Minder gemakkelijk ging het met de graanboeren en met de handelaars in

binnenlandsch graan. Deze konden zich niet indenken in den nieuwen

toestand, die door den oorlog en door de maatregelen, welke de Regeering

in verband daarmede nemen moest en nemen mocht, was geboren. Zij meenden

dat de zoogenaamde wet van vraag en aanbod (een economische „wet” welke

meer aangehaald dan begrepen wordt) meer kracht had en moest houden dan

de Rijkswet, welke aan de Regeering het middel in de hand had gegeven om

terughouding en prijsopdrijving van waren tegen te gaan. Zij verkozen

niet zich aan de maximumprijzen voor inlandsche tarwe en rogge te

houden, tenzij die prijzen niet lager waren dan op de graanmarkt konden

worden bedongen. Natuurlijk kon de Regeering zich zulk een houding van

de graanboeren en van den graanhandel niet laten welgevallen. Toen de

Groningsche graanbeurs, de grootste graanbeurs van het land, blijk gaf

zich aan de gestelde maximum-prijzen voor inlandsche tarwe en inlandsche

rogge niet te storen en telegrafische uiteenzetting aan den voorzitter

dier beurs van de onhoudbaarheid van het standpunt van den graanhandel

en van den plicht van dien handel om zich evengoed als ieder ander te

houden aan de wettelijk vastgestelde maximum-prijzen, geen effect had,

zat er niet anders op dan het graan, dat aldaar ter beurze werd

aangevoerd, door den burgemeester te doen in beslag nemen. Ik ging tot

dien maatregel zeer ongaarne over en ik heb eenige dagen geaarzeld vóór

ik dat deed; achteraf gezien ware het beter geweest, dat ik minder

gedraald had en op het eerste bericht had ingegrepen met alle middelen

die de levensmiddelenwet den Minister van Landbouw in oorlogstijd geeft.

Men meene intusschen niet, dat naar mijn oordeel speciaal de Groningsche

graanhandel en de Groningsche boeren zich vergrepen hebben en daardoor

ongunstig afsteken bij hun vakgenooten in andere deelen van het land,

zooals geheel ten onrechte wel uit uitlatingen, door mij als Minister

gedaan, is afgeleid. Het conflict tusschen de Regeering eenerzijds en

graanhandel en graanboeren aan den anderen kant speelde zich alleen

hierom in de provincie Groningen eerder en in meer geprononceerden vorm

af, omdat de graanbouw aldaar van meer beteekenis is dan in andere

provinciën, en vooral omdat de Groningsche beurs een leidende rol in den

graanhandel vervult. De meening die bij sommigen schijnt te hebben

postgevat, dat de Groningsche boeren onhandelbaarder waren dan de

landbouwers in andere provinciën mist elken grond. Over het algemeen

viel over medewerking van de zijde der boeren ter vergemakkelijking van

de uitvoering van regeeringsmaatregelen, welke door den oorlogstoestand

noodig waren geworden, niet te roemen; de Groninger boeren hebben het

echter in dit opzicht niet erger gemaakt dan de anderen. De billijkheid

eischt bovendien te erkennen, dat ook in andere kringen der bevolking

niet te veel op medewerking kon worden gerekend, als het maatregelen

gold, die een streep haalden door oorlogswinsten, welke men meende te

kunnen behalen.

Over het algemeen hebben de moeilijkheden ten aanzien van het

binnenlandsche broodkoren zich meer voorgedaan bij de rogge dan bij de

tarwe. Er wordt meer rogge dan tarwe verbouwd, daar de laatste

graansoort zwaarderen grond noodig heeft dan de rogge; bovendien wordt

de hier verbouwde rogge in normale omstandigheden voor het grootste deel

in het boerenbedrijf zelf als veevoeder, speciaal varkensvoeder,

gebruikt. Bij de schaarschte aan rogge niet minder dan aan tarwe als

grondstof voor brood, kon in den oorlogstijd niet vrijelijk worden

toegelaten dat een eenigszins aanzienlijk deel daarvan voor veevoeder

werd besteed. Het was hier echter gemakkelijker het doel te stellen dan

de maatregelen die tot bereiking daarvan moesten leiden, door te voeren.

