oorlogsschepen vrijgevige bepaling een bron van allerlei moeilijkheden.
Niet alleen zou zij, indien er werkelijk gevaar van de zeezijde dreigde,
aan een oorlogvoerende mogendheid, die ons land in den krijg wilde
betrekken, gelegenheid geven vóór de oorlogsverklaring twee of drie vol
bewapende oorlogsschepen over enkele onzer havens te verdeelen of in één
haven te concentreeren, maar zij zou ook, bij verblijf van
oorlogsschepen van één der oorlogvoerende partijen binnen Nederlandsch
grondgebied, zeer gemakkelijk aanleiding hebben kunnen geven tot
conflict met de tegenpartij.
Bij Koninklijk besluit van 30 Juli 1914, dus eenige dagen vóórdat ook
Engeland besloten had aan den oorlog deel te nemen, op een oogenblik
waarop de krijg zelfs nog tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië was
beperkt, werd het Koninklijk besluit van 1909 tijdelijk buiten werking
gesteld en in plaats daarvan bepaald, dat het aan oorlogsschepen of
daarmede gelijkgestelde vaartuigen van vreemde mogendheden niet
geoorloofd is, zich van uit zee in de Nederlandsche territoriale wateren
en het daarbinnen gelegen Nederlandsche watergebied te begeven of zich
daarin op te houden. Op dezen regel werden slechts enkele uitzonderingen
gesteld, waarvan de belangrijkste is die voor oorlogsschepen van vreemde
mogendheden in geval van nood, zeegevaar of averij.
Deze regeling ten aanzien van vreemde oorlogsschepen en daarmede
gelijkgestelde vaartuigen gedurende den oorlogstijd werd met eenige
aanvullingen opgenomen in de neutraliteitsverklaring van denzelfden dag
in verband met den oorlog tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië, en
later herhaald in de volgende neutraliteitsverklaringen in verband met
de uitbreiding, welke de oorlog onderging.
Tot dezen veiligheidsmaatregel was Nederland volkenrechtelijk ten volle
bevoegd. Wel paste het Koninklijk besluit van 30 October 1909 bij art.
15 van het verdrag van 18 October 1907, als resultaat van de Tweede
Vredesconferentie gesloten, nopens de rechten en verplichtingen der
onzijdige mogendheden in geval van zeeoorlog, maar dat verdragsartikel
geldt, volgens zijn eigen bewoordingen, alleen „bij gebreke van andere
bijzondere bepalingen der wetgeving van de onzijdige Mogendheid”.
De bijzondere bepaling, welke Nederland veiligheidshalve ten aanzien van
vreemde oorlogsschepen bij het Koninklijk besluit van 30 Juli 1914
maakte, heeft een uitstekende preventieve werking gehad. Zij kon echter
alleen doel treffen, als zij met gestrengheid werd gehandhaafd. Voor de
oorlogvoerenden is zij bij enkele gelegenheden minder aangenaam geweest.
Zoo voor de Duitsche duikboot, die, om snel haar doel te bereiken, te
dicht onder de kust voer en daardoor in onze territoriale wateren
terecht kwam. Zij raakte binnen ons gebied, bij Terschelling, in de
zandbanken verward en strandde op 4 November 1915. Op grond der genoemde
bepaling werd zij met haar bemanning geïnterneerd, aangezien zij niet
tengevolge van bekomen averij onze territoriale wateren was
binnengeloopen, maar eerst na in ongeschonden toestand daar gekomen te
zijn, in het ongereede was geraakt. Deze interneering heeft tot eene
wisseling van nota’s tusschen de Duitsche en de Nederlandsche Regeering
aanleiding gegeven, waarbij van onze zijde het goed recht daarvan werd
staande gehouden, ondanks de daartegen aangevoerde bezwaren. Nederland
bleef daarbij geheel binnen de perken van zijn recht en liet zich door
de betoogen van zijn machtigen nabuur niet van zijn rechtsstandpunt
afdringen.
