Joringel kon zich niet bewegen; hij stond daar als een steen, hij

kon niet schreien, niet spreken, hand noch voet verroeren. Nu was

de zon onder. De uil vloog in een struik, en dadelijk daarna kwam

een oude kromme vrouw uit die struik te voorschijn: geel en mager,

groote roode oogen, en een kromme neus, die met de punt de kin

aanraakte. Zij mompelde en ving den nachtegaal en droeg dien op de

hand weg. Joringel kon niets zeggen, niet van de plaats komen; de

nachtegaal was weg. Eindelijk kwam de vrouw terug en ze sprak met

een doffe stem: »gegroet Zachiël, als de deern in de korf steekt,

bind los, Zachiël, te rechtertijd!« Toen was Joringel los; hij viel

voor de vrouw op de knieën en smeekte, dat zij hem zijn Jorinde

zou terug geven; maar zij zeide, dat hij haar nooit terug kreeg,

en toen ging zij weg. Hij riep en schreide, en jammerde, maar alles

vergeefs. »Ach, wat moet mij gebeuren!« Joringel ging heen, en liep,

en kwam eindelijk in een vreemd dorp. Daar heeft hij langen tijd

de schapen gehoed. Dikwijls liep hij rond het slot, maar niet te

dicht er bij. Toen heeft hij eens 's nachts gedroomd, dat hij een

bloedroode bloem vond, in het midden was een mooie groote parel. De

bloem heeft hij afgeplukt en is er mee naar het slot gegaan. Alles wat

hij aanraakte met die bloem, was verlost van tooverij. Ook droomde hij,

dat hij door die bloem zijn Jorinde terug kreeg. 's Morgens toen hij

wakker werd, is hij gaan zoeken, en doorzocht berg en dal of hij zulk

een bloem kon vinden. Hij zocht tot aan den negenden dag, toen vond

hij des morgens een bloedroode bloem. In het midden was een heldere

dauwdrop, zoo groot als de mooiste parel. Die bloem droeg hij dag en

nacht tot naar het slot. Toen hij op honderd pas van het slot was,

bleef hij niet vast staan, maar kon doorloopen tot aan de poort. O,

hoe vol vreugde was Joringel! hij raakte de poort aan met de bloem, en

de poort sprong open. Hij ging binnen over het slotplein en luisterde

of hij vogels hoorde; en hij hoorde ze. Hij vond de zaal; daar was de

heks en voederde de vogels in zevenduizend mandjes. Toen zij Joringel

zag werd zij boos, heel boos, en ze schold en spuwde gif en gal, maar

ze kon niet bij hem, en moest op twee pas afstand blijven staan. Hij

bekreunde zich niet om haar, maar bekeek de mandjes met de vogels. Er

waren vele honderd nachtegalen; hoe zou hij nu zijne Jorinde terug

vinden? Nu zag hij dat de oude stilletjes een mandje met een vogel nam,

en er mee naar de deur ging. Hij springt er heen, en raakt het korfje

met de bloem en ook de oude heks. Nu kon zij niet meer tooveren, en

daar stond Jorinde! zij hield hem om zijn hals en zij was zoo mooi

als ooit vroeger. Toen maakte hij al de andere vogels jonkvrouwen;

en hij ging met Jorinde naar huis; en zij leefden nog lang te zamen

heel vergenoegd.

LXX.

DE DRIE GELUKSKINDEREN.

Een vader riep zijne drie zonen bij zich; den eenen gaf hij een haan,

den tweeden een zeis, den derden een kat. »Ik ben al oud,« zeide hij,

»mijn dood nadert; en eerst wilde ik jelui verzorgd hebben. Geld heb

ik niet, en wat ik je nu geef, schijnt waardeloos; maar het komt er

enkel op aan, dat je het met verstand gebruikt. Ga een land zoeken,

waar deze dingen nog onbekend zijn, dan is je fortuin gemaakt.« Toen

de vader gestorven was, ging de oudste zoon met zijn haan op weg. Maar

waar hij kwam was een haan al bekend. In de steden zag hij ze al van

verre op den toren zitten en zich draaien met den wind; in de dorpen

hoorde hij er verscheidene kraaien, en niemand kon zich over het dier

verwonderen; het leek er dus niet veel naar, dat hij er zijn geluk mee

zou maken. Maar eindelijk heeft hij het toch getroffen, dat hij op

een eiland kwam, waar de menschen nooit van een haan gehoord hadden

en ook hun tijd niet wisten in te deelen. Zij wisten wel wanneer het

morgen en avond was, maar 's nachts wisten zij geen tijd uit te vinden.

