Doch ook met beperking en regeling van den uitvoer en met toepassing der

levensmiddelenwet kon de Regeering niet volstaan. De zorg voor de

levensmiddelenvoorziening eischte nog andere en nog dieper ingrijpende

maatregelen. Bij alles wat tot nog toe besproken werd, trad de Regeering

slechts regelend op; zij belemmerde buitensporigheden ten aanzien van

den uitvoer en van prijzen van voedingsartikelen, maar liet binnen het

aldus afgebakende terrein de zorg voor de voortbrenging en de

distributie dier artikelen zelf, voor zoover zij niet krachtens de

levensmiddelenwet in bezit waren genomen of ingevolge de regeling der

uitvoerconsenten „vrijwillig” ter beschikking van de Regeering waren

gesteld, aan hen over, die daarvoor ook in normale omstandigheden

zorgen, aan de boeren, de tuinders, de groothandelaren, de grossiers en

de winkeliers. Dit ging goed, behoudens de in § 1 besproken

moeilijkheden van de distributie der regeeringswaren, voor al die

producten, waarvan het land zelf meer voortbrengt dan voor de eigen

behoefte der bevolking noodig is, en het kon volstaan voor

levensmiddelen, welke van elders moeten worden ingevoerd, maar waarvan

het beschikbaar zijn voor de voeding der bevolking wèl gewenscht, maar

niet broodnoodig is. Voor één voedingsmiddel, waarvan de grondstof hier

niet in voldoende mate voortgebracht wordt en dat wèl broodnoodig is,

kon het _niet_ volstaan. Dat was voor het brood zelf. Ten einde zeker te

zijn, dat aan broodkoren geen gebrek zou komen, moest de Regeering zelve

den invoer daarvan ter hand nemen. Reeds in de eerste weken na het

uitbreken van den oorlog bleek het noodzakelijk, hiertoe over te gaan en

omtrent de distributie van het graan onder de meelfabrikanten en den

afzet van het meel door die fabrikanten maatregelen te nemen, waardoor

het karakter der meelfabrieken en indirect ook dat van de bakkerijen

grootendeels veranderde. Van bedrijven, die voor eigen rekening hun

grondstof kochten en hun product aan hun afnemers afleverden, werden de

meelfabrieken loonmaalderijen, die hun grondstof tegen een bepaalden

prijs van de Regeering ontvingen en hun product tegen dienzelfden prijs,

verhoogd met hetgeen als maalloon was berekend, aan de bakkerijen hadden

af te leveren. Bij de bakkerijen had dezelfde karakterwijziging plaats,

hoewel het hier niet zoo duidelijk in het oog sprong, daar deze hun

grondstof, althans grootendeels, niet rechtstreeks van Rijkswege

ontvingen maar van de meelfabrikanten, die formeel hun eigen

zelfstandig bedrijf waren blijven uitoefenen en hun product als eigen

handelswaar aan de bakkers afleverden. Dit was echter slechts de

uiterlijke vorm waaronder de meelfabrieken en bakkerijen in den

oorlogstijd werkten, in wezen werden deze bedrijven verlengstukken van

het Departement van Landbouw, dat hun de grondstoffen leverde en hunne

verkoopsprijzen vaststelde.

Toen ik op 26 Augustus 1914 als Minister van Landbouw eenige vragen van

den heer Troelstra en van andere kamerleden betreffende den economischen

toestand beantwoordde, was de Rijksgraanhandel, wegens de zorg die de

geregelde aanvoer van broodkoren baren moest, indien deze bij de

moeilijkheden, welke de oorlog ter zee aan handel en scheepvaart

berokkende, aan de particuliere graanimporteurs werd overgelaten, reeds

in voorbereiding.

