Heel anders ligt de zaak, als bij het einde van den oorlog de

interneering wordt opgeheven. Geïnterneerden mogen vóór het einde van

den oorlog het land niet verlaten. Dit brengt echter niet mede, dat men

verplicht zou zijn, hen na den krijg tegen hun wil uit te leveren aan de

mogendheid tot welker krijgsmacht zij behoorden. Dit zou ten aanzien van

deserteurs of van militairen die vreezen dat zij, in hun land

teruggekeerd, als deserteurs zullen worden aangemerkt, onmenschelijk

zijn. Wie eenmaal geïnterneerd is, blijft geïnterneerd tot aan het einde

van den oorlog. Of hij gedurende zijne interneering door den

oorlogvoerende tot wiens leger hij behoort, tot eenige straf wordt

veroordeeld of van den militairen stand wordt vervallen verklaard, is

voor den Staat die hem interneerde, onverschillig. De regeering van den

interneerenden Staat heeft met hem alleen te maken afgaande op den

toestand, waarin zij hem vond, toen hij geïnterneerd werd. Het eenige

gevaar dat de interneerende Staat daarbij loopen kan, is van

financieelen aard en zinkt als zoodanig weg tegenover de andere

financieele lasten, die de oorlogstoestand oplegt. De Staat kan namelijk

de verplegingskosten niet terugeischen van die militairen, van wie door

den oorlogvoerende tot wiens leger zij hebben behoord, wordt bewezen,

dat zij als deserteurs over de grenzen zijn gekomen. Houdt de oorlog op,

dan krijgt ieder oorlogvoerende zijne soldaten terug, met dit voorbehoud

dat ieder hunner, die maar eenigszins aannemelijk maakt, dat hij gevaar

loopt als deserteur te worden behandeld of dat hij zal worden gestraft

voor een feit, waarvoor geen uitlevering kan worden gevraagd, indien hij

dit verkiest, hier kan blijven. Men zal in zulke gevallen ook de

vreemdelingenwet, die hier toch al niet met overgroote gestrengheid

wordt toegepast, uit menschelijkheidsoverwegingen zeer mild moeten

uitvoeren. Maar zoolang de oorlog duurt, hecht het Departement van

Oorlog aan beweringen van eenmaal geïnterneerden, dat zij deserteur

zijn, terecht niet al te veel. Het zou anders een te gemakkelijk middel

zijn, om zich aan de interneering te onttrekken en zich weer bij het

strijdende leger te voegen.

Het tegen den wil of door omstandigheden buiten den wil van de

betrokkenen binnen het gebied van den Staat worden gebracht, heeft zich

eenige malen ten aanzien van militairen behoorende tot de

oorlogvoerenden voorgedaan en heeft in die gevallen er terecht toe

geleid, dat die militairen niet werden geïnterneerd. In het begin van

den oorlog is dit gebeurd met Duitsche en Belgische krijgers, die in de

nabijheid van de Nederlandsch-Belgische grens gewond en bewusteloos op

het slagveld werden gevonden en door de zorgen van het Roode Kruis of

van particuliere verplegers naar een Nederlandsch hospitaal in de

nabijheid werden vervoerd. Zulke gewonde soldaten werden na hun herstel

geheel vrijgelaten in hun beweging. Hetzelfde geschiedde met de matrozen

van de eveneens in het begin van den oorlog getorpedeerde Engelsche

kruisers Aboukir, Cressy en Hogue, die door Nederlandsche

handelsvaartuigen in volle zee werden opgepikt en hier te lande werden

gebracht. Ook zij werden terecht niet geïnterneerd. Het zeeoorlogsrecht

geeft geen voorschrift omtrent hetgeen in het geval dezer

schipbreukelingen had te geschieden, maar de algemeene beginselen der

onzijdigheid wezen hier in de richting der vrijlating. Na den slag van

het Skagerak profiteerden eenige Duitsche matrozen van deze humane

toepassing der interneeringsregelen. Toch moesten hierover vóór dien

tijd nog eenige nota’s met de Duitsche regeering worden gewisseld.

Dat de Staat behoort te zorgen niet alleen voor de behoorlijke

verpleging maar ook voor de behoorlijke bewaking der geïnterneerden (het

laatste voorzoover dezen niet op parool vrijheid van beweging binnen ’s

lands grenzen is gegeven) spreekt evenzeer van zelf, als dat het

schenden van het gegeven parool verregaand onbehoorlijk is en gestraft

wordt met strenge bewaking, als men de woordbrekers weer te pakken kan

krijgen.

