toe te kennen aan leden van de Tweede en de Eerste Kamer heeft heel wat
critiek ondervonden. Toch is het verklaarbaar genoeg, hoe het
Departement van Landbouw daartoe is gekomen, al wil ik aanstonds
toegeven, dat het geen gelukkig denkbeeld was en dat de ervaring, welke
er mede is opgedaan, niet gunstig kan worden genoemd. Er werden in de
Tweede Kamer zeer vaak klachten geuit, waaruit bleek, dat de klagende
volksvertegenwoordigers de moeilijkheden, welke de Regeering bij haar
noodgedrongen optreden op een haar zoo vreemd terrein ondervond, veel te
gering schatten. Het kan daarom geen verwondering wekken, dat dit bij
den heer Posthuma het denkbeeld deed rijpen, de volksvertegenwoordigers
nader bij de zaak te brengen en hen de moeilijkheden daarvan te doen
proeven. Er werd inderdaad mede bereikt, dat verschillende Kamerleden
meer inzicht in die moeilijkheden kregen, maar dit voordeel werd voor
een te hoogen prijs gekocht. Eenerzijds was het gevolg, dat de
voorzittende Kamerleden van de commissies van toezicht op den uitvoer
van land- en tuinbouwproducten zich eenigszins begonnen te gevoelen en
te gedragen als onder-ministertjes, die, zonder verantwoordelijk te
zijn, mochten meeregeeren; en anderzijds dat de werkelijke Minister, in
verband daarmede, de teugels van het bewind niet zoo vast in handen kon
houden, als juist in den abnormaal moeilijken oorlogstijd dubbel noodig
was. De verantwoordelijkheid raakte feitelijk eenigszins verdeeld,
hoewel zij staatsrechtelijk natuurlijk uitsluitend op den Minister bleef
rusten. Het eindresultaat was, dat toen tot overmaat van ramp de
Minister van Landbouw door ongesteldheid tijdelijk buiten gevecht
gesteld werd, de feitelijke en de grondwettelijke verantwoordelijkheid
zich nauwelijks meer dekten en er een practische veelhoofdigheid in het
bestuur der levensmiddelenvoorziening kwam, die den wagen geheel uit het
spoor bracht. De bevolking begon, niet geheel ten onrechte, beangst te
worden en de Minister van Binnenlandsche Zaken, optredende als feitelijk
interimair Minister van Landbouw, werd genoodzaakt tot forsch ingrijpen
om den wagen weer aan het rollen te brengen. Op een helaas voor de
bevolking wat zeer voelbare wijze werd zoodoende weer eens door de
ervaring bevestigd, dat gedeelde verantwoordelijkheid geen
verantwoordelijkheid is.
En niet slechts de verbruikers waren beangst en ontstemd, ook de boeren
waren ontevreden. De grondtoon van hun ontevredenheid was verbolgenheid
over het feit, dat zij niet zooveel oorlogswinst konden maken als zonder
beperking van den uitvoer het geval zou zijn geweest. In zoover was die
ontevredenheid menschelijk, maar onredelijk. Na hetgeen ik boven[7] over
oorlogswinst en beperking daarvan door uitvoerverboden schreef, behoef
ik dit oordeel hier niet opnieuw te staven. Ik zou daardoor slechts in
herhaling vervallen.
[7] Zie bl. 49-53.