»Zie eens,« zei hij, »wat een fiere vogel, hij draagt een

robijnkleurige kroon, en sporen heeft hij als een ridder. 's Nachts

roept hij driemaal op een bepaalden tijd, en als hij voor de derde

maal roept gaat haast de zon op. Maar roept hij bij klaarlichten

dag, houdt u dan bereid, want dan komt er zeker verandering in het

weer.« Dat beviel de menschen; zij sliepen den heelen nacht niet,

en luisterden met welgevallen, hoe de haan om twee, vier en zes uur,

luid en duidelijk den tijd afriep. Zij vroegen of het dier niet te koop

was, en hoeveel hij er voor verlangde. »Ongeveer zooveel als een ezel

goud draagt,« antwoordde hij. »Spotgoedkoop voor zulk een kostelijk

dier,« riepen ze allen tegelijk, en zij voldeden gaarne aan zijn eisch.

Toen hij met dien rijkdom naar huis kwam, verwonderden zich zijn

broeders, en de tweede sprak: »nu wil ik toch eens zien of ik van mijn

zeis ook zoo goed kan afkomen.« Daar had het ook niet veel van, want

hij kwam aldoor boeren tegen, die een zeis op hun schouder droegen

zoo goed als hij.

Maar op het laatst is het toch gelukt, op een eiland waar de menschen

niets van een zeis afwisten. Als het koren rijp was, brachten zij

kanonnen voor de akkers en schoten het er af. Dat was een heel onzeker

werk, want soms schoten zij er over heen en soms schoten zij ook de

aren in plaats van de halmen, die raakten dan weg en er ging veel

verloren, en bovendien gaf het ook een heidensch lawaai. Toen kwam

die man, en maaide zoo stil en vlug de halmen neer, dat de menschen

er bij stonden met mond en neus opengesperd van verbazing. Zij waren

bereid hem te geven wat hij verlangde: en hij kreeg een paard zoo

zwaar beladen met goud als het maar dragen kon. Nu wilde de derde

broeder zijn kat ook aan den rechten man brengen. Het ging hem als de

anderen; zoo lang hij op het vaste land bleef, was er voor hem niets

te verdienen; overal waren katten, en zelfs zóóveel dat de pasgeboren

jongen gewoonlijk verdronken werden. Ten laatste liet hij zich naar

een eiland overvaren, en het trof, dat er daar nog nooit een kat

gezien was, en de muizen waren zoo de baas geworden dat ze dansten

op tafels en stoelen, of de huisheer thuis was of niet. De menschen

jammerden vreeselijk over die plaag, en de koning zelfs wist geen

raad in zijn paleis; in alle hoeken piepten de muizen en knabbelden

alles stuk, waar zij hun tanden maar in konden zetten. Nu begon de

kat haar jacht! in een oogenblik had zij eenige zalen van muizen

gezuiverd, en het volk smeekte den koning het wonderdier voor het

rijk aan te koopen. De koning gaf gaarne wat er voor geëischt werd,

en dat was een met goud beladen muilezel; de derde broeder kwam met

den grootsten rijkdom naar huis.

De kat maakte het zich met de muizen eens echt naar haar zin in het

koninklijk paleis, en beet er zooveel dood, dat zij niet meer te tellen

waren. Zij werd warm van dat harde werken en kreeg dorst; toen bleef

zij staan en riep: »miauw, miauw,« met de kop in de hoogte. De koning

en het geheele volk verschrikten toen zij dat rare geschreeuw hoorden,

en liepen in hun angst allemaal weg.

De koning hield raad wat er gedaan moest worden en er werd besloten

een heraut tot de kat te zenden, die haar zou gelasten, het slot te

verlaten, of anders zou men geweld gebruiken. De raadsleden zeiden:

»liever willen wij ons door de muizen laten plagen, aan dat kwaad zijn

wij gewend, dan ons leven prijs geven aan zulk een ondier!« Een page

moest naar boven gaan en de kat vragen of zij het slot »goedwillig«

zou ruimen. Maar de kat, die steeds heviger dorst kreeg, antwoordde

niets dan: »miauw, miauw.« De page verstond »ga gauw, ga gauw!« en

bracht het antwoord den koning over. »Nu,« sprak de raad, »moet zij

wijken voor geweld!« Er werden kanonnen naar boven gebracht en het

paleis werd in brand geschoten. Toen het vuur in de zaal kwam waar

de kat was, sprong zij gelukkig door het venster; maar de belegeraars

hielden niet op, voor het geheele paleis in elkaar geschoten was.