* * * * *

In verband met de interneering zijn ook vragen gerezen ten aanzien van

luchtschepen en vliegeniers. Wat de luchtschepen betreft, is de

moeilijkheid tot nog toe van theoretischen aard gebleven; ten aanzien

van de vliegeniers daarentegen heeft zij zich ook practisch voorgedaan.

De neutraliteitsproclamatie houdt daaromtrent niets in. De Regeering

heeft echter bij Koninklijk besluit van 3 Augustus 1914, het

overschrijden van de landsgrenzen aan vreemde luchtvaarders voor den

duur van den oorlogstoestand verboden en terstond aan de oorlogvoerenden

doen weten, dat zij het varen van vreemde luchtschepen en het vliegen

van vreemde vliegeniers boven ons grondgebied als schending onzer

souvereiniteit en neutraliteit beschouwt. De volkenrechtelijke kwestie

welke achter deze zaak verscholen ligt, laat ik rusten; zij

heeft--gegeven het principieele standpunt dat Nederland, zonder protest

van één der oorlogvoerenden ten aanzien der luchtschepen en vliegeniers

van oorlogvoerenden, heeft ingenomen--geen beteekenis. Daarvan uitgaande

zijn boven het Nederlandsch gebied varende vreemde luchtschepen of

vliegende aëroplanen door onze militairen terecht beschoten. Heeft die

beschieting--gelijk een enkele maal bij een vliegtuig is

voorgekomen--het effect, dat de vliegenier of het luchtschip genoodzaakt

wordt binnen Nederlandsch gebied te landen, dan is er geen twijfel aan,

dat de inzittenden vallen onder de interneeringsbepalingen. Zij behooren

tot de militaire macht van een der oorlogvoerenden, zij zijn boven (wat,

gegeven de principieele opvatting waarvan ik zoo even sprak, gelijk

staat met „binnen”) het gebied van den staat gekomen en zij zijn

neergeschoten, omdat dit het eenige middel was, om hen te ontwapenen en

te interneeren.

Het standpunt onzer Regeering in zake de luchtvaart van belligerenten

heeft nog aanleiding gegeven tot een wisseling van nota’s met de

Duitsche regeering ter zake van het Duitsche luchtschip, dat op 1

Februari 1916 over ons grondgebied voer, door de kustwacht uit dien

hoofde werd beschoten en later met de geheele bemanning in de Noordzee

verongelukte. De Duitsche regeering verweet ons naar aanleiding van dit

voorval, dat de Nederlandsche militaire autoriteiten, door blijkbaar

zonder voorafgaande waarschuwing te vuren op een luchtschip, dat geacht

kon worden door overmacht boven het Nederlandsch grondgebied te zijn

gekomen, in strijd met het volkenrecht en de wetten der menschelijkheid

hadden gehandeld.

Naar aanleiding van dat ongegronde verwijt schrijft de Minister van

Buitenlandsche Zaken in het in Juli 1916 verschenen Oranjeboek:

„Ondergeteekende heeft dit schrijven met een Nota-Verbale d.d. 18 Maart

beantwoord, waarin nogmaals uitvoerig de zienswijze der Regeering te

dezer zake werd uiteengezet. Overigens werd aangetoond dat het

luchtschip, dat geen enkel teeken had gegeven van averij te hebben of te

willen landen, herhaaldelijk was gewaarschuwd zich boven neutraal gebied

te bevinden, en dat de militaire autoriteiten de wetten der

menschelijkheid hadden in acht genomen zoover als dit met haar plicht,

de onschendbaarheid van het territoir te doen eerbiedigen, slechts

eenigszins was overeen te brengen”.