Daarnaast hadden de boeren een andere grief, die alleszins reden van
bestaan had. Ik maakte er reeds melding van, hoe de uitvoerregeling bij
de kaas op mislukking uitliep. Met de andere voedingsartikelen, waarvoor
een analoge regeling was getroffen, ging het over het algemeen wel
beter, maar toch waren ook hier te veel lekken. En te dikwijls is het
voorgekomen, dat producten, die door de boeren tegen matigen prijs
moesten worden afgestaan om voor het overige van hun voorraad
uitvoerconsent te verkrijgen, in stede van hun bestemming te bereiken,
werden opgekocht door tusschenhandelaars, die toch gelegenheid zagen ze
met grove winst over de grenzen te krijgen of ze als vrij goed
binnenslands te verkoopen. Dat de boeren daartegen in opstand kwamen, is
niet slechts menschelijk, maar volkomen gerechtvaardigd tevens. De
oorlogstoestand heeft een aantal knoeiende beunhazen gekweekt, die door
allerhande practijken, welke nu eens lijnrecht tegen de wet
ingaan, dan weer langs de grens der strafbaarheid heenglijden, alle
maatregelen, welke in het belang der volksvoeding moeten worden
genomen, in de uitvoering bemoeilijken. Deze schadelijke parasieten,
die wel voornamelijk maar helaas niet uitsluitend onder de
gelegenheidshandelaars worden aangetroffen, zijn een ware nachtmerrie
voor de Regeering. Voor den Minister van Landbouw zijn zij wat de
smokkelaars zijn voor den Minister van Financiën. Voortdurend moet tegen
hen strijd worden gevoerd. Hun optreden heeft er meer dan iets anders
toe geleid, dat de regeeringsbureaux tot het afgeven van consenten,
werden vervangen door vereenigingen van belanghebbenden, werkende onder
contrôle van commissies van toezicht, en deel uitmakende van de over het
heele land vertakte organisatie der Rijks-levensmiddelendistributie. Die
verandering in de regeling is echter evenmin voldoende geweest om het
kwaad te keeren.
Niemand beelde zich in, dat men dit euvel geheel den kop zal kunnen
indrukken. Het is een voortdurende strijd, waarbij na elken nieuwen
maatregel de beunhaas en de smokkelaar nieuwe wegen vinden, om dien te
ontduiken. Dat het hen, die een deel van hun waar tegen betrekkelijk
lagen prijs moeten afstaan, grootelijks ontstemt, wanneer zij ontdekken,
dat anderen zich daarmede onrechtmatig verrijken, is volkomen
begrijpelijk; zij zouden sukkels zijn, indien het anders ware. _Die_
ontstemming kan men den boeren dan ook waarlijk niet kwalijk nemen. In
dit opzicht beginnen zij eerst ongelijk te krijgen, als zij wegens de
knoeierijen en ontduikingen, waartegen men wel den strijd kan en moet
aanbinden, maar die men niet geheel verhinderen kan, het geheele
ingrijpen der Regeering veroordeelen. Alleen dan zou hun conclusie te
dezen aanzien gerechtvaardigd zijn, indien de Regeering niet voortdurend
deed wat in haar vermogen is, om dat geknoei zooveel mogelijk tegen te
gaan, of indien zij daartegenover zóó machteloos stond, dat zij wel den
boeren een deel van hun kans op oorlogswinst wegnam, maar daarmede de
volksvoeding weinig of niet hielp. Ja, dan zou men zich aan de zijde der
pruttelende boeren moeten stellen. Een ingrijpen dat zijn doel niet
bereikt en alleen de boeren zou beletten zooveel winst te maken, als zij
anders zouden kunnen doen, zou inderdaad zich zelf veroordeelen.
Maar zoo erg is het gelukkig niet. Uit de bovenstaande bladzijden blijkt
voldoende, dat ik geen onverdeeld bewonderaar ben van de regeling der
uitvoerconsenten en de fouten daarvan niet wil verbloemen, maar al zou
het effect zonder die fouten grooter zijn geweest en al moet worden
erkend, dat er lekken zijn, welke men niet heeft weten te stoppen, toch
is die voorziening niet gelijk te stellen met water gieten in een
bodemloos vat. Verre van dien. Ondanks alles heeft zij zeer nuttig
gewerkt. In de eerste plaats mag dankbaar worden gewag gemaakt van
hetgeen geschied is met de beschikbaarstelling van regeeringsvarkens;
daardoor is het varkensvleesch op groote schaal gebleven binnen het
bereik ook van de kleinere beurzen. Daarnaast mogen ook de
regeeringsboter, de regeeringsgroenten en zeker ook de regeeringsvisch
worden genoemd, al heeft het met die groenten wel eens leelijk gehokt.
