+--------------------------------------------------------------------+
| Opmerkingen van de Bewerker: |
| |
| Gebruikte transcriptie: |
| In het originele werk schuingedrukte tekst wordt hier weergegeven |
| als _tekst_. |
| In het originele werk in kleinkapitalen gedrukte tekst wordt hier |
| weergegeven in KAPITALEN. |
| Superscript wordt aangegeven door ^{}, zoals in 1^{e} of 2^{den}. |
| |
| Afhankelijk van de gebruikte hard- en software en instellingen is |
| het mogelijk dat niet alle symbolen en tekens correct worden |
| weergegeven. |
| |
| Meer Opmerkingen zijn te vinden aan het einde van deze tekst. |
+--------------------------------------------------------------------+
OORLOGSTIJD
HERINNERINGEN EN INDRUKKEN
OORLOGSTIJD.
HERINNERINGEN EN INDRUKKEN
VAN
Mr. M. W. F. TREUB,
OUD-MINISTER VAN LANDBOUW, NIJVERHEID EN HANDEL,
OUD-MINISTER VAN FINANCIËN.
HAARLEM
H. D. TJEENK WILLINK
& ZOON.
AMSTERDAM
SCHELTEMA & HOLKEMA’S
BOEKHANDEL.
1916
EEN WOORD VOORAF.
Een woord vooraf. Niet over hetgeen dit boek geeft of bedoelt te geven.
Zoowel het een als het ander blijke uit zijn inhoud. Daarover is het
oordeel niet aan mij. Mijn woord vooraf betreft voornamelijk hetgeen het
boek niet geeft en niet bedoelt te geven. Zooals de titel reeds
aanwijst, heeft het een zeer persoonlijk karakter. Herinneringen en
indrukken kan men alleen hebben van hetgeen men zelf heeft meegemaakt of
van nabij gezien heeft. Veel van hetgeen buiten het economisch terrein
viel, zag ik niet of slechts uit de verte. Toch is dit niet de eenige
reden waarom ik hetgeen op militair gebied is voorgevallen, op enkele
uitzonderingen na, met stilzwijgen voorbijga. Daaronder is het een en
ander dat ik wèl van nabij zag. Ik zwijg daarover, omdat mij de tijd
voor eene bespreking van de organisatie van ons defensiewezen en van de
daarin te brengen verbeteringen niet gekomen schijnt, alsook omdat, als
die tijd wèl gekomen zijn zal, anderen daartoe meer bevoegd zijn dan ik.
Zooveel mogelijk heb ik mij bepaald tot den tijd, waarin ik de
regeeringszaken van nabij kon waarnemen en mij onthouden van het leveren
van critiek. De grenzen, die ik mijzelven aldus stelde, heb ik evenwel
op sommige punten moeten overschrijden.
Vooral in de eerste maanden van den oorlogstijd had ik het groote
voorrecht de waakzaamheid en zorgzaamheid van H. M. de Koningin voor het
Nederlandsche volk van nabij te kunnen waarnemen, en daardoor hoog te
leeren waardeeren.
Aan Hare Majesteit ben ik zeer erkentelijk voor de mij verleende
vergunning, mijn boek eerbiedig aan Haar te mogen opdragen.
_Eerbiedig opgedragen_
_aan_
_Hare Majesteit de Koningin_,
_aan onze begaafde Landsvorstin, die zich in moeilijke
dagen heeft doen kennen als een ware
Moeder des Vaderlands_.
INHOUD.
BLADZ.
EEN WOORD VOORAF VII
OPDRACHT AAN H. M. DE KONINGIN IX
INLEIDING 1
HOOFDSTUK I. HANDHAVING VAN ’S LANDS SOUVEREINITEIT EN NEUTRALITEIT.
§ 1. De mobilisatie en de staat van oorlog en van beleg 9
§ 2. De neutraliteit ter zee 18
§ 3. Interneering; luchtvaart 27
§ 4. Gevaarlijke bakerpraatjes 35
HOOFDSTUK II. DE LEVENSMIDDELENVOORZIENINGEN.
§ 1. Beperking van den uitvoer 39
§ 2. De levensmiddelenwet 76
§ 3. De broodvoorziening 91
HOOFDSTUK III. VOORKOMEN EN LENIGEN VAN NOOD.
§ 1. Het Koninklijk Nationaal Steuncomité 115
§ 2. Hulp aan vreemdelingen 145
§ 3. Voorkoming van werkloosheid; arbeidsbemiddeling 156
§ 4. De Werkloosheidsverzekering 171
HOOFDSTUK IV. GELD EN CREDIET IN DEN OORLOGSTIJD.
§ 1. De paniek en haar meest urgente bestrijdingsmaatregelen 188
§ 2. Het middenstandscrediet 218
§ 3. De Beurswet 241
§ 4. De aandrang tot een moratorium 258
HOOFDSTUK V. HET OP GANG HOUDEN DER BEDRIJVEN.
§ 1. Nijverheid; Kolenvoorziening 267
§ 2. Land- en tuinbouw 283
§ 3. Visscherij; Scheepvaart 299
§ 4. Handel 322
HOOFDSTUK VI. DE OORLOGSTOESTAND EN DE SCHATKIST.
§ 1. De Staatsleening 1914 351
§ 2. Verdere maatregelen op financieel gebied 374
NABETRACHTING 392
INLEIDING.
Al heeft Europa sedert den aanvang van de twintigste eeuw bijna
onafgebroken in het teeken van oorlogsgevaar gestaan, toch werd zelfs
nog in het midden van Juli 1914 door niemand vermoed, dat een strijd van
zulk een omvang, zulk een hardnekkigheid en zulk een duur over ons
werelddeel zou komen, als de werkelijkheid spoedig daarna te zien gaf.
Op een gebeurlijkheid van zoo diep wereldschokkende beteekenis was
niemand voorbereid; niet alleen niet de regeeringen der kleine staten,
doch ook de groote mogendheden niet, die thans aan den krijg deelnemen.
Zeker, in militair opzicht had men overal in meerdere of mindere mate op
de oorlogsmogelijkheid gerekend. In sommige landen, Duitschland vooraan,
was de voorbereiding zelfs tot een hoog peil opgevoerd; maar zelfs voor
Duitschland heeft de oorlogswerkelijkheid de voorstelling, welke men
zich van te voren daarvan gemaakt had, ver achter zich gelaten. En voor
de andere oorlogvoerenden geldt dit in nog heel wat hoogere mate. Men
denke, om slechts één voorbeeld te noemen, aan het verbruik en in
verband daarmede aan de productie van munitie. Dat verbruik en die
productie hebben afmetingen verkregen, waarvan vóór den oorlog zelfs de
vurigste militairist niet had kunnen droomen.
