Toen nu de koningsdochter begreep, dat haar vader's gedachten niet te

keeren waren, is zij in den nacht opgestaan, terwijl alles sliep; en

van hare kostbaarheden nam zij drieërlei: een gouden ring, een gouden

spinnewieltje, en een gouden haspeltje. De drie kleedjes als zon,

maan en sterren, borg zij in een notenschaal, trok den bonten mantel

aan, en maakte haar gezicht en handen zwart, met roet. En zij heeft

God aangeroepen en is toen heêngegaan, zij liep den ganschen nacht,

tot zij in een groot bosch kwam. Zij was zoo moê, en toen zette zij

zich in een hollen boom en sliep in.

Zij sliep nog altijd, toen het al ver in den dag was. Nu gebeurde

het, dat de koning wien dit bosch behoorde, er in op jacht was, en

zijn honden kwamen bij den boom, en snuffelden, liepen er rondom en

blaften. Toen sprak de koning tot de jagers: »ga toch eens zien, wat

voor wild zich daar schuil houdt.« De jagers gingen en kwamen weêr

terug en zij spraken: »in den hollen boom ligt een wonderlijk dier;

wij kennen het niet, en hebben er nooit zoo een gezien. Zijn huid

heeft duizenderlei pels, het ligt te slapen.« Toen sprak de koning

weêr: »Probeer het levend te vangen, en bindt het vast op den wagen

en neemt het meê.« Toen de jagers het meisje aanpakten, ontwaakte zij

en zij was verschrikt, en riep: »ik ben een arm kind door vader en

moeder verlaten, heb medelijden en neem mij meê!« Toen zeiden zij:

»Albontje, je bent goed voor de keuken, ga maar meê dan kun je de

asch bijvegen.« En zij zetten haar op de wagen en brachten haar naar

het koninklijk slot. Daar wezen zij haar een hokje onder de trap,

waar geen daglicht binnen kwam, en zij zeiden: »pelsdiertje, daar

kun je wonen en slapen!« Toen zonden zij haar naar de keuken en zij

moest hout en water dragen, het vuur oppoken, de hoenders plukken,

de groenten schoonmaken, de asch vegen, en al het mindere werk doen.

Daar leefde Albontje een tijd heel ellendig. Ach, schoone

koningsdochter, wat moet er nog van u worden!--Eens gebeurde het, dat

er feest gevierd werd in het slot; toen zeide zij tot den kok: »mag

ik eens naar boven gaan en kijken? ik zal achter de deur gaan staan.«

»Ja, ga dan maar!« zei de kok, »maar binnen een half uur moet je terug

zijn, om de asch op te vegen.« Zij nam haar olielampje en ging naar

haar hokje, en zij trok den pelsmantel uit, en zij wiesch zich het roet

van haar gezicht en handen, dat haar schoonheid te voorschijn kwam,

niet anders dan de helle zon uit de zwarte wolken verschijnt. Toen

maakte zij de noot open, en haalde het kleed er uit dat gulden was als

de zon. En toen dat gebeurd was, ging zij op naar het feest, en allen

gingen haar uit den weg, want niemand kende haar, en zij meenden,

dat zij een koningsdochter was. Maar de koning kwam haar te gemoet,

en reikte haar de hand en hij danste met haar en daarbij dacht hij:

»Zulk een schoone vrouw hebben mijn oogen nog niet gezien.« En toen

de dans gedaan was, neigde zij, en was op eens verdwenen, niemand

wist waarheên. De wachten werden geroepen, die voor het slot stonden,

maar zij hadden niets gezien. Zij was echter naar haar hokje gegaan,

en had gauw haar kleed uitgetrokken, gezicht en handen zwart gemaakt,

en den pelsmantel omgedaan, en nu was zij weêr »Albontje.« Toen zij

nu in de keuken kwam en aan haar werk wilde gaan, en de asch opvegen,

zeî de kok »wacht daar maar meê tot morgen, en kook eerst de soep voor

den koning; ik wil ook eens boven gaan kijken. Maar laat geen haar in

de soep vallen, of ik geef je niet meer te eten.« De kok ging weg,

en Albontje kookte soep voor den koning, zij kookte een broodsoep

zoo goed zij kon, en toen zij die klaar had haalde zij uit haar

hokje den gouden ring en legde dien in den schotel, waarin de soep

was aangerecht. Toen de dans gedaan was, liet de koning zich de soep

brengen en at ze, en zij smaakte hem zóó goed, dat hij geloofde nooit

smakelijker soep gegeten te hebben. Maar toen hij op den bodem van het

bord kwam, zag hij daarop een gouden ring liggen, en kon niet begrijpen

hoe die in de soep gekomen was. Hij gaf bevel, dat de kok vóór hem zou

komen. De kok schrikte, en zei tegen Albontje: »je hebt zeker een haar

in de soep laten vallen; als dát waar is, krijg je slaag!« Toen hij

bij den koning kwam, vroeg die, wie de soep gekookt had. »Ik heb ze

gekookt,« antwoordde de kok. Maar de koning sprak: »dat is niet waar,

want ze was anders en beter gekookt dan gewoonlijk.« Toen zei de kok:

»ik moet bekennen dat ik ze niet gekookt heb, maar het pelsdiertje.«

»Ga,« zei de koning toen, »en laat haar hier komen!« Toen Albontje

kwam, zei de koning: »wie zijt ge?« »Ik ben een arm kind, van vader en

moeder verlaten,« antwoordde zij. En de koning vroeg verder: »waarom

zijt ge in mijn slot?« en zij antwoordde weêr: »om met de laarzen naar

het hoofd gegooid te worden, daar ben ik alleen maar goed voor!« En

weêr vroeg de koning: »vanwaar was de ring, dien ik in de soep vond?«

En zij antwoordde: »van den ring weet ik niets.« Dus kon de koning

niet achter de waarheid komen, en moest haar weêr wegzenden.

Na een poosje was er weêr een feest, en Albontje vroeg den kok of

zij wel weêr zou mogen kijken. »Ja,« zei hij, »maar kom over een

half uur terug, en kook dan voor den koning de broodsoep, die hij

zoo graag eet.« Zij liep toen naar haar hokje, en wiesch zich vlug,

en nam uit de noot het kleedje, dat zilver was als de maan en trok

het aan. En zij ging als een koningsdochter naar boven en de koning

trad haar te gemoet, en verheugde zich, dat hij haar weêrzag, en daar

juist de dans begon, dansten zij samen.

Maar toen de dans gedaan was, verdween zij weer even vlug, zoodat de

koning niet kon bemerken, wat er van haar geworden was. Zij liep gauw

naar haar hokje, en maakte zich weer tot een pelsdiertje, en toen ging

zij naar de keuken om de broodsoep te koken. Terwijl de kok boven was,

haalde zij het gouden spinnewieltje, en legde het in de schaal en de

soep goot zij er over heen. De koning kreeg de soep en at ze, en zij

smaakte hem zoo goed als de vorige keer, en hij liet den kok komen,

en die moest weer bekennen, dat Albontje ze gekookt had. Albontje

kwam toen weer voor den koning, maar zij antwoordde, dat zij alléén

maar goed was om met de laarzen naar het hoofd gegooid te worden,

en dat zij van het gouden spinnewieltje niets afwist.

Toen de koning ten derden male een feest gaf, ging het niet anders

dan de vorige keeren.