„Er wordt--zoo zeide ik in die vergadering--voor de Regeering dezer

dagen door een van degenen die de Regeering nu met hun ervaring op

handelsgebied steunen, in Londen onderzocht of het mogelijk is

contracten af te sluiten tot aankoop in Amerika van graan voor de

Regeering zelf. Ik kan daaromtrent op het oogenblik geen nadere

mededeelingen doen, omdat degene, die daarvoor in Londen is en, naar ik

hoopte, gisteren zou zijn teruggekomen, heden zich nog niet heeft

gemeld, wat met de tegenwoordige moeilijke communicatiemiddelen zeer

begrijpelijk is.” Daarmede doelde ik op den heer A. G. Kröller, die niet

alleen bij de regeling van de graanaanvoeren voor Rijksrekening aan de

Regeering groote diensten heeft bewezen. Op die mededeeling liet ik

volgen, dat ook een belangrijke hoeveelheid meel was overgenomen van een

handelaar die meel in Amerika in koop had en „dat hoogstwaarschijnlijk

in de volgende dagen nog belangrijkere hoeveelheden op dezelfde wijze

zullen worden overgenomen door de Regeering, zoodat er dan van

regeeringswege zal worden verscheept meel op cognossement geconsigneerd

voor de Regeering op een neutraal schip. Zeer vermoedelijk zal hetzelfde

binnenkort gebeuren met tarwe en voor zooveel noodig met rogge”.

Die verwachting is vooral uitgekomen wat de tarwe betreft. Van de

overneming van Amerikaansch meel van handelaren, die dat in Amerika in

koop hadden, is niet veel gekomen. Bij de onderhandelingen daarover

bleek namelijk, dat de ter overneming aangeboden partijen, op hooge

uitzonderingen na, niet vrij waren, namelijk dat verschillende

binnenlandsche afnemers die partijen reeds tegen bepaalde prijzen in

voorkoop hadden en dat de Regeering, als zij ze overgenomen had,

daarmede tevens de daaromtrent gesloten contracten had moeten gestand

doen. Over die zaak werden door mij en door mijn opvolger aan het

Departement van Landbouw herhaalde besprekingen met belanghebbenden

gevoerd, zonder dat het mogelijk was tot overeenstemming te komen op een

basis, die voor beide partijen aannemelijk bleek. Er werd later ook wel

tarwemeel uit Amerika voor Rijksrekening aangevoerd, maar indien mijne

herinnering mij niet bedriegt, zijn dit in den regel partijen geweest

welke voor de Regeering zelfstandig in Amerika werden gekocht, niet

partijen die van Nederlandsche meelimporteurs werden overgenomen,

althans niet voor zoover de aankoop van die partijen dagteekende van

vóór den oorlog. Ook rogge is niet in belangrijke mate van overzee

gekomen; er werd wel gepoogd dit broodkoren tegen redelijke prijzen in

Amerika te koopen, maar de rogge-export zoowel van Noord-Amerika als van

Argentinië is, in verhouding tot den tarwe-uitvoer, zóó gering, dat

groote rogge-aankoopen niet mogelijk waren.

Doch ik loop op deze wijze onwillekeurig op het verloop van de

Regeeringszorg voor de broodvoorziening vooruit. In de vergadering van

de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 moest ik aan mijne mededeeling

toevoegen: „dat de quaestie van tarwemeel en tarwe de werkelijk ernstige

zorg van de Regeering eischt.”

„Toen ik eenige dagen geleden,--zoo vervolgde ik--sprak van een voorraad

voor slechts 2 of 3 weken, zonder hetgeen in beslag genomen is te

Rotterdam, was dit volstrekt niet te pessimistisch gesproken. Er was met

dien in beslag genomen voorraad voor slechts hoogstens 4 weken. Daarvan

zijn thans weer 10 dagen voorbij, en men kan aannemen, dat ongeveer 10

millioen K.G. tarwe per week voor onze bevolking, afgezien van de rogge

en andere voedingsmiddelen, noodig is. Het geldt dus inderdaad een zaak

van zeer ernstige overweging.”

De besprekingen door den heer Kröller te Londen gevoerd, hadden gelukkig

het gewenschte resultaat. Het bleek mogelijk een geregelden aankoop van

tarwe in Amerika voor Rijksrekening te organiseeren. Het bleef bovendien

niet bij den aankoop van regeeringswege van tarwe, rogge en meel, ook

veevoederartikelen werden in overzeesche landen voor Rijksrekening

gekocht. De veevoederaankoop en -distributie laat ik hier intusschen

onbesproken; ik kom daarop in hoofdstuk V terug.

De aankoop van het broodkoren in Amerika werd opgedragen aan den heer C.