Het noodlot heeft trouwens gewild, dat eenigen tijd na de
Duitsche, een Engelsche duikboot op overeenkomstige wijze onze
neutraliteitsproclamatie schond en uit dien hoofde geïnterneerd werd. In
Januari 1916 strandde een Britsche onderzeeboot binnen onze territoriale
wateren in het Friesche gat tusschen Ameland en Schiermonnikoog. Daar
het stranden van de boot hier evenmin als bij den Duitschen onderzeeër
aan het bekomen van averij, vóór zij in die wateren was gekomen,
kon worden toegeschreven, werd zij op gelijke wijze als deze
behandeld. Er deed zich hierbij nog een incident voor, waarbij onze
neutraliteitsbepalingen door een vaartuig van de Engelsche marine ten
tweeden male werden geschonden. Toen de duikboot vastliep, bevonden zich
Britsche torpedojagers, buiten de territoriale wateren kruisende, in de
nabijheid. Door een dier vaartuigen werd, toen het ongeval was
opgemerkt, een motorsloep uitgezonden om de schipbreukelingen te helpen.
Die sloep nam 10 der opvarenden van de duikboot mede. De overige twaalf,
waaronder de commandant, werden door de reddingboot van Schiermonnikoog
aan land gebracht. Deze werden, evenals met hun Duitsche lotgenooten was
geschied, geïnterneerd; de boot zelf werd, nadat zij vlot was gebracht,
opgelegd op dezelfde wijze als met den Duitschen onderzeeër was
geschied. Onze Regeering protesteerde bij de Britsche tegen het feit,
dat een motorsloep van de Britsche marine zich in de territoriale
wateren had begeven en daar een deel der opvarenden van de gestrande
duikboot had afgehaald. Aangezien de reddingsboot van Schiermonnikoog
reeds ter plaatse was en de redding van de geheele bemanning verzekerd
was, konden voor die handelwijze geen overwegingen van menschelijkheid
worden aangevoerd. De Regeering voegde aan haar protest toe, dat slechts
ten gevolge van de omstandigheid, dat de reddingboot geen militaire
autoriteiten aan boord had, de motorsloep weder met de door haar
afgehaalde leden der bemanning van de duikboot het Nederlandsche gebied
had kunnen verlaten.
De bepaling der neutraliteitsproclamatie, welke tot de interneering der
beide duikbooten en hare bemanningen heeft geleid, gaf aanleiding tot
een vraag, waarover zoowel met de Duitsche als met de Britsche regeering
nota’s werden gewisseld. Dat die bepaling ook toepasselijk is op
koopvaardijschepen die tijdelijk tot hulpkruiser zijn ingericht, was
niet twijfelachtig. Zulke hulpkruisers zijn zeker met oorlogsschepen
gelijk te stellen. Moeilijker echter was de beslissing ten aanzien van
koopvaardijschepen, die, zooals het heet, alleen ter verdediging, en wel
speciaal tegen duikbooten, een tweetal kanonnen op den achtersteven
hebben. Engeland heeft zulk een defensieve bewapening zijner
handelsschepen in overweging genomen en voor een deel in toepassing
gebracht. Moesten zulke defensief bewapende handelsschepen, een
Nederlandsche haven binnenloopend, met oorlogsschepen worden
gelijkgesteld en op dien grond worden vastgehouden, tenzij hun
binnenloopen gevolg was van bekomen averij? Het antwoord op deze vraag
werd vooral door deze overweging beheerscht, dat al staat een aldus
bewapend handelsvaartuig niet met een hulpkruiser gelijk, het
onderscheid tusschen offensieve en defensieve bewapening wel op het
papier maar niet in werkelijkheid is vol te houden. Het is toch meer dan
waarschijnlijk, dat zulk een defensief bewapend vaartuig, als het een
vijandelijke duikboot in zijne nabijheid ziet, zich zal houden aan den
regel: „la meilleure façon de se défendre, c’est d’attaquer.” Het is
intusschen alleen tot een uitwisseling van nota’s over deze soort
vaartuigen gekomen, waarbij het door Nederland ingenomen standpunt
tegenover de belligerenten, in de eerste plaats tegenover Engeland werd
uiteengezet en volgehouden. Vaartuigen als de hier bedoelde hebben
Nederlandsche havens niet aangedaan.