Wèl zei de kok nu: »je bent een heks, pelsdiertje, want je doet

iedere keer wat in de soep waar ze zoo lekker van wordt, en de koning

beter smaakt, dan wanneer ik ze gekookt heb;« maar zij vroeg het

zoo dringend, dat hij haar ook deze keer weer liet gaan. Nu trok zij

het kleed aan, dat als de sterren glansde, en trad daarmee de zaal

binnen. De koning danste weer met de schoone jonkvrouw, en geloofde,

dat zij nog nooit zoo mooi was geweest. En terwijl hij met haar

danste, stak hij haar zonder dat zij het merkte een gouden ring aan

den vinger, en hij had bevolen, dat de dans heel lang zoude duren. En

toen die geëindigd was, wilde hij haar aan haar handen vasthouden,

maar zij trok zich los, en sprong zoo vlug tusschen de menschen door,

dat zij uit zijn oogen verdwenen was. Zij liep zoo gauw zij kon naar

haar hokje onder de trap; maar zij was over het half uur weggebleven,

en kon haar mooie kleed niet meer uittrekken, daarom sloeg zij er den

pelsmantel maar overheen; en in de haast heeft zij ook het roet niet

overal goed kunnen aanbrengen, en één vinger bleef blank. Albontje ging

nu naar de keuken, en kookte voor den koning de broodsoep, en toen de

kok weg was, legde zij het gouden haspeltje er in. Toen de koning het

haspeltje op den bodem vond, liet hij Albontje weer roepen; en hij

zag den blanken vinger, en den ring, die hij onder den dans er aan

had gestoken. Toen greep hij haar bij de hand, en hield die vast, en

toen zij zich wilde lostrekken, en wegloopen, viel de pelsmantel open

en het sterrenkleed schitterde er tusschen door. Toen trok de koning

den mantel af, en de gouden haren, en het prachtige gewaad kwamen te

voorschijn. Nu kon zij zich niet meer verbergen en zij veegde de asch

en het roet van haar gezicht; toen was zij de schoonste koningsdochter,

die ooit op de aarde te zien is geweest. Maar de koning sprak: »Gij

zijt mijn lieve bruid, en wij scheiden nimmermeer!« Er werd bruiloft

gevierd, en zij leefden vergenoegd tot aan hun dood.

LXVI.

HAZEBRUIDJE.

Er woonde eens een vrouw met haar dochter in een mooien tuin met

kool. De vrouw zegt tegen de dochter: »ga naar buiten en jaag 't haasje

weg.« »Ksj-ksj!« zegt het meisje tegen 't haasje, »je eet nog al de

kool op!« »Kom meisje,« zegt 't haasje: »ga op mijn hazestaartje

zitten en kom mee naar mijn hazehutje!« 't Meisje wil niet. Den

volgenden dag komt het haasje weer en eet van de kool. Toen zegt

de vrouw tegen de dochter: »ga naar buiten en jaag 't haasje weg!«

»Ksj-ksj,« zegt het meisje tegen 't haasje, »je eet nog al de kool op!«

»Kom meisje,« zegt 't haasje, »zit op mijn hazestaartje en ga mee

naar mijn hazehutje!« 't Meisje wil niet. Den derden dag komt 't

haasje weer en eet van de kool. Toen zegt de vrouw tegen de dochter:

»ga naar buiten en jaag 't haasje weg!« »Ksj-ksj.« zegt het meisje

tegen 't haasje, »je eet nog al de kool op.« »Kom meisje,« zegt 't

haasje: »zit op mijn hazestaartje, en ga mee naar mijn hazehutje.«

't Meisje ging toen zitten op 't hazestaartje, en het haasje bracht

haar heel ver weg, naar zijn hutje. »Kook nu kool en gerstebrij,«

zegt 't haasje, »dan zal ik de bruiloftsgasten nooden.« Toen kwamen

al de bruiloftsgasten tegelijk. (Wie waren de bruiloftsgasten? dat

kan ik je vertellen, zooals een ander het mij verteld heeft. Het waren

allemaal hazen; en de kraai was er bij als priester om het bruidspaar

te trouwen, en de vos was er bij als koster, en het altaar was onder

den regenboog.)

Maar het meisje was treurig toen ze nu alleen was. Het haasje komt, en

zegt: »doe open, doe open, de bruiloftsgasten zijn lastig!« De bruid

zegt niets, en ze huilt. Haasje gaat weg, haasje komt terug en zegt:

»doe open, doe open! de gasten hebben honger!« De bruid zegt weêr

niets, en ze huilt. Haasje gaat weg, haasje komt terug: »doe open,

doe open! de gasten wachten!« De bruid zegt niets en haasje gaat

weg; maar ze maakt een pop van stroo, trekt die haar kleêren aan,

en ze geeft ze een potlepel in de hand. Toen zet ze haar bij de pan

met breî en ze loopt weg naar haar moeder. Haasje komt nog eens, en

zegt: »doe open, doe open!« en hij doet open, en smijt de pop naar

haar hoofd, dat haar muts afvalt.

Nu ziet haasje, dat zijn bruid weg is, en hij gaat ook weg en is

treurig.

LXVII.

DE TWAALF JAGERS.

Er was eens een koningszoon; hij had eene bruid en had haar zéér

lief. Toen hij nu bij haar zat, en heel vergenoegd was, kwam het

bericht, dat zijn vader doodziek lag en hem vóór het einde nog wenschte

te zien. Toen sprak de prins tot zijn liefste: »ik moet nu heêngaan, ik

moet je verlaten; nu geef ik je een ring tot aandenken. Als ik koning

ben, kom ik terug en haal je thuis als mijn bruid.« Hij reed nu weg,

en toen hij bij zijn vader kwam vond hij hem den dood nabij. «Liefste

zoon,« zei de oude koning, »ik heb je voor mijn dood nog eens willen

zien, beloof mij, dat je een vrouw zult nemen naar mijn wensch.» En

hij noemde eene prinses, die de prins zou trouwen. De zoon was zóó

bedroefd, dat hij er in 't geheel niet met zijn gedachten bij was, en

hij zeide: »ja, lieve vader, zooals het uw wil is, zal het gebeuren.»

