geoefend, als de heer Troelstra aan de overzijde van het Binnenhof had
geuit. In antwoord daarop verwees ik dien afgevaardigde naar hetgeen ik
even te voren aan zijn partijgenoot had tegemoet gevoerd. Aan mijn
afweer van het denkbeeld tot het beschikbaar stellen van levensmiddelen
van regeeringswege voegde ik echter in één adem toe, dat, als de
toestanden nog erger werden, de Regeering niet zou aarzelen, verder
reikende voorstellen te doen, dan zij reeds gedaan had en waarmede ook
de heer Troelstra zijn instemming had betuigd. De eerste maatregel die
kon strekken om gebrek aan levensmiddelen te voorkomen, was intusschen
van anderen oorsprong en had aanvankelijk een ander hoofddoel.
Bij de wet van 3 Augustus 1914 (Stbl. no. 344) werd bepaald, dat in
geval van oorlog of oorlogsgevaar bij algemeenen maatregel van bestuur
de uitvoer van bepaalde goederen, geheel of gedeeltelijk, hetzij voor
het geheele land, hetzij voor een bepaald deel daarvan tijdelijk kan
worden verboden. Dit was geen nieuwigheid, het was een verruimde en
verbeterde editie van een oude en verouderde wet. In verband met den
Fransch-Duitschen oorlog was reeds bij een wet van 24 Juli 1870,
bepaald, dat de uit- en de doorvoer van paarden, hooi, stroo, haver,
steenkolen en cokes door de Kroon tijdelijk, geheel of gedeeltelijk
konden worden verboden. Reeds geruimen tijd vóór het uitbreken van den
thans woedenden krijg was het duidelijk geworden, dat die sedert 1870 in
stand gebleven wet niet ver genoeg ging. Onder het ministerie Heemskerk
werd, bij Koninklijke boodschap van 24 Mei 1913, een wetsontwerp
ingediend tot verruiming van de wet van 1870. Die verruiming betrof
verschillende soorten van levensmiddelen.
Hoewel ook dat ontwerp door militaire overwegingen was ingegeven, had
het toch mede ten doel bescherming van den voorraad van verschillende
artikelen, „welke onmisbaar zijn voor de dagelijksche behoeften van de
bevolking”. In Februari 1914, nog vóór het ontwerp in de afdeelingen van
de Tweede Kamer was behandeld, werd het onder het nieuw opgetreden
ministerie in zoover gewijzigd, dat het niet langer de mogelijkheid ook
van verbod van doorvoer inhield. Zulk een verbod zou, zoo werd in de
toelichting der wijziging betoogd, weinig doeltreffend kunnen zijn en
bij toepassing in strijd komen met internationale tractaten, waarbij
vrijheid van doorvoer door ons land werd gewaarborgd, inzonderheid met
de Rijnvaartakte. Het Voorloopig Verslag over het onderzoek van het
ontwerp in de afdeelingen der Tweede Kamer verscheen 30 April 1914.
In het licht der ervaring, die de oorlog ons gebracht heeft, is het de
moeite waard een der hoofdbezwaren in herinnering te brengen, welke in
de afdeelingen van de Tweede Kamer tegen het ontwerp werden ingebracht.
„Zonder eenigen twijfel zullen--zoo voerden verschillende leden aan--in
geval van oorlog of oorlogsgevaar in onze omgeving, groote hoeveelheden
proviand naar onze havens stroomen, om van daaruit met flinke winsten
aan de oorlogvoerende partijen te kunnen worden verkocht.” Koopmansgeest
ontbreekt ook in de Kamer niet. Er werd niet eens gedacht aan de
mogelijkheid, dat één der oorlogvoerenden dien stroom van proviand,
dien men reeds in zijn verbeelding zag en waarvan men de winst,
die ermede zou zijn te maken, bij voorbaat reeds met welgevallen
opsnoof, wel eens zou kunnen afdammen. Trouwens bij de weerlegging
van dit argument in de Memorie van Antwoord, voor welke ook ik een
deel der verantwoordelijkheid draag, werd van die mogelijkheid evenmin
gerept. Het argument werd wel weersproken, maar niet op den grond, die
thans in de eerste plaats naar voren zou worden gebracht.
De ironie van het oorlogsnoodlot heeft zich ten aanzien van de
uitvoerverboden niet bepaald tot het den draak steken met die ééne
verwachting van oorlogswinsten. Ook in een ander opzicht heeft het met
goede bedoelingen en plechtige verzekeringen gejongleerd.