Het is wel duidelijk, dat, om een oogenblik bij de provincie Groningen

te blijven, de inbezitneming van het aangevoerde graan op de Groningsche

beurs, indien de maatregel op zich zelf was blijven staan, weinig had

kunnen baten. Het gevolg zou dan geweest zijn, dat ten deele à la barbe

van de wet, buiten de beurs om, voorraden zouden zijn verhandeld, tegen

hoogere dan de vastgestelde maximumprijzen en dat voor een ander deel de

voorraden door de boeren zouden zijn vastgehouden, hetzij met

speculatief oogmerk, hetzij tot gebruik in het eigen bedrijf. De

inbezitneming ter beurze moest gevolgd worden en werd gevolgd door de

inbezitneming van de aanwezige voorraden rogge en tarwe bij de boeren

zelf. Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Niet alleen moest

er mede rekening worden gehouden, dat het boerenbedrijf niet geheel van

rogge kon worden verstoken, te minder omdat er schaarschte was ook aan

veevoeder, met name aan maïs, en de prijs hiervan ver boven het normale

was opgeloopen, maar bovendien was een deel van de rogge en de tarwe

ongedorscht en werd zij in ongedorschten toestand vaak onder andere

graanvruchten of onder peulvruchten bewaard. Daarbij kwam nog dat, als

de maatregel der inbezitneming goed zou werken, de medewerking der

burgemeesters noodig was niet alleen voor de inbezitneming zelve, maar

ook voor de distributie van het inbezitgenomene onder de bakkers, voor

zoover het niet voor andere gemeenten was bestemd. In een vergadering

van burgemeesters uit de provincie Groningen werden de verschillende

moeilijkheden besproken en werd besloten aan de Regeering mede te

deelen, dat een krachtig optreden volgens een van te voren goed

overwogen plan noodig scheen en dat zij bij de uitvoering van zulk een

plan op de medewerking der Groninger burgemeesters zou kunnen rekenen.

Naar aanleiding van die vergadering kwamen drie burgemeesters uit de

provincie mij op het Departement van Landbouw bezoeken en mij hunne

meening zeggen over hetgeen zou kunnen en zou moeten geschieden, om

zooveel mogelijk rogge voor brood beschikbaar te houden en de boeren

zonder te veel onbillijkheid en te veel ongelijkheid te behandelen. Voor

de Groninger burgemeesters was de tarwe als broodkoren van veel minder

belang dan de rogge, omdat Groningen behoort tot de provinciën waar het

gewone brood van de bevolking niet gebakken wordt uit tarwebloem of

tarwemeel, maar uit zoogenaamde gebroken rogge. De zekerheid van de

medewerking der burgemeesters van de provincie Groningen maakte het

mogelijk voor die provincie een maatregel door te voeren, welke tevens

als proef voor de andere provinciën zou kunnen dienen. De burgemeester

van Veendam, Jhr. Mr. E. A. van Beresteijn, die bij het geheele optreden

der Groninger burgemeesters in deze gewichtige aangelegenheid de leiding

had gehad, verklaarde zich op mijn verzoek bereid, de afdeeling van het

Departement van Landbouw, welke zich daarmede inzonderheid had bezig te

houden, bij het ontwerpen der regeling van de inbezitneming van rogge en

van de distributie van het in bezit genomene ter zijde te staan. Zoo

kwam mijne circulaire van 5 October 1914 aan de burgemeesters in de

provincie Groningen tot stand, waarbij hun opdracht werd gegeven, de

rogge en de tarwe in hunne gemeenten, voor zoover dat graan in het

bedrijf niet strikt noodzakelijk was, in bezit te nemen. De

inbezitneming der tarwe was op zichzelf minder noodig; tot dien

maatregel werd hoofdzakelijk overgegaan om de inachtneming der daarop

gestelde maximumprijzen op de Groninger beurs af te dwingen. Toen dit

doel was bereikt, kon de tarwe ongeveer 14 dagen later weer worden

vrijgegeven.

