en andere handelaars, die hunne voorraden levensmiddelen enz. verkochten
tegen niet hoogere prijzen dan door den Minister van Landbouw zouden
worden vastgesteld, geen gevaar liepen van inbezitneming hunner
voorraden. Op grond daarvan werden reeds vóórdat de wet was aangenomen,
op Zondag 2 Augustus, bij voorbaat prijslijsten voor de meest
belangrijke levensmiddelen en brandstoffen vastgesteld, voor het geval
het ontwerp onveranderd tot wet zou worden verheven. Opdat de
burgemeesters aanstonds, als de wet in werking zou zijn getreden, zouden
weten wat van hen werd verwacht, werd denzelfden dag door mijn
ambtgenoot van Binnenlandsche Zaken en mij een gezamenlijke circulaire
tot hen gericht, waarin de strekking van het ontwerp (en dus eventueel
van de wet) werd uiteengezet en eenige wenken werden gegeven voor de
toepassing. De op 2 Augustus opgemaakte lijsten werden terstond na het
in werking treden der wet openlijk bekend gemaakt. Dat zij herhaaldelijk
moesten worden herzien, aangevuld en door nieuwe lijsten vervangen, is
zoo van zelf sprekend, dat het nauwelijks vermelding behoeft.
De zooeven bedoelde bepaling heeft, voornamelijk in de eerste maanden
van den oorlogstijd, de daarvan verwachte uitwerking niet gemist. Zij is
in de handen der burgemeesters, vooral van die der grootere steden, een
wapen geweest om verschillende regelingen op het gebied der
levensmiddelenvoorziening door te zetten, zonder dat het tot
inbezitneming en tot distributie van gemeentewege behoefde te komen. Bij
den langen duur van den oorlogstoestand gaf de toepassing der
levensmiddelenwet aanleiding tot telkens nieuwe vragen. Zoo bleek vrij
spoedig, dat niet volstaan kon worden met het stellen van een enkelen
maximum-prijs voor verschillende artikelen, maar dat onderscheiden moest
worden tusschen groothandels- en détailprijzen. Natuurlijk werd dit van
het begin af wel ingezien, maar men meende aanvankelijk met het stellen
van maximale détailprijzen te kunnen volstaan en aan de burgemeesters
het ingrijpen te kunnen overlaten, zoo dikwijls naar hun oordeel in
verband met die prijzen in hunne gemeente te hooge groothandelsprijzen
werden gevraagd.
In een der op 3 Augustus 1914 door mij tot de burgemeesters gerichte
circulaires werd hieromtrent gezegd: „Ik maak van deze gelegenheid
gebruik om er Uwe aandacht op te vestigen, dat deze lijst (die bij de
circulaire was gevoegd) _maximum_-prijzen bevat voor den verkoop in het
klein. Bij verkoop in het groot zou dus al het eischen van prijzen die
lager zijn dan de in de lijst vermelde, aanleiding kunnen geven tot
optreden Uwerzijds, wanneer de gevraagde prijzen sedert kort
aanmerkelijk zijn verhoogd.” Later zijn voor een aantal artikelen zoowel
maximale groothandels- als kleinhandelsprijzen vastgesteld. Het spreekt
wel van zelf, dat bij deze materie aan de overheid, aan den Minister
zoowel als aan de burgemeesters, de handen vaak wat verkeerd stonden. In
normale tijden kan en moet de overheid de regeling van verkoopprijzen
aan de belanghebbenden overlaten, die dit tot stand brengen, geleid in
de eerste plaats door vraag en aanbod en daarnaast ook door gewoonte en
ervaring, als resultaat van een aantal elkander doorkruisende factoren,
welke in het vrije verkeer bij de bepaling van détailprijzen hun invloed
mede doen gelden.
Toen de oorlogstoestand eenigen tijd had geduurd, werd het stellen van
maximum-prijzen nog moeilijker, omdat er allengs meer mede gerekend
moest worden, dat de productie- of de aanschaffingskosten der waren
boven het normale waren gestegen en het niet zoo heel eenvoudig was,
zonder eenerzijds onbillijkheden te begaan en zonder anderzijds de wet
illusoir te maken, in de te stellen maxima met de verhooging van
productie- of aanschaffingskosten in de juiste maat rekening te houden.
Dit een en ander heeft de prijszettingen verzwaard naar gelang de
oorlogstoestand langer aanhield.