„Door eenige leden--zoo zegt het Voorloopig Verslag--werd als een
bezwaar aangevoerd, dat de bepaling zou kunnen worden misbruikt om, door
een tijdelijk verbod van uitvoer, invloed te oefenen op de prijzen
binnenslands.” De onderteekenaars van de Memorie van Antwoord (gelukkig
voor hem behoorde de heer Posthuma daar niet bij; ongelukkig voor mij,
ik wèl) beantwoordden die opmerking aldus: „Er is, naar het voorkomt,
geen aanleiding de Regeering ervan te verdenken, dat zij de wet zal
misbruiken om, door een tijdelijk verbod van uitvoer, invloed te oefenen
op de prijzen binnenslands. Het behoeft geen nader betoog, dat
maatregelen met zoodanige strekking geheel zouden indruischen tegen de
uitdrukkelijk uitgesproken bedoeling van het wetsontwerp.”
En toch is de wet daarvoor gebruikt, zonder dat iemand er een
principieel bezwaar tegen heeft gemaakt. Er is wel strijd over dat
gebruik geweest, maar die strijd liep over de mate waarin en de wijze
waarop de wet voor dat doel werd toegepast. De een wilde meer, de ander
minder; maar niemand heeft „hands off” geroepen. Natuurlijk had dat
gebruik geen speculatieve bedoelingen, maar het bewustzijn, dat daarmede
als ongewenscht neveneffect tevens speculatie in levensmiddelen en
andere waren werd bevorderd, heeft niet weerhouden uitvoerverboden te
stellen en gedeeltelijke afwijkingen daarvan te regelen, met het
uitgesproken doel daarmede op de prijsvorming binnenslands in te werken.
Waarlijk, oorlogstijd doordringt regeeringen zoowel als particulieren
van de waarschuwing: „Ne dis pas: fontaine, je ne boirai pas de ton
eau!”
De Memorie van Antwoord betreffende het wetsontwerp werd ingediend, toen
de oorlogswolken reeds zeer dreigende waren, namelijk 27 Juli 1914: het
Eindverslag werd uitgebracht op 1 Augustus. Tusschen dien dag en den dag
waarop de wet in het Staatsblad verscheen, onderging het ontwerp nog
eenige wijzigingen; de eerste daarvan had ten doel, ook het verbod van
uitvoer van goud (hierop kom ik in hoofdstuk IV terug[1]) wettelijk te
regelen. In verband ook met deze nieuwe verruiming bleek het ten slotte
gewenscht, alle aanduiding van speciale goederen uit de wet te lichten
en de mogelijkheid van het uitvaardigen van uitvoerverboden algemeen te
maken voor de „bepaalde goederen”, welke telkens bij algemeenen
maatregel van bestuur zullen worden aangewezen.
[1] Zie bl. 193.
Reeds vóór de wet van 3 Augustus in werking trad, was bij Koninklijk
besluit van 1 Augustus, op grond van de wet van 1870, de uitvoer van
paarden, hooi, stroo, steenkolen en cokes verboden. Spoedig na den 3den
Augustus 1914 volgden uitvoerverboden van een aantal etenswaren. In de
eerste weken werden die uitvoerverboden, zoo niet uitsluitend dan toch
in de eerste plaats, ingegeven door motieven, ontleend aan het belang
van leger en vloot en aan de noodzakelijkheid der geregelde
approviandeering van stellingen en versterkte plaatsen. Heel spoedig
echter veranderde dit en kwam het overwicht bij de uitvoering der wet op
de uitvoerverboden bij het Departement van Landbouw, Nijverheid en
Handel,--het departement, dat in het algemeen de zorg heeft voor de
economische belangen des lands en dat in den oorlogstijd de moeilijke
en, vooral bij den langen duur van den toestand, hoogst ondankbare taak
heeft te vervullen, het economisch leven onder de door den oorlog
geschapen buitengewone omstandigheden zoo goed mogelijk aan den gang te
houden.