LXXI.

HOE ER ZES DOOR DE WERELD KWAMEN.

Er was eens een man, die kon van alles; hij diende toen er oorlog

was en heeft zich braaf en dapper gehouden; maar toen de oorlog uit

was kreeg hij zijn afscheid en nog drie dubbeltjes teergeld mee op

weg. »Wacht eens eventjes,« zei hij: »met mij wordt zoo niet omgegaan;

als ik maar de rechte menschen vind, dan zal de koning mij nog al de

schatten van het heele rijk moeten uitleveren.« En hij liep kwaad

het bosch in. Daar zag hij er een staan die had zes boomen uit den

grond getrokken, of 't korenhalmen waren. »Wil je meetrekken en

mijn dienaar zijn?« vroeg de man. »Ja,« zei de andere, maar eerst

moet ik mijn moeder dat bosje hout brengen,« en hij nam een van

de boomen en wikkelde dien om de vijf anderen, nam het vrachtje op

zijn schouder en droeg het weg. Toen kwam hij terug en ging met zijn

meester mee. »Wij met zijn beiden zullen wel door de wereld komen!«

zei die. Toen zij een tijdje geloopen hadden, zagen zij een jager;

die lag op de knieën, had zijn geweer aangelegd en mikte. »Jager, wat

ga je schieten?« vroeg de baas. »Twee uur van hier, zit een vlieg op

den tak van een eikeboom, die wil ik het linker oog uitschieten. »O,

ga maar mee!« zei de soldaat, »als wij drieën bij elkaar zijn, komen

wij de heele wereld door!«

De jager was bereid en ging mee; zij kwamen bij zeven windmolens: hun

wieken draaiden hard; en toch was er nergens wind, en geen blaadje

bewoog. »Ik begrip niet wat die windmolens drijft,« zei de man, »er

in geen zuchtje aan de lucht,« en hij ging met zijn dienaren verder.

Toen zij nog twee uur geloopen haden zagen zij er een op een boom

zitten, die zijn linker neusgat dicht hield, en hij blies met het

andere. »Zeg wat voer jij daar boven uit?« vroeg de man. En hij

antwoordde: »twee uur van hier staan zeven windmolens, en die blaas

ik een beetje aan, dat ze draaien.« »O, ga met ons mee,« zei de man,

»wij met zijn vieren komen de heele wereld door.« De blazer kwam van

den boom af en liep mee, en na een poosje zagen zij er een die op één

been stond, het andere had hij afgegespt en naast zich gelegd. »Je

hebt het je makkelijk gemaakt om uit te rusten!« zei de baas.

»Ik ben een hardlooper,« zei de ander, en om niet te gauw vooruit te

komen, heb ik een been afgelegd; want als ik met twee beenen loop,

gaat het vlugger dan de vogel vliegt.« »O, ga mee, als wij vijven

bij elkaar bleven, komen wij de heele wereld door!« Hij ging mee,

en heel gauw kwamen zij er een tegen, die had een hoedje op, dat

heelemaal scheef boven zijn ééne oor zat. »Een beetje fatsoenlijk!«

zei de baas, »zet je hoed toch wat recht, je ziet er uit als een

hansworst!« »Dat durf ik niet te doen,« zei die van het hoedje, »want

als ik mijn hoed recht zet, dan komt er een vreeselijke, geweldige

vorst en de vogels vallen bevroren en dood uit de lucht.« »O, ga mee,«

zei de baas, »met zijn zessen komen wij zeker de heele wereld door!«

Nu ging het zestal door de stad, waar de koning bekend had laten maken,

dat wie een wedloop met zijn dochter hield en overwinnaar was, haar

gemaal zou worden; maar verloor hij, dan moest zijn hoofd er aan.

