondeugdelijk aangetast. De Regeering regeerde te veel; zij liet aan
handel, nijverheid en landbouw te weinig vrijheid, mengde zich te veel
in de verhoudingen op de markt; vergat te veel de wet van vraag en
aanbod. Die boodschap heeft de Regeering reeds spoedig gehoord en
allengs sterker werd zij haar aangezegd; toch heeft zij getoond, dat het
geloof in de juistheid daarvan haar ontbrak. Het is voor het land een
geluk, dat zij zich door die critiek niet van de wijs heeft laten
brengen. Zeker zou zij door aan de wet van vraag en aanbod vrij spel te
laten, minder gelegenheid hebben gehad fouten te maken.
Wie niets doet, maakt ook geen fouten. Maar het niets doen zelf kan een
fout zijn van heel wat ernstigeren aard dan de gebreken, die het
handelen nu eenmaal aankleven. Dat er fouten gemaakt zouden worden, heb
ik van het eerste oogenblik af openlijk erkend. In de vergadering van de
Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 zeide ik daaromtrent: „Dat onder deze
uiterst moeilijke omstandigheden door de Regeering herhaalde malen
fouten zullen worden begaan, dat er maatregelen zullen worden genomen,
waarvan de Regeering zelf na korten tijd zegt: wij hadden dat eigenlijk
anders moeten doen,--ik zou haast zeggen, dat spreekt zoo vanzelf, dat
ik geen oogenblik aarzel om te erkennen, dat ongetwijfeld nu reeds
fouten zijn begaan en er nog veel meer fouten begaan zullen worden.
„Maar--wanneer later wij ter verantwoording zullen worden geroepen,
hoop ik, dat men, waar er fouten kunnen worden geconstateerd--en dat zal
zeker geschieden--hiermede rekenen zal, dat wij onze maatregelen moeten
nemen in een tempo, waarin lang wikken en wegen herhaaldelijk onmogelijk
is, en onder omstandigheden, waarin het veel beter is, dat er van tijd
tot tijd fouten worden begaan, dan dat door lang delibereeren men te
laat komt met de maatregelen, die moeten worden genomen”.
Wat ik toen voorzag, is uitgekomen. Er zijn fouten gemaakt. Voor zoover
ik ze in mijn verhaal tegenkwam, heb ik ze niet verbloemd. Ze te
vermijden zou alleen mogelijk geweest zijn door blindelings te
vertrouwen op economische krachten uit het normale maatschappelijk
leven, zonder er mede rekening te houden, dat die thans voor een goed
deel faalden, en door in dat blind vertrouwen den tijd van handelen te
laten voorbijgaan en de bevolking aan haar lot over te laten.
Had de Regeering de vingerwijzing gevolgd, haar door de hier bedoelde
economische raadslieden in en buiten de Kamer gegeven, de maatregelen
waarover dit hoofdstuk handelt, zouden veel minder in aantal, veel
minder veelzijdig en veel minder ingrijpend zijn geweest, maar de
noodzakelijkheid van voorzieningen in dientengevolge in hun uitwas niet
belemmerde noodtoestanden zou des te dringender zijn geworden. De
economische zwakte zou zich verder hebben uitgebreid en de steun van de
daaronder lijdenden zou nog heel wat omvangrijker hebben moeten zijn,
dan nu reeds het geval was.