Ongetwijfeld heeft in de afgeloopen jaren vóór den oorlog de één den
toestand donkerder ingezien dan de ander. Dit geldt voor regeeringen en
regeeringspersonen zoo goed als voor ambtelooze burgers. Maar de
slachting, die nu reeds meer dan twee jaren aanhoudt, heeft ieder
overvallen; ook dit geldt voor regeeringen en regeeringspersonen zoo
goed als voor ambtelooze burgers. Daarop was niemand, daarop was men
nergens voorbereid. Natuurlijk waren in verband met de militaire
toebereidselen voor een eventueelen oorlog wel maatregelen van
financieelen aard overwogen en ten deele getroffen; ook was men zich wel
vaag bewust, dat belemmeringen in het internationale verkeer, welke als
gevolg van een uit te breken oorlog niet zouden achterwege blijven, de
verzorging der bevolking zoodanig zouden kunnen bemoeilijken, dat op
uitbreiding der regeeringstaak ter oplossing van zulke moeilijkheden
moest worden gerekend. Maar hoe het hiermede eigenlijk zou zijn gesteld,
als er eens oorlog zou komen, wist niemand en kon niemand weten;
daarvoor waren de omstandigheden, waaronder een mogelijke oorlog gevoerd
zou moeten worden, voor elk land, dat er in betrokken zou kunnen worden
of dat er den terugslag van zou kunnen ondervinden, te onzeker.
Men besefte wel algemeen, dat een oorlog tusschen Europeesche
mogendheden een beroering ook op economisch gebied zou teweegbrengen,
waarbij de regeeringen niet zouden kunnen stilzitten. Maar hoe het
ingrijpen der regeeringen zou moeten zijn, welke richting het zou moeten
nemen en welken omvang het zou moeten krijgen, dit alles was bij
voorbaat zelfs niet bij benadering te voorzien, omdat de factoren,
waarvan de aard en de mate van dat ingrijpen zouden afhangen, van te
voren geheel onzeker waren. De economische voorbereidingen voor den
oorlog, voor zoover zij gemaakt waren, zijn dan ook overal, toen de
krijg eenmaal losgebroken was, zóó ver ten achter gebleven bij de
eischen der werkelijkheid, dat zonder ernstige overdrijving te dien
aanzien van alle landen kan worden getuigd, dat zij _niet_ voorbereid
waren.
Toen de oorlog op eens in geheel Europa het economisch leven
ontwrichtte, hebben de bevolkingen der oorlogvoerende landen met vooraf
voor onmogelijk gehouden inschikkelijkheid in het onvermijdelijke berust
en zich ongelooflijk spoedig, zoo goed en zoo kwaad als het ging, aan
den oorlogstoestand aangepast. In de neutrale staten ging het niet
anders, al was daar de inschikkelijkheid niet altijd even groot.
Het onvermijdelijke, dat bij de bevolkingen den geest van onderwerping
aan- en berusting in het noodlot aankweekte, scherpte bij de
verantwoordelijke bestuurders den geest der doortastendheid. Zoo
ontstonden, zonder veel wikken en wegen, bijna steeds zonder voorafgaand
plan, allerlei economische regelingen, die meer aan den drang der
omstandigheden dan aan het vernuft van den eenen of anderen staatsman,
financier of koopman haar ontstaan danken.
Die hohe Fluth ist’s, die das schwere Schiff
Vom Strande hebt....
De toestanden hebben zich in den oorlogstijd ontwikkeld, zonder zich te
storen aan hetgeen economisten van de studeercel of uit het practisch
leven ervan voorspeld hadden.
Overal heeft men in Augustus 1914 gestaan voor een plotseling te
voorschijn getreden grooten onbekende, wiens karakter men als het ware
van dag tot dag had te bespieden, wiens eigenaardigheden van dag tot dag
bleken te veranderen of verkeerd te zijn ingezien, en wiens gedragingen
een ongekend groot gevaar opleverden, als men er niet in slaagde, zich
van zijn wezen en zijn doen en laten een zoo goed mogelijk beeld te
vormen en naar dat beeld zijn maatregelen van tegenweer tegen den
indringer te nemen en door te voeren.
Dit alles geldt natuurlijk voor de groote oorlogvoerende landen in de
eerste plaats, maar op kleiner schaal geldt het ook voor de neutraal
gebleven staten, met name voor ons land. Men stond voor een toestand die
niet was voorzien, die niet had kunnen zijn voorzien en waarin toch,
zonder dralen, zoo goed mogelijk voorzien moest worden. Onvoorbereid
werd men geplaatst voor ongekende moeilijkheden. Niet alleen, zelfs niet
in de eerste plaats, op militair gebied. Daar kon men ten minste zijn
eerste maatregelen nemen als vrucht van jarenlange studie en
voorbereiding. Op economisch en op financieel terrein stond de groote
onbekende plotseling, zonder waarschuwing voor ons, als een dreigend
gevaar, dat hoe dan ook bezworen moest worden. Zóó was het elders; zóó
was het ook hier.
Hoe daarop in andere landen werd gereageerd, kunnen anderen beter
beoordeelen dan ik, die gedurende den tijd, waarover ik mijn
herinneringen en indrukken opschrijf, evenals alle leden der Regeering,
als het ware binnen onze grenzen gevangen zat. Ik bepaal mij dus tot ons
eigen land. De zoo onverwachts over het land gekomen oorlogstoestand,
met het vooral in de eerste weken voortdurend dreigende gevaar van in de
worsteling der volken van Europa te worden meegesleurd, werkte op de
groote menigte zooals een plotseling opkomende vrees voor dreigend
brandgevaar pleegt te werken op het publiek in een schouwburg- of
concertzaal. Er ontstond een paniek, die zich op verschillende wijze
uitte. Het sterkste bewijs dat de bevolking op een reusachtige
worsteling als daar plotseling ging beginnen, nog minder voorbereid was
dan de Regeering. Men had in de laatste jaren al zoo dikwijls gelezen
van dreigende conflicten van ernstigen aard tusschen de groote
mogendheden, die telkens vóór het tot een uitbarsting kwam, langs
diplomatieken weg waren bijgelegd. Zóó zou het ook nu wel gaan. Wèl
begreep ieder, dat na den moord op den aartshertog van Oostenrijk en
zijn gemalin en na de uiterst kras gestelde nota, welke daarop door
Oostenrijk-Hongarije tot Servië werd gericht, een oorlog tusschen die
beide landen niet kon uitblijven. Maar voor de groote menigte was en
bleef het gevaar, dat daarin voor den algemeenen vrede in Europa
schuilde, een gesloten boek. En onder hen die meer inzicht in de
onderlinge betrekkingen der groote mogendheden hadden, bleef tot het
laatste oogenblik de hoop bestaan, dat het ook nu, evenals bij den
Balkanoorlog, gelukken zou, den strijd te localiseeren.