Hoewel, gelijk zooeven werd opgemerkt, de wet zoodanig was ingericht,
dat het middel der inbezitneming in den regel als stok achter de deur
voldoende effect had om vrijwillige regelingen tusschen de burgemeesters
en de belanghebbenden tot stand te doen komen, waarbij de eerstgenoemden
meestal uit eigen beweging maar somtijds ook in opdracht van de
Regeering handelden, toch kon de inbezitneming zelve niet steeds worden
ontgaan. In den aanvang moest tot dezen maatregel eenige malen worden
overgegaan ten aanzien van tarwe en rogge; eerst geschiedde het
plaatselijk met voorraden tarwe, niet lang daarna op grooter schaal
zoowel ten aanzien van tarwe als van rogge. Die inbezitnemingen
geschiedden natuurlijk zonder aanzien des persoons van den eigenaar van
het in bezit te nemen goed. Het deed er derhalve ook niet toe of die
eigenaars Nederlanders dan wel vreemdelingen waren. Toch hebben enkele
Duitsche belanghebbenden, wier in Rotterdam liggende tarwevoorraden
onteigend werden, bij hunne regeering de stelling willen doen ingang
vinden, dat met die inbezitnemingen art. 7 van de Rijnvaartakte, dat de
vrije doorvaart op den Rijn waarborgt, zou zijn geschonden. Die bewering
gaat mank aan beide beenen, waarop zij zou moeten loopen.
In de eerste plaats werd niets in beslag genomen, dat als doorvoergoed
moest worden aangemerkt. Bedriegt mijne herinnering mij niet zeer, dan
betrof de kwestie enkele partijen tarwe, die in Rotterdam ter beurze
verkocht waren of verkocht zouden worden. Uit dit enkele feit blijkt
reeds dat, zoo die partijen al aan Duitschers behoorden of aan
Duitschers waren verkocht, zij, zelfs als uit de Duitsche woonplaats des
eigenaars of koopers zonder meer de bestemming voor vervoer naar
Duitschland had moeten worden afgeleid, bestemd waren voor uitvoer en
niet voor doorvoer. Het betrof hier goederen welke overeenkomstig de
geldende handelsusantiën in het vrije verkeer waren ingevoerd en die, na
hier daarin te zijn gekomen, de bestemming kregen naar elders te worden
uitgevoerd. Die bestemming nu konden de bedoelde partijen tarwe niet
bereiken, omdat uitvoer daarvan reeds van 1 Augustus 1914 af verboden
was. Dat een uitvoerverbod ook uitvoer over den Rijn treft en de
Rijnvaartakte niettemin geheel intact laat, is niet voor betwisting
vatbaar en is dan ook van Duitsche zijde niet betwist.
Maar gesteld eens, de feitelijke toestand ware anders en de in bezit
genomen tarwe wèl doorvoergoed geweest, dan nog zou die inbezitneming
aan de stipte uitvoering der Rijnvaartakte van de zijde der
Nederlandsche Regeering niets hebben tekort gedaan. Het feit dat dit
verdrag den vrijen doorvoer op den Rijn waarborgt, neemt niet weg, dat
ten doorvoer bestemde goederen, zoolang zij op het Nederlandsche
gedeelte van den Rijn varende zijn, zich bevinden op Nederlandsch
territoir en onderworpen zijn aan de Nederlandsche wetten. Daartoe
behoort ook de wet van 3 Augustus 1914 ter voorkoming van vasthouding en
prijsopdrijving van waren. Worden volgens die wet goederen onteigend,
dan geschiedt dit door den Staat krachtens zijn souvereiniteitsrecht op
eigen territoir, dat hij tegenover elk en een iegelijk kan doen gelden.
Het gevolg van zulk eene onteigening is, dat het goed overgaat in het
bezit van de overheid, welke de wet aanwijst en dat deze nu verder de
bestemming van het goed bepaalt. De onteigende partijen tarwe, die vóór
de inbezitneming aan Duitschers behoorden, verloren op het oogenblik der
inbezitneming de bestemming, welke die rechthebbenden daaraan hadden
gegeven. Aangenomen dus, hoewel het feitelijk niet aldus gesteld was,
dat die Duitsche rechthebbenden zonder met de geldende handelsusantiën
en met de wettelijke voorschriften voor doorvoergoed in strijd te zijn,
die waren voor doorvoer naar Duitschland hadden bestemd, was toch de
doorvoerbestemming verdwenen op het oogenblik dat de goederen bij de
inbezitneming overeenkomstig de wet door de Nederlandsche overheid, van
den nieuwen eigenaar, hier de Regeering, een andere bestemming kregen.
