levensmiddelenwet kon de Regeering niet volstaan. De zorg voor de
levensmiddelenvoorziening eischte nog andere en nog dieper ingrijpende
maatregelen. Bij alles wat tot nog toe besproken werd, trad de Regeering
slechts regelend op; zij belemmerde buitensporigheden ten aanzien van
den uitvoer en van prijzen van voedingsartikelen, maar liet binnen het
aldus afgebakende terrein de zorg voor de voortbrenging en de
distributie dier artikelen zelf, voor zoover zij niet krachtens de
levensmiddelenwet in bezit waren genomen of ingevolge de regeling der
uitvoerconsenten „vrijwillig” ter beschikking van de Regeering waren
gesteld, aan hen over, die daarvoor ook in normale omstandigheden
zorgen, aan de boeren, de tuinders, de groothandelaren, de grossiers en
de winkeliers. Dit ging goed, behoudens de in § 1 besproken
moeilijkheden van de distributie der regeeringswaren, voor al die
producten, waarvan het land zelf meer voortbrengt dan voor de eigen
behoefte der bevolking noodig is, en het kon volstaan voor
levensmiddelen, welke van elders moeten worden ingevoerd, maar waarvan
het beschikbaar zijn voor de voeding der bevolking wèl gewenscht, maar
niet broodnoodig is. Voor één voedingsmiddel, waarvan de grondstof hier
niet in voldoende mate voortgebracht wordt en dat wèl broodnoodig is,
kon het _niet_ volstaan. Dat was voor het brood zelf. Ten einde zeker te
zijn, dat aan broodkoren geen gebrek zou komen, moest de Regeering zelve
den invoer daarvan ter hand nemen. Reeds in de eerste weken na het
uitbreken van den oorlog bleek het noodzakelijk, hiertoe over te gaan en
omtrent de distributie van het graan onder de meelfabrikanten en den
afzet van het meel door die fabrikanten maatregelen te nemen, waardoor
het karakter der meelfabrieken en indirect ook dat van de bakkerijen
grootendeels veranderde. Van bedrijven, die voor eigen rekening hun
grondstof kochten en hun product aan hun afnemers afleverden, werden de
meelfabrieken loonmaalderijen, die hun grondstof tegen een bepaalden
prijs van de Regeering ontvingen en hun product tegen dienzelfden prijs,
verhoogd met hetgeen als maalloon was berekend, aan de bakkerijen hadden
af te leveren. Bij de bakkerijen had dezelfde karakterwijziging plaats,
hoewel het hier niet zoo duidelijk in het oog sprong, daar deze hun
grondstof, althans grootendeels, niet rechtstreeks van Rijkswege
ontvingen maar van de meelfabrikanten, die formeel hun eigen
zelfstandig bedrijf waren blijven uitoefenen en hun product als eigen
handelswaar aan de bakkers afleverden. Dit was echter slechts de
uiterlijke vorm waaronder de meelfabrieken en bakkerijen in den
oorlogstijd werkten, in wezen werden deze bedrijven verlengstukken van
het Departement van Landbouw, dat hun de grondstoffen leverde en hunne
verkoopsprijzen vaststelde.
Toen ik op 26 Augustus 1914 als Minister van Landbouw eenige vragen van
den heer Troelstra en van andere kamerleden betreffende den economischen
toestand beantwoordde, was de Rijksgraanhandel, wegens de zorg die de
geregelde aanvoer van broodkoren baren moest, indien deze bij de
moeilijkheden, welke de oorlog ter zee aan handel en scheepvaart
berokkende, aan de particuliere graanimporteurs werd overgelaten, reeds
in voorbereiding.