Niet op inkrimping en nog minder op ontijdige opheffing der beperkingen
van den uitvoer van levensmiddelen, waarvan het land meer voortbrengt
dan voor de eigen behoefte noodig is, moet voorloopig worden
aangestuurd. Niet wegwerpen van het in den oorlogstijd onmisbare, omdat
het gebreken heeft, maar rusteloos en gestadig zoeken naar- en
aanbrengen van verbetering daarin, principieel en practisch. Dat is wat
de buitengewone toestanden vragen; dat is ook wat de Regeering
onverpoosd nastreeft en wat zij beter zal bereiken, naar gelang zij 1º.
zich meer rekenschap geeft zoowel van de principieele beteekenis harer
daden, als van de onwillekeurige partijdigheid van belanghebbende
raadgevers en medewerkers, ook al zijn dezen volkomen te goeder trouw,
en 2º. bij de uitvoering harer maatregelen zelve de teugels vaster in
handen houdt.
Voor zoover ik in de voorafgaande bladzijden ook critiek liet hooren,
heb ik dat niet gedaan zonder schroom. Echter treft mijn critiek voor
een deel ook mijzelven. Maar wat mij vooral mijne aarzeling deed
overwinnen, was de overweging dat de levensmiddelenvoorziening van zoo
groot belang is en ook na het sluiten van den vrede nog eenigen tijd
blijven zal, dat andere overwegingen daarvoor moeten wijken.
Hieronder[8] zal nog nader blijken hoezeer mijn critiek een opbouwend
karakter heeft.
[8] Zie bl. 89-91.
Tot besluit van deze paragraaf nog een enkel woord over de
regeeringsvisch. Regeeringsvisch is niet alleen natuurwetenschappelijk
iets anders dan regeeringsboter, regeeringsvarkens of
regeeringsgroenten. Hij wijkt daarvan ook af door een ietwat anderen
oorsprong als regeeringswaar. In het begin van de oorlogscrisis had het
allen schijn, dat het moeilijk zijn zou, voor de producenten der
visscherij het gewone afzetgebied te vinden. Het Kon. Nat. Steuncomité
trachtte toen niet zonder succes mosselen, welke anders grootendeels
worden uitgevoerd, met name naar België, hier te lande als volksvoedsel
ingang te doen vinden. Het richtte daartoe den 17den October 1914 een
circulaire aan de plaatselijke comités en riep ook de tusschenkomst van
de Commissarissen der Koningin in, om de medewerking der burgemeesters
te verkrijgen ter algemeene verspreiding van dat stuk. Daarin werden
zelfs recepten gegeven, hoe de mosselen op verschillende wijze bereid
kunnen worden. Tevens werd toen, op initiatief van het Comité, te Tholen
een Centraal Bureau opgericht voor de bevordering van den afzet van
Zeeuwsche mosselen. Door dat bureau werden mosselen tegen zeer lagen
prijs aangeboden. Weldra greep ook de Regeering in en werd een poging
gedaan om meer in het algemeen het verbruik van producten der visscherij
onder de bevolking van ons eigen land te bevorderen. In de Tweede Nota
betreffende den Economischen Toestand, welke van Januari 1915
dagteekent, wordt daarvan gezegd:
„Opgericht werd een Centraal Bureau voor den afzet van
visscherijproducten, dat onder leiding is gesteld van de
visscherijinspectie in samenwerking met de vertegenwoordigers der
visscherijorganisaties. Dit bureau, gevestigd te Amsterdam, stichtte
daar een vischbakkerij, waarin reeds groote hoeveelheden spiering
gebakken worden, welke aan het leger, aan vluchtelingen- en
interneeringskampen en ook aan de gemeente Amsterdam geleverd werden.
Deze laat het product in een aantal winkels verkoopen. Ook organiseerde
het bureau reeds den verkoop van versche spiering door venters, terwijl
het bovendien aan verschillende gemeentebesturen advies gaf over den
inkoop van visch van gemeentewege, of de inrichting van gemeentelijke
vischmarkten.”
In een latere Nota schrijft de Minister van Landbouw:
„Het Centraal Bureau voor den afzet van visscherijproducten zette in het
2e kwartaal van dit jaar (1915) met succes zijn werkzaamheden voort.
„Toen de spieringaanvoer minderde, werd voor de bakkerij ook eerst
Zuiderzeeharing en later vooral Noordzeevisch door bemiddeling van het
Centraal Bureau verkocht, hetzij doordat te Amsterdam en ’s Gravenhage
vanwege het bureau zelf in marktkramen en halletjes verkocht werd,
hetzij door levering aan gemeenten.