De man meldde zich aan, en sprak: »ik wil mijn dienaar voor mij laten

loopen.« De koning antwoordde: »dan moet ge voor zijn hoofd ook borg

staan, en als hij verliest gaat uw hoofd en het zijne er aan.« Dat

werd nu afgesproken en vastgesteld, en de man gespte den hardlooper

zijn tweeden been aan en zei: »rep je nu flink en zorg, dat wij

overwinnen!« De bepaling was, dat wie het eerst water terugbracht

uit een ver gelegen bron, de overwinnaar zoude zijn.

De looper en de prinses kregen nu ieder een kruik en ze begonnen te

gelijkertijd te loopen; maar in een oogenblik, toen de prinses nog pas

een heel klein eindje weg was, kon de looper al niet meer zien waar de

toeschouwers stonden, het was of de wind voorbij suisde. Hij was in

heel korten tijd bij de bron, schepte de kruik vol water, en keerde

weer om. Maar midden op den terugweg overviel hem de vermoeidheid;

hij zette toen de kruik neer, ging liggen en sliep in. Hij had zich

met het hoofd op een paardenschedel gelegd, zoodat hij gauw wakker

kon worden. Intusschen was de prinses, die ook goed loopen kon,

zoo goed als een gewoon mensch het kan, bij de bron aangekomen en

liep met haar kruik vol water terug; toen zag zij den looper liggen

slapen, en ze had schik en dacht: »de vijand is in mijn hand; zij

liet zijn kruik leeg loopen en sprong weg. Nu zou alles verloren

zijn geweest, als niet gelukkig, de jager met zijn scherpe oogen,

boven op het slot gestaan had, en alles had gezien, »die prinses zal

toch ons niet de baas zijn!« zeide hij, en hij laadde zijn geweer,

en schoot zóó handig, dat hij den looper den paardenschedel onder

het hoofd wegschoot, zonder hem pijn te doen. Toen werd de looper

wakker en sprong op; en toen zag hij dat zijn kruik leeg was, en

de prinses al een heel eind weg. Doch hij verloor den moed niet,

pakte de kruik op, liep weer naar de bron, en schepte opnieuw water,

en toen was hij nog tien minuten vóór de prinses weer terug, en hij

won haar dus voor zijn meester. »Zie jelui,« zei hij, »nu heb ik pas

mijn beenen gebruikt, het vorige kon je geen loopen noemen.«

Maar den koning ergerde het, en zijn dochter nog meer, dat zij met

zoo'n gewonen afgedankten soldaat mee zou moeten, en zij beraadslaagden

samen, hoe zij van hem en van zijn gezellen zouden afkomen. »Ik

weet een middel!« zei de koning eindelijk, »wees maar niet bang,

zij zullen niet meer hier terug komen.«

En hij sprak tot hen: »Nu moet jelui samen eerst eens vroolijk zijn

en eten en drinken,« en hij bracht hen naar een vertrek, dat had

een ijzeren vloer, en de deuren waren van ijzer en de venster met

ijzeren staven verzekerd. In dat vertrek stond een tafel, vol met

de kostelijkste gerechten. »Ga maar naar binnen,« zei de koning,

»en laat het je smaken.« Toen zij nu binnen waren liet hij de deuren

afsluiten en grendelen. Hij liet daarna den kok komen, en gaf hem

bevel, zóó lang onder den vloer te stoken tot het ijzer gloeiend zou

zijn. Dat deed de kok en de zes begonnen het aan tafel flink warm te

krijgen. Zij dachten, dat het door het eten kwam; maar toen de hitte

al grooter werd, dat zij er uit wilden, en toen deuren en vensters

gesloten vonden, begrepen zij, dat de koning kwaad in den zin had,

en hen wilde laten stikken.

»Maar dat zal hem niet lukken,« zei die met het hoedje; »ik zal het

laten vriezen dat het vuur zich er voor schamen zal, en wegkrimpen.«

Hij zette zijn hoedje recht, en plotseling was het met alle hitte

gedaan, en de spijzen bevroren in de schotels. Toen er nu een paar

uur verloopen waren, dacht de koning, dat ze wel gestikt zouden zijn

in de hitte, en hij liet de deur openen en wilde zelf gaan zien. Maar

toen de deur open ging, stonden ze daar alle zes paraat, en zeiden,

dat zij blij waren, dat zij er uit konden om zich eens te warmen;

want door de hevige kou in de kamer, was het eten bevroren in de

schotels. Toen ging de koning woedend naar den kok en vroeg waarom

hij zijn bevelen niet had gehoorzaamd. Maar de kok antwoordde: »er

is gloed genoeg, kijk zelf maar.«

En de koning zag, dat er een geweldig vuur onder de ijzeren kamer

brandde, en toen begreep hij, dat hij op deze manier het met de zes

niet klaar zou spelen.