A. P. van Stolk, die daarbij zou handelen in overleg met den heer

Kröller. Door de zaak aan deze heeren in handen te geven, was de

Regeering zeker dat de aankoopen zouden geschieden door bij uitstek

bevoegden en dat niet door onoordeelkundig optreden van personen, die op

het gebied van den graanhandel niet geheel vertrouwd waren, voor het

regeeringsgraan hoogere prijzen zouden worden besteed, dan noodig was.

Het spreekt wel vanzelf dat het aan deze wijze van doen verbonden nadeel

voor de Regeering niet verborgen bleef. Daardoor werden de

graanimporteurs uitgeschakeld en schiep het Rijk zich een tijdelijk

monopolie, dat bovendien, voor zoover er bij de uitoefening daarvan toch

van deskundigen gebruik moest worden gemaakt, tot gevolg had dat de

provisie welke voor de aankoopen door het Rijk verschuldigd werd,

slechts aan een tweetal firma’s ten goede kwam. Van het aanbod van den

heer Van Stolk om geheel belangeloos voor de Regeering in deze op te

treden, heb ik aanstonds gemeend geen gebruik te mogen maken.

Handelszaken moeten ook in oorlogstijd, al worden zij van Rijkswege

gedreven, naar handelsgebruik worden behandeld. De provisie werd

intusschen veel lager gesteld, dan in normale omstandigheden

gebruikelijk is en zij werd later op voorstel der heeren van Stolk en

Kröller nog verlaagd; dit neemt intusschen den principieelen kant van

het bezwaar niet weg. Maar.... het was onvermijdelijk en het moest op

den koop worden meegenomen. Had men den aankoop in Amerika aan

verscheiden importeurs opgedragen of de gewone importeurs allen laten

mededingen en wat zij in Amerika zouden koopen voor het Rijk van hen

overgenomen, dan zou men niet hebben kunnen verhinderen dat zij, door

met elkander als koopers op de Amerikaansche markt te concurreeren, den

prijs hadden opgedreven en zou het Rijk duurder zijn uitgekomen. Dit zou

het geval zijn geweest, zonder dat eenige overvraging van de zijde der

importeurs had behoeven plaats te hebben, en zelfs al had men een

afdoende contrôle hebben kunnen inrichten om pogingen tot overvraging

tegen te gaan. Door den oorlog waren zooveel graanexporteerende landen

van de wereldmarkt uitgeschakeld, dat de vraag zoowel in de Vereenigde

Staten als in Argentinië toch reeds ver buiten de normale verhouding tot

het aanbod was gestegen. Het was daarom dubbel noodig een regeling te

treffen, waarbij althans voorkomen werd, dat de Regeering door het

intermediair van een aantal tusschenpersonen bovendien nog met zichzelve

in concurrentie zou treden. Niet dat bij dien aankoop te veel werd

gecentraliseerd, is te betreuren geweest; als er hier een fout werd

begaan, ligt zij in het niet volledig doorzetten der centralisatie van

den aankoop.

Niettegenstaande het aan het legerbestuur bekend was, dat aan het

Departement van Landbouw een tijdelijk Rijksgraanbureau was

georganiseerd, ging de legerintendance maandenlang door, met voor de

legerbehoeften zelf in Amerika graan in te koopen. In hoever die

concurrentie invloed heeft gehad op de prijzen, welke door het

Rijksgraanbureau besteed moesten worden, is niet na te gaan. Ik wil

aannemen dat, waar de Amerikaansche graanmarkt door zooveel landen werd

bestormd, die invloed niet van beteekenis is geweest, maar wèl heeft de

uitkomst bewezen, dat het voor het leger bestemde graan aan het Rijk

minder zou hebben gekost, indien ook de legerintendance haar eigen

aankoopen niet had voortgezet en van de tusschenkomst van het

Rijksgraanbureau had gebruik gemaakt.