Ik herinner mij nog levendig een gesprek, dat ik, slechts enkele dagen
vóór het uitbreken van den oorlog, had met een oud-minister, die veel
van de wereld gezien heeft, die behoort tot onze flinkste staatslieden,
dien niemand een overdreven optimist zal noemen en wiens doorzicht wordt
erkend ook door zijne politieke tegenstanders. Pratende over den
onzekeren toestand en het oorlogsgevaar, vrijwel het eenige onderwerp
van gesprek uit die dagen, beweerde die staatsman met groote
stelligheid, dat hij de verschillende berichten goed had nagegaan en
daaruit de conclusie had getrokken, dat het met den dreigenden oorlog
wel zou losloopen. Servië zou een afstraffing krijgen van
Oostenrijk-Hongarije, die niet malsch zou wezen, maar de overige
mogendheden, Rusland incluis, zouden erkennen, dat zij verdiend was. De
verdere verwikkelingen zouden in de kabinetten der diplomatieke
vertegenwoordigers en der regeeringen, in wier opdracht deze hadden te
handelen, worden afgedaan. En ik herinner mij ook, dat ik, hoewel die
beschouwing mij wat optimistisch toescheen, toch niet met een gelijke
stelligheid een donkerder getinte meening daartegenover durfde stellen.
Toch zou zulk eene somberder beoordeeling van den toestand, als zij door
mij bij die gelegenheid was geuit, door de feiten binnen slechts enkele
dagen zijn bevestigd.
Deze herinnering wordt door mij niet naar voren gehaald omdat het
gesprek op zich zelf zoo bijzonder belangwekkend was. Herhaaldelijk zal
in die dagen door den één zijn gesproken in den geest van den bedoelden
bewindsman en door een ander een meer pessimistische meening daartegen
zijn overgesteld. Ik doe er alleen hierom licht op vallen, omdat het
een gesprek gold tusschen een lid van een vorige en een lid van de aan
het bewind zijnde Regeering, dus tusschen twee personen die--indien de
gebeurtenissen elkander niet met zulk een schrikwekkende snelheid hadden
opgevolgd--beter in staat zouden zijn geweest, zich een eenigszins op
feiten gegrond oordeel te vormen, dan het gros van het belangstellend
publiek.
De lucht was in Juli 1914 zeker al lang niet helder meer, maar toch trof
het uitbreken van den Europeeschen oorlog als een donderslag. Dat de
moord in Serajewo, welk een sensatie die gebeurtenis ook in geheel de
wereld moge hebben veroorzaakt, leiden zou tot een reuzenkrijg, waarin
alle groote mogendheden van Europa zouden worden betrokken, heeft wel
niemand aanstonds vermoed. En toen zóó plotseling het ongedachte, zoo
niet onmogelijk geachte, werkelijkheid was geworden, scheen alles uit
zijn voegen geslagen.
Land- en tuinbouwers wisten niet wat er van den afzet van hun producten
worden zou; dit was in die mate het geval dat warmoezeniers hun
tomatenstruiken uitrukten en op den mesthoop wierpen en kleine boertjes
hun kippen en varkens tegen elken prijs van de hand deden. Handelaars
vreesden aan hun wisselverbintenissen niet te kunnen voldoen en riepen
om strijd met een aantal kleine neringdoenden om een moratorium als
redmiddel uit den nood. Huismoeders zagen in haar verbeelding de dagen
vóór zich, waarop zij voor hare gezinnen niet de noodige etenswaar
zouden kunnen bekomen en bestormden de kruidenierswinkels. Huisvaders
met eenig vermogen vroegen hun saldi op bij de bankiers, in wie zij tot
dusver een onbeperkt vertrouwen hadden gehad, en zochten hun heil in het
bijeenschrapen en wegbergen van zooveel mogelijk klinkende munt. Kleine
spaarders bestormden de spaarbanken.
Zóó zag het er in grove trekken in die gedenkwaardige laatste dagen van
Juli en eerste weken van Augustus 1914 uit. Ieder trachtte uit den
maalstroom, dien hij zag aankomen, te redden wat te redden viel en zeer
velen raakten daarbij hun hoofd kwijt. Het hielp niet daarover te
toornen of den staf te breken; daarmede was de toestand niet te redden.
Maar evenmin mocht men de paniek ongestoord laten voortwoekeren. Het
bloote feit dat velen onder den indruk van den schok, die gansch
Europa deed trillen, zoo geheel anders handelden dan onder
normale omstandigheden, riep toestanden in het leven, die gestuit
moesten worden. Stilzitten ware van de zijde dergenen, die de
verantwoordelijkheid droegen en de zorg hadden voor het algemeen
belang,--hetgeen toen wilde zeggen: voor den zooveel mogelijk geregelden
voortgang van het maatschappelijk leven,--onduldbaar kortzichtig zoo
niet misdadig geweest.
Of men het wilde of niet; of men het theoretisch juist achtte of niet;
of het met algemeene staatkundige denkbeelden van de regeeringspersonen
strookte of niet,--dit alles deed niet ter zake. Waar de bevolking zich
onmondig gedroeg, moest de staat plotseling voogdijstaat zijn. De
omstandigheden waren machtiger dan het individueele denken en willen der
regeeringspersonen, machtiger dan hun theoretische inzichten, machtiger
dan hun staatkundige beginselen. Om rust en orde te herstellen en
vertrouwen te geven, moest worden ingegrepen. En er werd ingegrepen.
Opmerkelijk was het, hoe het publiek in zijn toestand van opgewondenheid
en van vrees voor hetgeen over het land zou kunnen beschoren worden, op
het ingrijpen der Regeering reageerde. Terwijl in normale tijden bijna
elke inmenging van overheidswege in het economisch leven tegenzin, zoo
geen weerstand wekt in breede kringen der bevolking, werd nu de
regeeringsinmenging algemeen als een weldaad begroet. Er was haast nog
meer kracht noodig om tegenstand te bieden aan den aandrang tot verder
ingrijpen dan strikt noodzakelijk en derhalve passend en toelaatbaar
was, dan voor het voorbereiden, doorvoeren en in toepassing brengen van
de maatregelen, welke genomen moesten worden. Personen en lichamen, die
in normale omstandigheden de overtuiging hadden gekoesterd en zeker
herhaaldelijk ten beste hadden gegeven, dat de staat zich met handel en
bedrijf niet heeft af te geven en op dit gebied verknoeit, al wat hij
aanraakt, kwamen als om strijd vragen, dat toch zou worden ingegrepen en
bezwoeren de Regeering, dat er allerlei onheilen waren te duchten, als
zij met haar maatregelen niet verder ging, dan zij deed. Die aandrang
kwam niet alleen van den kleinen man en van den middenstander. Kamers
van Koophandel, groothandelaars en grootindustrieelen sloten zich
daarbij aan. In de kabinetten van verschillende ministers, met name in
die van den tijdelijken voorzitter van den Ministerraad en van den
Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, zijn in Augustus 1914
personen om regeeringsinmenging komen vragen, die het van zichzelven
vroeger onmogelijk zouden hebben geacht, dat zij ooit zulk een stap
zouden doen, en zijn gesprekken gevoerd, die in normale tijden hen, die
ze voerden, de haren zouden hebben doen te berge rijzen.
