door een betoog van een bekend landbouwkundige in een overigens zeer
verdienstelijke en verdiende verdediging van het beleid van Minister
Posthuma, die door het publiek hoogst onbillijk wordt beoordeeld, omdat
men de moeilijkheden van de taak, waarvoor hij is gesteld, niet kent, of
die moeilijkheden onderschat, voor zoover men er begrip van heeft. In
het bedoelde betoog, dat in Juni jl. in een onzer groote dagbladen als
hoofdartikel werd opgenomen, wordt er de nadruk op gelegd: dat de
maatregelen van het Ministerie van Landbouw betreffende de beperking van
den uitvoer van landbouw- en veeteeltproducten den boeren reeds op een
derving van oorlogswinst te staan komen, die op meer dan ƒ 70 millioen
werd berekend; dat men wel behoort te overwegen, hoe land- en tuinbouw,
ondanks de binnenlandsche prijsstijging hunner producten, derhalve reeds
een veel grootere bijdrage in de lasten van den oorlogstoestand leveren,
dan welke andere groep van producenten of handelaars ook, en dat men dus
bescheiden zijn moet in zijn verlangen naar nog verdere beperking van
den uitvoer hunner artikelen, waardoor de winstderving voor die breede
groepen der bevolking nog grooter worden zou.
Waren dergelijke uitingen niet meer en niet anders dan verklaarbare
opvattingen uit de kringen van belanghebbenden, dan zou men er zich niet
over behoeven warm te maken. Zóó onschuldig zijn zij echter niet. In de
stukken, welke dezen zomer van het Ministerie van Landbouw uitgingen,
komen uitingen voor, die doen vreezen dat men aan de afdeeling
Landbouw, de afdeeling van het Departement, welke zich met de
levensmiddelenvoorziening in het bijzonder heeft bezig te houden, ook in
dien gedachtengang is gekomen. Dat nu is voor de bevolking niet zonder
gevaar.
Maatregelen, waardoor in oorlogstijd de prijs van bepaalde
voedingsartikelen belet wordt buitensporig hoog boven het normale te
stijgen, missen hun rechtsgrond, wanneer zij niet door het algemeen
belang der bevolking worden geboden. Maar gebiedt dit eenmaal het nemen
daarvan, dan hebben bepaalde categorieën, van producenten of van
handelaars, die daardoor worden verhinderd van zulke buitensporig hooge
prijzen en van nog hoogere prijzen over de grenzen vrijelijk profijt te
trekken, geen recht van beklag. In het maken van oorlogswinst ligt op
zich zelf niets onbehoorlijks, maar niemand heeft recht, dat hem de kans
op een oorlogswinst zou worden gelaten, die alleen kan worden
binnengehaald, als de overheid ter wille van de trekkers daarvan nalaat
of beperkt, wat zij anders in het belang der volksvoeding zou hebben
gedaan.
De mogelijkheid van het maken van oorlogswinsten door bepaalde groepen
van de bevolking is een gevolg van de hoogst abnormale toestanden, door
den oorlog op economisch gebied te voorschijn geroepen. Daartoe behoort
zoowel de noodzakelijkheid, dat de Regeering landbouw en industrie helpt
bij den aanvoer van grond- en hulpstoffen, als dat zij hen in hun
afzetgebied beperkt door, met of zonder uitzonderingen, de grens te
sluiten voor dat deel hunner producten, waaraan hier gebrek is of zonder
die beperking zou ontstaan. Waar en voor zoover eenerzijds zulk een
regeeringsinmenging voor aanvoer van grond- of hulpstoffen en anderzijds
zulk een beperking van het afzetgebied noodig zijn, behooren ook zij tot
de omstandigheden, die de mate bepalen, waarin verschillende groepen van
producenten van den oorlogstoestand profiteeren of daaronder lijden.