„Er wordt--zoo zeide ik in die vergadering--voor de Regeering dezer
dagen door een van degenen die de Regeering nu met hun ervaring op
handelsgebied steunen, in Londen onderzocht of het mogelijk is
contracten af te sluiten tot aankoop in Amerika van graan voor de
Regeering zelf. Ik kan daaromtrent op het oogenblik geen nadere
mededeelingen doen, omdat degene, die daarvoor in Londen is en, naar ik
hoopte, gisteren zou zijn teruggekomen, heden zich nog niet heeft
gemeld, wat met de tegenwoordige moeilijke communicatiemiddelen zeer
begrijpelijk is.” Daarmede doelde ik op den heer A. G. Kröller, die niet
alleen bij de regeling van de graanaanvoeren voor Rijksrekening aan de
Regeering groote diensten heeft bewezen. Op die mededeeling liet ik
volgen, dat ook een belangrijke hoeveelheid meel was overgenomen van een
handelaar die meel in Amerika in koop had en „dat hoogstwaarschijnlijk
in de volgende dagen nog belangrijkere hoeveelheden op dezelfde wijze
zullen worden overgenomen door de Regeering, zoodat er dan van
regeeringswege zal worden verscheept meel op cognossement geconsigneerd
voor de Regeering op een neutraal schip. Zeer vermoedelijk zal hetzelfde
binnenkort gebeuren met tarwe en voor zooveel noodig met rogge”.
Die verwachting is vooral uitgekomen wat de tarwe betreft. Van de
overneming van Amerikaansch meel van handelaren, die dat in Amerika in
koop hadden, is niet veel gekomen. Bij de onderhandelingen daarover
bleek namelijk, dat de ter overneming aangeboden partijen, op hooge
uitzonderingen na, niet vrij waren, namelijk dat verschillende
binnenlandsche afnemers die partijen reeds tegen bepaalde prijzen in
voorkoop hadden en dat de Regeering, als zij ze overgenomen had,
daarmede tevens de daaromtrent gesloten contracten had moeten gestand
doen. Over die zaak werden door mij en door mijn opvolger aan het
Departement van Landbouw herhaalde besprekingen met belanghebbenden
gevoerd, zonder dat het mogelijk was tot overeenstemming te komen op een
basis, die voor beide partijen aannemelijk bleek. Er werd later ook wel
tarwemeel uit Amerika voor Rijksrekening aangevoerd, maar indien mijne
herinnering mij niet bedriegt, zijn dit in den regel partijen geweest
welke voor de Regeering zelfstandig in Amerika werden gekocht, niet
partijen die van Nederlandsche meelimporteurs werden overgenomen,
althans niet voor zoover de aankoop van die partijen dagteekende van
vóór den oorlog. Ook rogge is niet in belangrijke mate van overzee
gekomen; er werd wel gepoogd dit broodkoren tegen redelijke prijzen in
Amerika te koopen, maar de rogge-export zoowel van Noord-Amerika als van
Argentinië is, in verhouding tot den tarwe-uitvoer, zóó gering, dat
groote rogge-aankoopen niet mogelijk waren.
Doch ik loop op deze wijze onwillekeurig op het verloop van de
Regeeringszorg voor de broodvoorziening vooruit. In de vergadering van
de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 moest ik aan mijne mededeeling
toevoegen: „dat de quaestie van tarwemeel en tarwe de werkelijk ernstige
zorg van de Regeering eischt.”
„Toen ik eenige dagen geleden,--zoo vervolgde ik--sprak van een voorraad
voor slechts 2 of 3 weken, zonder hetgeen in beslag genomen is te
Rotterdam, was dit volstrekt niet te pessimistisch gesproken. Er was met
dien in beslag genomen voorraad voor slechts hoogstens 4 weken. Daarvan
zijn thans weer 10 dagen voorbij, en men kan aannemen, dat ongeveer 10
millioen K.G. tarwe per week voor onze bevolking, afgezien van de rogge
en andere voedingsmiddelen, noodig is. Het geldt dus inderdaad een zaak
van zeer ernstige overweging.”
De besprekingen door den heer Kröller te Londen gevoerd, hadden gelukkig
het gewenschte resultaat. Het bleek mogelijk een geregelden aankoop van
tarwe in Amerika voor Rijksrekening te organiseeren. Het bleef bovendien
niet bij den aankoop van regeeringswege van tarwe, rogge en meel, ook
veevoederartikelen werden in overzeesche landen voor Rijksrekening
gekocht. De veevoederaankoop en -distributie laat ik hier intusschen
onbesproken; ik kom daarop in hoofdstuk V terug.
De aankoop van het broodkoren in Amerika werd opgedragen aan den heer C.