De inbezitneming der bewuste partijen tarwe kwam niet alleen niet in
botsing met de Rijnvaartakte, maar zij _kon_ daarmede niet in botsing
komen. Indien en zoolang het goed doorvoerbestemming had gehad, werd het
overeenkomstig de Rijnvaartakte volkomen vrij en ongemoeid gelaten. Toen
het in beslag genomen werd, viel het daarbuiten, omdat het van dat
oogenblik af geen doorvoergoed meer was. De van Duitsche zijde
gelanceerde bewering dat hier de Rijnvaartakte zou zijn geschonden, of
zelfs maar zou kunnen zijn geschonden, staat of valt met de al of niet
erkenning van het recht van den Staat op onteigening, overeenkomstig de
wet van zijn eigen land, van goederen die zich op zijn territoir
bevinden, ook al behooren die aan buitenlandsche rechthebbenden. De
Duitsche regeering kan en zal dat souvereiniteitsrecht van iederen
onafhankelijken staat zeker niet loochenen. Zij zelve nam op grond
daarvan zelfs oorlogsschepen in beslag, welke voor de Nederlandsche
Regeering op Duitsche werven in aanbouw waren. Dit was haar recht; maar
dan moet zij of moeten enkele van haar onderdanen ook niet pogen, langs
den omweg van een onhoudbaar beroep op de Rijnvaartakte, te tornen aan
het even onaantastbaar recht van de Nederlandsche Regeering tot
inbeslagneming overeenkomstig de Nederlandsche wet van goederen welke
zich in Nederland bevonden, ook al behoorden die goederen aan Duitschers
toe en al waren zij bestemd geweest om naar Duitschland te worden
uit- of doorgevoerd. De laatste alinea van de in hoofdstuk V[9]
medegedeelde kennisgeving van onze Regeering van 21 Augustus 1914
betreffende den doorvoer in verband met de Rijnvaartakte, had tot
strekking het onbeperkte recht van den Staat tot inbezitneming der
daarin genoemde zaken algemeen kenbaar te maken.
[9] Zie bl. 323/4.
Zooals de Grondwet dit waarborgt, geschiedden de inbezitnemingen
krachtens de wet van 3 Augustus 1914 tegen schadeloosstelling. De
Duitsche belanghebbenden zullen zich zeker niet beklagen over de
vergoedingen, welke hun werden toegekend. De schadeloosstellingen
werden, voor zoover daaromtrent niet in der minne werd overeengekomen,
bepaald door twee schatters. Het was voor een goede toepassing van de
wet van overwegende beteekenis, dat de schattingen zouden worden
opgedragen aan volkomen vertrouwbare en voor hun taak berekende
personen. Opdat de Regeering hiervoor zou kunnen zorgen, werd in de wet
bepaald dat de schatters door den Minister van Landbouw, Nijverheid en
Handel zouden worden benoemd, tenzij deze het recht daartoe aan den
burgemeester delegeerde. Het is intusschen wel duidelijk, dat de
Regeering zonder voorlichting der burgemeesters niet overal waar het
noodig zou blijken, schatters had kunnen vinden. Vandaar dat reeds den
3den Augustus een circulaire aan de burgemeesters werd gericht, waarin
werd gevraagd namen op te geven van personen, die, zoo noodig, als
zoodanig zouden kunnen dienst doen.
Daar het gevaar niet denkbeeldig was, dat de schatters, ook al werden
zij met zorg gekozen, de bedoeling der wet niet geheel zouden begrijpen
en de waren taxeeren zouden niet volgens haar normale verkoopwaarde,
doch naar de paniekprijzen welke daarvoor waren te maken, werd den 9den
Augustus aan de burgemeesters een circulaire gericht van den volgenden
inhoud:
„Ik acht het nuttig te Uwer kennis te brengen, dat naar mijne bedoeling
de ingevolge art. 76_a_ der Onteigeningswet door U met mijne machtiging
eventueel te benoemen schatters als maatstaf voor de waardebepaling der
in bezit genomen waren zullen aannemen ten aanzien van _industrieelen_
den inkoopsprijs van de grondstof plus de kosten van fabricage, ten
aanzien van _handelaren_ den inkoopsprijs van de waren plus
bedrijfskosten, een en ander voor beide categorieën vermeerderd met een
normaal percentage voor winst.--Ik verzoek U bij voorkomende gevallen
de schatters dienovereenkomstig te instrueeren.”