Wanneer, om bij den landbouw te blijven, van de boeren wordt gezegd, dat
zij hun oorlogswinst aan de Regeering hebben te danken, is dat
overdreven en daardoor onjuist. Bij die voorstelling wordt aan één
factor in de buitengewone omstandigheden een beteekenis gegeven, als
bepaalde hij die omstandigheden, in stede van er een product en door
wisselwerking een schakel van te zijn. Maar wanneer daartegenover wordt
gezegd, dat men bij die voorstelling de zaken op den kop zet, is dat nog
minder juist. Oorlogswinsten, die hadden kunnen zijn gemaakt, indien de
Regeering niet verplicht was geweest ter wille van de volksvoeding den
afzet naar buiten te beperken, zijn oorlogswinsten, die onder de
omstandigheden, welke de oorlog in het leven riep, juist niet te maken
zijn; immers dezelfde oorzaak, die de buitengewone winstkans schept,
schept tegelijkertijd den breidel, welke daaraan wordt gelegd. Zonder
den oorlog zou de Regeering inderdaad den uitvoer van allerlei
levensmiddelen vrij hebben gelaten, maar zonder den oorlog zouden de
prijzen buitenslands daarvan niet zoodanig zijn gestegen, dat abnormale
winsten met den uitvoer dier producten zouden zijn te maken geweest,
welke te gelijk gevaar voor schaarschte en gebrek binnenslands deden
ontstaan. Zonder oorlog zou er inderdaad geen reden zijn voor begrenzing
van oorlogswinsten door uitvoerverboden, maar zonder oorlog zouden er nu
eenmaal geen oorlogswinsten zijn. Om hazepeper te maken heeft men een
haas noodig.
Wat de overheid met het stellen van uitvoerverboden en het regelen van
vergunningen als uitzonderingen daarop doet, ligt op een terrein, waar
zij zich in normale omstandigheden behoort buiten te houden en zich
ook zorgvuldig buiten houdt. Het betreden daarvan is alleen
gerechtvaardigd door den zeer buitengewonen toestand, welken de
oorlog doet ontstaan; gaat de overheid daartoe, gedrongen door den
nood der omstandigheid, over, dan weet zij dat zij onvermijdelijk
bepaalde oorlogswinstverwachtingen den bodem moet inslaan, en met zoo
veler persoonlijke belangen in botsing komt, dat haar daad veel gelijkt
op het roeren in een wespennest. Men doet dit niet, dan wanneer en voor
zoover het strikt noodzakelijk is; maar als men er toe overgaat, houde
men zich aan het recept, dat, naar beweerd wordt, van Bismarck afkomstig
is: „Greif’ niemals in ein Wespennest; doch wenn du greifst, so greife
fest!”
* * * * *
Het zou mij te ver voeren en in een vervelende opsomming ontaarden,
indien ik poogde een volledig beeld te geven van de allengs door den
drang der omstandigheden toenemende lijst der uitvoerverboden in den
oorlogstijd en van de motieven, welke tot het stellen van elk dier
verboden leidden. Ik bepaal mij tot enkele van de meest belangrijke
voedingsartikelen. De overgroote meerderheid der andere uitvoerverboden
weken van dat van suiker in zoover af, dat de naaste aanleiding daartoe
niet gelegen was in abnormaal grooten uitvoer of gewettigde vrees
daarvoor naar Engeland, doch naar Duitschland. In de geheele
uitvoerpolitiek waartoe Nederland door de omstandigheden werd gedwongen,
doet zich de terugslag gevoelen van den economischen oorlog door de
geallieerden, met name door Groot-Brittannië, tegen de centrale
mogendheden, en wel in de eerste plaats tegen Duitschland, gevoerd.
De later daar zoo nijpend geworden schaarschte aan boter en vet, maakte
het spoedig raadzaam door het stellen van een verbod van uitvoer van
boter, met organisatie van een stelsel van uitvoerconsenten, op het
voetspoor van hetgeen ten aanzien van de suiker was geschied, te
voorkomen dat van dit nationale exportartikel zooveel zou worden
uitgevoerd, dat voor het binnenlandsch verbruik niet genoeg zou
overblijven. De regeling, welke voor den boteruitvoer werd getroffen,
kwam nog tot stand vóór ik van het Ministerie van Landbouw naar dat van
Financiën overging. Zij dagteekent van 29 October 1914. Door mijn
opvolger aan het Ministerie van Landbouw werd zij, als gevolg van
lessen der ervaring, eenige malen herzien. Bij dit zuivelproduct was
voor de regeling van den uitvoer van groote waarde, dat gebruik kon
worden gemaakt van de organen der Rijksbotercontrole, en niet een geheel
nieuwe en zelfstandige organisatie behoefde te worden in het leven
geroepen. Die organen konden hier op analoge wijze medewerken als de
ambtenaren der belastingen bij de regeling van den suikeruitvoer.