Intusschen was het aankoopen van het benoodigde broodkoren in Amerika

voor Rijksrekening ter voorziening in de behoefte van broodvoeding wel

veel, maar niet alles. Ook de binnenlandsche distributie van het

aangekochte moest geregeld worden. Hierbij behoefde gelukkig de

bestaande tusschenhandel niet te worden uitgeschakeld; wel echter was

noodig dat de distributie van een centraal punt uit werd beheerscht en

gecontroleerd, opdat terughouding en prijsopdrijving van het

regeeringsgraan van meet af onmogelijk zou worden gemaakt. Toen ik zocht

naar iemand, die aan het hoofd van zulk een Rijksdistributiebureau kon

worden gesteld, werd mijn aandacht gevestigd op den heer A. G. A. van

Eelde, een civiel-ingenieur die door den aard van het werk dat hij in

den regel verricht, veel en velerlei ervaring heeft opgedaan en wien de

leiding van zulk een bureau met vol vertrouwen in zijn onpartijdigheid

kon worden opgedragen. Toevallig was de heer van Eelde tijdelijk

beschikbaar en was hij bereid de Regeering ter zijde te staan, echter

stond hij er op, zijn dienst belangeloos aan het land te verleenen en

moest die wensch worden geëerbiedigd.

De inrichting van het Rijksdistributiebureau van graan en meel is,

natuurlijk onder oppertoezicht van- en in overleg met den

verantwoordelijken Minister, geheel door den heer van Eelde geschied,

die gedurende den tijd, dat hij aan het hoofd daarvan heeft gestaan, d.

w. z. gedurende de maanden waarin alles moest worden georganiseerd en in

gang gezet, aan het land groote diensten heeft bewezen. Hier was, in

tegenstelling met hetgeen bij den aankoop hoofdzaak was, handelskennis

en ervaring op de graanmarkt bijzaak; hoofdzaak was hier, naast

organiseerend talent, volstrekte onpartijdigheid tegenover de

verschillende bij de distributie uit elkander loopende belangen en

helderheid van inzicht, gepaard aan stevigheid van karakter, opdat

partijdige adviezen, ook al werden die te goeder trouw gegeven, als

zoodanig werden doorzien en van hun partijdigen kant ontdaan, van wien

of van wie het advies ook kwam. De inrichting en het op gang brengen van

het Rijksgraanbureau was waarlijk geen gemakkelijke taak, maar ik meen

te mogen zeggen, dat bij de vervulling daarvan geen groote fouten werden

begaan en dat na eenig zoeken en tasten het bureau getoond heeft op de

hoogte te zijn van de opgaaf, waarvoor het zonder eenige voorbereiding

werd gesteld.

In de Eerste Economische Nota werd over den Rijksaankoop van granen en

voederartikelen en over het Rijksdistributiebureau van die waren gezegd:

„Bij de uitoefening van dezen zeer buitengewonen diensttak zit de

dubbele bedoeling voor: 1º. zoolang deze dienst zal werken, de

distributie der aangekochte artikelen zooveel mogelijk te doen

geschieden met gebruikmaking van de diensten van hen, die in het vrije

verkeer gewoon zijn die distributie te bezorgen, en 2º. zoodra gebleken

zal zijn, dat de toevoer langs den minder van het gewone verkeer

afwijkenden weg van aankoop door particuliere importeurs, met

adresseering van de goederen aan de Regeering, zonder dat deze goederen

daardoor ophouden geheel voor rekening der importeurs te zijn, in

voldoende mate verzekerd kan worden, zich allengs terug te trekken en

zoodoende den invoerhandel, voor zoover dat onder de tegenwoordige

omstandigheden mogelijk is, zoo spoedig mogelijk weer tot de

particuliere importeurs terug te leiden”.

Het tweede deel van deze tweeledige bedoeling is voor den oorlogstijd

een vrome wensch gebleven. Behalve de bezwaren die ik zooeven reeds

noemde, verzette zich tegen de vervulling daarvan eene allengs meer

nijpende schaarschte aan scheepsruimte, gepaard met toenemende

moeilijkheden, waarmede ook de onzijdige scheepvaart te kampen had. Deze

laatste bezwaren wogen voor de Regeering natuurlijk evenzeer als voor

particuliere importeurs, maar zij konden toch bij gecentraliseerden

aanvoer voor Rijksrekening gemakkelijker worden overwonnen. Daartoe werd

o.a. al heel spoedig met de Holland-Amerika lijn gecontracteerd over het

beschikbaar houden van de noodige laadruimte voor het vervoer van

regeeringsgraan en werd er zooveel mogelijk de hand aan gehouden, dat

bij vertraagde naleving van de aangegane verplichtingen, het beroep op

overmacht tot ernstige uitzonderingsgevallen zou worden beperkt.