Nu begon hij opnieuw te verzinnen, hoe hij de lastige gasten kwijt

zou kunnen worden, en hij liet den meester komen en sprak: »wil je

goud hebben en dan je aanspraak op mijn dochter opgeven? dan kun je

zooveel krijgen als je wilt.« En hij antwoordde: »ja, heer koning,

geef mij zooveel als mijn dienaar dragen kan, dan verlang ik uw

dochter niet meer.« Dat vond de koning goed, en de andere zei toen

verder: »Over veertien dagen zal ik het komen halen.« Nu liet hij alle

kleermakers uit het heele rijk bij elkaar komen, die moesten veertien

dagen samen zitten naaien aan een zak. En toen die zak klaar was,

moest de sterke, die boomen uit kon trekken, de zak op zijn schouders

nemen, en er mee naar den koning gaan.

De koning zei: »wat is dat voor een geweldige kerel, die daar die

baal linnen op zijn rug draagt zoo hoog als een huis?« en hij kreeg

een schrik, want hij dacht: »wat zal die een goud meesleepen!« Hij

liet een ton gouds komen; zestien van de sterkste mannen moesten die

dragen, maar de sterke pakte hem met één hand, en duwde hem in den

zak: »waarom breng jelui niet wat meer tegelijk?« vroeg hij toen,

»het bedekt den bodem nauwelijks!« En de koning zag gaandeweg zijn

heele schatkist in de zak verdwijnen, en die was toen nog niet half

vol. »Breng meer tegelijk!« riep de sterke, »met die beetjes krijg

ik hem niet vol!« Toen moesten er nog zeven duizend wagens met goud,

uit het geheele rijk bijeen gereden worden, en de sterke schoof ze

met de ossen, die er voorgespannen waren er bij, in de zak. »Ik zal

maar niet te precies zijn,« zei hij, »en nemen wat komt, dat ik de zak

ten minste vol krijg.« Toen dat alles er in was, kon er nog veel meer

bij en toen zei hij: »ik zal er maar een eind aan maken; er wordt

wel meer een zak toegebonden, al is hij nog niet heelemaal vol.«

Hij gooide hem toen over den schouder en ging met zijn gezellen weg.

Toen de koning nu zag, hoe die ééne man al de schatten van het

rijk wegdroeg, werd hij toornig, en liet zijn ruiterij opzitten,

die moesten de zes nazetten, en den sterke de zak weer afnemen. Twee

regimenten hadden hen spoedig ingehaald en riepen hun toe:

»Gij zijt onze gevangenen, leg de zak met goud neer of ge

wordt neergesabeld!« »Wat zeg jelui?« riep de blazer: »zijn wij

gevangenen? eerder zul jelui allemaal samen in de lucht rond dansen!«

en hij hield een neusgat dicht, en blies met het andere naar de twee

regimenten; zij stoven uit elkaar, en de lucht in, over alle bergen,

ieder een kant uit. Een sergeant riep om genade: »hij had negen wonden,

hij was een brave kerel, hij verdiende die schande niet.« Toen hield

de blazer eventjes op, zoodat hij zoetjes en zonder verlet neerzakte,

en hij sprak tot den sergeant: »nu ga jij naar den koning en je zegt

maar dat hij nog meer ruiterij kan sturen, dan zal ik ze allemaal

in de lucht blazen.« Toen de koning die boodschap kreeg, zeide hij:

»Laat hen gaan, 't is met hen niet pluis.«

En de zes kwamen met hunne rijkdommen thuis, verdeelden ze, en leefden

genoegelijk tot aan hun dood.

LXXII

DE WOLF EN DE MENSCH.