Hoofdzaak van de regeling was, dat alleen voor gecontroleerde en
daarmede gelijkgestelde boter uitvoerconsenten werden gegeven en dat die
alleen verstrekt werden aan bereiders, die een zeker percentage van hun
productie voor binnenlandsch gebruik beschikbaar stelden; bij den
aanvang werd dit op 30 pct. gesteld. Voorts werd bepaald, dat de
maximumprijs voor binnenlandsch verbruik van maand tot maand zou worden
vastgesteld. Deze regeling had ook dit bijkomend voordeel, dat de
vastkoppeling van het uitvoerconsent aan de botercontrole, waarborg gaf,
dat niet onder den naam van boter allerlei minderwaardig goed zou worden
uitgevoerd, waardoor de goede naam van de Hollandsche boter in het
buitenland ernstig zou zijn benadeeld. Bij andere artikelen, waarbij
zulk een waarborg niet kon worden gesteld, is helaas maar al te vaak
gebleken, dat gewetenlooze knoeiers zich niet ontzagen met voor het
buitenland bestemde waren de ergste en ergerlijkste vervalschingen te
plegen en daarmede aan den naam van ons land en aan het vertrouwen in
zijn fabrikanten en kooplieden groote schade te berokkenen.
De steun van eene de gansche binnenlandsche productie beheerschende
Rijkscontrôle ontbrak al aanstonds bij de kaas, met het gevolg dat hier
allerlei fraude werd gepleegd, die bij de boter onmogelijk was en dat
het Centraal Bureau voor den uitvoer van kaas, dat omstreeks half
November 1914 werd opgericht en bij mijn aftreden als Minister van
Landbouw in voorbereiding was, niet zoo goed voldoen kon en dan ook lang
niet zoo goed voldeed, als het uitvoerbureau voor boter. De consenten
werden volgens de kaasregeling alleen afgegeven aan exporteurs, die zich
verbonden een zekere hoeveelheid kaas, geschikt voor binnenlandsch
verbruik, in voorraad te houden. Voor deze kaas werd van maand tot maand
een maximum prijs vastgesteld. Veel is er van die regeling in de
practijk niet terecht gekomen; de controle op de in voorraad te houden
hoeveelheden bleek niet uitvoerbaar, en de regeling heeft niet belet,
dat kaas voor binnenlandsch verbruik steeds schaarscher werd en dat de
prijzen daarvan zoozeer stegen, dat dit zuivelproduct haast een
weelde-artikel werd.
Naast den uitvoer van boter en kaas trok ook de aardappeluitvoer heel
spoedig de aandacht der Regeering. Waar Nederland ook in normale tijden
aardappelen exporteert en van dit volksvoedsel bij uitnemendheid hier te
lande heel wat meer wordt verbouwd dan voor het binnenlandsche verbruik
en als grondstof voor onze aardappelmeelfabrieken noodig is, behoefde
afvloeiing van een deel van den voorraad, ook al steeg dat eenigszins
boven het normale exportcijfer, niet aanstonds te verontrusten. Die
uitvoer nam echter in het laatst van September en het begin van October
1914 zulke afmetingen aan, dat het mij noodig scheen in te grijpen,
niettegenstaande de door mij geraadpleegde land- en tuinbouwdeskundigen
mij verzekerden, dat er geen aanleiding was om voor gebrek te vreezen.
De uitvoer van aardappelen werd bij Koninklijk besluit van 15 October
1914 verboden. In de Eerste Economische Nota, de eenige die van mij als
Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel (toen reeds: ad interim)
uitging, wordt van dat verbod gezegd: „Hiervan is niet de bedoeling de
grenzen geheel voor den export te sluiten; door uitvoerpermissies te
geven, voor zoover dit in verband met de binnenlandsche behoefte kan
geschieden, zal er voor worden gezorgd, dat de hoeveelheid die
binnenslands kan worden gemist, ook thans zal kunnen worden uitgevoerd;
voorkomen zal echter worden, dat de prijs van dit belangrijke
volksvoedsel onevenredig stijgt, en dat het bedrijf der
aardappelmeelfabrieken zou kunnen verlamd worden”.
Ik heb geen oogenblik berouw van den maatregel gehad. Het uitvoerverbod
op aardappelen van October 1914 was niet voorbarig, hoewel
belanghebbenden in gemoede overtuigd waren, dat er nog geen reden was
hen in hun exportbedrijf te belemmeren en die overtuiging door de
deskundigen, die ik raadpleegde, werd gedeeld. Een minister, die in
zulke abnormale tijden de zorg heeft voor de levensmiddelenvoorziening
moet zich wachten voor het hechten van al te veel waarde zoowel aan
overdreven voorstellingen van de zijde van het verbruikende publiek
omtrent uitvoeren, welke men meent te hebben waargenomen en waarvan de
faam al wandelende zienderoogen groeit, als aan adviezen van
deskundigen, die onwillekeurig door het feit van hun deskundigheid te
veel beteekenis toekennen aan het belang van het bedrijf, dat zij
kennen, tegenover het algemeen belang der verbruikers van het product,
dat door dat bedrijf ter markt wordt gebracht.