A. P. van Stolk, die daarbij zou handelen in overleg met den heer
Kröller. Door de zaak aan deze heeren in handen te geven, was de
Regeering zeker dat de aankoopen zouden geschieden door bij uitstek
bevoegden en dat niet door onoordeelkundig optreden van personen, die op
het gebied van den graanhandel niet geheel vertrouwd waren, voor het
regeeringsgraan hoogere prijzen zouden worden besteed, dan noodig was.
Het spreekt wel vanzelf dat het aan deze wijze van doen verbonden nadeel
voor de Regeering niet verborgen bleef. Daardoor werden de
graanimporteurs uitgeschakeld en schiep het Rijk zich een tijdelijk
monopolie, dat bovendien, voor zoover er bij de uitoefening daarvan toch
van deskundigen gebruik moest worden gemaakt, tot gevolg had dat de
provisie welke voor de aankoopen door het Rijk verschuldigd werd,
slechts aan een tweetal firma’s ten goede kwam. Van het aanbod van den
heer Van Stolk om geheel belangeloos voor de Regeering in deze op te
treden, heb ik aanstonds gemeend geen gebruik te mogen maken.
Handelszaken moeten ook in oorlogstijd, al worden zij van Rijkswege
gedreven, naar handelsgebruik worden behandeld. De provisie werd
intusschen veel lager gesteld, dan in normale omstandigheden
gebruikelijk is en zij werd later op voorstel der heeren van Stolk en
Kröller nog verlaagd; dit neemt intusschen den principieelen kant van
het bezwaar niet weg. Maar.... het was onvermijdelijk en het moest op
den koop worden meegenomen. Had men den aankoop in Amerika aan
verscheiden importeurs opgedragen of de gewone importeurs allen laten
mededingen en wat zij in Amerika zouden koopen voor het Rijk van hen
overgenomen, dan zou men niet hebben kunnen verhinderen dat zij, door
met elkander als koopers op de Amerikaansche markt te concurreeren, den
prijs hadden opgedreven en zou het Rijk duurder zijn uitgekomen. Dit zou
het geval zijn geweest, zonder dat eenige overvraging van de zijde der
importeurs had behoeven plaats te hebben, en zelfs al had men een
afdoende contrôle hebben kunnen inrichten om pogingen tot overvraging
tegen te gaan. Door den oorlog waren zooveel graanexporteerende landen
van de wereldmarkt uitgeschakeld, dat de vraag zoowel in de Vereenigde
Staten als in Argentinië toch reeds ver buiten de normale verhouding tot
het aanbod was gestegen. Het was daarom dubbel noodig een regeling te
treffen, waarbij althans voorkomen werd, dat de Regeering door het
intermediair van een aantal tusschenpersonen bovendien nog met zichzelve
in concurrentie zou treden. Niet dat bij dien aankoop te veel werd
gecentraliseerd, is te betreuren geweest; als er hier een fout werd
begaan, ligt zij in het niet volledig doorzetten der centralisatie van
den aankoop.
Niettegenstaande het aan het legerbestuur bekend was, dat aan het
Departement van Landbouw een tijdelijk Rijksgraanbureau was
georganiseerd, ging de legerintendance maandenlang door, met voor de
legerbehoeften zelf in Amerika graan in te koopen. In hoever die
concurrentie invloed heeft gehad op de prijzen, welke door het
Rijksgraanbureau besteed moesten worden, is niet na te gaan. Ik wil
aannemen dat, waar de Amerikaansche graanmarkt door zooveel landen werd
bestormd, die invloed niet van beteekenis is geweest, maar wèl heeft de
uitkomst bewezen, dat het voor het leger bestemde graan aan het Rijk
minder zou hebben gekost, indien ook de legerintendance haar eigen
aankoopen niet had voortgezet en van de tusschenkomst van het
Rijksgraanbureau had gebruik gemaakt.
