Bij het stellen der uitvoerverboden en het regelen der uitvoerconsenten

werd dankbaar gebruik gemaakt van de adviezen der in hoofdstuk V nader

te bespreken subcommissie uit het Kon. Nat. Steuncomité, welke zich tot

taak gesteld had, mede te werken aan het weder op gang brengen van het

verkeer en de productie en daarmede de fourageering der bevolking te

verzekeren. Op initiatief van den heer Posthuma als 2en Voorzitter van

dat comité werd de fourageeringscommissie den 5en Januari 1915 omgezet

in de algemeen bekend geworden Commissie voor de voeding van mensch en

dier. Deze werd samengesteld uit: de voorzitters der hieronder te

bespreken roggecommissies en der provinciale bemiddelingsbureaux van het

Nederlandsch Landbouw-comité, den secretaris van den Nederlandschen

Tuinbouwraad, den voorzitter van den Middenstandsbond, de voorzitters

van de vereenigingen of bonden van bakkers, aardappelhandelaars en

slagers, de directeuren van de distributiebureaux van graan en meel en

van boter en kaas; de verbruikers waren er in vertegenwoordigd door den

voorzitter van den Nederlandschen Coöperatieven Bond. Vanwege het Kon.

Nat. Steuncomité werden aan de Commissie toegevoegd: de voorzitter van

de commissie van uitvoering, de algemeene secretaris en eenige

adjunct-secretarissen. De samenstelling van de Commissie was dus zeer

veelzijdig en gaf alle waarborgen van deskundigheid; echter was

tegenover de verschillende producenten en handelaars het

verbruikersbelang wel wat zwak vertegenwoordigd. De stem van den

voorzitter van den Nederlandschen Coöperatieven Bond kon tegen het

groote aantal stemmen van vertegenwoordigers van producenten- of

handelaarsbelangen niet opwegen. Het voorzitterschap werd opgedragen aan

den heer Mr. J. T. Linthorst Homan te Assen, lid van de Commissie van

uitvoering van het Kon. Nat. Steuncomité, en voorzitter van het

Nederlandsch Landbouwcomité, die van het begin van den oorlogstoestand

af met groote toewijding zijn krachten aan het land beschikbaar heeft

gesteld en nog stelt.

In zijne rede tot installatie der commissie wees de heer Posthuma er

op, dat de commissie het middelpunt zou vormen van de verschillende

provinciale en plaatselijke bureaux en commissies, welke verzorging van

onderdeelen van het voedingsvraagstuk ten doel hadden.

„Provinciaal plegen de bestaande roggecommissies en de

bemiddelingsbureaux voor den Nederlandschen Landbouw overleg met

elkander--zoo werd in die installatierede de te vervullen taak

omschreven--inzake alle vraagstukken de voeding van mensch en dier

betreffend. Van dit overleg wordt verwacht, dat wederzijds het beste

inzicht wordt verkregen òf in elkanders belang òf in hetgeen voor het

algemeen belang de meest juiste maatregel moet geacht worden te zijn.

Stilzwijgend wordt aangenomen, dat men provinciaal een uitvoerend comité

vormt, dat de beslissing neemt in die zaken, waarvoor de voorzitters van

de roggecommissie of het bemiddelingsbureau het niet noodig oordeelen de

leden hunner commissie op te roepen. Het is bepaald wenschelijk dat door

zoo’n provinciaal uitvoerend comité getracht wordt de medewerking te

verkrijgen van de plaatselijke organisatiën, waarvan de voorzitters der

landelijke organisatiën in de Commissie voor de voeding van mensch en

dier van het Kon. Nat. Steuncomité zijn opgenomen. Noodzakelijk is, dat

iedere provinciale commissie een adres heeft, waaraan alles de provincie

betreffende kan worden gezonden.

„Verwacht wordt, dat het op deze wijze voor de Regeering mogelijk zal

zijn, van het Kon. Nat. Steuncomité inlichtingen te verkrijgen, waarin

de verschillende belangen die de verschillende provinciën dikwijls

hebben, geheel tot uiting komen.