De eerstbedoelde overdrijving bleek herhaaldelijk uit berichten omtrent
uitvoerkwantiteiten, die van niet ambtelijke zijde bij het Departement
van Landbouw inkwamen of in de pers werden opgenomen. In de vergadering
van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 gaf ik daarvan een voorbeeld,
dat later met een aantal andere zou zijn aan te vullen geweest.
„Men moet niet vergeten--zoo zeide ik--, dat, zonder dat de menschen
willens en wetens overdrijven, zij onwillekeurig wat zij meenen gezien
te hebben, ik zal niet zeggen _zien_ met een vergrootglas, maar met een
vergrootglas _weergeven_. Zoo is er aan mijn Departement een brief
ontvangen van iemand die volkomen te goeder trouw was, en die
mededeelde, dat het zóó erg was dat over Vaals op 17 Augustus niet
minder dan 1500 stuks vee waren uitgevoerd. Men heeft het precies
nagegaan, want aan de douane is opgedragen geregeld elken dag alles na
te gaan, en geregeld komen elken dag van alles wat over de grenzen is
gegaan, opgaven in. Wat bleek nu? Dat op 17 Augustus niet 1500, maar 87
stuks rundvee over Vaals waren uitgevoerd en op 17 en 18 Augustus 199
stuks te zamen. Ik zeg nog eens: die briefschrijver heeft niet willens
en wetens verkeerde cijfers medegedeeld, maar men is zenuwachtig en in
zijn zenuwachtigheid ziet men de zaken soms te donker in.”
Tegenover zulke overdrijvingen te goeder trouw van de zijde van het
zenuwachtige en voor gebrek beangste publiek staat nu de evenzeer te
goeder trouw zijnde overtuiging van velen der deskundigen, die de
Regeering raadpleegt, dat het belang der groep van de bevolking,
waarmede zij speciaal vertrouwd zijn, _het_ algemeene volksbelang is,
een overtuiging die leidt tot overdrijving van de schade, welke door een
belemmering van het bedrijf dier groep, waar de omstandigheden die
belemmering noodzakelijk maken, zal worden geleden. Volgens mijne
ervaring hebben inzonderheid landbouwdeskundigen vaak moeite zich met de
gedachte vertrouwd te maken, dat het algemeen belang niet altijd met dat
van den landbouw of van bepaalde landbouwersgroepen samenvalt.
Natuurlijk zou een bewindsman, die tusschen deze Scylla en Charybdis
heeft door te laveeren, heel spoedig vastloopen, indien hij meende het
zich gemakkelijk te kunnen maken, door van de uitingen van het publiek
geen kennis te nemen en van het hooren van deskundigen af te zien. De
beide klippen, waartusschen hij heeft door te zeilen, zouden daarmede
niet uit zijn vaarwater verdwijnen, maar het zou bovendien nog worden
verstopt door de zandbank der struisvogelpolitiek.
Hoe men, tusschen de beide uitersten doorsturende, het scheepje der
economische voorzieningen onder zoo abnormale omstandigheden als de
Europeesche oorlog heeft te weeg gebracht, in de nauwe vaargeul kan
houden, waar het geen gevaar heeft aan den grond te raken, is in het
algemeen niet aan te geven. Trouwens ook in elk speciaal geval is het
meer een zaak van intuïtie dan van het redeneerend verstand, hoe men het
roer houden moet. Ik heb alleen hierom een oogenblik de aandacht op de
door mij gesignaleerde moeilijkheid gevestigd, omdat ik den indruk niet
van mij kan afzetten, dat men aan het Departement van Landbouw allengs
wat veel op de adviezen van speciale vakdeskundigen heeft gesteund.
Dreigt men daardoor vast te loopen, dan komt men er zoo licht toe, het
roer wat schielijk om te gooien. Door zulke plotselinge
koersveranderingen bereikt men zijn doel misschien wel op een bepaald
oogenblik, doch berokkent men meer schade dan bij een meer vooruitziend
en voorzichtiger houden van het midden tusschen de naar verschillende
zijde trekkende producenten en verbruikers noodig zou zijn geweest.