Toch is zulk een economische politiek voor den oorlogstijd bepleit,
zelfs met erkenning en aanvaarding van de onvermijdelijkheid van dat
gevolg. Op die wijze zou men de paarden achter den wagen hebben
gespannen; het zou in de oorlogscrisis averechtsche politiek zijn
geweest. De Regeering heeft zich van den aanvang af op het standpunt
geplaatst, dat waar de omstandigheden aan het verkeer niet meer zijn
eigen gang lieten gaan, de politiek van het „laisser faire” minder dan
ooit op haar plaats was. Geen oogenblik heeft bij haar voorgezeten
bepaalde groepen van ingezetenen te belemmeren in het maken van
oorlogswinst, als en voor zoover die gemaakt kon worden zonder de
bevolking in haar geheel op kosten te jagen, welke door ingrijpen van
overheidswege konden vermeden of verminderd worden. Maar geen oogenblik
ook is het bij haar opgekomen, dat zij haar roeping in den moeilijken
oorlogstijd zou hebben vervuld, door het maken van oorlogswinst vrij te
laten, ook daar waar die, zonder noodzaak, zou zijn behaald op kosten
van de geheele bevolking en naar verhouding het meest op kosten van de
minst weerstandskrachtigen. Dit zou geweest zijn het kwaad eerst
ongestoord laten voortwoekeren, om het daarna door steun te verstrekken
niet alleen aan hen, die van het begin af economisch zwak waren, maar
ook aan diegenen, die men dit door zijn stilzitten had laten worden,
weer zoo goed mogelijk te heelen.
Zulk een repressief optreden zou, zelfs voor zoover het had kunnen
slagen, allerlei nadeelen zoowel van stoffelijken als van geestelijken
aard voor de bevolking met zich hebben gebracht. In stede van de groote
verschuivingen in draagkracht en welstand, welke een oorlogstoestand
medebrengt, naar vermogen in te toomen, zou het die tot bergstortingen
hebben laten aangroeien en daarmede de noodzakelijkheid, aan de
slachtoffers de helpende hand toe te steken, zeer hebben vergroot. Dit
zou de schatkist, die toch reeds voor zulke zware uitgaven stond, nog
veel meer hebben gedrukt en het zou verslappend hebben gewerkt, door de
groepen der bevolking, welke, zonder armlastig te zijn, niet voldoende
weerstand konden bieden aan den druk der buitengewone omstandigheden,
ongehinderd in omvang te doen aanzwellen. Op die wijze zouden breedere
lagen der bevolking geleerd hebben, het vertrouwen op eigen kracht prijs
te geven voor het steunen op hulp van elders, dan bij een zooveel
mogelijk preventief optreden, als waartoe de Regeering haar toevlucht
nam, onvermijdelijk was. Daarbij zou de volkskracht onnoodig veel hebben
ingeboet. Ook voor oorlogstijd geldt, dat voorkomen beter is dan
genezen. Met volle bewustheid dat zij daarbij fouten niet zou kunnen
vermijden, heeft de Regeering dien regel in toepassing gebracht.
Daarvoor zal zij zich te verantwoorden hebben, zoo al niet
staatsrechtelijk dan voor de rechtbank der vaderlandsche geschiedenis.
Haar uitgangspunt zal die rechter zeker niet veroordeelen.
HOOFDSTUK III.
VOORKOMEN EN LENIGEN VAN NOOD.
§ 1. _Het Koninklijk Nationaal Steuncomité._
De economische politiek welke door de Regeering in den oorlogstijd werd
toegepast, had wel ten doel en tot gevolg de kringen dergenen, ten
aanzien van wie speciale voorzieningen noodig waren, om hen door den
plotseling ingetreden noodtoestand heen te helpen, zooveel mogelijk te
beperken. Zij kon niet voorkomen, dat zulke speciale voorzieningen
noodig waren, en zij heeft, zonder aarzeling, voor zooveel dergelijke
voorzieningen moesten getroffen worden, daartoe bijgedragen.
De even plotselinge als hevige schok in het maatschappelijk leven, welke
sommigen omhoog wierp, deed te gelijker tijd breede lagen van hen, die
op de grens der zelfstandigheid stonden, naar beneden vallen. Voor
zoover het ingrijpen der overheid dien val niet kon breken, was
steunverleening noodzakelijk. Die noodzakelijkheid werd geheel spontaan
in verschillende gemeenten van het land reeds aanstonds zóó sterk
gevoeld, dat al in de allereerste dagen van Augustus 1914 zich in enkele
plaatsen comité’s vormden, om in de buitengewone behoefte aan hulp en
steun te voorzien. Aan het gelukkig initiatief van Hare Majesteit de
Koningin is het te danken, dat die plaatselijk opgekomen drang geleid
werd in de geregelde banen eener over het geheele land verspreide
organisatie en daardoor een veel grooter en nuttiger uitwerking kon
hebben, dan bij het plaatselijk en zonder algemeen nationaal verband
verstrekken van hulp ware mogelijk geweest.