Intusschen was het aankoopen van het benoodigde broodkoren in Amerika
voor Rijksrekening ter voorziening in de behoefte van broodvoeding wel
veel, maar niet alles. Ook de binnenlandsche distributie van het
aangekochte moest geregeld worden. Hierbij behoefde gelukkig de
bestaande tusschenhandel niet te worden uitgeschakeld; wel echter was
noodig dat de distributie van een centraal punt uit werd beheerscht en
gecontroleerd, opdat terughouding en prijsopdrijving van het
regeeringsgraan van meet af onmogelijk zou worden gemaakt. Toen ik zocht
naar iemand, die aan het hoofd van zulk een Rijksdistributiebureau kon
worden gesteld, werd mijn aandacht gevestigd op den heer A. G. A. van
Eelde, een civiel-ingenieur die door den aard van het werk dat hij in
den regel verricht, veel en velerlei ervaring heeft opgedaan en wien de
leiding van zulk een bureau met vol vertrouwen in zijn onpartijdigheid
kon worden opgedragen. Toevallig was de heer van Eelde tijdelijk
beschikbaar en was hij bereid de Regeering ter zijde te staan, echter
stond hij er op, zijn dienst belangeloos aan het land te verleenen en
moest die wensch worden geëerbiedigd.
De inrichting van het Rijksdistributiebureau van graan en meel is,
natuurlijk onder oppertoezicht van- en in overleg met den
verantwoordelijken Minister, geheel door den heer van Eelde geschied,
die gedurende den tijd, dat hij aan het hoofd daarvan heeft gestaan, d.
w. z. gedurende de maanden waarin alles moest worden georganiseerd en in
gang gezet, aan het land groote diensten heeft bewezen. Hier was, in
tegenstelling met hetgeen bij den aankoop hoofdzaak was, handelskennis
en ervaring op de graanmarkt bijzaak; hoofdzaak was hier, naast
organiseerend talent, volstrekte onpartijdigheid tegenover de
verschillende bij de distributie uit elkander loopende belangen en
helderheid van inzicht, gepaard aan stevigheid van karakter, opdat
partijdige adviezen, ook al werden die te goeder trouw gegeven, als
zoodanig werden doorzien en van hun partijdigen kant ontdaan, van wien
of van wie het advies ook kwam. De inrichting en het op gang brengen van
het Rijksgraanbureau was waarlijk geen gemakkelijke taak, maar ik meen
te mogen zeggen, dat bij de vervulling daarvan geen groote fouten werden
begaan en dat na eenig zoeken en tasten het bureau getoond heeft op de
hoogte te zijn van de opgaaf, waarvoor het zonder eenige voorbereiding
werd gesteld.
In de Eerste Economische Nota werd over den Rijksaankoop van granen en
voederartikelen en over het Rijksdistributiebureau van die waren gezegd:
„Bij de uitoefening van dezen zeer buitengewonen diensttak zit de
dubbele bedoeling voor: 1º. zoolang deze dienst zal werken, de
distributie der aangekochte artikelen zooveel mogelijk te doen
geschieden met gebruikmaking van de diensten van hen, die in het vrije
verkeer gewoon zijn die distributie te bezorgen, en 2º. zoodra gebleken
zal zijn, dat de toevoer langs den minder van het gewone verkeer
afwijkenden weg van aankoop door particuliere importeurs, met
adresseering van de goederen aan de Regeering, zonder dat deze goederen
daardoor ophouden geheel voor rekening der importeurs te zijn, in
voldoende mate verzekerd kan worden, zich allengs terug te trekken en
zoodoende den invoerhandel, voor zoover dat onder de tegenwoordige
omstandigheden mogelijk is, zoo spoedig mogelijk weer tot de
particuliere importeurs terug te leiden”.
Het tweede deel van deze tweeledige bedoeling is voor den oorlogstijd
een vrome wensch gebleven. Behalve de bezwaren die ik zooeven reeds
noemde, verzette zich tegen de vervulling daarvan eene allengs meer
nijpende schaarschte aan scheepsruimte, gepaard met toenemende
moeilijkheden, waarmede ook de onzijdige scheepvaart te kampen had. Deze
laatste bezwaren wogen voor de Regeering natuurlijk evenzeer als voor
particuliere importeurs, maar zij konden toch bij gecentraliseerden
aanvoer voor Rijksrekening gemakkelijker worden overwonnen. Daartoe werd
o.a. al heel spoedig met de Holland-Amerika lijn gecontracteerd over het
beschikbaar houden van de noodige laadruimte voor het vervoer van
regeeringsgraan en werd er zooveel mogelijk de hand aan gehouden, dat
bij vertraagde naleving van de aangegane verplichtingen, het beroep op
overmacht tot ernstige uitzonderingsgevallen zou worden beperkt.