Bij circulaire van 20 October 1914 gaf ik den burgemeesters der

gemeenten in de overige provinciën in overweging, onverwijld over te

gaan tot het voor rekening der gemeenten aankoopen van alle partijen

rogge binnen de gemeente, voor zoover zij voor de broodbakkerijen

geschikt waren. Ten einde te bewerken, dat de burgemeesters bij het

gevolg geven aan dien aandrang niet los van elkander zouden handelen,

noodigde ik de Commissarissen der Koningin uit, hun invloed te doen

gelden, opdat zooveel mogelijk samenwerking zou worden verkregen

tusschen de verschillende burgemeesters in hunne provincie en zoodoende

zou kunnen worden bereikt, dat een overschot in de eene gemeente kon

strekken tot dekking van een tekort in eene andere. Daarbij werd in

overweging gegeven, dat een „roggecommissie” zou worden ingesteld, die

als centraal lichaam in de provincie de verdeeling der rogge over de

verschillende gemeenten leiden zou. In alle provinciën, waarin daaraan

behoefte bestond, werden als gevolg van het beroep op de medewerking van

de Commissarissen der Koningin zulke rogge-commissies ingesteld; vóór

het einde van het jaar 1914 was in elke provincie een zoodanige

commissie.

Hoewel die commissies onder de centrale leiding van het Rijksgraanbureau

zeer nuttig werkzaam waren, bleef het roggevraagstuk voortdurend veel

hoofdbreken kosten. Een aantal boeren ging, ondanks de maatregelen die

van den Haag uit genomen of bevorderd werden, voort de rogge, die zij

hadden, aan hun vee, voornamelijk aan de varkens, op te voeren, en onder

de burgemeesters ten platte lande waren er maar al te veel, wier

medewerking om dit tegen te gaan veel, zoo niet alles te wenschen

overliet. Den boeren, die aldus niet alleen tegen de bedoelingen der

Regeering in handelden, maar bovendien gevaar deden ontstaan voor gebrek

aan brood in die streken, waar het roggebrood volksvoedsel is, valle men

intusschen niet al te hard. Te verontschuldigen is hun handelwijze niet;

verzachtende omstandigheden daarvoor zijn er wèl. Rogge is in normale

omstandigheden in hoofdzaak een voederartikel in het bedrijf van den

boer zelf en aan dat voederartikel was nu nog meer behoefte, nu de maïs

schaarsch en peperduur was geworden.

Om hierin te voorzien, was reeds door mij de aanvoer van maïs van

Regeeringswege en de distributie daarvan onder de boeren ter hand

genomen. De heer Posthuma ging in die richting met kracht voort. Om bij

de distributie der maïs zoo goed mogelijk georiënteerd te zijn over de

behoeften aan veevoeder ter vervanging van rogge in de verschillende

plattelandsgemeenten, werd door hem den 17den December 1914 aan de

Commissarissen der Koningin verzocht op te geven, in welke gemeenten het

in beslag nemen van rogge een noodtoestand ten opzichte van het

veevoeder veroorzaakt had. Intusschen was reeds in het laatst van

November aan de burgemeesters der gemeenten, waarin door de bevolking

algemeen roggebrood wordt gegeten, in overweging gegeven, te bevorderen,

dat de inlandsche gebroken rogge met buitenlandsch tarwemeel zou

worden vermengd en hun medegedeeld, dat uit proeven was gebleken dat

op die wijze een zeer smakelijk baksel werd verkregen. Toen het

met die raadgeving ging, zooals het, jammer genoeg, met dergelijke

wenken in den regel is gegaan, d. w. z. toen het meerendeel der

plattelandsburgemeesters de circulaire, waarin die raad werd gegeven,

eenvoudig naast zich neerlegden, schreef de Minister van Landbouw op 19

Januari 1915 voor, dat het verboden zou zijn verder roggebrood te bakken

dat niet voor de helft uit tarwemeel zou bestaan. _Iets_ zal dat wel

geholpen hebben, maar de Regeering hing bij de uitvoering ook van dit

voorschrift in hoofdzaak van de medewerking der plattelandsburgemeesters

af; en....

In Juli 1915 meende de Minister van Landbouw, met een ernstig beroep op

de boeren om niet meer rogge als veevoeder te gebruiken dan strikt

noodzakelijk was en met herinnering aan hetgeen de Regeering gedaan had

en nog steeds deed om maïs ter beschikking te stellen, ter vermijding

van de in het vorig jaar gerezen moeilijkheden, alsook in verband met de

gewijzigde omstandigheden, de proef te kunnen nemen met het niet

toepassen voor den oogst van 1915 der in 1914 genomen maatregelen,

„zoodat de landbouwers dus vooralsnog de vrije beschikking (konden)