Bij een audiëntie, welke mij op den avond van 7 Augustus 1914 door de
Koningin werd verleend ter bespreking van reeds genomen en nog te nemen
maatregelen op economisch gebied, gaf Hare Majesteit mij Haar vrees te
kennen, dat de plaatselijk zich vormende comités tot leniging van nood,
ontstaan door den oorlogstoestand, bij gebrek aan onderlinge
samenwerking, zouden leiden tot versnippering van krachten en tot eene
ongewenschte ongelijkheid in de behandeling van mindergegoeden, die als
gevolg van den oorlogstoestand steun zouden behoeven. Ten einde met den
vereischten spoed eenheid te brengen in de spontaan ontsproten
plaatselijke steunbewegingen, had Hare Majesteit het plan opgevat
zichzelve aan het hoofd te stellen van eene centrale nationale
organisatie der steunverleening en werd mij door Haar de wensch te
kennen gegeven, dat ik mij met het ontwerpen van zulk een organisatie
zou onledig houden. Bij die audiëntie zelve werden door mij daaromtrent
voorloopig eenige denkbeelden ontwikkeld, die ik later nog eens
overdacht. Daar er groote haast bij was, moest hier, zooals zoo vaak in
de eerste oorlogsweken, in toepassing worden gebracht „que la nuit porte
conseil”. Als resultaat daarvan schreef ik den volgenden ochtend, 8
Augustus 1914, aan den particulieren secretaris van Hare Majesteit een
brief, waarvan ik den inhoud met Hare toestemming hier laat volgen:
DEN HAAG, 8 Augustus 1914.
HoogEdelGestrenge Heer,
Nadat H. M. de Koningin mij gisteren avond de eer had gedaan mij
Haar wensch kenbaar te maken, zich aan het hoofd te stellen van een
comité dat eenheid en organiek verband kan brengen in de
verschillende pogingen tot leniging en--zoo het kan--tot voorkoming
van nood, door den oorlog in de ons omringende landen en het
oorlogsgevaar hier, heb ik van nacht de zaak nog eens rijpelijk
overdacht. Als gevolg daarvan kom ik er toe, aan H. M. een
eenigszins breederen opzet in overweging te geven dan door mij
gisteren avond mondeling werd opgeworpen.
Wèl blijf ik er bij, dat practisch het werk voor een groot deel kan
uitgaan van den onlangs opgerichte Werkloosheidsraad, waarvan Prof.
De Vooys voorzitter is, maar toch komt het mij, bij nader inzien,
beter voor, de zaak niet aan den Werkloosheidsraad alleen op te
dragen.
Om aan de zaak aanstonds het breede en in elk opzicht onpartijdige
en algemeen nationale karakter te geven, dat hier onmisbaar is,
geef ik thans in overweging het te benoemen comité samen te stellen
uit den _Werkloosheidsraad_ (of zijn dagelijksch bestuur),
voorzitter Prof. De Vooys; de _Algemeene Armencommissie_,
voorzitter Jhr. Mr. J. H. J. Quarles van Ufford en het Hoofdbestuur
hetzij van „_Arbeid adelt_”, hetzij van „_Tesselschade_”. Welke van
deze twee vrouwenvereenigingen voor dit doel het meest in
aanmerking komt, kan H. M. zelve of H. M. de Koningin-Moeder beter
beoordeelen dan ik.