„De Regeering heeft het voornemen vele malen hetzij van het bureau,

hetzij van het bureau versterkt door voor een bepaalde vraag meer

aangewezen leden, advies te vragen en vertrouwt, dat bij vragen van

algemeenen aard of het landsbelang rakende, door het bureau dezer

commissie het advies der provinciale comités zal worden gevraagd.”

De Commissie voor de voeding van mensch en dier is bedoeld als een

commissie van advies en zij kon trouwens niet anders bedoeld zijn, daar

zij geen tijdelijk regeeringsinstituut is, maar een schepping en een

onderdeel van het Kon. Nat. Steuncomité dat, hoewel het met de

Regeering in zeer nauwe betrekking staat, toch een particuliere

vereeniging is, aan welke geen regeeringsdaden kunnen worden opgedragen.

Practisch heeft het zich echter zoodanig ontwikkeld, dat de commissie

niet slechts over de uitvoerconsenten advies geeft, maar feitelijk de

uitvoering der consentenregelingen onder verantwoordelijkheid van den

Minister van Landbouw in handen heeft. Uit den aard der zaak moet zij

daarbij steeds voeling houden met de Nederlandsche Overzee Trust

Maatschappij, waarover ik in hoofdstuk V spreek.

De Commissie voor de voeding van mensch en dier werd echter niet alleen

gesteld aan het hoofd der consentenafgiften, ook de leiding der

distributie van de levensmiddelen, waarover de Regeering de beschikking

kreeg, werd haar toevertrouwd. In de circulaire van 29 September 1915

aan de burgemeesters, waarin door den Minister van Landbouw de

hoofdtrekken van een nieuw plan van levensmiddelendistributie werden

uiteengezet, naar aanleiding van de hieronder nog eenigszins nader te

bespreken omzetting der Rijksbureaux voor distributie van verschillende

levensmiddelen in vereenigingen van belanghebbenden, welke onder een van

Regeeringswege georganiseerd toezicht werken, werd medegedeeld dat de

centrale leiding van die nieuw georganiseerde levensmiddelendistributie

was opgedragen aan „de Commissie voor de voeding van mensch en dier uit

het Kon. Nat. Steuncomité, door welke commissie een algemeen

administratiekantoor wordt ingesteld.

„De verstrekking van de in aanmerking komende levensmiddelen geschiedt

voor de onderscheidene gemeenten door tusschenkomst van dit

administratiekantoor. Hierdoor wordt het dubbele voordeel verkregen, dat

voor alle artikelen door de gemeenten slechts aan één adres behoeft

geschreven te worden en het administratiekantoor zich niet, als de thans

bestaande distributiebureaux, met een steeds grooter wordend getal

afnemers, doch enkel met de gemeenten in verbinding behoeft te stellen.”

Staatsrechtelijk was het zeker niet onberispelijk, dat de leiding van de

distributie van verschillende etenswaren, welke Rijkseigendom waren

geworden, tusschen de gemeenten, die daaraan behoefte hadden, werd

opgedragen aan een niet-publiekrechtelijk georganiseerd centraal

distributiebureau. Deze fout werd trouwens spoedig hersteld door de

omzetting van het centraal distributiebureau van de Commissie voor de

voeding van mensch en dier in een Rijksbureau. Practisch was, afgezien

van de karakterverandering der afzonderlijke distributiebureaux voor de

verschillende levensmiddelen--waarover aanstonds,--het brengen van

onderling verband tusschen die uit den nood der tijden ontsproten

instellingen en het organiseeren daarvan onder een centraal hoofdbureau

zonder twijfel een verbetering. Dat de ervaring, welke met de

levensmiddelendistributie werd opgedaan, toch vaak zoo weinig

bemoedigend was, mag aan de in September 1915 tot stand gebrachte

reorganisatie niet worden geweten; die ervaring was verre van onverdeeld

gunstig, _ondanks_ de door die reorganisatie aangebrachte verbetering.