Eenigszins moeilijker ligt de zaak, wanneer het luchtschip of het

vliegtuig niet wordt neergeschoten maar door eenigerlei averij gedwongen

wordt binnen het gebied van den Staat te landen. Men is dan aanvankelijk

geneigd analogie te zoeken met de neutraliteitsbepaling betreffende

oorlogsschepen, welke wegens averij een Nederlandsche haven binnenloopen

en die na herstel weder mogen vertrekken. Toch brengt eenig nadenken

spoedig tot het inzicht, dat de zaak hier zóó geheel anders ligt, dat

van analogische toepassing dier bepaling geen sprake zijn kan. Het

vreemde oorlogsschip, dat wegens averij een onzer havens binnenloopt,

schendt op geen enkel oogenblik onze neutraliteit. Het vreemde

luchtschip of vliegtuig daarentegen kan alleen dan wegens averij

gedwongen worden hier te dalen, als het in strijd met de Nederlandsche

souvereiniteit en neutraliteit, welke het had te eerbiedigen, reeds

boven ons territoir voer of vloog. Het enkele feit dat het hier wegens

averij landen moet, bewijst dus reeds dat het de Nederlandsche

souvereiniteit had geschonden, vóór het averij kreeg en tot neerstrijken

werd gedwongen. Mocht het weer voorkomen, dat Duitsche luchtschepen,

gaande naar Engeland of daarvan terugkomende, over ons land varen, en

mocht bij zulk een gelegenheid een dezer schepen wegens averij binnen

onze grenzen moeten dalen, dan zou het buiten twijfel zijn, dat het tot

na den oorlog zou moeten worden opgeborgen en dat de inzittenden

behoorden te worden geïnterneerd. Met luchtschepen heeft zich deze

kwestie nog niet practisch voorgedaan; daarentegen wèl met een Duitsch

watervliegtuig dat, tengevolge van averij ten Noorden van

Schiermonnikoog in zee was neergedaald en naar de kust van dit eiland

was gedreven en daar geland. De bemanning daarvan werd geïnterneerd,

ondanks protest van de Duitsche regeering.

Naast de hier genoemde theoretische gronden voor de gedragslijn, welke

de Regeering zich in deze kwestie heeft gesteld, is er nog een bij

uitnemendheid practische militaire overweging, welke in dezelfde

richting wijst en die tevens het principieele standpunt steunt, dat

Nederland bij het Koninklijk besluit van 3 Augustus 1914 ten aanzien

van de luchtvaart van oorlogvoerenden heeft ingenomen. Het enkele feit

van het varen of vliegen boven het Nederlandsche gebied stelt den

luchtvaarder of den vliegenier in staat, waarnemingen te doen

omtrent- en opnemingen te doen van Nederlandsche verdedigingswerken en

kan dus onze veiligheid in gevaar brengen.

Deze laatste overweging schraagt ook het standpunt, dat Nederland

tegenover Duitschland heeft ingenomen ten aanzien van luchtschepen,

waarvan terecht of ten onrechte wordt beweerd, dat zij bij vergissing,

tengevolge van de weersgesteldheid, boven ons land zijn terecht gekomen.

Zoodra de bestuurder van een oorlogvoerend luchtschip zulk een

vergissing bemerkt, is hij verplicht langs den kortsten weg zich buiten

het Nederlandsche rechtsgebied te begeven. Hij mag zich dan niet bevoegd

achten langs den kortsten weg naar zijn eigen land terug te keeren,

wanneer die niet tevens de kortste is om buiten ons gebied te komen.

Terecht heeft onze Regeering dit standpunt tegenover Duitschland met

beslistheid volgehouden. Elke afwijking daarvan zou de deur wagenwijd

openzetten voor niet te controleeren en niet te achterhalen schendingen

van ons rechtsgebied door oorlogvoerende luchtvaarders.