Toen sloot de koning de oogen en stierf.

Toen nu de prins tot koning was uitgeroepen, en de rouwtijd voorbij

was, moest hij de belofte houden, die hij zijn vader had gedaan; hij

liet om de konings- dochter vragen en zij werd hem ook toegezegd. Dat

hoorde zijn eerste bruid, en zij leed zóózeer onder zijn ontrouw,

dat zij bijna verging. Toen sprak haar vader tot haar: »Mijn lief

kind waarom ben je zoo treurig? wat je wenscht zal toch immers

gebeuren?« Zij bedacht zich een oogenblik, toen zeide zij: »lieve

vader, ik zou een meisje wenschen, volkomen aan mij gelijk in gelaat,

en gestalte en gang.« »Als het mogelijk is wordt die wensch vervuld,«

zei de koning, en hij liet zijn geheele rijk zóó lang doorzoeken,

tot er elf jonkvrouwen gevonden waren, zijn dochter volkomen gelijk

in gelaat, gestalte en gang. Toen die nu bij de prinses kwamen,

bestelde zij kleeding voor twaalf jagers; alles volkomen gelijk;

en de elf jonkvrouwen moesten die elf jagerspakken aantrekken; zij

zelve trok het twaalfde aan. Toen nam zij afscheid van haar vader,

en reed met hen weg; en zij reden naar het hof van haar vroegeren

bruidegom, dien zij zéér lief had. Daar liet zij aanvragen of hij

jagers noodig had en of hij haar dan niet alle te zamen in zijn

dienst wilde nemen. De koning zag haar aan en herkende haar niet,

maar omdat het knappe menschen waren zeide hij, dat hij ze gaarne

nemen wilde. En nu waren zij de twaalf jagers des konings.

De koning had een leeuw, dat was een wonderlijk dier, hij wist alles

wat geheim en verborgen was. En op een avond sprak hij tot den koning

»Ge gelooft, dat ge twaalf jagers hebt?« »Ja,« zei de koning, »het zijn

twaalf jagers.« »Ge dwaalt,« zei de leeuw, »het zijn twaalf meisjes!«

»Dat is niet waar!« zei de koning, »hoe kun je dat bewijzen.« »O,

laat maar eens erwten strooien in de voorzaal,« zei de leeuw, »dan

zult ge het dadelijk zien. Mannen hebben een vasten tred; als ze over

erwten loopen beweegt er geen een van; maar meisjes, die trippelen

en trappelen en schuifelen, en de erwten rollen.« Dien raad beviel

den koning wel, en hij liet de erwten strooien.

Maar de koning had een dienaar, die goed stond met de jagers, en toen

die hoorde, dat er een proef met hen zou worden gedaan is hij tot

haar gegaan, en heeft haar alles verteld, en hij zeide: »de leeuw

wil den koning wijs maken, dat ge meisjes zijt.« Toen dankte hem de

koningsdochter, en zij zeide tot haar jonkvrouwen: »Bedwing je, en trap

met vasten stap op de erwten.« Toen nu de koning den volgenden morgen

de twaalf jagers bij zich liet roepen, en zij door de voorzaal moesten,

waar de erwten lagen, hebben zij er over geloopen met vasten tred, en

zóó krachtig en zeker was hun stap, dat er niet een enkele wegrolde

of bewoog. Toen zij weer weg waren gegaan sprak de koning tot den

leeuw: »Je hebt mij bedrogen, zij loopen als mannen.« Maar de leeuw

antwoordde: »zij hebben 't geweten, dat zij beproefd zouden worden,

en zij hebben zich bedwongen. Laat nu eens twaalf spinnewieltjes in

het voorvertrek brengen; zij zullen er naar toe loopen, en er pleizier

in hebben, dat doet geen man.« De raad beviel de koning en hij liet

de spinnewielen in het voorvertrek neerzetten.