De hoofdmoeilijkheid waarmede men bij de Rijkslevensmiddelendistributie

heeft te kampen gehad, kon door centralisatie van den distributiedienst

hoogstens iets worden verminderd; ondervangen worden kon zij daardoor

niet. Zij was inhaerent aan de omstandigheid, dat de levensmiddelen, die

gedistribueerd moesten worden, Rijkseigendom waren geworden, d. w. z.

dat zij, vóór zij door tusschenkomst van den kleinhandel (en de slagers)

onder het bereik van de verbruikers werden gebracht, eerst, zij het ook

in tijd vaak slechts zeer kort, aan het handelsverkeer werden

onttrokken. Terwijl het lot zijner waren in normale tijden den

groothandelaar en den grossier onverschillig zijn kan, als zij hem maar

betaald worden, mocht het der Regeering, hier als groothandelaar of

grossier optredend, juist niet onverschillig zijn, wat er met het goed

gebeurde. Haar geheele optreden op dit gebied was alleen gerechtvaardigd

als middel om de goederen, waar het om ging, tegen billijken prijs aan

de verbruikers te brengen. De geheele organisatie moest er dus op

ingericht zijn, zoo goed mogelijk te waarborgen, dat dit doel ook zou

worden bereikt, m.a.w. dat de waren, welke onder de machtssfeer van het

Centrale Rijksdistributiebureau en zijne vertakkingen kwamen, die

machtssfeer eerst zouden kunnen verlaten op het oogenblik, dat zij in

handen gekomen waren van de verbruikers, voor wie zij bestemd waren. De

taak, waarvoor het distributiebureau stond, was het wegvloeien dier

goederen tusschen het beginpunt, de overgang in Rijkseigendom, en het

eindpunt, het in handen gekomen zijn van den verbruiker, te verhinderen.

Dat was daarom zoo moeilijk, omdat bij de distributie gebruik gemaakt

worden moest van de tusschenkomst van hen, die gewoon zijn deze rol in

het maatschappelijk leven, maar dan voor eigen rekening, te vervullen,

grossiers en winkeliers (en slagers). Den tusschenhandel voorbijgaan was

onmogelijk. Zoowel direct practische als algemeen sociale overwegingen

verzetten zich daartegen. Maar aangezien de prijzen, waarvoor de

regeeringswaren afgeleverd moesten worden, lager, in sommige gevallen

zeer aanzienlijk lager waren, dan die, welke de grossiers en winkeliers

konden bedingen voor waren van dezelfde kwaliteit, die op hun weg naar

het verbruikende publiek geen oogenblik het particuliere verkeer hadden

verlaten, was het bij uitstek moeilijk er voor te zorgen, dat de

regeeringskaas, de regeeringseieren, de regeeringsgroenten enz. op hun

weg naar den verbruiker niet afdwaalden en aan hun bestemming werden

onttrokken. De contrôle tot het tegengaan van dergelijke hoogst

hinderlijke verdwijningen was bij het eene product minder moeilijk dan

bij het andere. Geheel afdoende kon zij nergens zijn. Het enkele feit

dat zulke lekken telkens opnieuw aan het licht kwamen, was

teleurstellend voor de verbruikers, ontstemmend voor hen, die hun waren

beneden den handelsprijs hadden moeten afstaan, en ontmoedigend voor de

organen, welke tot taak hadden de distributie te verzorgen. Hinc illae

lacrimae!

Geheel had men het euvel, ook bij eene andere regeling, niet den kop

kunnen indrukken. Maar men had toch twee belangrijke factoren, die tot

vergrooting van het kwaad leidden, kunnen uitschakelen. Een daarvan

hangt ten nauwste samen met de verandering in rechtskarakter, welke men

bij de gevolgde regeling het te distribueeren goed deed ondergaan, vóór

het in distributie kwam. Op welke wijze men die verandering naar mijne

meening had kunnen ontgaan, kan ik eerst nader uiteenzetten, als ik in

de volgende paragraaf de hoofdtrekken van de levensmiddelenwet van 3

Augustus 1914 zal hebben besproken[2]. De andere factor ligt hierin, dat

de hoeveelheid der aan de distributie-organen ter beschikking gestelde

regeeringswaren niet afhankelijk was van den omvang der behoefte

daaraan, maar van den omvang van het exportbedrijf in de branche, welke

in die waren handel dreef. Hierdoor ontbrak elk innerlijk verband

tusschen aanbod en vraag in de Rijksdistributieorganisatie en was er nu

eens een relatief te veel dan weer een absoluut te kort, dat

desorganiseerend werken moest en desorganiseerend gewerkt heeft, ook al

heeft men, zooals bijv. bij de regeeringsvarkens, maatregelen genomen om

het nadeelig gevolg van het ontbreken van dat innerlijk verband zoo goed

mogelijk te neutraliseeren.