Bovendien stelt men er een eenmaal angstig geworden publieke opinie niet
mede gerust; men wekt er veeleer den indruk mede van onvastheid in het
bestuur. Zoowel voor de verbruikers als om de speculatie in
voedingsmiddelen binnen de engst mogelijke grenzen te beperken en
bovenal om het vertrouwen in het regeeringsbeleid hoog te houden, is
vastheid van economische politiek onder zoo buitengewone omstandigheden
als de Europeesche oorlog in het leven riep, nog meer noodig dan anders.
Doch, revenons à nos moutons! Toen het uitvoerverbod van aardappelen was
gesteld, werden enkele deskundigen aangezocht om de Directie van den
Landbouw behulpzaam te zijn bij het opmaken der voorraden, bij het
zoeken in welke gemeenten die te vinden waren, bij het schiften der
soorten, die voor de consumptie wèl en die daarvoor niet geschikt waren,
bij het vaststellen van de soorten en hoeveelheden die nog uitgelaten
zouden kunnen worden en bij de verdeeling van den voorraad tusschen de
grossiers en winkeliers eenerzijds en de aardappelmeelfabrikanten aan
den anderen kant. Bij dit laatste moest bovendien nog rekening gehouden
worden met den strijd tusschen de coöperatieve en de zoogenaamd
„speculatieve” fabrieken, welke zich ook bij de verdeeling van de voor
haar gezamenlijk te reserveeren grondstof onverflauwd deed gelden. Dat
het bij een en ander van een leien dakje is gegaan, zou ik niet durven
beweren. Ook hier konden de deskundigen niet altijd blindelings gevolgd
worden, ook al waren hunne adviezen te goeder trouw.
Den 1en Maart 1915 werd door mijn opvolger aan het Departement van
Landbouw besloten, geen verdere consenten tot uitvoer van aardappelen
meer te geven; de uitzonderingen op het uitvoerverbod hielden daarmede
op. Den 1en April d. a. v. werd, op het voetspoor van de suiker, de
boter en de kaas, een Rijkscentraalbureau tot regeling van den uitvoer
van aardappelen opgericht. Dit bureau kreeg inzonderheid tot taak die
soorten uit te laten, welke door hare geringe duurzaamheid anders tot
bederf zouden kunnen overgaan. Half Juni 1915, toen de nieuwe
aardappeloogst begon, werd het uitvoerverbod van aardappelen tijdelijk
opgeheven. De uitvoer nam toen echter aanstonds zulk een omvang aan, dat
het verbod in het laatst van Juli moest worden hersteld. De groote
moeilijkheden, welke in 1916 zich ten aanzien der aardappelen hebben
voorgedaan, laat ik onbesproken. Toen zij zich voordeden, was ik niet
meer in de gelegenheid de regeeringszaken van de binnenzijde waar te
nemen.
Toen het aantal uitvoerverboden met regelingen van uitvoerconsenten in
het najaar van 1914 telkens toenam, deed zich allengs meer de behoefte
gevoelen aan meer algemeene feitenkennis omtrent de in het land
aanwezige voorraden levensmiddelen, dan waarover de Regeering beschikte.
Ten aanzien van enkele der meest belangrijke voedingsartikelen, zooals
tarwe, rogge en rijst, was men wel vrij goed op de hoogte, maar zelfs
daaromtrent was de feitenkennis zoo weinig volledig, dat in Augustus
1914 door de Regeering, in de eerste plaats door mijzelven, de fout kon
worden begaan van het uitvoerverbod voor rogge op te heffen, een fout
die wel na een week weer was hersteld, maar niet dan nadat betrekkelijk
groote hoeveelheden van dit zoo hoog noodige broodkoren de grens waren
overgegaan. Terecht heeft men mij daarvan een verwijt gemaakt; ik heb
mijzelf over die domheid genoeg geërgerd. Om haar te verklaren en tot op
zekere hoogte te verontschuldigen, zou ik interne zaken moeten
mededeelen, tot welker openbaarmaking ik noch vrijheid noch neiging
gevoel.