De verzekering van den geregelden toevoer van de noodige tarwe alsook

van rogge, voor zoover die kon worden verkregen, was zulk een

levensbelang voor de bevolking, dat proefnemingen met vrijlating van den

aanvoer door particuliere importeurs niet mochten worden genomen. Bij

sommige veevoederartikelen, met name ten aanzien van maïs, geschiedde

dat wel, maar het resultaat was zoo weinig bevredigend, dat aan

uitbreiding daarvan tot het broodkoren niet viel te denken. Een schip op

het strand, een baken in zee.

Bij de graandistributie kwamen, vooral in den aanvang, toen er nog geen

regeling was, die eenige vastheid had verkregen, moeilijkheden van zeer

verschillenden aard voor, die nog vergroot werden, doordat plotseling in

bestaande verhoudingen moest worden ingegrepen en er voor gezorgd moest

worden, dat dit ingrijpen niet tot te groote ongelijkheden en

onbillijkheden voeren zou.

Een der eerste vragen die beantwoord moest worden, was het bedrag waarop

de maximum-prijs voor graan en meel moest worden vastgesteld. Deze vraag

deed zich reeds aanstonds voor, eenige weken zelfs voordat het

Rijksgraanbureau in werking trad. Zij was hierom nog te moeilijker,

omdat op het oogenblik dat zij door de omstandigheden werd gesteld en

zonder verwijl beantwoord moest worden, er nog geen zekerheid bestond

of, en zoo ja op welke wijze, regelmatige aanvoer van Amerikaansch graan

kon worden verkregen. De maximum-prijsbepaling voor het meel zoowel als

voor het inlandsche graan moest dus geschieden onafhankelijk van den

prijs voor het uitheemsche graan, waarvan hier nog slechts een voorraad

voor 2 of 3 weken aanwezig was. Als gevolg van een langdurige

bespreking, welke ik in het midden van Augustus in het bijzijn der

betrokken afdeelingschefs op het Departement van Landbouw had met enkele

meelfabrikanten en enkele bakkers, werd de maximum-prijs van het

tarwemeel door mij bepaald op ƒ 14 per 100 K.G. In de vergadering van de

Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 zeide ik daaromtrent, in antwoord aan

den heer Troelstra:

„De prijs van het tarwemeel was lager en het is dus niet te ontkennen,

dat sommigen, die een eenigszins grooten voorraad meel hadden, door deze

hoogere prijszetting een zeker voordeel hebben behaald. Aan den anderen

kant moet men echter niet vergeten, dat de prijs van het meel, die nu

officieel is vastgesteld op ƒ 14 per 100 K.G., buitengewoon laag is in

verhouding tot den prijs van de Amerikaansche tarwe, welke prijs

ongeveer ƒ 16, ƒ 17, ƒ 18 is, en welke tarwe niet gemist kan worden voor

vermenging met inlandsche tarwe ter bereiding van goed brood. Men heeft

dus deze abnormaliteit, dat de prijs van het meel per 100 K.G.

belangrijk lager is dan de prijs van de Amerikaansche tarwe op dit

oogenblik.

„Dit nu is uitstekend te verdedigen, aangezien inderdaad bij die

prijszetting gerekend werd met de hoeveelheid, die men reeds had. Doch

daartegenover staat, dat in het vrij verkeer, als men de zaken had laten

gaan, op het oogenblik de prijs van het meel, die vastgesteld is op ƒ

14, ongetwijfeld zou zijn ƒ 20 en daarboven.... Men heeft natuurlijk bij

deze prijszetting allerlei moeilijkheden, en precies juist zal men het

wel nooit doen. Maar dat deze prijs te hoog zou zijn gesteld, meen ik,

alle omstandigheden in aanmerking genomen, te moeten betwisten.”