[2] Zie blz. 89-91.

Deze tweede factor in de moeilijkheden, welke bij de distributie der

regeeringswaren werden ondervonden, staat in den nauwsten samenhang met

een principieel verschil tusschen de beperking van den uitvoer en de

regeling der uitvoerconsenten bij de suiker en bij de andere producten

van tuinbouw, landbouw en veeteelt, welke in allengs versnellend tempo

volgden. Dat verschil bestaat hierin, dat ten aanzien van de suiker in

het algemeen werd bepaald, welk deel hier te lande moest blijven en welk

deel kon worden uitgevoerd en voorts in het algemeen een maximumprijs

voor de binnenslands blijvende suiker werd vastgesteld, terwijl

daarentegen de boteruitvoerregeling zoodanig werd ingericht, dat telkens

tegenover het uitvoerconsent een zekere hoeveelheid boter tegen een van

regeeringswege vastgestelden prijs voor de binnenlandsche consumptie aan

het Rijk moest worden afgestaan. In deze afwijking van de

suikeruitvoerregeling ligt de principieele fout. Zij werd reeds begaan

onder mijn bewind als Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel; mijne

critiek treft dus ook mijzelven. Hoe meer regelingen intusschen in den

geest van de boter- en kaasbureaux werden getroffen en hoe langer zij

werkten, des te sterker kwam de fout naar voren en des te duidelijker

moest het worden, dat het zaak was haar weg te nemen.

Door het vastkoppelen van de vorming van een voorraad voor binnenlandsch

verbruik aan de afgifte van consenten voor den uitvoer, ging die

voorraad met den omvang van den export op en neer en hield de aanvulling

of vernieuwing daarvan op, zoodra door maatregelen van onze eigen

Regeering of van die van het land, waarheen de uitvoer voornamelijk

ging, in dien uitvoer tijdelijk stilstand intrad. Een voorbeeld daarvan

geeft de Achtste Nota betreffende den Economischen Toestand:

„Het bleek noodzakelijk den geheelen uitvoer van kaas stop te zetten,

hetgeen geschiedde vanaf 24 October tot en met 7 December 1915. Het

gevolg daarvan was _natuurlijk_[3], dat gedurende dit tijdsverloop ook

geen zoogenaamde regeeringskaas meer beschikbaar werd gesteld”,--werd in

die Nota opgemerkt. Het wekt reeds eenige verwondering, dat men bij het

neerschrijven van die opmerking niet tevens inzag, dat men op den

verkeerden weg was en dat het noodig was de beschikbaarstelling van

regeeringsvarkens, regeeringskaas, regeeringseieren, regeeringsgroenten

enz. op andere wijze te regelen. Maar nog meer trof het mij, dat eenige

maanden later, in de Memorie van Toelichting bij het ontwerp tot

beschikbaarstelling van ƒ 20 millioen voor de volksvoeding, als iets dat

volkomen in den haak is, werd geschreven: „Het behoeft geen betoog, dat

in de periode welke wij thans ingaan of reeds zijn ingegaan, de uitvoer

van verschillende onzer producten belangrijk zal verminderen en

_daardoor, afgezien nog van de hoogere productiekosten, den producent de

voor het binnenlandsch verbruik opgeëischte waren duurder zullen moeten

worden betaald_[4];” en enkele regels verder: „voor die waren, waarvan

geen uitvoer en _dus_ geen (automatische) beschikbaarstelling door de

bekende vereenigingen plaats heeft, zal....” enz.

[3] De cursiveering komt van mij.

[4] De cursiveering komt van mij.