Op de wenschelijkheid een inventaris te doen opmaken van de in ons land
aanwezige levensbenoodigdheden werd door den heer Troelstra reeds
gewezen in de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914. Ik
antwoordde daarop in diezelfde vergadering: „Natuurlijk is de Regeering
daartoe bereid, maar op dit oogenblik zou ik toch niet gaarne zoo’n
inventaris laten maken. De heer Troelstra zal toch wel begrijpen, dat op
dit oogenblik aan mijn departement de werkkrachten zoo overvuld zijn met
het buitengewone werk, noodig om te zorgen voor de maatregelen, die
genomen worden in het belang der volksvoeding, dat het wezenlijk niet is
te vergen, dat men bovendien nog een deel van zijn tijd gaat besteden
aan het opmaken van een dergelijken schriftelijken inventaris. Maar ik
wil er dit wel bijvoegen, dat ik geloof, dat die inventaris
onvermijdelijk zou zijn misleidend, want men heeft natuurlijk wel
gegevens en men is bezig die aan te vullen, maar daarbij moet men
uitgaan van de gegevens, die men onder normale omstandigheden krachtens
de statistiek heeft. Welnu, het blijkt telkens, dat de normale gegevens
op het oogenblik niet meer juist zijn.”
Toen de eerste drukte aan het Departement van Landbouw wat begon te
luwen heb ik, op aandrang van het Kon. Nat. Steuncomité, dat--zooals uit
de volgende hoofdstukken blijken zal--veel heeft bijgedragen tot het
niet al te ongunstig verloop van zaken in de oorlogscrisis, bij het
scheiden van de markt, op een der laatste dagen dat ik als Minister a.
i. het Departement van Landbouw beheerde, de hulp van de Commissarissen
der Koningin ingeroepen, om door bemiddeling van de burgemeesters een
antwoord te krijgen, hoe het stond met de voorraden levensmiddelen en
wat was gedaan om wegstrooming daarvan naar buiten de gemeente te
voorkomen. Het resultaat van die enquête, dat uit den aard der zaak niet
terstond werd verkregen, heeft mij bevestigd in mijn weinig hoog
gespannen verwachting omtrent zulk een onderzoek. In de Tweede Nota
betreffende den Economischen Toestand maakte Minister Posthuma er
slechts met een korten volzin melding van. „In het algemeen leverde dit
onderzoek vrij bevredigende resultaten op. Toch bleek het, dat het
geraden was het noodige te doen, opdat enkele voorraden niet zouden
worden uitgeput.”
Om tot die slotsom te komen, was de enquête niet noodig geweest. Het
groote bezwaar van zulke spoedopnemingen is, dat men er zich niet op kan
verlaten. Men moet daarbij aan de burgemeesters allerlei vragen doen,
voor welker beantwoording zij de gegevens evenzeer missen als de
Regeering zelve en die zij slechts behoorlijk zouden kunnen
beantwoorden, als zij de beschikking hadden over personeel, dat voor
zulk een onderzoek geschoold is en dat dit na de noodige voorbereiding
en met de noodige omzichtigheid leiden en uitvoeren kan. Zooals de zaak
geschieden moest, kreeg men niet veel meer dan een verzameling
persoonlijke meeningen van burgemeesters, van welke het geraden was niet
dan een critisch gebruik te maken.
Voortdurend trachtte het Departement van Landbouw zich, ook na die
enquête, zoo goed mogelijk van den stand der verschillende
voedingsmiddelen op de hoogte te houden. Steeds was daarbij critiek op
de ontvangen gegevens uiterst geraden. Gold het artikelen, zooals rogge,
die de boeren liefst in het eigen bedrijf wilden gebruiken, dan hadden
die gegevens de neiging beneden de werkelijkheid te blijven; gold het
daarentegen artikelen, zooals aardappelen, waarvan een gedeelte over de
grens kon worden gelaten, dat absoluut en percentsgewijze hooger was,
naar gelang de voorraad meer overschreed hetgeen voor binnenlandsch
verbruik gereserveerd moest blijven, dan moest men rekenen met de
neiging de werkelijkheid te flatteeren. Men moet ook deze moeilijkheid
niet onderschatten bij het beoordeelen en veroordeelen van
tekortkomingen van het Departement van Landbouw in de vervulling van
zijn even moeilijke als buitengewone taak ten aanzien van de
levensmiddelenvoorziening.
Na de suiker, de boter, de kaas en de aardappelen kwamen het
varkensvleesch, de eieren en allerlei groenten aan de beurt. Daarbij
werd de regeling voor de suiker, telkens met de afwijkingen, welke de
aard van het product noodig of wenschelijk maakte, tot voorbeeld
genomen. Er werden percentages vastgesteld, die hier te lande moesten
blijven en Rijksbureaux opgericht ter regeling en controleering der
uitvoerconsenten.