* * * * *

In verband met de luchtvaart heeft de Regeering nog voor een

moeilijkheid gestaan, die wel niet rechtstreeks met het belang van

Nederland had te maken, maar waarbij zij zich de vraag had voor te

leggen, of de voorschriften der onzijdigheid wel met de eischen der

menschelijkheid waren overeen te brengen. De neutraliteit brengt mede,

dat het verspreiden van berichten over de waarneming, van Nederlandsch

grondgebied uit, omtrent bewegingen van oorlogvoerende strijdkrachten,

zooveel mogelijk worde tegengegaan. Om aan dezen eisch der onzijdigheid

te voldoen worden berichten van nieuwsagenten omtrent bewegingen van

belligerente oorlogsschepen gedurende 6 uren opgehouden. Deze maatregel

wordt ook toegepast ten aanzien van waargenomen bewegingen van vreemde

vliegeniers en vreemde luchtschepen. Voor zoover betreft Duitsche

luchtschepen, die naar Engeland koersten, gaf dit in sommige kringen

aanleiding tot ontstemming, voortspruitende uit de omstandigheid, dat de

Duitsche luchtraids, voor zoover zij menschenlevens kosten, in

hoofdzaak weerlooze burgers treffen en dus tot de meest inhumane

oorlogsverrichtingen behooren van den thans woedenden krijg, waarin de

vindingrijkheid op het gebied der verdelging van elkanders leven en

gezondheid over het algemeen toch reeds een met alle menschelijkheid

spottende hoogte heeft bereikt. Toch kon en mocht men, zonder schending

van de neutraliteit ten aanzien van de Duitsche luchtschepen, van den

gestelden regel niet afwijken. Het zou trouwens niet aangaan, dat

neutrale staten hunne onzijdigheidsmaatregelen deden afhangen van de

mate van weerzin, welke door bepaalde oorlogshandelingen der

belligerenten bij hen werd gewekt. Elk objectief kenmerk van

beoordeeling zou dan ontbreken en men zou door gevoelsoverwegingen al

heel spoedig in zeer gevaarlijk vaarwater worden gevoerd. Natuurlijk

stond de zaak geheel anders, wanneer het een luchtschip betrof, dat de

onzijdigheid van het Nederlandsche territoir niet had geëerbiedigd en

zijn weg ten deele over ons gebied had genomen. In dat geval bleef

bekendmaking daarvan aan den tegenstander, langs telegrafischen weg,

zonder de minste vertraging vrij. De neutraliteit werd dan niet

geschonden door de berichtgeving, maar was geschonden door den

luchtschipper omtrent wien bericht gegeven werd.

§ 4. _Gevaarlijke bakerpraatjes._

Tot slot van dit hoofdstuk vermeld ik nog een tweetal bakerpraatjes,

waarvan vooral het eerste aan het land veel kwaad heeft gedaan en aan de

Regeering veel last en onaangenaamheid bezorgd heeft.

Toen het Duitsche leger, om snel in Noord-Frankrijk te komen, de

neutraliteit van België schond en zich een weg baande door het land van

onze Zuidelijke naburen, dook al heel spoedig het gerucht op, dat

Nederland zou hebben toegelaten, dat bij dien opmarsch Duitsche troepen

ook over Nederlandsch grondgebied trokken. Vooral in Frankrijk werd dit

verhaal als waarheid aanvaard en werd het ondanks officieele tegenspraak

met hardnekkigheid staande gehouden. In de „_Illustration_” verscheen

zelfs een kaartje, aanduidende hoe het Duitsche leger door België was

getrokken; de richtingen werden daarop door pijltjes aangegeven; een

dier pijltjes wees den weg van Duitschland naar België over het

zuidelijk deel van Nederlandsch Limburg. Hoewel hier bij de Regeering

genoegzaam bekend was, dat het heele verhaal uit de lucht was gegrepen

en dat de Duitsche legeraanvoerders niet slechts bevel hadden ontvangen

de Nederlandsche grens zorgvuldig te ontzien, maar dat bevel ook met de

grootste nauwgezetheid hadden opgevolgd, wierp het praatje een zóó

valsch en te gelijk zóó gevaarlijk licht op ons land en zijne Regeering,

dat het noodig was de onjuistheid daarvan zóó voldongen vast te stellen,

dat het niet alleen hier te lande maar ook bij de geallieerden zou

worden erkend voor wat het was: een kwaadaardig kletspraatje. Er had

daartoe een speciaal onderzoek door de militaire overheid plaats,

waaromtrent uitvoerige mededeelingen zijn opgenomen in het Oranjeboek,

dat in October 1915 door het Ministerie van Buitenlandsche Zaken werd

uitgegeven. Zooals van te voren vaststond bij ieder, die op de hoogte

was van de werkelijke toedracht, bewees dat onderzoek op een wijze, die

zelfs voor den meest kwaaddenkende overtuigend zijn moest, dat de

Nederlandsche grens door het Duitsche leger op geen enkel punt was

geschonden.

Ter rechtvaardiging van het ontstaan en van de verspreiding van het

praatje, als zou Nederland handlangersdiensten aan het Duitsche leger

hebben bewezen, valt dan ook niets hoegenaamd aan te voeren; het kan

integendeel niet genoeg worden betreurd en gelaakt, dat zulk een

sprookje zonder eenigen grond ontstaan en verspreid worden kon en dat

zij die zich daaraan schuldig maakten, niet beseften, welke ernstige

gevolgen het wekken van een valschen schijn bij een der oorlogvoerende

partijen omtrent Nederlands houding ten aanzien van den vijand, voor ons

land had kunnen hebben en welk een verantwoordelijkheid zij door hun

grondelooze en grenzelooze kwaaddenkendheid en lichtgeloovigheid

tegenover Nederland op zich namen. Voor zoover er onder onze eigen

landgenooten zijn, die aan de verspreiding van het gerucht mede schuld

hebben, is hun bedrijf in zoo hooge mate ergerlijk, dat er geen woorden

voor zijn te vinden om het naar waarde te brandmerken.