„Het aantal gemeentebesturen, dat door tusschenkomst van het bureau
visch betrok, was aan het einde van het kwartaal tot 49 gestegen.
„Tijdens de stagnatie van de trawlvisch-aanvoer door moeilijkheden ten
aanzien van de kolenvoorziening der stoomtrawlers en het mijnengevaar,
werd door het Centraal Bureau ook aal verkocht, hetgeen ten goede kwam
aan de visscherij in de Zuidhollandsche stroomen en benedenrivieren.”
Uit deze mededeelingen blijkt zonneklaar, dat de oorsprong van dit
centraal bureau heel anders is dan die van de andere distributiebureaux.
Terwijl deze laatste werden opgericht ter voorziening in de behoefte van
verbruikers, was het bij het vischbureau juist andersom gesteld. De
verbruikers profiteerden wel van het bureau, maar dit was een gelukkig
gevolg van het eigenlijke doel: hulpverleening aan de in moeilijkheden
geraakte visscherij. Indien het zoo gebleven was, zou ik van deze
aangelegenheid hier in het geheel niet hebben gesproken en de zaak
behandeld hebben in hoofdstuk V, waar ik de takken van ons volksbestaan
gedurende de oorlogscrisis bespreek.
In den loop van het jaar 1915 werden echter ten aanzien van de
visscherij, met uitzondering van enkele onderdeelen, met name de
mossel- en de oestervisscherij, de bordjes verhangen. Van noodlijdend
werd de visscherij, inzonderheid de trawl- en de haringvisscherij,
ongekend winstgevend door eene buitengewone toeneming van de
buitenlandsche (Duitsche) vraag. Zij kwam toen in een overeenkomstige
positie als de exporteurs van boter, kaas, varkensvleesch, groenten enz.
In verband daarmede werd in November 1915 een Zeevischvereeniging
opgericht, om een deel van de aangevoerde kleine trawlvisch en zekere
hoeveelheden haring ter beschikking te stellen voor binnenlandsch
verbruik. Met die verandering in den toestand kwam de regeeringsvisch in
hetzelfde schuitje met de regeeringsgroente. De afwijkende oorsprong
heeft echter op de distributie van die visch een gunstig gevolg gehad.
§ 2. _De levensmiddelenwet._
Zelfs al was de regeling der uitvoerverboden en -consenten zonder
gebreken geweest, dan zou zij toch niet voldoende geweest zijn. Om aan
de bevolking het verkrijgen der benoodigde levensmiddelen tegen niet te
hoog opgedreven prijzen te waarborgen, was meer noodig.
Zooals in de inleiding werd in herinnering gebracht, gaven de
huisvrouwen in het laatst van Juli en in de eerste dagen van Augustus
1914 uiting aan den schrik, die haar op het vernemen der berichten
omtrent het uitbreken van den oorlog om het hart sloeg, door de winkels
van eetbare waren te bestormen en voorraden van allerlei levensmiddelen
en huishoudelijke verbruiksartikelen in te slaan. Dit gaf aanleiding
dat sommige winkels werden uitverkocht en dat hier en daar fancy-prijzen
werden gevraagd, welke, in den schrik welke de bevolking bevangen had,
gereedelijk werden betaald door de koopsters, die daartoe in staat
waren. Deze uiting van oorlogspaniek was tegelijk zóó onverwacht en zóó
hevig, dat daartegen zonder verwijl moest worden opgekomen. Zij gaf aan
het kamerlid Schaper den 31en Juli 1914 aanleiding, aan de Regeering de
schriftelijke vraag te stellen, wat zij tot het tegengaan van
prijsopdrijving van levensbenoodigdheden dacht te doen. Die vraag werd
door _Het Volk_ in het nummer van Vrijdag-avond 31 Juli bekend gemaakt
en den volgenden ochtend overgenomen in de ochtend-edities van de groote
dagbladen. Daardoor nam ik er kennis van, nog voordat mij het officieele
bericht van den Voorzitter der Tweede Kamer daaromtrent bereikte. Ook
zonder dat die vraag gesteld was, zou men de prijsopdrijving niet
ongestoord haar gang hebben laten gaan; dit neemt intusschen niet weg,
dat het bloote doen der vraag reeds nuttig werkte. De Regeering had in
die dagen als het ware naar alle zijden tegelijk te zien en te voorzien.