Maar gelukkig waren er onder de mannen uit de zakenwereld ook personen,
die het hoofd koel wisten te houden, en die door hun raad en bijstand de
Regeering in die moeilijke dagen krachtig hebben gesteund en aan het
land onschatbare diensten hebben bewezen. Heeft het destijds de overheid
aan den eenen kant niet ontbroken aan zenuwachtige adviezen van
overspannen gemoederen; aan den anderen kant heeft zij het groote
voorrecht gehad, te kunnen steunen op ervaren lieden uit de financieele
wereld, zoowel als uit de kringen van den groothandel en het
grootbedrijf, wier voorlichting en medewerking voor haar van onschatbare
beteekenis was. Daarnaast hebben de leiders van de verschillende
schakeeringen in de arbeidersbeweging zich beijverd verstoringen van
rust en orde te verhoeden en hebben deze vertrouwensmannen van de
arbeidersbevolking bij de maatregelen, welke meer in het bijzonder de
arbeidende klasse raakten, de Regeering krachtig bijgestaan.
Dank zij dien veelzijdigen steun en die veelzijdige medewerking is het
mogelijk geweest, het economisch leven aan den gang te houden en vrij
spoedig in niet al te abnormale banen terug te leiden; dank zij dien
steun en die medewerking zijn geweldige en gevaarlijke schokken
vermeden. Onder den overstelpenden drang der omstandigheden heeft zich
in de eerste weken van den oorlogstoestand ook de hoogere eenheid van
het volk geopenbaard; met eerbied en erkentelijkheid denkt men er aan
terug.
In de spoedvergadering van de Tweede Kamer, welke op 3 Augustus 1914
werd gehouden, kwam die eenheid treffend tot uiting. Niemand van hen,
die het voorrecht gehad hebben, die historische bijeenkomst bij te
wonen, zal haar ooit vergeten. Er heerschte een plechtige ernst, welke
door ieder werd gevoeld en dien niemand kan beschrijven. Partijschap was
vergeten. Van de rechterzijde kwam bij monde van den heer de Savornin
Lohman het woord: „Laat ons bedenken, dat alles wat naar partijdigheid
zweemt thans ter zijde moet worden gesteld. In ons leger dienen niet
partijen maar Nederlanders.
„Laat ons ons scharen om den troon, indachtig dat H. M. de Koningin
persoonlijk gezworen heeft de onafhankelijkheid van het grondgebied des
Rijks met al haar vermogen te zullen verdedigen en bewaren en dat in
Haar mond deze eed geen ijdele klanken zijn geweest.”
Voor de sociaaldemocraten sprak de heer Troelstra. In verband met de pas
voltrokken mobilisatie vermaande hij zijne partijgenooten: „Indien er
eenige Regeering in Europa is, die onschuldig is aan de verschrikkelijke
misdaad, die thans over Europa is losgelaten, dan is het--wij mogen het
met trots zeggen--wel de Regeering van ons land.
„Om deze reden mogen mijn geestverwanten, die met mij het militairisme
afkeuren, dit bedenken: zij hebben hun afkeuring te richten tegen het
stelsel, dat wij bestrijden; zij hebben hun afkeuring niet te richten
tegen deze Regeering. Zij hebben hun plicht te doen als Nederlanders
voor het groote doel, waarvoor zij zijn opgeroepen.”
Daarop volgde de heer Bos, sprekende namens de geheele vrijzinnige
linkerzijde, met een korte en gevoelvolle rede, welke hij aldus sloot:
„Wij vertrouwen, dat met een koel hoofd, rustig te midden van den storm
der tijden, Regeering en volk zich zullen handhaven: door eendracht
sterk.”
Ieder was onder den indruk. Het meest nog, toen de heer Cort van der
Linden, die het geheim bezit in plechtige oogenblikken de juiste snaar
te treffen, aan het slot van zijn korte toespraak, gehouden terstond na
het ernstige openingswoord van den voorzitter, met kalme waardigheid
verklaarde: „Wij zijn gereed en besloten onze onzijdigheid en, moet het,
ons volksbestaan te handhaven met al onze krachten. Ons voegend naar
Gods wil wachten wij vastberaden en koelbloedig af, wat de toekomst
brengt.
„De Regeering rekent op de trouwe medewerking der Staten-Generaal. Zij
heeft het vaste vertrouwen dat deze, zich verheffend boven alles wat in
gewone omstandigheden verdeelt, bezield is met de gedachte aan de
eenheid en het behoud van ons dierbaar vaderland.”
Op dat beroep op de algemeene vaderlandsliefde volgde een oogenblik van
haast hoorbare stilte....
...... und jedem Einzelnen
Wächst das Gemüth im grossen Strom der Menge.
HOOFDSTUK I.
HANDHAVING VAN ’S LANDS SOUVEREINITEIT EN NEUTRALITEIT.
§ 1. _De mobilisatie en de staat van oorlog en van beleg._
Onder de betrekkelijk weinige regeeringsmaatregelen, welke geheel
spontaan, zonder aandrang van buiten, werden genomen, neemt het
mobilisatiebesluit zeker de eerste plaats in. Toen de onweerswolken aan
den internationalen politieken hemel in de laatste dagen van Juli 1914
zóó dreigend samenpakten, dat een uitbarsting onvermijdelijk scheen,
kwam de Ministerraad dagelijks bijeen en werd ook dagelijks hetzij bij
monde van den tijdelijken voorzitter van dien Raad of van een der
andere, bij eenig onderwerp meer in het bijzonder betrokken, ministers
overleg gepleegd met H. M. de Koningin, die, toen gevaar dreigde,
terstond Haar verblijf op het Loo had onderbroken en naar Den Haag was
gekomen. Maandag 27 Juli des ochtends vroeg kwam de Koningin in de
residentie. Denzelfden dag werd voor het eerst Ministerraad gehouden tot
het beramen van maatregelen met het oog op het dreigend oorlogsgevaar.