De hoofdleiding zou dan kunnen liggen bij een dagelijksch bestuur
gevormd door de voorzitters van de drie genoemde organisaties. Daar
H. M. te kennen gaf dat Zij het noodig oordeelt dat er samenwerking
zij tusschen het op te richten comité en het departement van
Landbouw enz., een samenwerking die inderdaad hoogst gewenscht is,
zou de volgende regeling van de hoofdleiding m.i. passend kunnen
zijn.
H. M. de Koningin, _Beschermvrouwe_ of _Eere-Voorzitster_, ter
beslissing van H. M. zelve; de ondergeteekende, in hoedanigheid van
Minister van Landbouw enz., _voorzitter_; de drie bedoelde
presidenten _onder-voorzitters_. Mijne bedoeling zou dan zijn, de
leiding feitelijk in handen te laten van de drie onder-voorzitters
als college van dagelijksch bestuur. Maar bij deze organisatie zou
er voor zijn gezorgd, dat ik bij meer of minder principieele
beslissingen medezeggenschap zou hebben.
Ik heb Prof. De Vooys er op voorbereid, dat hij van avond bij H. M.
zal worden ontboden en ik zal overeenkomstig Haar verlangen hem
voorloopig op de hoogte brengen van de wenschen en bedoelingen van
H. M. ten aanzien van deze aangelegenheid. Tevens zal ik hem van
den inhoud van dezen brief mededeeling doen.
Mocht H. M., niettegenstaande Hare drukke en drukkende
werkzaamheden in deze ernstige dagen, gelegenheid hebben nog vóór
heden avond van dezen brief kennis te nemen, dan zou bij de
audientie welke Zij aan Prof. De Vooys wil verleenen, kunnen
blijken in hoever het in enkele algemeene trekken hier neergelegde
plan van organisatie met de wenschen van H. M. strookt.
Ik heb gezocht naar eene combinatie van bestaande organisaties,
omdat op deze wijze 1º de zaak in enkele dagen is in elkaar te
zetten, 2º het gevaar van gevoeligheden op te wekken--een gevaar
dat bij het uitkiezen van individueele personen haast niet te
vermijden zijn zou--tot de kleinste afmetingen wordt teruggebracht,
en 3º de grootste waarborg wordt verkregen dat het comité een
waarlijk nationaal karakter zal dragen.
Mocht blijken dat ook Staatshulp hier niet te ontberen zijn zal,
dan zou ook de Regeering in een aldus samengesteld comité het
orgaan kunnen vinden, dat ook de Staatssteun verdeelt en brengt
waar hij noodig is en zou op deze wijze Koninklijk en particulier
initiatief met Staatszorg op, naar het mij wil voorkomen, gelukkige
wijze zijn gecombineerd.
Ik heb van dit schrijven mededeeling gedaan aan mijne ambtgenooten.
Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn,
HoogEdelGestrenge Heer
Uw dienstw.
TREUB.
HoogEdelGestrengen Heere
F. M. L. Baron VAN GEEN,
Particulier Secretaris van H. M. de Koningin.
Gelijk ik in den brief mededeelde, had ik denzelfden dag een onderhoud
met den heer de Vooys, wien ik er op voorbereidde, dat hij des avonds
ten Paleize zou worden ontboden en met wien ik het denkbeeld van de
Koningin en de wijze van uitvoering daarvan besprak in verband met de
audientie die hem zou worden verleend. Het resultaat van onze
besprekingen en van het nader overleg door Hare Majesteit met Prof. de
Vooys ter audientie gepleegd, was dat ten einde aan de zaak een zoo
algemeen mogelijk karakter te geven, het aantal vereenigingen, dat
uitgenoodigd werd tot de vergadering ter constitueering van de in het
leven te roepen nationale steun-organisatie belangrijk werd uitgebreid.
Zondag 9 Augustus werden de uitnoodigingen tot bijwoning der vergadering
telegrafisch verzonden. De vergadering zelve had plaats Maandag 10
Augustus des namiddags te 3 uur in de Trèves-zaal. Aanwezig waren
omstreeks 60 personen, meerendeels vertegenwoordigers der opgeroepen
vereenigingen.