Op het stuk van vreemde oorlogsschepen bevat de
neutraliteitsproclamatie, die ook door het Nederlandsch-Indische
Gouvernement voor onze bezittingen aldaar werd afgekondigd, enkele
bepalingen, welke in Indië met zijn uitgebreid territoriaal watergebied
veel moeilijker te handhaven waren dan hier te lande, doch waaraan
niettemin streng de hand gehouden worden moest en streng de hand
gehouden werd, zoo dikwijls pogingen tot inbreuk daarop met reden konden
worden vermoed. Ik doel hiermede in de eerste plaats op de bepaling, dat
het verboden is binnen het rechtsgebied van den Staat, zonder
voorafgaande machtiging der bevoegde autoriteiten ter plaatse, aan
oorlogsschepen of daarmede gelijkgestelde vaartuigen van een
oorlogvoerende mogendheid herstellingen aan te brengen en levensmiddelen
of brandstoffen te verstrekken. Het Nederlandsch-Indische Gouvernement
heeft vooral in den eersten tijd van den oorlog, toen enkele Duitsche
kruisers hun beroemd geworden tochten over den Oceaan deden, meer dan
eenmaal maatregelen moeten nemen om te voorkomen, dat aan zulke kruisers
in Nederlandsch-Indische territoriale wateren kolen werden verstrekt.
In verband met die dolende zeeridders moest ook, zoowel in West- als in
Oost-Indië, de hand worden gehouden aan de uitzonderingsbepaling van de
neutraliteitsproclamatie ten gunste van oorlogsschepen of daarmede
gelijkgestelde vaartuigen van een oorlogvoerende, welke binnen het
rechtsgebied van de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen een
haven of reede aandoen, uitsluitend met het doel om hun voorraad
levensmiddelen of brandstof aan te vullen. Practisch was deze bepaling
vooral van gewicht ten aanzien van het innemen van brandstof. Volgens de
bepalingen der proclamatie, zich aansluitende bij het verdrag nopens de
rechten en verplichtingen der onzijdige mogendheden in geval van
zeeoorlog, mogen vreemde oorlogsschepen daartoe in geen geval langer dan
24 uren in de haven of op de reede blijven, en mogen hun niet meer
brandstoffen worden verstrekt dan noodig is om, met inbegrip van den nog
aan boord aanwezigen voorraad, de naaste haven van hun eigen land te
bereiken. Hoe groot die officieel toegestane hoeveelheid wel was voor
een in een Oost- of West-Indische haven binnenloopend schip als bijv.
de „Leipzig” of de „Emden” viel niet zoo heel gemakkelijk te bepalen. De
oplossing van deze moeilijkheid moest echter uit den aard der zaak aan
de autoriteiten ter plaatse worden overgelaten.
Een tweede moeilijkheid deed zich hierbij nog voor, welke echter
gelukkig van theoretischen aard is gebleven. Volgens de
neutraliteitsproclamatie mag een zelfde vreemd oorlogsschip niet wederom
van brandstof worden voorzien dan nadat ten minste drie maanden sedert
een vorige aanvulling binnen het rechtsgebied van den staat zijn
verstreken. De vraag deed zich nu voor, wat zou moeten geschieden met
een kruiser, waarvan bekend was, dat hij in open zee strooptochten was
blijven maken zonder naar het eigen land terug te keeren, indien hij na
een tusschenpoos van drie maanden opnieuw kolen zou willen laden. Naar
de letter der proclamatie zou dit toegestaan zijn; naar den geest
evenwel niet. Immers de hoofdbepaling omtrent het kolenladen houdt in,
dat niet meer brandstof zal worden verstrekt dan noodig is om de naaste
haven van het eigen land te bereiken. Door aan een schip, dat niet naar
huis terugkeert doch in open zee kaapvaart blijft uitoefenen, en zijn
kolenvoorraad aanvult uit veroverde schepen of in havens van andere
neutrale landen, om de drie maanden kolen te verstrekken, zou niet
worden voldaan aan de bedoeling der uitzonderingsbepaling, er toe
strekkende een oorlogsschip, uit menschelijkheidsoverwegingen,
gelegenheid te geven naar huis terug te keeren, maar zouden
onwillekeurig aan een der strijdvoerenden, tegen de bedoeling der
kolenbepaling in, handlangersdiensten worden bewezen. Zooals reeds werd
opgemerkt, bleef ook deze kwestie intusschen alleen van academische
beteekenis.