Het resultaat van dien eersten oorlogsministerraad was het gebruik maken
van de bevoegdheid door militie- en landweerwet aan de Kroon gegeven, om
bij oorlogsgevaar het ontslag van dienstplichtigen uit den dienst bij de
militie en bij de landweer en den overgang van militieplichtigen tot de
landweer te schorsen, in afwachting van wettelijke regelingen in dien
geest, waarvoor de ontwerpen te gelijk werden vastgesteld en naar den
Raad van State verzonden. Reeds denzelfden dag werden de voorstellen van
den Ministerraad tot die maatregelen door de Koningin bekrachtigd en
onderteekend en verschenen zij in het Staatsblad. Dat was het eerste
gelui.
Die maatregelen hadden slechts een voorbereidend karakter. Financieele
offers van beteekenis brachten zij niet met zich en, mochten zij
overbodig gebleken zijn, dan zouden zij ook geen persoonlijke offers van
eenig aanbelang geëischt hebben. Zij wezen echter op het gespannen zijn
van den toestand en op de waakzaamheid der Regeering voor den afweer van
eventueele schending van grondgebied. Spoedig werden zij gevolgd door
een tweeden maatregel van wijdere strekking, maar die toch nog van
betrekkelijk weinig ingrijpenden aard was. Tusschen Maandag 27 en
Donderdag 30 Juli werd het oorlogsgevaar zooveel dreigender, dat op
laatstgenoemden dag door den Ministerraad aan de Koningin werd
voorgesteld, op grond van artikel 186 der Grondwet te verklaren: dat
oorlogsgevaar, in den zin waarin dat woord in ’s Lands wetten voorkomt,
aanwezig was; en dat gebruik gemaakt werd van de bevoegdheid aan de
Kroon bij de landweerwet gegeven, om in tijden van oorlog,
oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden de landweer
in haar geheel of bepaalde landweerafdeelingen of landweerkorpsen
onder de wapenen te roepen. Krachtens die bevoegdheid werden bij
Koninklijk besluit van dien dag de tot de landweer behoorenden,
die deel uitmaken van de landweer-grenswacht, de landweer-kustwacht
en de landweer-bewakingsdetachementen onder de wapenen geroepen. De
Koninklijke verklaring dat oorlogsgevaar aanwezig was, verscheen op 31
Juli in de Staatscourant.
Het besluit tot oproeping der grenswacht was het resultaat van een
uitvoerige beraadslaging in den Ministerraad. Niet aan de
wenschelijkheid van den door den Minister van Oorlog voorgestelden
maatregel betreffende de grensbewaking werd getwijfeld. Daarover bestond
aanstonds eenstemmigheid. Men vroeg zich echter af, of het niet noodig
was reeds terstond den definitieven stap te doen en het geheele leger te
mobiliseeren. Na het voor en tegen te hebben gewikt en gewogen, besloot
men den loop van zaken althans nog één dag aan te zien, daar, behalve in
Servië en in Oostenrijk-Hongarije, nog in geen enkel land tot
mobilisatie was overgegaan en nog met de mogelijkheid mocht worden
gerekend, dat op het laatste oogenblik de zaken een gunstige wending
zouden nemen. Het mobilisatiebesluit zou, al duurde het onder de
wapenen zijn van alle dienstplichtigen nog zoo kort, zooals de Minister
van Oorlog mededeelde, te staan komen op een uitgaaf van omstreeks ƒ 12
millioen. Zulk een uitgaaf achtte de Regeering alleen bij dringende
noodzakelijkheid verantwoord.
In dezelfde vergadering werden echter de Ministers van Oorlog en van
Marine gemachtigd, behoudens Koninklijke goedkeuring, de noodige
voorbereidende maatregelen te treffen en werd een vér strekkend besluit
genomen, waardoor de mobilisatie ook in ander opzicht werd ingeleid. Op
grond van art. 50 der Spoorwegwet werd besloten aan de Koningin te
vragen, dat de Minister van Oorlog zou worden gemachtigd het gebruik der
spoorwegen voor ’s Rijks dienst te vorderen. Die machtiging werd
denzelfden dag verleend, maar nog niet bekend gemaakt.
Vrijdagochtend (31 Juli) waren de berichten zóó onrustbarend dat, na
nieuw beraad, besloten werd tot de mobilisatie, het onder de wapenen
roepen van alle militie- en landweerplichtigen, over te gaan en tot het
nemen van de verschillende maatregelen, welke met de mobilisatie in
onafscheidelijk verband stonden, daaronder het gebruik maken door den
Minister van Oorlog van de machtiging tot vordering der spoorwegen, hem
den vorigen dag door de Kroon verleend. Het mobilisatiebesluit was het
rechtstreeksch gevolg van de telegrafische berichten omtrent den uiterst
gespannen toestand tusschen Rusland en Duitschland. In de Staatscourant
van 31 Juli verschenen de kennisgevingen van de Ministers van Oorlog en
van Marine, dat bij Koninklijk besluit van dienzelfden dag: 1º was
bevolen de niet in werkelijken dienst zijnde dienstplichtigen van het
leger, de landweer en de zeemacht van alle lichtingen _onverwijld_ onder
de wapenen te roepen, waarvoor als datum van opkomst de eerste Augustus
was aangegeven; en 2º. de Minister van Oorlog gemachtigd was, het
gebruik van alle spoorwegen te vorderen, voor zooveel hem dat gebruik
voor ’s Rijks dienst in het belang van de verdediging van het land
noodig voorkwam.
Ik behoef wel niet te zeggen, dat alle leden van de Regeering gevoelden,
welk een verantwoordelijkheid zij met die besluiten op zich namen,
besluiten, die niet alleen aan ’s Rijks schatkist op millioenen te staan
kwamen, maar die bovendien zeer diep ingrepen in het leven der
dienstplichtigen en een schromelijke belemmering zouden teweegbrengen in
het verkeer. Die verantwoordelijkheid was te grooter, omdat op het
oogenblik dat Nederland tot mobilisatie overging, met uitzondering van
Servië en Oostenrijk-Hongarije, welke landen sedert 28 Juli met elkander
in oorlog waren, nog geen enkel land dien maatregel officieel genomen
had, ook al waren er, met name in Rusland en Duitschland, reeds groote
troepenbewegingen gaande. Bij het nemen dezer zoo gewichtige beslissing
gaf den doorslag de overweging, dat indien men talmde en de grens eens
werd geschonden, vóórdat men tot afweer, voor zoover de krachten
reikten, gereed zou staan, de verantwoordelijkheid voor het niet doen
nog veel grooter zou zijn, dan die voor een daad, waarvan wel denkbaar,
maar hoogst onwaarschijnlijk was, dat zij overbodig zou blijken, doch
die door het enkele feit, dat zij plaats greep, zoowel naar binnen als
naar buiten getuigenis aflegde van den ernstigen wil der Regeering, met
de kracht waarover men beschikte, elke schending van Neerlands
grondgebied te weren. Het verdere verloop der omstandigheden heeft den
maatregel maar al te zeer gewettigd. De mobilisatie kwam geen dag te
vroeg, maar ook geen dag te laat.