Het was haar niet mogelijk alles wat er omging en voorziening
vereischte, zelve waar te nemen. Veel was er, dat zij hetzij uit de
dagbladen, hetzij uit vragen of mededeelingen van belanghebbenden of
belangstellenden vernemen moest. Door de vraag van den heer Schaper werd
haar aandacht bijtijds gevestigd op het gevaar, dat ten aanzien der
prijsopdrijving van levensmiddelen dreigde.
Het was aanstonds duidelijk dat de bestaande onteigeningswet niet
voldoende was om het opkomende gevaar te keeren en dat het langs den weg
van uitbreiding dier wet gekeerd worden moest. Zaterdag ochtend onder
het gaan naar het Ministerie overwoog ik de hoofdpunten van hetgeen hier
noodig was. Daar gekomen, zette ik die hoofdpunten op het papier als
schema voor een wetsontwerp met een korte Memorie van Toelichting. Aan
den chef der afdeeling Handel werd door mij opgedragen, ze in den
vereischten vorm te gieten en daaromtrent voor zooveel noodig de
Departementen van Binnenlandsche Zaken en van Justitie te raadplegen.
Persoonlijk besprak ik de zaak met den heer Cort van der Linden, van
wien het ontwerp, daar het een aanvulling van de onteigeningswet betrof,
formeel in de eerste plaats moest uitgaan. Naar aanleiding van
opmerkingen van de Departementen van Binnenlandsche Zaken en van
Justitie werd het stuk, dat tegen den middag in zijn eersten vorm gereed
was gekomen, voor zooveel noodig gewijzigd en aangevuld. Hoewel ’s
middags ook een belangrijke en vrij langdurige vergadering met personen
uit de financieele wereld moest worden gehouden, was het toch omstreeks
7 uur ’s avonds zoover, dat ik aan de Koningin een audiëntie kon
aanvragen om het ontwerp aan H. M. voor te leggen. De Koningin, die in
die dagen met allerlei spoedzaken door Hare verschillende
grondwettelijke raadslieden werd overstelpt, had den Voorzitter van den
Ministerraad doen weten, dat alle leden van het Kabinet konden verzoeken
in gehoor te worden ontvangen, zoo dikwijls zij dit voor dringende
aangelegenheden noodig oordeelden. Bovendien had H. M. er voor gezorgd,
dat voortdurend een der ambtenaren van Haar Kabinet ten Paleize aanwezig
was, om de verdere behandeling van urgente stukken zooveel mogelijk te
bespoedigen. Hoewel aan het ontwerp onophoudelijk was gewerkt, werd het
toch ongeveer negen uur ’s avonds, vóórdat ik het stuk in den vorm,
waarin het aan de Koningin kon worden voorgelegd, naar het Paleis kon
medenemen. Toen ik met een enkel woord de strekking van het ontwerp
uiteenzette, zeide de Koningin mij, dat Zij dienzelfden dag zeer was
getroffen door de bestorming van winkels, welke Zij zelve had opgemerkt
en dat Zij met genoegen zag, dat terstond een maatregel was voorbereid
om het hieruit te duchten gevaar te keeren. Hoewel hetgeen ten Paleize
binnenskamers tusschen de Koningin en een van Haar raadslieden wordt
besproken, geheim is en behoort te blijven, ben ik wel niet onbescheiden
en verklap ik geen staatsgeheim door te dezer zake een tipje van den
sluier, die om zulke besprekingen hangt, op te lichten. Hare Majesteit
gaf mij verlof het ontwerp uit Haar naam onverwijld naar den Raad van
State om advies te zenden en teekende voorloopig het exemplaar, dat ik
achterliet, boven op het stuk af, opdat de Directeur van Haar Kabinet
daaruit voorloopig reeds Haar instemming met het ontwerp zou zien. Zoo
werkte in die gedenkwaardige dagen ieder, de Koningin aan het hoofd,
mede om den gang van zaken te bespoedigen en werd over formaliteiten,
die vertraging teweegbrengen, heengestapt.