Had men dit vooruit kunnen voorzien, men zou de uitvoering dezer wet,
althans voor zoover het betreft uitvoerverboden, die niet met een
militair oogmerk worden uitgevaardigd, niet in de eerste plaats in
handen van het Departement van Oorlog hebben gelegd, dat uit den aard
der zaak in oorlogstijd toch reeds de handen vol werk heeft. Bij de
beoordeeling van het nu en dan te lang uitgebleven zijn van economische
uitvoerverboden, nadat de wenschelijkheid daarvan was uitgemaakt, houde
men er rekening mede, dat die verboden, behalve den Raad van State, niet
alleen het Departement van Landbouw, maar ook de Ministeries van
Buitenlandsche Zaken en van Financiën moesten passeeren, voordat daaraan
door de zorg van het Departement van Oorlog de laatste hand kon worden
gelegd. Als men bij vervolg van tijd weer in de noodzakelijkheid mocht
komen, de wet op de uitvoerverboden toe te passen, zal men zeker niet
verzuimen, die fout uit de regeling te schakelen. In de eerste
oorlogsweken was de druk der omstandigheden groot genoeg, om een
uitvoerverbod, dat noodig bleek, al de genoemde autoriteiten in één of
twee dagen te doen passeeren. Maar onder zóó hooge spanning werkt men op
den duur niet; ook niet in de bureaux onzer ministeriëele departementen.
Bij het stellen van uitvoerverboden werd natuurlijk rekening gehouden
met de vriendschappelijke betrekkingen waarin Nederland als onzijdige
natie met alle oorlogvoerenden staat; maar daarbij moest toch de
binnenlandsche behoefte aan bepaalde goederen, inzonderheid aan
levensmiddelen, den doorslag geven, ook al kon men zich niet verhelen
dat de uitvoerpolitiek, welke de Regeering door den binnenlandschen
toestand werd opgelegd, in haar gevolgen de centrale mogendheden over
het algemeen meer trof dan de geallieerden. Als voorbeeld uit den
eersten oorlogstijd breng ik in herinnering hetgeen met de rijst
geschiedde.
Bij den aanvang van den oorlog was hier een zeer groote hoeveelheid
rijst aanwezig. Zóó groot, dat die voorraad, onder normale
omstandigheden, voor de behoeften der bevolking gedurende eenige jaren
voldoende zou zijn geweest. Maar de omstandigheden waren juist niet
normaal. Omdat moest gerekend worden met den zeer beperkten voorraad
broodkoren, waarvoor rijst als surrogaat zou moeten in de plaats komen,
indien het niet gelukte tarwe in voldoende hoeveelheid en met genoegzame
regelmatigheid van overzee aan te voeren, mocht de Regeering, met name
de Minister van Landbouw, het oog niet sluiten voor het feit, dat de
rijst in ongekende hoeveelheden in Rijnschepen naar Duitschland werd
verladen. De voorraad, die in het begin van Augustus 1914 de
respectabele hoeveelheid van 200 millioen K.G. bedroeg, was drie weken
later reeds tot 150 millioen K.G. geslonken. De rijstuitvoer was in
Augustus 1914 grooter dan in normale omstandigheden in een half jaar.
Toen dientengevolge gevaar dreigde dat de rijstreserve spoedig zou zijn
uitgeput, mocht ik niet aarzelen en aarzelde ik niet, maatregelen te
nemen, opdat de grens voor uitvoer van rijst onverbiddelijk zou worden
gesloten, al was het duidelijk dat zulk een maatregel zoowel in
Duitschland als bij de Nederlandsche rijstpellers en rijsthandelaren
ontstemming moest wekken. De rijstuitvoer werd 3 September 1914 verboden
en is sedertdien verboden gebleven.
Bij de suiker kon de wet op de uitvoerverboden op geheel andere wijze
dienst doen. Er wordt hier ongeveer tweemaal zooveel ruwe suiker
geproduceerd als voor het binnenlandsche verbruik van geraffineerd
noodig is. Er moest echter voor gezorgd worden, dat in verband met de
bij uitstek hooge prijzen, welke voor suiker in Engeland werden besteed,
niet zooveel van het binnenlandsche product daarheen zou worden
verscheept, dat voor de binnenlandsche consumptie niet voldoende hier
zou blijven. Ware er nu niets meer te overwegen geweest, dan zou de
beslissing hier, al stond de zaak niet precies zóó als bij de rijst,
toch vrij eenvoudig zijn geweest. Er kwam echter nog een gansch ander
element in het geding. „Het blijkt,--zoo zeide ik in de vergadering van
de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914--dat er onder deze omstandigheden
een zeer groote strijd van belangen is tusschen de ruwsuikerfabrikanten
en de raffinadeurs. Wanneer men toeliet, gelijk men dat vooral in
sommige landbouwstreken gaarne zien zou, dat de ruwsuiker vrij mocht
worden uitgevoerd, wat zou daarvan dan het gevolg zijn? Dat de
overgroote hoeveelheid ruwsuiker naar Engeland zou gaan, omdat daar zeer
hooge prijzen voor ruwe suiker worden besteed. Maar als men dat deed,
zouden onze eigen raffinadeurs geen voldoende grondstof hebben; zij
zouden te weinig krijgen en wat zij kregen, zouden zij duur moeten
betalen en de bevolking zou ten slotte hooge prijzen moeten besteden.”