De wijze waarop zij van stapel liep, ligt nog versch in ieders geheugen.
Zij was in één woord onberispelijk. Binnen drie à vier dagen was zij
geheel voltooid en zij ging in haar werk, alsof er een jaarlijksche
generale repetitie aan was voorafgegaan. De praestatie welke daarmede
door onze legerautoriteiten werd geleverd, maakte een onverdeeld
gunstigen indruk en zij heeft zeker niet nagelaten, ook bij onze
machtige naburen eerbied af te dwingen voor hetgeen hier met beperkte
middelen werd bereikt en voor het zoo volledig in orde zijn der
voorbereiding en der organisatie van het onverwijld op voet van oorlog
brengen van de geheele weermacht. Wat er ook aan onze legerorganisatie
moge ontbreken, het onderdeel daarvan dat de mobilisatie voorbereid en
uitgewerkt had, bleek puik te zijn.
Op denzelfden dag dat het mobilisatiebesluit in de Staatscourant
verscheen, werd de luitenant-generaal C. J. Snijders benoemd tot
Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht. Ik herinner mij niet meer of de
toekenning van den rang van „Generaal” aanstonds bij het besluit tot
benoeming van den Opperbevelhebber plaats vond of eenige dagen later
geschiedde. Dat is trouwens van ondergeschikte beteekenis. Voordat tot
die benoeming kon worden overgegaan, waren zaken van heel wat grooter
belang te regelen. Toen eenmaal vaststond, dat een Opperbevelhebber zou
worden benoemd, was men het over de keuze van den persoon vrijwel
terstond eens. De voordracht van den Minister van Oorlog daaromtrent gaf
nauwelijks tot eenige gedachtenwisseling aanleiding. Anders echter stond
het met de regeling van de positie, welke de Opperbevelhebber tegenover
de Regeering en inzonderheid ook tegenover de Ministers van Oorlog en
van Marine zou innemen. Het gold hier een even delicate als moeilijke
kwestie. Wordt eenmaal een Opperbevelhebber benoemd, dan moet het
legerbestuur in engeren zin geheel in zijn hand berusten en voor zijn
verantwoordelijkheid zijn. Hij mag geen gevaar loopen, dat hij bij de
opstelling of de verplaatsing van troepen inmenging zal behoeven te
dulden van het Departement van Oorlog. Ieder gevoelt de
noodzakelijkheid, dat als er met het leger gehandeld, d. w. z.
gestreden, moet worden, de leiding in één hand zij. Alleen bij zulk een
regeling is er waarborg, dat er snel en naar één leidende gedachte zal
kunnen worden opgetreden. Alleen dan is ook mogelijk, dat de
verantwoordelijkheid voor het gebruik dat van het leger wordt gemaakt en
voor de behandeling welke het daarbij ondergaat, niet wordt verdeeld en
verwaterd. Maar aan den anderen kant blijft ook in tijd van oorlog het
voorschrift van de Grondwet van kracht, dat de Koning onschendbaar is en
de ministers (tegenover de Staten-Generaal) verantwoordelijk zijn. Het
was dus niet mogelijk, de instructie van den Opperbevelhebber op te
trekken op den grondslag, dat hij eene positie zou bekleeden, waardoor
de ministerieele verantwoordelijkheid voor zijne handelingen zou worden
uitgeschakeld.
Aangezien de instructie van den Opperbevelhebber geen publiek stuk is,
mag ik niet mededeelen op welke wijze het probleem, dat hier op te
lossen viel, als resultaat van overleggingen met de Koningin en met den
heer Snijders en van besprekingen in den Ministerraad, een oplossing
vond. Ik moet er mij toe bepalen, als mijn oordeel uit te spreken, dat
de oplossing die gevonden werd, een gelukkige heeten mag. Dit neemt niet
weg, dat het enkele feit van het bestaan van een opperbevelhebberschap
voor een Minister van Oorlog moeilijkheden schept, die niet door
papieren regelingen kunnen worden overwonnen, maar alleen door tact en
wederzijdsch streven naar goede verstandhouding.
Heel wat minder hoofdbreken dan de regeling der verhouding tusschen den
Opperbevelhebber en de Regeering kostte de bepaling van zijn salaris.
Er mocht mede worden gerekend en er werd mede gerekend dat de
aanstelling tot Opperbevelhebber voor den militair die daartoe werd
uitverkoren, een onderscheiding was van de allerhoogste orde. Maar het
was niettemin duidelijk dat het opperbevelhebberschap niet als een
zuiver eereambt mocht worden aangemerkt en behandeld. Indien ons land,
onverhoopt, in den oorlog zou worden betrokken--en men mocht in het
begin van Augustus 1914 nauwlijks verwachten dat die ramp aan ons land
zou voorbijtrekken--zou op den leider van leger en vloot een zóó
buitengemeen zware verantwoordelijkheid rusten, zouden aan hem zóó hooge
eischen worden gesteld, dat het groote vertrouwen in zijn kunde en
krijgsbeleid ook in het bedrag zijner bezoldiging althans eenigszins tot
uitdrukking moest komen. Aan dezen eisch kon slechts in zeer beperkte
mate worden voldaan, daar de salarissen ook van de hoogste
staatsambtenaren in Nederland nu eenmaal niet in verhouding staan tot de
eischen, welke hun mogen en moeten worden gesteld, noch tot de
verantwoordelijkheid, die zij hebben te dragen. Doch zelfs in het licht
van deze overweging bezien, was het bedrag waarop het salaris van den
Opperbevelhebber werd bepaald, aan den bescheiden kant.
In het nauwste verband met de mobilisatie en de verschillende daaraan
aansluitende maatregelen ter verdediging van het vaderland stonden de
later bij de wet bekrachtigde Koninklijke besluiten tot het in staat van
oorlog of van beleg verklaren van enkele gedeelten des Rijks. Het eerst
werd, bij Koninklijk besluit van 5 Augustus, de staat van oorlog
afgekondigd over het gebied behoorende tot verschillende stellingen en
tot de Nieuwe Hollandsche Waterlinie en over het grondgebied rondom
enkele verdedigingswerken. Deze eerste verklaring in staat van oorlog
geschiedde voornamelijk, ten einde in de gedeelten van het Rijk, waarop
zij betrekking had, de artikelen 15 en 16 van de wet van 23 Mei 1899
(Stbl. no. 128) houdende bepalingen ter uitvoering van art. 187 der
Grondwet, toepasselijk te maken. Die artikelen regelen de bevoegdheid
van het militair gezag om in de in staat van oorlog verklaarde
landsgedeelten tegen schadeloosstelling te doen wegruimen, wat aan de
behoorlijke verdediging in den weg staat, en in gebruik te nemen, wat
voor den militairen dienst noodzakelijk is.