Voor buitenlanders kon althans nog ter verontschuldiging dienen, dat de

Duitsche heerbaan op enkele punten, zooals bij Vaals en bij Kerkrade,

zóó rakelings langs de Nederlandsche grens loopt, dat men van

Nederlandsch grondgebied uit aan militairen, die op dien weg

voorbijtrekken de hand kan reiken; dat het nieuwe grijze uniform onzer

infanteristen zooveel gelijkenis vertoont met het Duitsche uniform voor

dit wapen, dat vergissing omtrent de nationaliteit van een

voorbijtrekkenden troep voor een buitenlander mogelijk is en, last not

least, dat men in de oorlogvoerende landen, vooral in het begin van den

oorlog, begrijpelijkerwijze, te gelijk zóó zenuwachtig en zóó

wantrouwend was, dat elk praatje omtrent heulen met den tegenstander,

zoodra het omtrent een neutralen staat eenmaal was gelanceerd, er een

bij uitstek gunstigen voedings- en verspreidingsbodem vond. Voor

Nederlanders die de verspreiding van het even valsche als gevaarlijke en

kwaadaardige gerucht mede op hun geweten hebben, is niet de minste

verontschuldiging aan te voeren.

Zelfs nadat zonneklaar en onomstootelijk was vastgesteld, dat van

schending van de Nederlandsche grens door het Duitsche leger op geen

enkel punt en op geen enkel oogenblik sprake is geweest, heeft het

praatje niet opgehouden aan Nederland schade te doen. De buitenlandsche

regeeringen hebben het ten slotte wel op de juiste waarde, dat wil hier

zeggen: onwaarde, geschat en verdere verspreiding ervan, naar vermogen,

tegengegaan. Maar daarmede was het kwaad niet gestuit. Zulke praatjes

blijven nawerken onder allerlei kringen van de bevolking, en daarbij

geldt helaas niet dat de waarheid de leugen wel achterhaalt. Wanneer

Nederland en zijne Regeering bij het Fransche volk sympathie hebben

verspeeld en zelfs bij maar al te velen onzer Gallische broeders in een

kwaad blaadje zijn gekomen, heeft het valsche gerucht omtrent het

oogluikend toelaten van schending onzer grenzen door Duitsche troepen

daartoe meer dan iets anders bijgedragen. De franschgezinden onder de

Nederlanders die aan de verspreiding daarvan mede schuld hebben, hebben

eer van hun werk; zij hebben meer bijgedragen tot het kweeken van

verwijdering tusschen Franschen en Nederlanders dan alle pro-duitsche

propagandisten bij elkaar.

Van hetzelfde allooi, maar gelukkig van veel minder practische

beteekenis, was het later uitgebroed sprookje, dat er een geheim verdrag

tusschen Nederland en Duitschland in verband met den oorlog zou zijn

gesloten. Dit verhaal is op zich zelf niet minder kwaadaardig en niet

minder gevaarlijk; men kan voor niemand eenige verontschuldiging vinden,

die aan het ontstaan of de verspreiding ervan heeft meegedaan. Hoewel

het zijn ronde begon op een oogenblik toen de gemoederen reeds wat waren

gekalmeerd en niet meer zoo ontvankelijk waren voor elk sensatiebericht,

hoe onwaar en hoe onwaarschijnlijk het ook zijn mocht, heeft het toch

nog zooveel stof opgeworpen, dat het de eer kreeg in de vergaderingen

van de beide Kamers der Staten-Generaal te worden besproken. Het kón

daar met de meeste beslistheid van regeeringswege worden tegengesproken

en het werd met de meeste beslistheid tegengesproken; het eerst in een

interruptie van den heer Cort van der Linden, zoodra er in de Kamer van

werd gerept.