Op deze wijze werd voorkomen dat door verkeerde of ongelijkmatige
toepassing de wet haar werking zou missen. In het algemeen legde de wet
de uitvoering, onder den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, in
handen van de burgemeesters. In de plaatsen die in staat van oorlog of
in staat van beleg waren verklaard, mochten deze echter niet optreden
zonder overleg met het militaire gezag. Ook dit werd hun, ter voorkoming
van wrijvingen, enkele dagen na de inwerkingtreding der wet bij
circulaire nader uiteengezet.
Toen de wet eenigen tijd gewerkt had, is enkele malen beproefd, voor
sommige artikelen den gestelden maximum-prijs op te heffen en het
handelsverkeer ten aanzien van den prijs vrij te laten. Zulke
proefnemingen zijn intusschen niet bevallen. Heel spoedig moest men er
weer van terugkomen en ter voorkoming van buitensporigheden nieuwe
maximum-prijzen stellen. Dit is wel het meest doorslaande bewijs van de
goede werking der wet, zoo niet van haar onmisbaarheid in den
oorlogstijd.
Hoewel de levensmiddelenwet aan den Minister van Landbouw de bevoegdheid
geeft algemeene inbeslagnemingen van bepaalde levensmiddelen, veevoeder
of brandstoffen of grondstoffen van levensmiddelen of van veevoeder door
middel van de burgemeesters te doen en van die bevoegdheid, met name ten
aanzien van rogge, ook wel gebruik gemaakt is, toch is zij in de eerste
plaats bedoeld als een wapen voor de burgemeesters om vasthouding van
die waren en opdrijving der prijzen daarvan boven de door den Minister
gestelde maxima in hunne gemeenten tegen te gaan. De verdeeling van
bevoegdheden is aldus geschied, dat de Minister maximale prijzen
vaststelt en dat de burgemeester, na bekomen machtiging van dien
bewindsman, de genoemde waren in beslag kan nemen, zoo zij worden
achtergehouden of boven de gestelde maximale prijzen worden verkocht.
Wenscht de Minister zelf volgens de levensmiddelenwet in te grijpen, dan
kan hij aan alle burgemeesters of aan de burgemeesters uit een bepaalde
streek of van bepaalde gemeenten of wel aan een bepaalden burgemeester
opdracht daartoe geven. De wet laat dus ruimte voor allerlei schakeering
in de toepassing, en in de practijk werd er op elk der genoemde wijzen
van gebruik gemaakt. Tot het treffen van minnelijke regelingen binnen
de grenzen der door den Minister gestelde maximale prijzen, ter
voorkoming van inbezitneming van waren bij dengene of degenen met wie de
regeling wordt getroffen of die daaronder vallen, zijn de burgemeesters
bevoegd, zonder dat zij daartoe een ministerieele machtiging behoeven.
Als gevolg van deze regeling, een gevolg dat zich trouwens geheel
aansluit bij onze gansche staatsinrichting, moet de Minister optreden,
als er maatregelen te treffen zijn, welke de grenzen van een enkele
gemeente overschrijden en is de burgemeester, in de meest belangrijke
gevallen behoudens machtiging van den Minister, bevoegd tot ingrijpen
binnen de grenzen zijner gemeente. Bij de geheele uitvoering der wet
heeft de burgemeester een groote rol te vervullen.
Zooals zij daar ligt, is de levensmiddelenwet zeker niet volmaakt, maar
zij heeft in het bijzonder in den aanvang zeer nuttig gewerkt, vooral in
de steden. Op het platteland was zij--afgezien van de zoo aanstonds te
bespreken inbezitnemingen van rogge--van minder beteekenis, en voor
zoover zij daar moest worden toegepast, was het bijna altijd ter
doorvoering van een maatregel, die in zijn werking de grenzen eener
enkele gemeente overschreed en geschiedde het ingrijpen der overheid
slechts zelden in het belang der bevolking van de gemeente, waar op
grond der wet ingegrepen werd. Vandaar dat het bij de uitvoering der wet
in de eerste plaats aankwam op de medewerking der stedelijke
burgemeesters.