Bovendien zou een te groote uitvoer van ruwe suiker geleid hebben tot
gebrek aan werk voor onze Nederlandsche suikerraffinaderijen, hetgeen
vermeerdering van het aantal werkloozen zou hebben ten gevolge gehad.
Ook deze overweging deed zich in de eerste oorlogsmaanden, toen moest
worden gevreesd voor- en gerekend met een zeer groot werkloozencijfer,
krachtig gelden. Als resultaat van een en ander werd toen door mij aan
belanghebbenden medegedeeld, dat het uitvoerverbod op ruwe zoowel als op
geraffineerde suiker, dat den 7den Augustus was uitgevaardigd,
gehandhaafd zou worden, zoolang belanghebbenden niet een gezamenlijk
advies zouden hebben uitgebracht over het gedeelte van de Nederlandsche
suikerproductie, dat hier zou moeten blijven voor het verbruik binnen de
grenzen en over het aandeel, dat het geraffineerd en het ruw zouden
kunnen hebben in het voor uitvoer beschikbare restant.
Aangezien de bietenoogst weldra zou moeten worden binnengehaald en de
suikercampagne dus spoedig voor de deur stond, waren de verschillende
groepen van belanghebbenden wel verplicht het met elkander eens te
worden. Het duurde dan ook niet lang, of zij brachten een
gemeenschappelijk advies uit. Daarbij werd eerst nog wel gepoogd „des
Pudels Kern”, de verhouding van het ruw en het geraffineerd in het deel
van het product, dat uitgevoerd zou mogen worden, niet aan te raken.
Maar toen ik den heeren duidelijk maakte, dat ik juist omtrent dit punt
hun voorlichting noodig had, en dat een advies, dat dit onaangeroerd
liet, voor de Regeering geen waarde zou hebben, werden zij het ten
slotte toch ook daarover eens. Dat enkelen daarbij het hart bloedde,
omdat zij gehoopt hadden een grooter deel van de in totaal te verwachten
oorlogswinst voor hun groep te kunnen bemachtigen, zal ik niet
tegenspreken.
Bepaald werd toen, in overeenstemming met het door belanghebbenden
uitgebrachte advies, dat 40 pct. van de geheele productie in het land
zou moeten blijven en dat het voor uitvoer overblijvende zoodanig zou
worden verdeeld, dat van den geheelen voorraad ten hoogste 18% als ruw
zou mogen worden uitgevoerd, zoodat voor den uitvoer van geraffineerd
ruim 40% van het geheele product restte. De raffinaderijen konden dus
rekenen op ruim 80% van de Nederlandsche ruwe suiker als grondstof voor
hun bedrijf, namelijk 40% voor het binnenlandsche verbruik en ruim 40%
voor den uitvoer naar het buitenland. Deze rekening gaat slechts ten
naastenbij op, omdat een deel van de ruwe suiker, welke niet als
zoodanig werd uitgevoerd, toch de raffinaderijen niet bereikte. Enkele
suikerfabrieken zijn namelijk ingericht op het zoogenaamd wit afdraaien
van ruwe suiker, waardoor een product wordt verkregen, dat er minder
fraai uitziet dan de geraffineerde suiker, maar dat deze toch kan
vervangen vooral voor banketbakkers, fabrikanten van suikerwaren,
van gecondenseerde melk en dergelijke. Bepaald werd, om de regeling
niet aanstonds op losse schroeven te zetten, dat alleen die
ruwsuikerfabrieken wit zouden mogen afdraaien, die het ook in de vorige
campagne hadden gedaan, en dat wel tot maximaal dezelfde hoeveelheid. Op
grond van de in de volgende paragraaf te behandelen levensmiddelenwet
werd voorts voor 1e kwaliteit witte suiker de groothandelsprijs gesteld
op ƒ 48.50 per 100 K.G., de kleinhandelsprijs op 55 centen per K.G. Daar
de suikerfabrieken en de suikerraffinaderijen wegens den suikeraccijns
onder voortdurend toezicht van het Departement van Financiën staan, had
men hierin tevens een afdoende controle tegen pogingen tot ontduiking
der regeling. Uit de verschillende groepen van belanghebbenden werd een
commissie benoemd, die bij de maatregelen ter uitvoering van de
getroffen regeling van advies zou dienen en bij het toezicht op die
uitvoering behulpzaam zijn.