behouden over dezen oogst”. Doch reeds in Augustus d. a. v. bleek dat

het zóó, zonder meer, niet ging. Een nieuwe circulaire moest aan de

burgemeesters worden gericht, om hun medewerking in te roepen opdat er

voldoende rogge voor menschelijk voedsel in de streken, waar algemeen

roggebrood en geen tarwebrood gegeten wordt, behouden zou blijven. De

grootere vrijheid die in 1915 werd gelaten, heeft evenwel niet voldaan,

al werd zij spoedig in dezer voege ingekort, dat de burgemeesters der

roggeverbouwende gemeenten er voor hadden te waken, dat niet meer rogge

dan strikt noodzakelijk was als veevoeder werd gebruikt, en dat, voor

zoover in hun gemeente rogge ten verkoop beschikbaar was, dat broodkoren

tegen de gestelde maximale prijzen door tusschenkomst van de

roggecommissies alleen en uitsluitend aan het Rijk zou worden verkocht.

Deze commissies hadden er dan voor te zorgen, dat de aangekochte rogge

zou worden gedistribueerd over de gewesten, welke daaraan voor brood

behoefte hadden. Voor 1916 moesten weer strengere maatregelen getroffen

worden.

Het is met de rogge een ware lijdensgeschiedenis geweest en het zal dat,

naar ik vrees, tot het einde van den oorlogstoestand blijven. Deze

aangelegenheid en de moeilijkheden, welke daaraan verbonden waren, zijn

op zich zelf van zoodanig belang, dat zij eenigszins uitvoerig behandeld

moesten worden. Bovendien zijn zij ook van gewicht om te doen uitkomen,

hoe eenzijdig en daardoor hoe onjuist de bewering is, welke van

agrarische zijde werd geuit, als zou de zorg der Regeering voor de

levensmiddelenvoorziening een zorg zijn voor de stedenbewoners op kosten

van de boeren. Rogge wordt in de steden weinig verbruikt. Het is

daarentegen, naast den aardappel, het hoofdvoedsel van de

plattelandsbevolking in het Noord-Oosten en het Oosten van het land. Het

spreekt van zelf, dat de maatregelen welke in het belang der

volksvoeding moesten worden genomen, in het algemeen meer drongen voor

de stedelingen dan voor de bewoners van het platteland. Deze laatsten

krijgen als regel veel minder spoedig gebrek aan levensmiddelen dan de

eersten; niet alleen omdat velen hunner zelf wat aardappelen en groenten

telen, maar ook omdat zij het voorrecht hebben van dichter bij de bron

te zitten en alleen reeds daardoor gemakkelijker geholpen worden of zich

hulp kunnen verschaffen. Vandaar dat de levensmiddelenpolitiek der

Regeering wel in de eerste plaats op de ingezetenen der steden moest

gericht zijn. Daaruit af te leiden dat dus de Regeering de belangen der

stedelingen boven die van het platteland voortrok, mist elken grond.

Over het algemeen kon het platteland zich zelf helpen en konden de

steden het niet. Voor zoover ook het platteland gevaar liep van gebrek

te zullen lijden, greep de Regeering evengoed in, als wanneer zulk een

gevaar den steden bedreigde; de roggevoorzieningen zijn hiervan

sprekende en afdoende getuigen.