Heel spoedig volgde, in verband met den strijd die in België werd
gestreden en met de daaruit voortspruitende noodzakelijkheid vooral in
de Zuidelijke provincies zich op alle mogelijke eventualiteiten voor te
bereiden, bij Koninklijk besluit van 10 Augustus de staat van oorlog
voor de provincies Limburg, Noordbrabant en Zeeland en voor het gedeelte
van Gelderland bezuiden de Waal. Bij latere Koninklijke besluiten, die
telkens ingevolge art 5 der zooeven genoemde wet werden bekrachtigd,
werd de staat van oorlog nog over enkele andere landsgedeelten
uitgebreid.
De staat van beleg werd bij Koninklijk besluit van 29 Augustus
afgekondigd voor een aantal grensgemeenten in Zeeuwsch-Vlaanderen,
Noordbrabant en Limburg. Spoedig daarna, bij Koninklijk besluit van 8
September, werden de grensgemeenten langs de geheele land- en zeegrens
en daarmede ook de riviermondingen in staat van beleg verklaard. Later
werd de grensstrook, waar de staat van beleg geldt, nog eenigszins
verbreed.
Het verschil tusschen den staat van beleg en den staat van oorlog
bestaat hierin, dat de staat van beleg een verscherpte staat van oorlog
is. Bij den staat van oorlog gaat het gezag wel grootendeels van de
burgerlijke overheid op de militaire autoriteit over, maar moet toch
door deze autoriteit met de burgerlijke overheid nog overleg worden
gepleegd. Bij den staat van oorlog blijven ook het grondwettelijk recht
van vereeniging en vergadering evenals de vrijheid van drukpers en het
geheim van post en telegraaf ongerept. De staat van beleg gaat
aanmerkelijk verder. De burgerlijke besturen en de daarbij in dienst
zijnde ambtenaren zijn in de in staat van beleg verklaarde
landsgedeelten verplicht te gehoorzamen aan de bevelen van het militaire
gezag. Openbare vergaderingen worden daar, met uitzondering van openbare
godsdienstoefeningen, alleen gehouden met vergunning van de militaire
overheid. Dit gezag kan in de in staat van beleg verklaarde
landsgedeelten beperkende bepalingen vaststellen omtrent het drukken,
uitgeven, verspreiden, aanplakken of in den handel brengen van
geschriften of teekeningen, of dit geheel verbieden. Het krijgt er de
beschikking over de posterij, den telegraaf- en den telephoondienst en
is bevoegd alle stukken, aan die diensten of aan eenige andere
instelling van vervoer toevertrouwd, te openen. Het is bevoegd personen,
wier aanwezigheid voor de rust of de algemeene veiligheid gevaarlijk
wordt geacht, uit het in staat van beleg verklaarde gebied te
verwijderen en omgekeerd aan niet-militairen, die voor de verdediging
nuttig werkzaam kunnen zijn, het verlaten van het in staat van beleg
verklaarde grondgebied te verbieden. Het heeft nog andere bevoegdheden,
die ik niet alle behoef op te sommen. Uit het medegedeelde blijkt wel,
dat het militaire gezag, behoudens de door de Kroon gegeven instructiën,
in landsgedeelten die in staat van beleg zijn verklaard, oppermachtig
is.
De bijna grenzenlooze macht, waarover het militaire gezag beschikt in de
streken waar de staat van beleg geldt, moest de Regeering er wel toe
brengen, den staat van beleg alleen daar af te kondigen, waar dit ter
handhaving van de verschillende in het belang der veiligheid van den
staat gegeven voorschriften strikt noodzakelijk was. Aandrang tot
verdere uitbreiding werd dan ook meer dan eenmaal door den Ministerraad
afgewezen. Het zou wel gewenscht geweest zijn, dat bijv. eenige
kooplieden in onze handelssteden wat meer onder contrôle hadden gestaan
dan onder normale omstandigheden het geval is, maar een maatregel
waardoor, om dit te bereiken, in steden als Amsterdam en Rotterdam het
briefgeheim zoowel als de vrijheid van vereeniging en vergadering en de
vrijheid van drukpers zouden zijn opgeheven, zou toch buiten verhouding
zijn geweest tot het kwaad, dat hij moest keeren. Die maatregel werd dan
ook terecht niet genomen, al is hij meer dan eenmaal ter sprake gekomen.
Bij de vaststelling der landsgedeelten, welke in staat van oorlog of van
beleg werden verklaard, golden natuurlijk in de eerste plaats
overwegingen van zuiver militairen aard. Die overwegingen werden echter
ten aanzien van verschillende plaatsen door andere aangevuld. Sommige
gemeenten werden in staat van beleg verklaard ter wille van het
tegengaan van ontvluchting van geïnterneerden; andere om wederzijdsche
bespionneering van oorlogvoerenden door agenten van den vijand met beter
gevolg te kunnen beletten. Bij het in staat van beleg verklaren van een
zoom langs de grenzen sprak ook de noodzakelijkheid eener ernstige
bestrijding van den smokkelhandel, inzonderheid van de ontduiking der
uitvoerverboden, een krachtig woord mede. Het stond niet zoo aanstonds
vast, dat de staat van oorlog en de staat van beleg mede tot dit doel
mochten worden gebezigd; daarover is dan ook in den Ministerraad meer
dan eenmaal van gedachten gewisseld. Voor mij is het niet twijfelachtig
geweest, dat deze middelen ter handhaving van de veiligheid wel degelijk
ook gebezigd mochten worden om het illusoir maken van uitvoerverboden te
voorkomen, al ontken ik niet, dat men bij de vaststelling van art. 187
der Grondwet en van de wet op den staat van oorlog en van beleg, welke
ter uitvoering van dat grondwetsartikel werd gemaakt, meer in het
bijzonder aan rechtstreeksch gevaar door vijandelijke invallen heeft
gedacht. Men moet er toch van uitgaan, dat de uitvoerverboden ten doel
hadden en hebben krijgsbenoodigdheden, levensmiddelen en grondstoffen
binnen ’s lands grenzen te houden, voor zoover zij geheel of ten deele
voor de verdediging van het land of voor de voeding, kleeding of
huisvesting van de bevolking in het land behooren te blijven of zonder
gevaar van weder-uitvoer moeten kunnen worden ingevoerd. Over de
uitvoerverboden zelve en de overwegingen, welke bij het stellen daarvan
hebben gegolden, spreek ik in het volgende hoofdstuk.