Die uitlatingen toch leggen den vinger op de principiëele fout van de

regeling (een fout, die--ik herhaal het--ook voor mijne rekening komt),

zonder dat uit de aanwijzing daarvan de conclusie wordt getrokken, dat

het dus noodig is verandering aan te brengen. Het deel van den geheelen

voorraad, dat voor binnenlandsch verbruik beschikbaar wordt gehouden,

moet niet afhangen van hetgeen ten uitvoer wordt aangeboden, maar het

deel van dien voorraad, dat ten uitvoer kan worden toegelaten, moet

afhangen van het deel, dat voor het binnenlandsch verbruik gereserveerd

moet blijven. Zoolang de uitvoer tamelijk geregeld zijn gang ging, had

de fout in het punt van uitgang der uitvoerregelingen geen practische

gevolgen van overwegende beteekenis. Maar zoodra kwam er niet stilstand

of vertraging daarin of die fout moest zich wreken. In stede van zich te

haasten, haar zoo goed mogelijk te herstellen, beriep men er zich op,

als op iets natuurlijks en leidde er zelfs de averechtsche conclusie uit

af, dat als er minder werd uitgevoerd, voor den voorraad die voor

binnenlandsch verbruik werd opgeëischt, _dus_ duurder zou moeten worden

betaald, boven en behalve hetgeen volkomen terecht moet worden vergoed

ter compensatie van hoogere productiekosten. Na hetgeen ik zooeven[5]

over het verband van oorlogswinst en uitvoerbeperking zeide, behoef ik

hier niet nog eens te betoogen, waarom ik die conclusie onjuist acht. De

bedoelde Memorie van Toelichting wijst er op, dat men aan de afdeeling

Landbouw van het Departement het spoor eenigszins bijster is geworden.

[5] Zie blz. 49-53.

Een ander principieel bezwaar, dat, zooals ik reeds aangaf, ook

practisch nadeelige gevolgen heeft, treft de regeling krachtens welke de

exporteurs van ten uitvoer verboden levensmiddelen hun uitvoerconsenten

als het ware moeten koopen voor een prijs, bestaande in het overdragen

aan het Rijk van een deel hunner waar beneden de marktwaarde, welk deel

door tusschenkomst van de distributiebureaux, later van de

distributievereenigingen en van het Rijks-Centraal Distributiebureau,

aan de burgemeesters, die zulke levensmiddelen aanvroegen, ter

beschikking wordt gesteld.

Onwettig zijn die regelingen niet, daar de exporteurs tegenover het

consent dat zij ontvangen, vrijwillig een bepaald deel van hun voorraad

tegen een bepaalden prijs afstaan. Maar die vrijwilligheid is slechts

zeer betrekkelijk; in werkelijkheid wordt het voor het binnenlandsch

verbruik beschikbaar gestelde deel afgedwongen, doordien het afstaan

daarvan voorwaarde is voor het verkrijgen van het uitvoerconsent, m. a.

w. voor de exporteurs voorwaarde is voor de uitoefening van hun bedrijf.

Het is reeds niet zonder bedenking, dat zulk een dwang wordt opgelegd

zonder dat de overheid, die daaraan in normale omstandigheden niet zou

denken, in den oorlogstoestand, _welke dien dwang volkomen wettigt_,

zich kan beroepen op een uitdrukkelijk daartoe verleende wettelijke

bevoegdheid. Misschien meer nog dan in gewone tijden is het in

oorlogstijd, als de Regeering telkens in het economisch leven gevoelig

ingrijpen moet, wenschelijk, zoo niet noodig, dat zij die den greep der

overheid gevoelen, niet kunnen twijfelen aan het goed recht daartoe en

dat geen voedsel wordt gegeven aan een, gelukkig geheel

ongerechtvaardigd, maar toch onder abnormale toestanden met abnormale

regeeringsinmenging zoo licht opkomend gevoel van te zijn overgegeven

aan willekeur, in stede van te moeten bukken voor de wet van het

inwendig oorlogsrecht.