De verzekering van den geregelden toevoer van de noodige tarwe alsook
van rogge, voor zoover die kon worden verkregen, was zulk een
levensbelang voor de bevolking, dat proefnemingen met vrijlating van den
aanvoer door particuliere importeurs niet mochten worden genomen. Bij
sommige veevoederartikelen, met name ten aanzien van maïs, geschiedde
dat wel, maar het resultaat was zoo weinig bevredigend, dat aan
uitbreiding daarvan tot het broodkoren niet viel te denken. Een schip op
het strand, een baken in zee.
Bij de graandistributie kwamen, vooral in den aanvang, toen er nog geen
regeling was, die eenige vastheid had verkregen, moeilijkheden van zeer
verschillenden aard voor, die nog vergroot werden, doordat plotseling in
bestaande verhoudingen moest worden ingegrepen en er voor gezorgd moest
worden, dat dit ingrijpen niet tot te groote ongelijkheden en
onbillijkheden voeren zou.
Een der eerste vragen die beantwoord moest worden, was het bedrag waarop
de maximum-prijs voor graan en meel moest worden vastgesteld. Deze vraag
deed zich reeds aanstonds voor, eenige weken zelfs voordat het
Rijksgraanbureau in werking trad. Zij was hierom nog te moeilijker,
omdat op het oogenblik dat zij door de omstandigheden werd gesteld en
zonder verwijl beantwoord moest worden, er nog geen zekerheid bestond
of, en zoo ja op welke wijze, regelmatige aanvoer van Amerikaansch graan
kon worden verkregen. De maximum-prijsbepaling voor het meel zoowel als
voor het inlandsche graan moest dus geschieden onafhankelijk van den
prijs voor het uitheemsche graan, waarvan hier nog slechts een voorraad
voor 2 of 3 weken aanwezig was. Als gevolg van een langdurige
bespreking, welke ik in het midden van Augustus in het bijzijn der
betrokken afdeelingschefs op het Departement van Landbouw had met enkele
meelfabrikanten en enkele bakkers, werd de maximum-prijs van het
tarwemeel door mij bepaald op ƒ 14 per 100 K.G. In de vergadering van de
Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 zeide ik daaromtrent, in antwoord aan
den heer Troelstra:
„De prijs van het tarwemeel was lager en het is dus niet te ontkennen,
dat sommigen, die een eenigszins grooten voorraad meel hadden, door deze
hoogere prijszetting een zeker voordeel hebben behaald. Aan den anderen
kant moet men echter niet vergeten, dat de prijs van het meel, die nu
officieel is vastgesteld op ƒ 14 per 100 K.G., buitengewoon laag is in
verhouding tot den prijs van de Amerikaansche tarwe, welke prijs
ongeveer ƒ 16, ƒ 17, ƒ 18 is, en welke tarwe niet gemist kan worden voor
vermenging met inlandsche tarwe ter bereiding van goed brood. Men heeft
dus deze abnormaliteit, dat de prijs van het meel per 100 K.G.
belangrijk lager is dan de prijs van de Amerikaansche tarwe op dit
oogenblik.
„Dit nu is uitstekend te verdedigen, aangezien inderdaad bij die
prijszetting gerekend werd met de hoeveelheid, die men reeds had. Doch
daartegenover staat, dat in het vrij verkeer, als men de zaken had laten
gaan, op het oogenblik de prijs van het meel, die vastgesteld is op ƒ
14, ongetwijfeld zou zijn ƒ 20 en daarboven.... Men heeft natuurlijk bij
deze prijszetting allerlei moeilijkheden, en precies juist zal men het
wel nooit doen. Maar dat deze prijs te hoog zou zijn gesteld, meen ik,
alle omstandigheden in aanmerking genomen, te moeten betwisten.”