Het was een plechtig oogenblik, toen de Koningin, die zonder eenig
gevolg ter vergadering verscheen, door mij werd binnengeleid. Ieder der
aanwezigen gevoelde het treffende van het feit, dat de Koningin op zulk
een wijze deelnam aan een bijeenkomst, belegd om eenheid en kracht te
geven aan de pogingen tot voorkoming en leniging van nood in den
oorlogstijd, en door Hare tegenwoordigheid en Haar woord de groote
beteekenis van hetgeen stond te gebeuren en den diepen ernst van den
toestand, die moest worden beheerscht, te onderstrepen. Ook aan de
Koningin zelve was het aan te zien dat Zij onder den indruk was van de
beteekenis van Haar onder zulke omstandigheden en met zulk een doel
zonder eenige praal, in den grootsten eenvoud, verschijnen te midden van
een aantal vertegenwoordigers van vereenigingen met een zeer
uiteenloopend karakter, maar die alle dit eene gemeen hadden, dat zij
konden medewerken aan het denkbeeld ter verwezenlijking waarvan de
vergadering was bijeengeroepen.
Ter vergadering waren behalve vertegenwoordigers van de vereenigingen en
commissies, welke door de Koningin in Haar toespraak werden genoemd,
aanwezig vertegenwoordigers van het Nederlandsch Verbond van
Vakvereenigingen, het Bureau van de Roomsch Katholieke Vakorganisatie,
het Christelijk Vaksecretariaat en het Nederlandsch Verbond van Neutrale
Vakvereenigingen, voorts hoogst enkele persoonlijk uitgenoodigden, onder
wie met name zijn te noemen de heeren C. J. K. van Aalst, president der
Nederlandsche Handel-Maatschappij en Dr. D. Bos, alsmede eenige heeren,
die zich hadden bereid verklaard hunne persoonlijke medewerking bij de
uitvoering van het plan te verleenen.
Ter vergadering verschenen, nam Hare Majesteit plaats tusschen den heer
Van Aalst en mij en sprak Zij, onmiddellijk na Haar binnentreden, de
volgende rede uit:
„De berichten, die tot mij komen omtrent de stoornis of den
stilstand in bedrijven, ontstaan ten gevolge van den oorlog en het
ten onzent bestaande oorlogsgevaar, doch bovenal de kommer en de
zorg, die mij allerwegen tegemoet treden, waar ik mij beweeg te
midden van mijn volk, vervullen mij met groote deernis voor de
velen, die in zoo benarde omstandigheden verkeeren. Het is daarom,
dat ik een beroep doe op al mijn landgenooten, die tot helpen in
staat zijn, ten einde met mij eendrachtig de handen ineen te slaan
om plannen te beramen en uit te voeren, opdat aan den nood, voor
zoover dit in ons vermogen ligt, het hoofd worde geboden. Daartoe
heb ik gemeend in de eerste plaats de medewerking te moeten inroepen
van den Werkloosheidsraad, van de Algemeene Armen-commissie, van den
Nationalen Vrouwenraad, van den Tuinbouwraad, van het
Landbouwcomité, van de Maatschappij van Nijverheid en van de
plaatselijke commissies, die zich te Amsterdam, Rotterdam, ’s
Gravenhage en Utrecht gevormd hebben, en naar ik hoop in andere
plaatsen nog gevormd zullen worden, om in overleg te willen treden.
Doch ik wil uitdrukkelijk verklaren, dat iedere vereeniging, die tot
hetzelfde doel wenscht samen te werken, met instemming zal worden
begroet en dat ik dus bij den oproep tot deze vergadering geen
voorkeur heb willen toonen voor enkele commissies, met
achterstelling van andere. Met groote waardeering heb ik kennis
genomen van de alom getoonde hulpvaardigheid. Zoo vertrouw ik, dat
het hier te stichten comité het middelpunt zal vormen van de
pogingen, die allerwege gedaan worden tot leniging van den nood, en
dat wij allen eenmaal de blijde voldoening zullen smaken, dat menig
bezorgd hart verruimd zal kunnen kloppen. Den Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel mijn oprechten dank voor zijn bereidverklaring,
de leiding van deze vergadering op zich te nemen. Ik verzoek U
thans, onder voorzitterschap van den Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel, Uw beraadslagingen aan te vangen, en vertrouw,
dat gij met den Minister een kern-comité zult vormen”.