Bij de regeling welke de beschikbaarstelling van voorraden voor

binnenlandsch verbruik vastkoppelde aan de afgifte van consenten voor

uitvoer, bleef wel de mogelijkheid open, gebruik te maken van de

bevoegdheid tot ingrijpen, aan de Regeering uitdrukkelijk gegeven bij de

wet tot het tegengaan van vasthouding en prijsopdrijving van waren,

welke ik in de volgende paragraaf bespreek, maar bij de toepassing der

geschetste consentenregeling werd er als het ware stilzwijgend van

uitgegaan, dat zoolang zij in stand gehouden werd, tot inbezitneming van

de aan haar onderworpen exportartikelen krachtens de levensmiddelenwet

niet zou worden overgegaan. Zóó vatten niet alleen belanghebbenden het

op, maar ook de Regeering kwam, blijkens haar handelingen, in die

gedachtensfeer. Dit is geen verwijt aan den Minister van Landbouw; het

niet gebruik maken van de bevoegdheden door de levensmiddelenwet

gegeven, was zoozeer saamgeweven met de gansche regeling der

uitvoerconsenten, dat het wèl hanteeren daarvan nauwlijks oirbaar zou

zijn geweest, zoolang de consentenregeling bestond en voor zoover zij

door belanghebbenden behoorlijk werd nageleefd. Echter pleit ook dit

haast onvermijdelijk gevolg wèl tegen de regeling zelve. Men had, zooals

ik in de volgende paragraaf nog nader denk te motiveeren, beter gedaan

zich aan de wettelijke bevoegdheden te houden dan, met de beste

bedoelingen en hier en daar ook langen tijd wel met gunstig gevolg, zich

te begeven op den gevaarlijken weg der extralegale, zoogenaamd

vrijwillige, maar inderdaad door den nood der omstandigheden afgedwongen

beschikbaarstellingen.

Hier heeft bovendien de eerste stap geleid tot een haast logisch

noodzakelijke consequentie, die principieel alweer iets verder van den

rechten weg af voerde en die practisch weinig voldaan heeft. Daarmede

doel ik op het tweede deel van de in September 1915 doorgevoerde

reorganisatie van de regeling der uitvoerconsenten. Zooeven wees ik er

reeds op, dat het eerste deel daarvan, namelijk het brengen van verband

tusschen de verschillende consenteninstituten, een verbetering was.

Ditzelfde kan m. i. niet worden getuigd van het andere deel dier

reorganisatie, namelijk de vervanging der Regeeringsbureaux op den

uitvoer van voedingsmiddelen door vereenigingen van belanghebbenden,

welke werkten onder toezicht van commissies, waarvan de leden door den

Minister van Landbouw werden benoemd. Waar bij de geheele regeling der

uitvoerconsenten allengs het privaatrechtelijk beginsel van het „do ut

des” meer op den voorgrond kwam, kon de uitvoering daarvan practisch

inderdaad beter worden toevertrouwd aan privaatrechtelijke vereenigingen

van belanghebbenden, dan aan krachtens hun oorsprong (tijdelijke)

staatsrechtelijke bureaux. Die vereenigingen van belanghebbenden konden

met de individueele exporteurs veel beter onderhandelen, zoowel over het

voor binnenlandsch verbruik beschikbaar te stellen quantum tegenover

elken uitvoer, als over den prijs, waarvoor de beschikbaar te stellen

hoeveelheden moesten worden afgestaan. Een nadeel was echter, dat door

haar den hoofdinvloed te geven op de uitvoering der regeling, het

groepsbelang der exporteurs van een bepaald voedingsmiddel veel te sterk

op den voorgrond kwam tegenover het algemeen belang van den consument.

Het boven[6] aangestipte bezwaar der onwillekeurige eenzijdigheid van

speciale vakdeskundigen, deed zich hier in sterk verhoogde mate gelden.

De door den Minister benoemde commissies van toezicht konden dat bezwaar

wel temperen en zij hebben het ook stellig wel getemperd; wegnemen

konden zij het niet. Daartoe lag het te veel in het wezen der geheele

uitvoerregeling.

[6] Zie bl. 55/6.

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 6 / 40 段