Al heel spoedig na die prijszetting kwamen bij het Departement van

Landbouw berichten in, dat sommige meelfabrikanten toch boven den

vastgestelden maximum-prijs verkochten en zelfs dat een burgemeester,

wien de schrik om het hart geslagen was, een partij meel van een

meelfabrikant in zijn gemeente in koop had aangenomen voor ƒ 20 per 100

K.G. Door eenige telegrammen, waarbij aan burgemeesters opdracht werd

gegeven de voorraden bij enkele onwillige meelfabrikanten in hunne

gemeente in beslag te nemen, en waarbij de circulaire van 8 Augustus

omtrent de wijze van taxatie werd in herinnering gebracht, kwam men deze

moeilijkheden spoedig te boven. De meelfabrikanten maakten bij den

vastgestelden maximum-prijs voor hun voorraad toch niet zulke slechte

zaken en hoewel zij, als men de zaak op haar beloop had gelaten, daaraan

heel wat meer verdiend zouden hebben, moesten zij wel „faire bonne mine

à mauvais jeu”, omdat hun spoedig duidelijk werd, dat diegenen onder

hen, die zich niet goedschiks aan de regeeringsmaatregelen onderwierpen,

gevaar liepen bij de distributie van het regeeringsgraan te worden

voorbijgegaan.

Meer moeilijkheden dan bij de prijszetting van het meel leverde het op,

de medewerking van de meelfabrikanten te verkrijgen bij de uitvoering

van een maatregel,--waartoe enkele gemeentebesturen spoedig na het

uitbreken van den oorlog, na overleg met- en met groote instemming van

het Departement van Landbouw besloten--er toe strekkende dat binnen de

gemeente, behalve voor zieken, geen wittebrood mocht worden gebakken. De

toestand was in den aanvang van den oorlogstoestand zóó onzeker, dat

verschillende proeven werden genomen met „noodbrood”. Zelfs werd mij als

proef een brood toegezonden, bestaande voor een deel uit tarwemeel, voor

een deel uit gedroogde aardappelen. Toen dit brood versch was, rook het

inderdaad heel goed en was de smaak ook niet onaangenaam, maar een dag

later was het reeds heelemaal duf geworden. Het noodbrood met 20 of 30

pct. rijstemeel hield zich daarentegen zeer goed en dit werd dan ook in

vele gemeenten _het_ brood. Algemeen was de medewerking der

gemeentebesturen echter niet. In één der publicaties van het Kon. Nat.

Steuncomité wordt over het noodbrood-tijdperk geschreven: „Langzaam aan

heeft het noodbrood zich omgevormd in het gewone bruinbrood en de kleur

hiervan is hoe langer hoe witter geworden. In sommige gemeenten is

echter, vrijwel de geheele crisis door, wit brood in groote hoeveelheden

verkrijgbaar geweest, terwijl andere gemeenten tijden gekend hebben,

waarin uitsluitend of bijna uitsluitend bruin brood verkrijgbaar was. En

terwijl sommige gemeenten reeds vóór de regeeringsmaatregelen uit

zichzelf hare inwoners beperking in het verbruik van tarwebloem

oplegden, waren er andere, die zelfs na het afkondigen van de

regeeringsmaatregelen de magen der bewoners klaarblijkelijk wilden

sparen”.

Onder de hierbedoelde maatregelen die van regeeringswege werden genomen,

neemt een eerste plaats in, dat aan de meelfabrikanten werd opgedragen,

de regeeringstarwe niet tot bloem, maar met een kleine uitzondering voor

zieken en zwakken alleen tot ongebuild meel te vermalen. Tot het

opleggen van die verandering in het bedrijf kon ik als Minister van

Landbouw overgaan reeds vóórdat regeeringstarwe van over zee was

aangevoerd, omdat ter regeling van de verhouding tusschen het Rijk en de

meelfabrikanten, de Regeering ook de voorraden van de meelfabrikanten

had overgenomen. Bij de voorbereiding van dien maatregel, die tot

December 1914 gehandhaafd moest worden, werd aanvankelijk van de zijde

der meelfabrikanten het technische bezwaar geopperd, dat hunne fabrieken

wel ingericht waren op de voortbrenging van bloem, maar niet van

ongebuild meel. Met eenigen goeden wil bleek dat echter, met kleine

tijdelijke veranderingen in de inwendige inrichting der fabrieken, wel

te ondervangen. Voor zoover ik mij herinner, werd slechts een enkele

fabrikant op een poging tot listige ontduiking der regeling, waaraan hij

zich had onderworpen, betrapt. De ernstige waarschuwing, dat hij bij

herhaling geen tarwe meer ter vermaling zou krijgen en zijn fabriek

gedurende den oorlogstoestand wel zou kunnen stopzetten, was intusschen

voldoende om dien fraudeur tot reden te brengen.

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 9 / 40 段