* * * * *
Hier te lande moest al heel spoedig aan enkelen onzer eigen landgenooten
worden ingescherpt, dat ook zij zich aan de neutraliteitsbepalingen
hadden te onderwerpen en het land niet door daarmede strijdige
handelingen in oorlogsgevaar mochten brengen. Art. 13 der
neutraliteitsproclamatie verbiedt, binnen het rechtsgebied van den Staat
ten behoeve van een oorlogvoerende natie vaartuigen, voor militaire
doeleinden bestemd, uit te rusten, te bewapenen of te bemannen of
zoodanige vaartuigen aan een belligerent toe te voeren of te
verschaffen. In de allereerste weken van den oorlog nu kwam aan de
Regeering een poging ter oore, die in vrij vergevorderden staat van
uitvoering bleek te zijn, om ten behoeve van het Duitsche Rijk een
aantal stoomtrawlers en sleepbooten aan te koopen. Het was niet
twijfelachtig dat, indien die koop was doorgegaan, de bedoelde schepen
voor oorlogsdoeleinden zouden zijn gebezigd. Onverwijld werden de
noodige maatregelen genomen om de Nederlandsche tusschenpersonen, die
zich tot deze transactie hadden geleend, op het ongeoorloofde van hun
medewerking te wijzen; dientengevolge kon worden belet, dat de
uitvoering der reeds begonnen poging werd voltooid.
Als tegenhanger van dit geval vermeld ik hier, dat ook tegen overtreding
van een ander artikel der neutraliteitsproclamatie eenige malen moest
worden opgekomen. Het door mij bedoelde artikel behelst het verbod om
binnen het rechtsgebied van den Staat ten behoeve der oorlogvoerenden
strijderskorpsen te vormen of aanwervingsbureaux te openen.
Deze bepaling werd van practisch belang, eenigen tijd nadat Antwerpen
was gevallen en België zoo goed als geheel in handen van Duitschland was
gekomen. Niet alleen bleek toen, dat verschillende hierheen gevluchte
Belgische jonge mannen zich individueel en uit vrije beweging bij het in
Noord-Frankrijk strijdende Belgische leger gingen vervoegen, wat geheel
geoorloofd was; maar ook dat door meer of minder openlijk optredende
wervingsbureaux pogingen werden in het werk gesteld, om hunne
indiensttreding te bevorderen en hen groepsgewijze naar Engeland te
vervoeren. Zoo vaak van zulke pogingen iets bleek, werden zij, krachtens
de neutraliteitsproclamatie, in haar geboorte gesmoord.
* * * * *
De verovering van België en vooral de val van Antwerpen gaf ook
practische beteekenis aan het artikel der neutraliteitsproclamatie, dat
het vervoer van convooien van munitie of levensmiddelen over
Nederlandsch territoir verbiedt. De vrije doorvoer van koopmansgoederen
tusschen België en Duitschland of omgekeerd, over onze water- en
landwegen, gelijk die vóór den oorlog bestond, bleef natuurlijk
ongehinderd voortduren. Echter ontstond in en door den nieuw geschapen
toestand gevaar, dat onze waterwegen zouden worden gebruikt om munitie
en andere legerbenoodigdheden van Duitschland naar Antwerpen te
vervoeren, of dat door oorlogsdaden verkregen zaken van daar uit over
ons land naar Duitschland zouden worden gebracht. Aan de Duitsche
regeering werd uit dien hoofde medegedeeld, dat hoewel de door
verschillende tractaten en inzonderheid door de Rijnvaart-akte
gewaarborgde vrije doorvoer door ons land tusschen Duitschland en België
ongerept zou blijven, deze ten aanzien van krijgsbuit of van
oorlogsbenoodigdheden niet kon worden toegestaan, aangezien dit ons in
conflict zou brengen met onzen onzijdigheidsplicht. De noodige
maatregelen werden getroffen om, door samenwerking tusschen daartoe
aangewezen ambtenaren van Buitenlandsche Zaken met de douane-ambtenaren
en de leger-autoriteiten aan de grens, ervoor te zorgen dat aan dit
neutraliteitsverbod de hand zou worden gehouden. Voor zoover ik mij
herinner, behoefde geen enkele maal tegen eene poging tot overtreding
daarvan te worden opgekomen.