Nadat de Koningin haar rede had beeindigd, en mij de leiding der
vergadering had toevertrouwd, sprak ik als volgt:
Majesteit! Gaarne aanvaard ik de leiding dezer bijeenkomst, door U
aan mijn handen toevertrouwd. De tijden zijn hoogst ernstig. Ook al
zucht ons land niet onder de rechtstreeksche verschrikkingen van den
oorlog, en al mogen wij hopen, dat die rechtstreeksche
verschrikkingen aan ons zullen voorbijgaan, toch is de toestand
zorgvol, ook voor Nederland. In het moderne economische leven
vervult het internationale verkeer zulk een overwegende rol, dat
door den plotselingen stilstand van dit verkeer alle lagen des volks
voor moeilijkheden geplaatst worden, waarvan ze zich nog geen goede
voorstelling kunnen maken. Hen, die moeten leven van de opbrengst
van den arbeid, zal die plotselinge stilstand, door het bange
vooruitzicht, dat met den dag toeneemt, met angst vervullen, hun
eenige bron van inkomsten te zien opdrogen. Het economische leven is
als het ware met één slag uit zijn voegen gerukt. Voor maar al te
velen onzer medeburgers beteekent dit: gevaar voor honger. Van
verschillende kanten is gevoeld, dat men tegenover een zóó dreigend
en zóó ernstig gevaar niet mag blijven stilzitten. Vandaar de
oprichting van steuncomité’s in eenige groote steden, vandaar ook de
plannen van verschillenden aard tot leniging van den nood in
bepaalde gevallen of voor bepaalde kringen der bevolking. Uwe
Majesteit, die dezer dagen meer dan ooit met haar volk medeleeft en
een open oog heeft voor de gevaren, die het, niet alleen van
buitenaf, bedreigen, heeft gevoeld, dat, indien er niet eenheid komt
in die pogingen tot voorkoming en tot leniging van nood,
versnippering van krachten daarvan onvermijdelijk gevolg zou zijn en
dat dientengevolge zij, die bedreigd worden, niet half zoo goed
zouden worden geholpen, als het geval zal zijn bij onderlinge
samenwerking tusschen alle comité’s en vereenigingen, die zich
opmaken om voor Nederland het hongergevaar af te wenden. Ik stel er
prijs op te verklaren, dat het juiste inzicht in hetgeen noodig is,
niet van buitenaf tot Uwe Majesteit is gekomen, maar dat het een
uiting is van wat er thans omgaat in Uw eigen hart en in Uw eigen
hoofd.
De gedachte van deze bijeenkomst, en de daad, daaraan door Uwe
tegenwoordigheid en door Uw woord wijding te geven, zijn
uitsluitend van Uwe Majesteit afkomstig. Uw volk heeft recht dit te
weten, en Gij hebt recht, dat Uw volk het wete, al zoudt Gij mij
niet veroorloofd hebben, het hier openlijk te zeggen, indien ik U
vooraf toestemming gevraagd had. Zeker zou ik het niet gewaagd
hebben, hier een mededeeling te doen, die door Uwe Majesteit niet
is gewild, indien ik niet besefte, dat de wetenschap bij heel het
volk, dat het werk, hetgeen wij staan te beginnen, te danken is aan
Uw eigen initiatief, in hooge mate ten goede zal komen aan het
bereiken van het beoogde doel, en indien ik niet mocht vertrouwen,
bij Uwe Majesteit zelf uit dien hoofde verontschuldiging te vinden.