Zooals ik reeds opmerkte, is het in zijn gevolgen minder ernstig geweest

dan dat van de beweerde toelating van schending onzer grenzen door

Duitsche troepen; maar dat zij, die aan het ontstaan en de verspreiding

van de verdrag-legende schuldig zijn, daarmede minder kwaad brouwden dan

met het andere sprookje werd gesticht, kan men niet eens te hunner

verontschuldiging aanvoeren. Het is te danken aan omstandigheden

onafhankelijk van hun wil. Ware het ontstaan op een oogenblik van even

groote algemeene opgewondenheid, als in Augustus 1914 heerschte, of ware

het door de Fransche pers even gretig opgenomen en verspreid als zijn

leugenbroeder uit die dagen, dan zou het in zijn uitwerking aan dezen

niets hebben toegegeven. De duim waaruit het is gezogen, verdiende ten

overstaan van Neerlands volk te worden verbrijzeld.

HOOFDSTUK II.

DE LEVENSMIDDELENVOORZIENINGEN.

§ 1. _Beperking van den uitvoer._

De oorlogstoestand heeft op bij uitstek voelbare wijze aan ieder

duidelijk gemaakt, welk een beteekenis het ongestoord interlocaal en

internationaal verkeer voor het economische leven in de moderne

maatschappij heeft. Toen in de eerste weken van Augustus 1914 het

verkeer hokte, stonden alle economische vragen op eens onder een gansch

ander licht, dan in normale omstandigheden en verlangden zij een gansch

andere oplossing. Door de spoorwegvordering stond het goederenverkeer te

land in die weken vrijwel stil; het scheepvaartverkeer was lam gelegd,

niet alleen door de onzekerheid omtrent het lot dat aan ons land zou

worden beschoren, maar ook door de onbekende gevaren waaraan de oorlog

ter zee de scheepvaart, inzonderheid op de Noordzee, zou kunnen

blootstellen. De binnenschipperij miste als terugslag van den stilstand

in de groote scheepvaart en in het goederenvervoer op de spoorwegen

voeding en werk. Daarbij kwam dat er gegronde vrees heerschte voor

kolengebrek, zoo niet voor kolennood. Tot overmaat van ramp ontwrichtten

de maatregelen, die door de oorlogvoerenden, in de eerste plaats door

Engeland als feitelijk beheerscher der zee werden genomen, het

internationaal verkeer geheel en al. Dit een en ander legde aan de

Regeering, inzonderheid aan den Minister van Landbouw, Nijverheid en

Handel den plicht op, vóór alles er voor te zorgen, dat geen gebrek aan

de noodige levensmiddelen zou ontstaan. Daarbij had zij het hoofd koel

te houden en moest zij zich niet laten meesleepen, tot het nemen van

goed bedoelde maar in hun gevolgen bedenkelijke maatregelen, waarop

zoowel in als buiten de Staten-Generaal werd aangedrongen.

Toen in de gedenkwaardige vergadering van de Tweede Kamer van 3 Augustus

1914 door den heer Troelstra werd opgemerkt, dat het niet voldoende zou

zijn, waren beschikbaar te stellen tegen een maximalen prijs en dat er

meer noodig was voor „de doodeenvoudige politiek dat er in Nederland

geen honger zal worden geleden”, gaf ik daarop ten antwoord:

„Op het oogenblik toe te zeggen de indiening van een wetsontwerp,

waarbij aan de bevolking, die dat noodig heeft, om niet door den Staat

levensmiddelen zouden worden verstrekt, acht ik niet noodig en niet

gewenscht. Niet gewenscht om een tweetal redenen. Vooreerst omdat de

staat dat wel zal kunnen decreteeren op papier, maar het buitengemeen

moeilijk zijn zou, dat onmiddellijk tot uitvoering te brengen, en verder

omdat daarmede wat den kleinhandel aangaat, het economisch verkeer, naar

ik vrees, nog meer zal worden geschokt dan op het oogenblik reeds het

geval is.

„Hierover toch behoeven wij wel niet te twijfelen; wanneer er een wet

was, waarbij onder zekere voorwaarden,--wij kunnen zeer goed begrijpen,

in deze kritieke tijden, dat men de voorwaarden, die men stellen zou,

toch niet streng zou kunnen toepassen--aan de bevolking die het noodig

had, om niet levenswaren werden ter beschikking gesteld, dan zou niet

alleen het verkeer--dat nu reeds wat den internationalen handel en het

kredietwezen betreft, zeer verstoord is--maar ook de kleinhandel op zeer

bedenkelijke wijze verstoord worden.

„Vandaar dat ik, waar ik sta voor de verantwoordelijkheid om zoo goed

mogelijk in deze tijden, voor zoover het van den Staat kan geschieden,

leiding te geven aan ons economisch leven, dergelijken maatregel niet

durf voorstellen”.

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 3 / 40 段