Ik heb de suikerregeling eenigszins uitvoerig behandeld, omdat zij tot
voorbeeld heeft gestrekt voor analoge regelingen, die elkander ten
aanzien van een toenemend aantal producten van tuinbouw, landbouw en
veeteelt hebben opgevolgd. Bij die andere regelingen had men wel is waar
niet te rekenen met een conflict van belangen als tusschen de
ruwsuikerfabrikanten en de raffinadeurs. Maar de moeilijkheden waren
daar toch niet minder. Ten aanzien van de meeste dier producten had men
al aanstonds veel grooter moeilijkheden bij de controle, omdat zij, als
accijnsvrij, niet onder een zoo streng fiscaal toezicht staan als de
suiker. Bovendien ontbrak het ook daar niet aan belangenconflicten. Bij
vele tuinbouwproducten is door het instituut der coöperatieve
groentenveilingen althans het conflict tusschen den groothandelaar en
den verbouwer grootendeels uitgeschakeld; bij de landbouwproducten is de
coöperatie in den verkoop nog niet zoo algemeen. Zelfs buiten de
coöperatieve organisatie van de boterbereiding en den boterafzet staan
nog een aantal boterproducenten, speciaal in de westelijke provinciën;
de eieren-veilingen bestrijken nog lang niet den heelen eierenvoorraad,
en bij de kaas is de groothandel nog grootendeels in handen van
kooplieden met andere belangen dan die der kaasproduceerende boeren.
Daarbij komt, dat overal tusschen den groothandel en den verbruiker nog
verschillende groepen van tusschenhandelaars in staan. Het streven heeft
van den aanvang af voorgezeten, bij de beperking en regeling van den
uitvoer van producten, waarvan het land meer voortbrengt dan het voor
eigen behoefte noodig heeft, in de verhouding tusschen de verschillende
groepen van belanghebbenden zoo min mogelijk stoornis te brengen. Het
spreekt intusschen wel van zelf, dat dit niet overal even gemakkelijk
was door te voeren en ook dat bij zulke regelingen, welke steeds
producten betroffen, waarmede oorlogswinsten waren te behalen, niet op
een goudschaaltje kon worden afgewogen of elke groep van belanghebbenden
daarbij wel haar evenredig deel kreeg van de gezamenlijke oorlogswinst,
die er mede was te verdienen.
Zoo is het zeer wel mogelijk, dat de regeling, welke in 1914 ten aanzien
van de suiker is getroffen, voor de raffinadeurs naar verhouding
voordeeliger is geweest dan voor de ruwsuikerfabrikanten. Deze laatsten
hebben echter in de campagne 1914/15 ook oorlogswinsten gemaakt, en die
winsten zouden nog grooter zijn geweest, indien niet een invoerverbod
van de Engelsche regeering, dat den 26sten October 1914 werd
uitgevaardigd, speciaal den uitvoer naar Engeland van suiker, die op
betere condities daarheen was verkocht, zoolang dat verbod duurde,
grootendeels onmogelijk had gemaakt.
Voor mij zou de omstandigheid dat de raffinadeurs bij de regeling van
1914 wat meer zijde hadden gesponnen dan de ruwsuikerfabrikanten geen
reden zijn geweest, van de hoofdtrekken dier regeling voor 1915 af te
wijken, al zou ik aan de eenmaal gestelde verdeeling van het voor
uitvoer beschikbare deel van den oogst tusschen ruw en geraffineerd niet
krampachtig hebben vastgehouden, indien de ervaring had getoond, dat
eenige wijziging daarin ter wille van eene meer gelijkmatige
oorlogswinstverdeeling ware aan te brengen geweest, zonder het
hoofddoel der geheele regeling te na te komen. Dit hoofddoel was,
zooals zooeven werd in herinnering gebracht, tweeledig: zorg voor
behoud van een voldoende hoeveelheid suiker voor het binnenlandsch
verbruik en voorkoming van werkloosheid onder de arbeiders in de
suikerraffinaderijen.