Al heel spoedig na die prijszetting kwamen bij het Departement van
Landbouw berichten in, dat sommige meelfabrikanten toch boven den
vastgestelden maximum-prijs verkochten en zelfs dat een burgemeester,
wien de schrik om het hart geslagen was, een partij meel van een
meelfabrikant in zijn gemeente in koop had aangenomen voor ƒ 20 per 100
K.G. Door eenige telegrammen, waarbij aan burgemeesters opdracht werd
gegeven de voorraden bij enkele onwillige meelfabrikanten in hunne
gemeente in beslag te nemen, en waarbij de circulaire van 8 Augustus
omtrent de wijze van taxatie werd in herinnering gebracht, kwam men deze
moeilijkheden spoedig te boven. De meelfabrikanten maakten bij den
vastgestelden maximum-prijs voor hun voorraad toch niet zulke slechte
zaken en hoewel zij, als men de zaak op haar beloop had gelaten, daaraan
heel wat meer verdiend zouden hebben, moesten zij wel „faire bonne mine
à mauvais jeu”, omdat hun spoedig duidelijk werd, dat diegenen onder
hen, die zich niet goedschiks aan de regeeringsmaatregelen onderwierpen,
gevaar liepen bij de distributie van het regeeringsgraan te worden
voorbijgegaan.
Meer moeilijkheden dan bij de prijszetting van het meel leverde het op,
de medewerking van de meelfabrikanten te verkrijgen bij de uitvoering
van een maatregel,--waartoe enkele gemeentebesturen spoedig na het
uitbreken van den oorlog, na overleg met- en met groote instemming van
het Departement van Landbouw besloten--er toe strekkende dat binnen de
gemeente, behalve voor zieken, geen wittebrood mocht worden gebakken. De
toestand was in den aanvang van den oorlogstoestand zóó onzeker, dat
verschillende proeven werden genomen met „noodbrood”. Zelfs werd mij als
proef een brood toegezonden, bestaande voor een deel uit tarwemeel, voor
een deel uit gedroogde aardappelen. Toen dit brood versch was, rook het
inderdaad heel goed en was de smaak ook niet onaangenaam, maar een dag
later was het reeds heelemaal duf geworden. Het noodbrood met 20 of 30
pct. rijstemeel hield zich daarentegen zeer goed en dit werd dan ook in
vele gemeenten _het_ brood. Algemeen was de medewerking der
gemeentebesturen echter niet. In één der publicaties van het Kon. Nat.
Steuncomité wordt over het noodbrood-tijdperk geschreven: „Langzaam aan
heeft het noodbrood zich omgevormd in het gewone bruinbrood en de kleur
hiervan is hoe langer hoe witter geworden. In sommige gemeenten is
echter, vrijwel de geheele crisis door, wit brood in groote hoeveelheden
verkrijgbaar geweest, terwijl andere gemeenten tijden gekend hebben,
waarin uitsluitend of bijna uitsluitend bruin brood verkrijgbaar was. En
terwijl sommige gemeenten reeds vóór de regeeringsmaatregelen uit
zichzelf hare inwoners beperking in het verbruik van tarwebloem
oplegden, waren er andere, die zelfs na het afkondigen van de
regeeringsmaatregelen de magen der bewoners klaarblijkelijk wilden
sparen”.
Onder de hierbedoelde maatregelen die van regeeringswege werden genomen,
neemt een eerste plaats in, dat aan de meelfabrikanten werd opgedragen,
de regeeringstarwe niet tot bloem, maar met een kleine uitzondering voor
zieken en zwakken alleen tot ongebuild meel te vermalen. Tot het
opleggen van die verandering in het bedrijf kon ik als Minister van
Landbouw overgaan reeds vóórdat regeeringstarwe van over zee was
aangevoerd, omdat ter regeling van de verhouding tusschen het Rijk en de
meelfabrikanten, de Regeering ook de voorraden van de meelfabrikanten
had overgenomen. Bij de voorbereiding van dien maatregel, die tot
December 1914 gehandhaafd moest worden, werd aanvankelijk van de zijde
der meelfabrikanten het technische bezwaar geopperd, dat hunne fabrieken
wel ingericht waren op de voortbrenging van bloem, maar niet van
ongebuild meel. Met eenigen goeden wil bleek dat echter, met kleine
tijdelijke veranderingen in de inwendige inrichting der fabrieken, wel
te ondervangen. Voor zoover ik mij herinner, werd slechts een enkele
fabrikant op een poging tot listige ontduiking der regeling, waaraan hij
zich had onderworpen, betrapt. De ernstige waarschuwing, dat hij bij
herhaling geen tarwe meer ter vermaling zou krijgen en zijn fabriek
gedurende den oorlogstoestand wel zou kunnen stopzetten, was intusschen
voldoende om dien fraudeur tot reden te brengen.