Zoolang ik aan het hoofd van het Departement van Landbouw heb
gestaan, heb ik over gebrek aan medewerking van die zijde niet te
klagen gehad. Opdrachten behoefden aan die burgemeesters slechts in
uitzonderingsgevallen te worden gegeven, en voor zoover zij werden
gegeven, werden zij steeds stipt en prompt uitgevoerd. Van de
bevoegdheid tot het maken van interne regelingen binnen de perken der
door den Minister van Landbouw gestelde maximale prijzen ter voorkoming
van inbezitnemingen, is door die burgemeesters een druk gebruik gemaakt.
Natuurlijk is er wel eens verschil van gevoelen geweest, maar een
ernstig conflict met een stedelijken burgemeester herinner ik mij uit
den tijd, dat ik op de Prinsessegracht zetelde, niet.
Later is er meer wrijving tusschen de Regeering en de burgemeesters,
vooral die der grootste steden, gekomen. Men begon elkander allengs
minder te begrijpen en minder te waardeeren. Dit heeft natuurlijk niet
gunstig gewerkt en is zeer te betreuren. Aan welke zijde bij dergelijke
conflicten het grootste ongelijk was, moet ik in het midden laten. Ik
heb geen roeping en geen lust mij als ongevraagd scheidsrechter op te
werpen. Een enkel geval herinner ik mij, waarin een burgemeester
openlijk frondeerde tegen een maatregel door den Minister van Landbouw
op grond der levensmiddelenwet genomen. Dat dit niet kon worden
toegelaten, ook al was het inzicht van het tegenstribbelende
gemeentehoofd in de zaak zelve, waarom het ging, beter geweest dan dat
van den Minister, spreekt van zelf.
Zulke conflicten zouden bij den langen duur van den oorlogstoestand toch
wel niet geheel zijn uitgebleven; maar het wil mij niettemin voorkomen
dat daartoe minder aanleiding zou zijn gegeven, indien men niet van
regeeringswege allengs wat te uitsluitend heil gezocht had in de
uitvoerregelingen, welke in de vorige paragraaf werden besproken en
indien, in verband daarmede, behalve ten aanzien van de rogge, de
levensmiddelenwet niet wat op den achtergrond was gekomen. Maar ook
afgezien hiervan ware het beter geweest, indien men--behalve ten aanzien
van de broodvoorziening--zich wat minder uitsluitend had bewogen in de
richting eener extra-legale regeling van uitvoerconsenten en wat meer
gebruik gemaakt had van de speciaal voor den oorlogstijd bedoelde
levensmiddelenwet. In de vorige paragraaf wees ik er op[10]: 1º. dat een
der hoofdoorzaken van de moeilijkheden, welke men bij de
levensmiddelendistributie heeft ondervonden, hiermede samenhangt, dat
men goederen, welke eigendom van het Rijk waren geworden, aan den man
moest brengen door tusschenkomst van groothandelaars, grossiers en
winkeliers, die er vaak belang bij hadden, ze niet tot het eindpunt van
hun bestemming te doen komen; 2º dat uit dien hoofde een zeer strenge
contrôle noodig was, en 3º dat ondanks die contrôle toch heel wat
lekkage plaats had.
[10] Zie bl. 63 en volg.
Indien de Regeering, in plaats van door haar regeling van de
uitvoerconsenten, door inbezitneming daarvan krachtens de
levensmiddelenwet, voor het Rijk eigenares was geworden van de
benoodigde levensmiddelen, zou dit reeds één groot voordeel hebben
gehad boven de eerstbedoelde eigendomsverkrijging. Zij zou dan
regelmatig door de burgemeesters der gemeenten, waar de benoodigde
levensmiddelen worden geproduceerd, hebben kunnen doen inbezitnemen wat
noodig was; de beschikbaarstelling zou zich dan hebben kunnen richten
naar de vraag, in stede van, gelijk nu het geval was, onafhankelijk van
de vraag, bepaald te worden door de ups en downs van den exporthandel.