Door mijn opvolger van het Departement van Landbouw werd, in verband met
den minder goeden bietenoogst in 1915, het percentage van de suiker der
campagne 1915/16 dat niet zou mogen worden uitgevoerd, bepaald op 50.
Ten aanzien van de overblijvende helft werd echter door hem een
cardinale verandering gebracht in de regeling van 1914. Hij liet
namelijk geheel vrij of die helft als ruw of als geraffineerd het land
zou verlaten, er op rekenende dat dan de raffinadeurs van de
ruwsuikerfabrikanten toch wel zooveel van den voorraad zouden afkoopen
als zij voor hun bedrijf noodig hadden. Ook het wit afdraaien van ruwe
suiker werd geheel vrijgelaten. Ik heb van den aanvang af betwijfeld, of
die verandering ook een verbetering was en ik ben door de resultaten van
de regeling voor 1915/16 in mijn twijfel bevestigd. Bij de afwijking van
het bepaalde voor 1914/15 werd mijns inziens te veel rekening gehouden
met de overweging, dat de ruwsuikerfabrikanten het vorig jaar niet hun
evenredig deel in de behaalde oorlogswinst hadden genoten en de
billijkheid meebracht nu eens hen „top dog” te maken, en te weinig er op
gelet, dat men bij het betrachten van die verdeelende gerechtigheid
gevaar liep, de verbruikers en de arbeiders in de suikerraffinaderijen
het kind van de rekening te laten worden.
In normale tijden bemoeit de Regeering zich in het geheel niet met de
verhouding waarin bedrijfswinsten tusschen de verschillende
ondernemingen of groepen van ondernemingen in een handels- of
nijverheidstak worden verdeeld. Waar in oorlogstijd de overheid door
haar ingrijpen in het bedrijf onvermijdelijk ook aan die verhouding
raakt, is het haar plicht daaraan niet meer te tornen dan strikt
noodzakelijk is. Zij wachte zich er evenwel voor, de bijzaak tot
hoofdzaak te maken en bij haar maatregelen er van uit te gaan, dat
iedere groep van belanghebbenden, welke zonder het uitvoerverbod een
zekere oorlogswinst zou kunnen maken, een zooveel mogelijk evenredig
deel daarvan behoort te worden gelaten. Kan dit nevendoel worden bereikt
zonder aan het hoofddoel tekort te doen, dan des te beter; maar een
minister die ter wille van de nastreving van dat bijoogmerk zijn
maatregelen anders neemt, dan hij ter bereiking van het hoofddoel op
zich zelf zou hebben gedaan, komt daarmede op een verkeerden en zeer
gevaarlijken weg.
Ik sta hierbij stil, omdat mij meer dan eenmaal is gebleken, dat men
zich niet genoegzaam rekenschap geeft van den eenigen, maar dan ook
afdoenden, rechtvaardigingsgrond van economische uitvoerverboden in
oorlogstijd. Zulke verboden belemmeren onvermijdelijk den handel in
bepaalde voedingsmiddelen, zoo zij dien niet tijdelijk geheel
stopzetten, en doen daardoor aan de producenten van- en de handelaars in
die waren oorlogswinsten derven, welke door hen anders zouden kunnen
zijn genoten. Herhaaldelijk nu kan men de beschouwing hooren, dat de
Regeering er mede rekening moet houden, door haar uitvoerverboden een
bepaalde groep van producenten of van handelaars niet onevenredig veel
in het maken van oorlogswinst te kortwieken. Zoo herinner ik mij een
opmerking uit tuinbouwkringen, dat het toch niet zou aangaan den uitvoer
van kool in zoodanige mate te verbieden, dat grootere stijging van den
binnenlandschen prijs dan noodig is ter goedmaking van de verhooging der
productiekosten, zou worden voorkomen. Bij die wijze van optreden der
Regeering zou--zoo redeneerde men--een klein deel van het land (hier de
zoogenaamde „Streek” in Noord-Holland) zoo goed als den ganschen last
dragen van de voorziening der bevolking met deze in normale tijden
binnen ieders bereik liggende groente.
Indien ik mij in de eerste oorlogsweken door zulk een overweging had
laten leiden, zou--om slechts één voorbeeld te noemen--onze rijstreserve
over de grenzen zijn verdwenen. De druk van het absolute uitvoerverbod
van rijst, m. a. w. het vernietigen van verwachtingen op verder nog te
maken oorlogswinst, kwam geheel neer op een nog heel wat kleinere groep
van rijstpellers en rijsthandelaars.