Intusschen was de Ministerraad van acht uur af bijeen ter behandeling
van verschillende dringende onderwerpen en waren in een afzonderlijke
kamer van het Ministerie van Justitie eenige ambtenaren van dat
Departement en van die van Landbouw en van Binnenlandsche Zaken
samengekomen, om het ontwerp nog nader onder handen te nemen, naar
aanleiding van de opmerkingen, welke de Raad van State mocht maken. Toen
ik in het gebouw van het Departement van Justitie, waar de Ministerraad
pleegt te vergaderen, gekomen was, ging ik eerst naar de kamer van den
Secretaris-Generaal. Daar vertelden mij de heeren, die er met het
zooeven aangewezen doel samengekomen waren, dat de Raad van State uiteen
was gegaan en den volgenden ochtend opnieuw zou vergaderen. Aangezien
het ontwerp van zeer urgenten aard was en, zoo eenigszins mogelijk,
behandeld moest worden in de vergadering van de Tweede Kamer, die
Maandag 3 Augustus bijeenkwam, kon ik die mededeeling niet eenvoudig
voor kennisgeving aannemen. Telefonisch kreeg ik er den hoofdcommies die
in het gebouw van den Raad van State achtergebleven was, toe, dat hij
den waarnemenden vice-voorzitter van den Raad (de heer Röell was kort te
voren overleden en een nieuwe vice-voorzitter was nog niet benoemd) zou
mededeelen, dat er een bij uitstek dringend ontwerp was ingekomen en dat
de Regeering het zeer op prijs zou stellen, als zij nog dienzelfden
avond of nacht het advies van den Raad daaromtrent zou kunnen ontvangen.
De waarnemende voorzitter bleek aanstonds bereid zijne medewerking te
verleenen. De leden van den Raad van State werden terstond voor een
spoedvergadering op denzelfden avond opgeroepen en des nachts omstreeks
half één of één uur kwam het advies in. De Ministers van Binnenlandsche
Zaken en van Justitie waren met mij in de vergaderzaal van den
Ministerraad gebleven ter behandeling van het ontwerp naar aanleiding
van het in aantocht zijnde advies. De zooeven genoemde ambtenaren hadden
het intusschen nog eens zorgvuldig van alle kanten bekeken, zoodat de
slotredactie, toen het advies van den Raad van State ingekomen was,
spoedig kon worden vastgesteld. Het ontwerp kon nu den volgenden ochtend
aan de Tweede Kamer worden aangeboden en zóó tijdig aan de leden van de
beide kamers worden rondgezonden, dat zij er nog vóór de vergadering op
Maandag den 3den Augustus van konden kennis nemen. Na formeel in de
afdeelingen te zijn onderzocht, werd het nog denzelfden dag met eenige
andere zeer urgente wetsontwerpen door beide Kamers der Staten-Generaal
aangenomen; des avonds verscheen het, door de Koningin bekrachtigd, in
het Staatsblad. Sneller levensloop, van het eerste stadium der
overweging van zijn inhoud tot zijn metamorphose als van kracht zijnde
wet toe, heeft wel nooit een wetsontwerp gehad.
De strekking kan ik het eenvoudigst duidelijk maken door het overnemen
van de Memorie van Toelichting.
De zeer buitengewone omstandigheden, waarin Nederland thans
verkeert, maken een ingrijpen van den wetgever ter voorkoming van
het gevaar van vasthouding en prijsopdrijving van levensmiddelen
grondstoffen van levensmiddelen, huishoudelijke artikelen en
brandstoffen, dringend noodzakelijk.
In de eerste plaats is reeds thans, nu de buitengewone toestand
slechts enkele dagen duurt, gebleken, dat onder de bevolking zich
een vrees verspreidt, dat binnenkort het moeilijk zal vallen
levensmiddelen of handelswaren naar gelang van de behoefte in te
koopen en dat dientengevolge hier en daar men tot buitengewone
inkoopen overgaat.