Na hetgeen ik reeds over de inbezitnemingen schreef, behoef ik
intusschen wel niet te herhalen, dat ik mij de groote bezwaren van het
bewandelen van dezen uitweg niet ontveins. De levensmiddelenwet geeft
echter--gelijk wij zagen--een, vooral in zijn practische werking, veel
eenvoudiger middel aan de hand ter bereiking van het doel dat hier
nagestreefd moest worden. De Regeering had zoowel aan de burgemeesters
van de plaatsen, waar de benoodigde levensmiddelen worden geproduceerd,
als aan die van de gemeenten, waar daaraan behoefte was, kunnen
voorschrijven, dat zij gebruik zouden maken van de bepaling der
levensmiddelenwet, welke toelaat met belanghebbenden, ter voorkoming
van inbezitneming, bepaalde regelingen te treffen. De regelingen
zelf had zij den burgemeesters kunnen aangeven. In hoofdzaak zouden
deze hierin hebben kunnen en moeten bestaan, dat de burgemeesters der
plaatsen, waar de benoodigde levensmiddelen worden geproduceerd, met
de producenten daarvan zouden overeenkomen over het--op straffe van
inbezitneming--afstaan van de kwantiteiten hunner producten, die door de
Regeering telkens als benoodigd zouden zijn aangegeven en dat wel tegen
prijzen, welke boven vergoeding van productiekosten ook een behoorlijke
winst zouden waarborgen. Daarbij zou aan die producenten de verplichting
kunnen zijn opgelegd (natuurlijk tegen vergoeding ook van de kosten
daarvan) de af te leveren waren te brengen op een bepaald centraal punt
of bij een bepaalden winkelier in de naastbijzijnde stad. Parallel
loopend met die regeling voor de productieplaatsen, waarbij de producent
het gevaar van inbezitneming van zijn geheelen voorraad krachtens de
levensmiddelenwet eerst zou hebben afgewend, als hij de overeengekomen
hoeveelheden ter bestemder plaatse had afgeleverd, zou een, wat de
hoofdlijnen betreft uniforme regeling kunnen zijn voorgeschreven voor de
gemeenten, welker ingezetenen aan de aldus beschikbaar gekomen
levensmiddelen behoefte hadden. Zij zou hoofdzakelijk hebben kunnen
bestaan uit overeenkomsten met winkeliers (en slagers) om hetzij de
beschikbare waar af te halen, hetzij haar te ontvangen en haar te
verkoopen tegen prijzen, welke tevens een behoorlijke belooning voor hun
distributiemoeite inhielden. Overtreding of ontduiking van de vrijwillig
met den burgemeester omtrent de aldus beschikbaar gekomen levensmiddelen
getroffen schikkingen, zou de winkeliers (en slagers) aan het gevaar
hebben bloot gesteld, hun ganschen voorraad door den burgemeester te
zien in bezit nemen. Ik breng hier de regeling tot haar eenvoudigsten
vorm terug, maar het spreekt van zelf, dat daarin plaats is voor
medewerking (op straffe van inbeslagneming hunner voorraden) zoowel van
groothandelaars als van grossiers.
Aangezien een regeling in dezen trant, getroffen op grond der
levensmiddelenwet, de proef der practische toepassing niet heeft
doorstaan, is er niets positiefs van te zeggen. Maar op grond mijner
ervaring omtrent economische oorlogsmaatregelen durf ik toch het
vermoeden uitspreken, dat zij beter zou hebben voldaan, dan de
distributieregeling op de basis der uitvoerconsenten. Er zou daarbij
allereerst een behoorlijk verband zijn geweest tusschen behoefte en
beschikbaarstelling, en men had op die wijze voorts kunnen vermijden,
dat de ter beschikking komende levensmiddelen het principieel en
practisch ongewenschte station der overdracht in Rijkseigendom moesten
passeeren. Een onmisbare voorwaarde voor een goede werking ervan zou
geweest zijn, dat vooral in den aanvang, zonder pardon, elke overtreding
van zulke schikkingen of elke weigering er op in te gaan, onverbiddelijk
de inbeslagneming van den geheelen voorraad van den ontduikenden of
weigerachtigen producent of distribuant zou hebben ten gevolge gehad.
Het zou mij ook zeer verwonderen, indien de Regeering het meerendeel der
betrokken burgemeesters niet tot geheel vrijwillige medewerking had
kunnen brengen en de daartoe niet geneigd zijnde minderheid, met de
middelen welke de levensmiddelenwet haar geeft, niet tot medewerking had
kunnen nopen. Maar.... de beste stuurlui staan aan wal!
§ 3. _De broodvoorziening._