Had deze zaak betrekking op de Rijnvaart, de vaart op de Schelde gaf
aanleiding tot een gedachtenwisseling, reeds voordat Antwerpen in de
macht van Duitschland was gekomen. Zij betrof een vijftigtal Duitsche en
Oostenrijksche handelsschepen, die bij den aanvang van den oorlog in de
haven van Antwerpen lagen en als gevolg van den strijd in de macht van
de Belgische regeering waren gekomen. In het begin van September 1914
werd mededeeling ontvangen dat de Britsche regeering voornemens was, die
schepen met eene niet-militaire bemanning over de Schelde naar Engeland
te voeren. Zij beriep zich ter rechtvaardiging van dit voornemen op het
tractaat van Londen van 19 April 1839, dat de vrije vaart over de
Schelde waarborgt. Onze Regeering maakte daartegen bezwaar. Zij wees het
beroep van Engeland op het verdrag van 1839 af, aangezien het hier
schepen gold, die door een oorlogsdaad in handen van de Belgische
regeering waren gekomen en die, als zij met een Britsche bemanning over
de Schelde zouden worden vervoerd, niet met een handelsoogmerk de
Schelde zouden bevaren. Het tractaat van 1839 beperkt, in verband met
art. 109 van de akte van het Weener congres van 9 Juni 1815, de vrije
vaart op de Wester-Schelde uitdrukkelijk „tot de vaart met opzigt tot
den koophandel” en was dus op dit geval niet van toepassing. Het gold
hier schepen, waarvan de rechtstoestand onzeker was, maar waarvan
vaststond dat zij zonder oorlogsdaad niet ter beschikking van de
Belgische noch van de Engelsche regeering zouden hebben gestaan. Hoewel
het artikel der neutraliteitsproclamatie, behelzende dat prijsgemaakte
schepen, behalve wegens onzeewaardigheid, slechte gesteldheid der zee of
gebrek aan brandstof of aan levensmiddelen, niet in het rechtsgebied van
den Staat mogen worden binnengebracht, hier niet letterlijk van
toepassing was, was het toch noodig, ter handhaving onzer onzijdigheid,
in dit geval naar analogie van dat neutraliteitsvoorschrift te handelen.
In dien zin werd dan ook aan Engeland geantwoord. Indien deze schepen de
grenzen zouden overschrijden en op het Nederlandsch gedeelte van de
Schelde zouden komen, zouden zij worden geïnterneerd tot aan het einde
van den oorlog en dan worden teruggegeven aan dengene, die alsdan zou
blijken daarop recht te hebben.
Na deze verklaring van onze zijde heeft Engeland aan zijn voornemen te
dezen aanzien geen gevolg gegeven. De houding ten aanzien van die
schepen tegenover Engeland aangenomen, bracht van zelf mede, dat toen
Antwerpen was gevallen en in handen van Duitschland was gekomen, de
bewuste schepen evenmin op de Schelde konden worden toegelaten. Zij
waren toch door een oorlogsdaad weder onder andere oorlogvoerende
heerschappij gekomen. Toen dan ook enkele dier schepen later niettemin
in ons land kwamen, werden zij tot aan het eind van den oorlog in
bewaring gesteld. Aan wie zij dan zullen worden afgegeven, is thans nog
niet aan de orde.
§3. _Interneering; luchtvaart._
Onder de neutraliteitsbepalingen is er één, welker toepassing op het
publiek zeer grooten indruk heeft gemaakt en die aan de militaire
autoriteiten, vooral in de eerste weken van October 1914, de handen vol
werk heeft gegeven. De bepaling namelijk dat troepen of militairen,
behoorende tot of bestemd voor de oorlogvoerenden, komende binnen het
gebied van den Staat te land, onmiddellijk worden ontwapend en tot het
einde van den oorlog worden geïnterneerd. Toen zij, eveneens als
uitvloeisel van het algemeen erkende volkenrecht (Tractaten van 1907
als gevolg van de Tweede Haagsche Vredesconferentie) werd opgenomen,
werd niet vermoed, dat er op zóó groote schaal van zou moeten worden
gebruik gemaakt. De snelle verovering van Antwerpen deed een deel van
het Belgische leger alsmede van de ter hulp gekomen Engelsche troepen
den 10^{den} October 1914 over onze grenzen in Staatsvlaanderen de wijk
nemen. Hun aantal steeg weldra tot omstreeks 30.000. Het spreekt van
zelf, dat het ontwapenen en onder dak brengen van een zóó groot aantal
soldaten heel wat voeten in de aarde had, te meer omdat zoowel de
militaire als de burgerlijke autoriteiten in diezelfde dagen overstelpt
waren met werk in verband met den stroom van Belgen die, wegens de
belegering van Antwerpen, over onze grenzen een goed heenkomen zochten.