Maar de dienaar, die het goed met de jagers meende, ging heen,

en ontdekte toen den aanslag. En de koningsdochter zei tot de elf

meisjes toen zij alleen waren: »Bedwing je en zie niet om naar de

spinnewielen!« Toen men den volgenden morgen de koning zijn twaalf

jagers liet roepen, kwamen zij door het voorvertrek en keken niet

naar de spinnewielen. Weer zei toen de koning tot den leeuw: »Ge hebt

gelogen: het zijn mannen, want zij hebben niet naar de spinnewielen

gekeken.« De leeuw zeide: »zij hebben 't geweten, dat zij beproefd

zouden worden en zij hebben zich bedwongen.« Maar de koning wilde

den leeuw niet meer gelooven.

De twaalf jagers volgden steeds den koning ter jacht, want zij werden

hem hoe langer hoe liever. Nu gebeurde het, toen zij eens op de

jacht waren, dat het bericht kwam, dat 's koning's bruid in aantocht

was. Toen de echte bruid dat hoorde leed zij zoo groote smart, dat

het hart haar stilstond, en zij viel in onmacht ter aarde. De koning

meende, dat zijn lieve jager iets overkomen was, hij liep naar hem

toe en wilde hem helpen, en hij trok hem zijn handschoen uit. Daar

zag hij den ring, dien hij zijn eerste bruid gegeven had, en toen hij

haar goed aankeek herkende hij haar. Toen werd zijn hart zoo geroerd,

dat hij haar kuste, en toen zij de oogen opsloeg, sprak hij: »gij zijt

mijn, en ik ben dijn, en niemand ter wereld kan dat veranderen.« Maar

naar de andere bruid zond hij een bode, en hij liet haar verzoeken

naar haar rijk terug te keeren, want hij had al een vrouw, »en wie

een oude sleutel heeft teruggevonden, kan de nieuwe missen.« Toen

werd de bruiloft gevierd en de leeuw kwam weer in gunst, omdat hij

toch de waarheid gezegd had.

LXVIII.

DE GAUWDIEF EN ZIJN MEESTER.

Jan wou zijn zoon een handwerk laten leeren; toen ging Jan naar de

kerk en bad onzen Lieve Heer, wat Hem wel het beste leek voor zijn

zoon. De koster stond achter het altaar en zei: »het gauwdieven,

het gauwdieven!« Toen ging Jan met zijn zoon op de zoek van een man,

die verstand had van gauwdieven. Zij liepen een heelen tijd tot zij

in zoo'n groot bosch kwamen; daar stond een klein huisje met een oude

vrouw er in. »Weet je een man die verstand heeft van gauwdieven?«

zei Jan.

»Dat kun je hier wel leeren,« zei de vrouw, »mijn zoon is er

meester in.« Toen sprak Jan met den zoon, of hij wel heel knap was

in 't gauwdieven. De gauwdiefmeester zei: »ik wil het je zoon wel

leeren. Kom over een jaar maar terug; als je dan je zoon nog kent,

wil ik in 't geheel geen leergeld hebben, en ken je hem niet, dan

kun je mij tweehonderd rijksdaalders geven.«

De vader gaat weer naar huis, en de zoon leert goed heksen en

gauwdieven. Als het jaar om is, loopt de vader te grienen, hoe hij

het klaar moet spelen om zijn zoon te kennen. Toen hij nu zoo loopt te

grienen komt hem zoo'n klein manneke tegen, dat zei: »man wat grien je,

ben je zoo bedroeft?» »O,« zei Jan, »ik heb mijn zoon voor een jaar

bij een gauwdiefmeester in de leer gedaan, en die heeft mij gezegd,

dat ik over een jaar terug moet komen, en als ik dan mijn zoon niet

ken, zou ik hem tweehonderd rijksdaalders geven, en als ik hem ken,

hoef ik niks te geven. Nu ben ik zoo bang, dat ik hem niet ken, en

dan weet ik niet waar ik het geld vandaan moet halen.« Toen zei het

manneke, hij zou een korstje brood meenemen, en onder den schoorsteen

gaan staan: »daar staat een mandje, daar kijkt een vogeltje uit,

en dat is je zoon.«

Toen gaat Jan heen, en gooit een korstje rogge-brood voor het

mandje. Het vogeltje komt er uit en kijkt naar het brood. »Héla! mijn

zoon, ben jij; daar?« zegt de vader. Maar de leermeester zei: »dat

heeft je de duivel ingegeven, hoe kun je anders je zoon kennen?«

»Vader laat ons gaan,« zegt de jongen.