Het is daarom te minder te vergoelijken, dat over het algemeen op de

medewerking der plattelandsburgemeesters bij de uitvoering der

maatregelen, welke ten doel hadden land- en tuinbouwproducten tegen niet

te hoogen prijs voor de bevolking beschikbaar te houden, zoo weinig viel

te rekenen. Herhaaldelijk bleek, dat een aantal hunner, zoo zij al niet

zelf landbouwbelangen hadden, welke met het algemeen volksbelang in den

oorlogstijd in botsing kwamen, weinig geneigdheid toonden het noodige

voor de volksvoeding te doen, wanneer daarbij aan winstkansen van de

boeren in hun gemeente een breidel werd aangelegd. Bij de beoordeeling

van de vaak onbevredigende uitvoering van op zich zelf niet slechts goed

bedoelde maar ook goed overwogen en voorbereide maatregelen, waarbij op

de medewerking inzonderheid van de plattelandsburgemeesters moest worden

vertrouwd, mag dit niet uit het oog worden verloren. De zorgzaamheid

voor het bedrijf van de eigen bevolking, voor zoover het gemeentebestuur

daartoe kan medewerken, is onder normale omstandigheden in den

burgemeester eener plattelandsgemeente een onvermengde ambtsdeugd te

achten. In een abnormalen tijd als de oorlog heeft te weeg gebracht, met

zijn ingrijpen in den uitvoer en in de prijsvorming binnenslands en zijn

noodzakelijkheid van inbeslagneming van hetgeen noodig is en niet

vrijwillig wordt ter beschikking gesteld, kan zij een hinderpaal blijken

voor spoedige en correcte uitvoering van regeeringsmaatregelen in het

belang der verbruikende bevolking. Men moet trachten dien hinderpaal zoo

goed mogelijk te ontgaan; ruw ter zijde stellen kan men hem niet, zonder

gevaar te loopen later, als weer normale tijden zullen zijn

teruggekeerd, te zullen bespeuren, dat men, misleid door den drang der

omstandigheden, het kind met het badwater heeft uitgeworpen. Een

buitenburgemeester, die sterk voor de belangen van zijn gemeentenaren,

dat wil hier in den regel zeggen, voor de boerenbelangen gevoelt en

opkomt, kan in den oorlogstijd vaak hinderlijk zijn; onder normale

omstandigheden zijn zulke burgemeesters de besten voor de gemeenten aan

welker hoofd zij staan, en daarmede indirect voor het land in zijn

geheel. Ik zeg dit niet om daarmede alle buitenburgemeesters schoon te

wasschen. Er zijn er voor wie dit den moriaan geschuurd zou wezen en die

verdienden van hun ambt te worden ontheven; maar het ongunstig oordeel,

dat in deze tijden zoo vaak over de buitenburgemeesters werd geveld, is

in zijn algemeenheid onbillijk en onverdiend, al moge het verklaarbaar

zijn, als uiting van wrevel over schaarschte en duurte van land- en

tuinbouwproducten, welke bij hartelijker medewerking van die zijde vaak

beter ware te voorkomen en te bestrijden geweest.

Waar ik ook zelf onder gebrek aan medewerking van

plattelandsburgemeesters heb gezucht en op dat euvel in de vorige

bladzijden de aandacht heb moeten vestigen, scheen het billijk en niet

overbodig ook op de andere zijde van het vraagstuk het licht te doen

vallen. Die burgemeesters toonden in den oorlogstoestand, voor zoover

zij uit overweging van het belang hunner gemeentenaren en niet bloot uit

traagheid of onverschilligheid passieven weerstand boden, les défauts de

leurs qualités. Het was alleen wat jammer, dat in een tijd, waarin de

Regeering zulk een behoefte had aan aller medewerking, die „défauts” een

werking ten kwade hadden, die heel wat sterker uitkwam dan de werking

ten goede in vredestijd van de „qualités” der door mij bedoelde

burgemeesters.

Doch ik ben nog niet ten einde met hetgeen door de Regeering in het

belang der broodvoorziening werd gedaan. Toen niettegenstaande de

verschillende maatregelen, die in het belang der volksvoeding werden

genomen, de prijzen van allerlei levensmiddelen toch voortdurend stegen

en ook de tarwe en het tarwemeel, welke van Amerika en Argentinië werden

aangevoerd, zoowel wegens de hoogere inkoopsprijzen als wegens de

stijgende scheepsvrachten, steeds duurder werden, besloot zij voor een

der hoofdposten op het budget der bevolking, het brood, een maatregel te

treffen, waardoor dit ver beneden den prijs, dien de tarwe aan het Rijk

kostte en eerder beneden dan boven den normalen prijs, beschikbaar werd

gesteld. Die maatregel werd uiteengezet in de circulaire van Minister

Posthuma aan de gemeentebesturen van 24 April 1915. Voordat het daartoe

kwam, zijn er gedachtenwisselingen tusschen den Minister van Landbouw en

de burgemeesters der groote steden gevoerd, die aanvankelijk dreigden

niet tot eenig resultaat te zullen leiden. De Minister stelde zich op

het volkomen verklaarbare standpunt dat hij geen maatregelen op het

gebied der volksvoeding mocht nemen, welke het Rijk op groote uitgaven

zouden te staan komen, als hij het effect daarvan niet bepaalde tot die

lagen der bevolking welke wegens hun beperkt inkomen, in de termen

vielen op ’s Rijks kosten te worden geholpen. De burgemeesters voerden

van hun standpunt met niet minder recht aan, dat zij, indien brood of

ander voedsel op ’s Rijks kosten tegen verminderden prijs werd

beschikbaar gesteld, niet in staat waren, regelingen te treffen tot

schifting tusschen degenen, die daarvan wel mochten profiteeren en hen,

die daarbuiten behoorden te blijven. Men kwam toen tot een middenweg,

die hier inderdaad wel den naam van gulden middenweg verdient, niet

alleen omdat hij het Rijk op een aanzienlijk aantal guldens is te staan

gekomen.