Op die vluchtelingen kom ik hieronder in hoofdstuk III § 2 terug.
De interneering van de over onze grenzen gekomen Belgische en Engelsche
legerafdeelingen gaf wel practische maar geen volkenrechtelijke
moeilijkheden. Dat deze militairen geïnterneerd moesten worden, was niet
aan den minsten twijfel onderhevig. Niet altijd evenwel lag de zaak
juridiek zoo eenvoudig. Opdat onderdanen van een oorlogvoerende
mogendheid bij het overschrijden der grenzen in de termen vallen van te
worden ontwapend en geïnterneerd, moeten zij in de eerste plaats
behooren tot of bestemd zijn voor den militairen dienst en in de tweede
plaats binnen het gebied van den staat „komen”, d. w. z. uit vrijen wil
de grenzen overschrijden en niet tegen hun wil of door omstandigheden
onafhankelijk van hun wil binnen het rechtsgebied van den staat worden
gebracht.
De eerste dezer voorwaarden voor de interneering is niet aanwezig bij
deserteurs noch bij gevluchte krijgsgevangenen. Beide categorieën van
personen hebben wel behoord tot de krijgsmacht van een oorlogvoerende
mogendheid, maar behooren daartoe niet meer op het oogenblik dat zij de
grenzen overschrijden. Het tractaat van 1907 betreffende de rechten en
verplichtingen van onzijdige mogendheden en personen ingeval van oorlog
te land, bepaalt trouwens uitdrukkelijk dat ontvluchte krijgsgevangenen
worden vrijgelaten. Het is intusschen niet altijd even gemakkelijk na te
gaan of over de grenzen komende militairen tot een van de beide
genoemde categorieën behooren. Bij ontsnapte krijgsgevangenen zullen de
omstandigheden in den regel wel van dien aard zijn, dat zonder veel
moeite is vast te stellen of men hunne verklaringen vertrouwen kan en
zal dus de beslissing dat zij buiten de interneeringsbepalingen vallen,
wel zoo goed als altijd vrij gemakkelijk zijn te nemen.
Met deserteurs staat de zaak ietwat anders. Daar is groote
voorzichtigheid geboden. Men kan niet zonder meer iederen militair van
een der oorlogvoerenden, die de grenzen overkomt onder het beweren dat
hij deserteur is, vrij laten rondloopen. Dit zou volkenrechtelijk
onjuist zijn en voor het land gevaarlijk kunnen worden. Men behoeft
daarvoor slechts te denken aan den omvang dien de spionnagediensten der
oorlogvoerenden in dezen krijg hebben gekregen. De opvatting die in
militaire kringen schijnt te heerschen, dat zoolang een militair zijne
distinctieven als zoodanig draagt, hij beschouwd moet worden nog tot den
troep te behooren en dus moet worden geïnterneerd, als hij over de
grenzen komt, acht ik even weinig houdbaar, als het aanmerken en
behandelen als deserteur van iederen vreemden militair, die voorgeeft
dit te zijn. Het is toch zeer wel mogelijk dat een vreemde soldaat, wien
het inderdaad er om te doen is, desertie te plegen, aan dit voornemen
alleen gevolg kan geven, indien hij er zich zorgvuldig van onthoudt
zijne militaire distinctieven af te leggen, zoolang hij de grenzen niet
gepasseerd is. Bovendien ligt niet voor iederen deserteur een pakje
burgerkleederen aan de grens gereed. Deze mij onhoudbaar toeschijnende
opvatting heeft voorts een bedenkelijken kant ook voor het land zelf,
speciaal in verband met het steeds aanwezige spionnagegevaar. Zij leidt
er namelijk zoo licht toe, iederen vreemden militair, die vóór het
overschrijden van de grens zijn militaire uniform voor een burgerpak
heeft weten te verwisselen, zonder meer als deserteur aan te merken. Dat
zulk eene conclusie aan militaire spionnen maar al te gelegen zou komen,
behoeft wel geen betoog. Er zit dan ook niet anders op, dan elk geval op
zich zelf te beoordeelen en van een zoo nauwkeurig mogelijk onderzoek te
doen afhangen of men werkelijk met een geval van desertie heeft te
maken. Bij twijfel blijve men aan den voorzichtigen kant, dat is hier de
interneering.