Wanneer echter vaststaat, dat zij--zooals te gelegener plaatse nader zal
worden aangetoond--geen ander doel hebben dan zooeven werd aangegeven,
is het toch wel duidelijk dat het overtreden daarvan niet alleen
indirect maar ook rechtstreeks de veiligheid van den staat in gevaar kan
brengen. Aan smokkelarij volledig den kop indrukken, is onder zoo
abnormale toestanden als waaronder men sedert het uitbreken van den
oorlog leeft, minder dan ooit te denken. De prijsverschillen aan deze en
aan gene zijde van de grens waren en zijn ten aanzien van een aantal
artikelen zóó buitensporig groot, dat de verleiding om daarvan te
profiteeren niet alleen in het klein voor een aantal grensbewoners, maar
ook in het groot voor helaas maar al te veel kooplieden te sterk is
geweest. Indien nu de Regeering er niet voor zorgt, dat kwaad binnen zoo
eng mogelijke grenzen te beperken, krijgt het afmetingen, welke gevaren
van verschillenden aard kunnen in het leven roepen. Wordt er gesmokkeld
met het over de grenzen voeren van ten uitvoer verboden
krijgsbenoodigdheden of grondstoffen daarvoor, dan ligt het gevaar dat
dit voor de veiligheid hebben kan, voor de hand. Maar ook het uitvoeren
van levensmiddelen kan die veiligheid ernstig schaden; men behoeft dit
thans wel niet in den breede te betoogen, nu, ondanks de
uitvoerverboden, de prijzen van sommige levensmiddelen tijdelijk
zoozeer zijn gestegen, dat zij voor bescheiden beurzen onbereikbaar zijn
geworden. Betreft het uitvoerverbod goederen, die hier niet worden
voortgebracht en moeten worden ingevoerd en die van elders alleen kunnen
worden verkregen, indien aan een der belligerente partijen door den
importeur gegarandeerd wordt, dat hetgeen zij naar Nederland doorlaat,
uitsluitend voor binnenlandsch verbruik is bestemd en zal worden
gebezigd, dan brengt de goede trouw mede, dat de Regeering, welke van
zulke garanties niet onkundig is, er naar vermogen toe medewerkt, om te
voorkomen, dat zij worden geschonden en door de mogendheid, aan welke
zij werden gegeven, als niet ernstig bedoeld zouden kunnen worden
aangemerkt. Langs dezen weg kan het ontduiken van uitvoerverboden,
wanneer het overschrijdt wat men het onvermijdelijk minimum zou kunnen
noemen, ook gevaarlijk worden voor ’s lands neutraliteit. Afkondiging
van den staat van oorlog of van beleg, mede als middel om de smokkelarij
binnen de perken van dat onvermijdelijk minimum te houden, was dan ook,
naar mijne stellige overtuiging, geheel in overeenstemming met het
desbetreffende artikel van de Grondwet en de ter uitvoering daarvan
afgekondigde wet.
Ter loops merk ik op, dat de officieele kennisgeving, in een onbewaakt
oogenblik door het legerbestuur gedaan, als zou het ontduiken van
uitvoerverboden wel verkeerd zijn, maar met de handhaving der
neutraliteit niet te maken hebben, in elk opzicht beter achterwege ware
gebleven. De opvatting waarvan het legerbestuur in die kennisgeving
blijk gaf, was niet alleen niet zeer gelukkig; de legerautoriteit begaf
zich, afgezien van de innerlijke waarde harer meening, door daarvan
openlijk kond te doen, bovendien op een terrein, dat niet des
legerbestuurs is.
§ 2. _De neutraliteit ter zee._
De tot nog toe besproken maatregelen hadden in de eerste plaats de
verdediging tegen gevaren, welke van de landzijde konden dreigen, op het
oog. Het spreekt echter wel van zelf, dat ook aan de verdediging van de
kust en aan het tegengaan van mogelijke gevaren, die van de zeezijde
zouden kunnen rijzen, terstond de noodige aandacht werd geschonken.
Een der eerste maatregelen daartoe was het afsluiten van de doorgangen
tusschen de eilanden boven de Zuiderzee door mijnversperringen, het
dooven van de voor de verdediging aan de zeezijde ongewenschte
kustlichten en het leggen van oorlogsbetonning ook op de Schelde. Bij
dit laatste diende er rekening mede te worden gehouden, dat volgens het
tractaat van 1839, in verband met de akte van het Weenercongres van
1814, de vrije vaart op deze rivier voor handelsschepen openblijven
moest. Er werd dan ook een vaargeul opengelaten. Aangezien uit den aard
der zaak alleen Nederlandsche loodsen met de ligging der Nederlandsche
mijnen werden bekend gemaakt, had deze verdedigingsmaatregel ten
gevolge, dat de vaart op de Schelde gedurende den oorlogstijd, voor
zoover het Nederlandsch gebied betreft, niet langer met Belgische
loodsen mogelijk was. De maatregel gaf spoedig aanleiding tot een
betreurenswaardig ongeval. Den 7den Augustus 1914 liep een Noorsch schip
in de Schelde op een Nederlandsche mijn. Aangezien er een Nederlandsche
loods aan boord was, toen het ongeval geschiedde, erkende onze Regeering
terstond hare aansprakelijkheid en gaf zij aan Noorwegen haar leedwezen
over het gebeurde te kennen. De toegebrachte schade werd aan de Noorsche
reederij vergoed. Dit ongeval noopte de loodsen en schippers, voortaan
bij de vaart op de Schelde met meer omzichtigheid te werk te gaan. Zij
wisten nu, dat de Nederlandsche mijnen, zooals een onzer
marine-officieren het uitdrukte, niet met stopverf waren gevuld.
Een tweede maatregel op maritiem gebied, waartoe op voorstel van den
Minister van Marine reeds op 30 Juli werd besloten, was de wijziging van
het Koninklijk besluit van 30 October 1909, bepalende dat--behoudens
enkele met name genoemde uitzonderingen--het aan oorlogsschepen van
vreemde mogendheden toegestaan is, zich van uit zee in de Nederlandsche
territoriale wateren en het daarbinnen gelegen Nederlandsch watergebied
te begeven, mits zulks geschiede, om, langs den kortsten weg en met
inachtneming van eenige in het Koninklijk besluit gestelde
voorschriften, de meest nabij de zee gelegen reede of haven te bereiken,
ten einde aldaar te ankeren en mits hun aantal, met inbegrip der reeds
binnen het Nederlandsche rechtsgebied onder dezelfde vlag aanwezige
oorlogsschepen, niet meer dan drie bedraagt.