In de eerste plaats, zoo redeneerde de Minister van Landbouw, bereik ik

hetzelfde met een hoofdbestanddeel van het budget der bevolking terug te

brengen tot of beneden vredespeil, als met het in veel mindere

verhouding in prijs drukken van een aantal voedingsartikelen. Brood

heeft elk huishouden noodig en de grootste huishoudens het meest. Waar

nu de medewerking der burgemeesters onmisbaar was en deze geen kans

zagen goedkoop brood alleen ter beschikking te stellen van de

minvermogende ingezetenen hunner gemeente, nam men zijn toevlucht tot

algemeene verkrijgbaarstelling met een dubbele rem. Deze bestond hierin:

1º. werd alleen ongebuild tarwebrood, bruinbrood, (of ongebuild

tarwemeel) ter beschikking gesteld; zij die wittebrood wenschten te eten

en zich die weelde konden veroorloven, moesten daarvoor een prijs

blijven betalen, die de verschillende kosten dekt; 2º. werd het bruine

regeeringsbrood alleen verstrekt aan hen die aan het gemeentebestuur een

brood- (of meel-) kaart aanvroegen. De broodkaart gaf recht op een half

kilogram ongebuild tarwebrood per dag en per persoon tegen contante

betaling van zes centen per half kilogram. Ook voor de uitvoering van

dezen maatregel was nog heel wat administratie noodig. Maar aangezien

door de feitelijke verandering welke, zooals boven werd uiteengezet, het

bakkerijbedrijf in den oorlogstijd had ondergaan, de bakkers indirect

toch reeds onder overheidscontrole stonden, was het mogelijk een

regeling van de broodkaarten te treffen, waarbij al te groote

knoeierijen werden voorkomen. Voor die gemeenten waar het roggebrood

volksvoedsel is, werd een overeenkomstige regeling getroffen als ten

aanzien van het tarwebrood voor de andere gemeenten. Ten einde het den

gemeentebesturen gemakkelijk te maken, werd bij de circulaire van 24

April 1915 door den Minister van Landbouw een model gevoegd van een door

het gemeentebestuur te maken uitvoeringsbeschikking.

De bruinbroodregeling kost aan het Rijk heel wat, maar dat geld is bij

uitstek goed besteed; het goedkoope bruine brood was in tal van gezinnen

met kleine beurzen een ware uitkomst. Helaas is men bij het beoordeelen

van regeeringsmaatregelen maar al te zeer geneigd de goede uitkomsten

daarvan spoedig te vergeten en zich zelf en anderen over de minder goede

resultaten op te winden en, naar aanleiding daarvan, den

verantwoordelijken bewindsman het „steenigt hem” toe te schreeuwen.

Minister Posthuma heeft die eenzijdige en hoogst onbillijke beoordeeling

van zijn moeilijk en ondankbaar werk ruimschoots ondervonden.

* * * * *

Tot slot van dit hoofdstuk schijnt mij een korte beschouwing over het

algemeen karakter van de daarin besproken maatregelen en van de

daartegen geopperde principieele critiek niet misplaatst. De Regeering

heeft, zooals uit het volgend hoofdstuk nader blijken zal, zich niet

onttrokken, waar en voor zoover dit noodig was, haar medewerking te

verleenen bij het steunen van economisch zwakkeren, op wie de druk der

tijden bijzonder zwaar neerkwam. Maar toch was haar streven in de

allereerste plaats gericht niet op het lenigen maar op het voorkomen van

nood, en heeft zij zich bovenal toegelegd op het algemeen beschikbaar

stellen en beschikbaar houden van voorraden tegen redelijke prijzen. Het

te hulp komen der mindergegoeden door maatregelen, die alleen hen

betroffen, werd niet verwaarloosd maar kwam eerst in de tweede plaats.

Voor zoover ik aan de inzetting van deze vreedzame economische

oorlogspolitiek heb medegewerkt, is daarover door mij weinig

gephilosofeerd.

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 10 / 40 段