Die buitengewone inkoopen zouden niet alleen de prijzen in het
algemeen kunnen opdrijven en daardoor pogingen van speculanten om
prijsstijging in de hand te werken, kunnen bevorderen, maar ook
gevaar kunnen doen ontstaan, dat bij mogelijk in de toekomst
blijkend krap zijn van voorraden van sommige artikelen, er gebrek
voor sommigen naast overvloed voor anderen zou zijn.
De wettelijke maatregel welke wordt voorgesteld, wordt in hoofdzaak
als een preventieve bedoeld. Juist daarom zal hij gemakkelijk
doorvoerbaar moeten zijn.
De maatregel bestaat hierin, dat na artikel 76 van de
Onteigeningswet eenige bepalingen worden opgenomen, krachtens welke
na machtiging van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel
de burgemeesters bevoegd zullen zijn, in de gemeente aanwezige
levensmiddelen en grondstoffen van levensmiddelen alsmede
huishoudelijke artikelen en brandstoffen voor de gemeente in bezit
te nemen, en deze aan de gemeentenaren tegen redelijke prijzen ter
beschikking te stellen, terwijl de schadeloosstelling voor de in
bezit genomen artikelen zal worden geregeld in den geest van die
bij de vordering van paarden (zie artikel 27 van het Koninklijk
Besluit van 10 November 1892, _Staatsblad_ n^{o}. 253, laatstelijk
gewijzigd bij Koninklijk besluit van 16 December 1902, _Staatsblad_
n^{o}. 222).
De bedoelde machtiging van den Minister zal in het algemeen voor
het geheele land of, al dan niet op verzoek, voor bepaalde
gemeenten kunnen worden verleend.
De kern van deze korte toelichting ligt in de alinea, waarin wordt
gezegd dat de maatregel de bedoeling heeft preventief te werken. Bij
het overwegen van hetgeen tegen prijsopdrijving en speculatieve
vasthouding van waren te doen was, heb ik vooral gezocht naar een
middel, dat door zijn preventieve werking zoowel betrekkelijk
gemakkelijk hanteerbaar zou zijn, als afdoende zou wezen ter voorkoming
of afwering van het gevaar dat niet alleen werd geducht, maar het hoofd
reeds begon op te steken.
De beoogde preventieve werking mocht reeds worden verwacht van het
bloote feit, dat aan den Minister van Landbouw gedurende den oorlog bij
de wet de noodige macht werd verleend tot ingrijpen door tusschenkomst
van de burgemeesters, zoo dikwijls hij dit noodig oordeelde. Zij die
levensmiddelen en andere in de wet genoemde goederen met speculatieve
doeleinden wilden achterhouden of ongemotiveerd hooge prijzen daarvoor
vroegen, waren van het oogenblik dat de wet tot stand gekomen was,
gewaarschuwd, dat zij, indien hun bedrijf aan het licht kwam, gevaar
liepen hun voorraden onteigend te zien. Zij konden wel nagaan, dat hun
dan geen buitensporig hooge schadeloosstelling zou worden toegekend,
zoodat het niet vrijwillig zich onderwerpen aan den drang der wet tot
beschikbaarstelling hunner voorraden tegen redelijke prijzen, een
gevaarlijke speculatie zijn zou.
Toch zou de wet moeilijk zijn te hanteeren geweest, als telkens het
middel van inbezitneming door den burgemeester bij elke poging tot
vasthouding of tot prijsopdrijving van de bedoelde waren in toepassing
had moeten zijn gebracht. Van het eerste oogenblik dat de zaak door mij
werd overwogen, zocht ik dan ook naar een uitweg, waarlangs de
inbezitneming kon worden beperkt tot de gevallen, waarin medewerking van
de belanghebbenden, na eene algemeene of individueele waarschuwing,
achterwege bleef. Daartoe werd bepaald, dat indien hij, onder wien de
burgemeester in de wet genoemde waren in bezit wil nemen, onmiddellijk
ten genoege van het hoofd der gemeente aanbiedt, zelf op door dezen
goedgekeurde wijze die goederen ter beschikking te stellen tegen
prijzen, die niet te boven gaan de daarvoor door den Minister van
Landbouw bepaalde bedragen, de inbezitneming kan worden opgeschort.