De vader gaat met zijn zoon weer naar huis. Onderweg komt er een koets

aangereden. De zoon zegt tegen zijn vader: »Nu zal ik een groote

hazewind worden, dan kun je veel geld met mij verdienen.« De heer

uit de koets roept: »man, wil je dien hond verkoopen?« »Ja,« zegt de

vader. »Hoeveel geld moet je er voor hebben?« »Dertig rijksdaalders.«

»Nou, dat is veel! maar omdat het zoo'n deksels mooi dier is zal ik

hem nemen.« De heer neemt den hond in de koets. Als zij een eindje

zijn doorgereden, springt de hond uit de koets door het glas, en toen

was hij geen hazewind meer, en hij kwam weer bij zijn vader.

Zij gingen toen samen naar huis. Den volgenden dag is er in het naaste

dorp markt. Toen zegt de jongen tegen zijn vader: »ik zal mij in een

mooi paard veranderen, dan moet je mij verkoopen; maar als je mij

verkoopt dan moet je mij eerst den toom af doen, anders kan ik geen

mensch meer worden.« De vader gaat met het paard naar de markt. Daar

komt de gauwdiefmeester en koopt het paard voor honderd rijksdaalders;

en de vader is 't vergeten en doet hem den toom niet af. De man gaat

met het paard naar huis, en brengt het in den stal. Als de meid over

den deel komt, zegt het paard: »doe den toom af, doe den toom af!«

De meid blijft staan luisteren: »wat! kan jij praten?» en ze gaat

heen en doet hem den toom af, toen werd het paard een musch, en

die vliegt boven over de deur weg, en de gauwdiefmeester wordt ook

een musch en vliegt hem achterna. Ze komen bij elkaar, en vechten,

maar de meester verspeelt het, en hij gaat in 't water en wordt een

visch. Toen werd de jongen ook een visch, en gaat ook in 't water, en

ze vechten weer, tot de meester het verspeelt. Toen werd de meester

een kip, en de jongen een vos, en hij bijt den meester den kop af;

toen is hij gestorven, en hij ligt dood tot op den huidigen dag.

LXIX.

JORINDE EN JORINGEL.

Er was eens een oud kasteel, midden in een groot dicht woud,

daar woonde een oude vrouw heel alleen, en die vrouw was een

aartstooverkol. Over dag was ze een uil en 's avonds kreeg zij weer

haar gewone menschelijke gedaante. Zij kon het wild en de vogels

lokken, en dan slachtte en kookte zij hen, en at ze op. Als iemand

tot op honderd pas van het slot gekomen was, moest hij stil staan,

en kon niet van die plaats komen, tot zij hem vrijsprak. Maar als

een reine jonkvrouw binnen dien kring kwam, veranderde zij die in

een vogel en sloot haar dan in een mand en droeg die mand naar een

kamer van het slot. Zij had wel zeven duizend van zulke mandjes met

die zeldzame vogels, in het slot.

Nu was er eens een jonkvrouw, die heette Jorinde; zij was schooner

dan alle andere meisjes, en zij en een schoon jongeling, Joringel,

hadden zich verloofd. Zij waren in de bruidsdagen, en zij hadden

groote vreugde in elkaar. Om nu eens vertrouwelijk te kunnen spreken,

gingen zij te zamen in het woud. »Pas op,« zeide Joringel, »dat je

niet te dicht bij het slot komt.« Het was een mooie avond: de zon

scheen licht tusschen de stammen op het donkere groen van het loof,

en de tortelduif koerde klagelijk op de oude meibeuken.

Jorinde schreide, en zette zich in den zonneschijn en weeklaagde. En

Joringel weeklaagde ook; zij voelden zich zoo verward alsof zij

sterven moesten. Zij keken om zich, waren verdwaald, en wisten niet

naar huis te komen. Half stond de zon nog boven den berg, half was

zij onder. Joringel blikte door de struiken, en zag den oude slotmuur

dicht bij zich; hij schrikte en werd doodsbang.

Jorinde zong:

»Mijn vogeltje met ringetje rood,

»Zingt droef, droef, droef!

»Het zingt voor 't duifje, zingt zijn dood,

»Zingt droef, droef, ti-uut, ti-uut.«

Joringel keek naar Jorinde. Jorinde was veranderd in een nachtegaal

die zong »ti-uut, ti-uut.« Een uil met gloeiende oogen, vloog driemaal

om haar heen, en krijschte driemaal »hoe-oe-oe!«

Sprookjes: Tweede verzameling · 第 11 / 12 段