De vos vertelde eens aan den wolf hoe sterk wel de mensch was: geen

dier kon tegen hem op, en er moest list gebruikt worden om zich tegen

hem staande te houden. Toen antwoordde de wolf: »als ik maar eens een

mensch te zien kreeg, zou ik wel op hem los gaan.« »Daar kan ik je mee

dienen,« zei de vos, »kom morgen vroeg maar bij mij, dan zal ik je er

een laten zien.« De wolf was al vroeg op zijn post, en de vos bracht

hem op den weg, waar alle dag de jager voorbij ging. Eerst kwam een

afgedankte soldaat. »Is dat een mensch?« vroeg de wolf. »Neen, dat

is er een geweest.« Toen kwam een kleine jongen. »Is dat een mensch?«

»Neen, die moet er nog een worden.« Eindelijk kwam de jager, de buks

met dubbelen loop op den schouder, het jachtmes op zij. Nu zei de vos

tegen den wolf: »Kijk daar komt een mensch, ga daar nu maar op los,

maar ik maak, dat ik in mijn hol kom.« De wolf ging nu op den mensch

los. Toen de jager hem zag, dacht hij: »jammer, dat ik geen kogel

op mijn buks heb,« hij legde aan en schoot den wolf den hagel in

het gezicht. De wolf grijnsde leelijk; maar hij liet zich niet van

de wijs brengen, en ging recht vooruit; toen kreeg hij een tweede

lading. De wolf verbeet de pijn, en wou den jager te lijf; die trok

toen het blanke jachtmes, en gaf hem een paar houwen links en rechts,

dat hij bloedend en huilend naar den vos afzakte. »Wel broeder wolf,«

zei die, »heb je het met den mensch klaargespeeld?« »Och neen,« zei

de wolf, »zoo heb ik mij de sterkte van den mensch niet voorgesteld;

eerst nam hij een stok van zijn schouder, en daar blies hij in, en er

vloog mij iets in mijn gezicht, dat verschrikkelijk kietelde; toen

heeft hij nog eens in den stok geblazen, en 't ratelde om mijn neus

als bliksem en hagel; maar toen ik heel dicht bij hem was, trok hij

een blanke rib uit zijn lijf, en daar heeft hij mij zóó mee geslagen,

dat ik haast dood ben blijven liggen.«

»Nu zie je,« zei de vos, »wat een pocher je bent, je gooit je bijl

zóó ver weg, dat je hem niet meer terug kunt halen.«

LXXIII.

DE WOLF EN DE VOS.

De wolf had den vos bij zich; en wat de wolf wilde, dat moest de vos

doen; want de vos was de zwakste, en hij was graag zijn meester kwijt

geweest. Het gebeurde eens, dat zij samen in het bosch liepen; de wolf

zei: »Rooievos, schaf eten, óf ik eet jou!« En de vos antwoordde:

»ik weet een boerensteê, waar jonge lammeren zijn, als je zin hebt

zullen wij er een gaan halen.« De wolf vond het goed en zij gingen op

weg. De vos stal het lammetje, bracht het voor den wolf en ging aan

den haal. De wolf at het op, maar hij was nog niet voldaan en ging

een tweede halen. Maar hij deed het zoo onbekookt, dat de moeder van

het lammetje het bemerkte, en verschrikkelijk begon te schreeuwen

en te blaten, zoodat de boeren kwamen aangeloopen. Zij pakten den

wolf en sloegen hem zoo erbarmelijk, dat hij hinkend en huilend

bij den vos aankwam. »Je hebt mij eens mooi er in laten loopen; ik

wilde een tweede lam halen, en toen hebben de boeren mij betrapt en

zij hebben mij murw geslagen.« De vos antwoordde: »waarom ben je ook

zoo'n veelvraat!« Den volgenden dag gingen zij weer naar buiten, en de

onverzadelijke wolf zei weer: »Rooievos schaf eten, of ik eet jou.«

En de vos antwoordde: »ik weet een boerderij, daar bakt de vrouw van

avond pannekoeken, daar zullen wij er van gaan halen.« Zij gingen er

heen, en de vos sloop rond het huis, en snoof en snuffelde zoolang,

tot hij uitvond waar de schotel stond; hij haalde er zes pannekoeken

af, en bracht ze aan den wolf. »Daar heb je te eten,« zei hij, en

maakte rechts omkeert. De wolf had in een oogenblik de pannekoeken

opgeslokt, »zij smaken naar meer,« zei hij, en hij trok zoo maar den

heelen schotel naar beneden, dat hij in scherven viel. Dat maakte

zoo'n helsch lawaai, dat de vrouw kwam aangeloopen, en toen zij den

wolf zag, riep zij het manvolk, die gaven hem er zoo van langs, dat

hij met lamme pooten en luid jammerend bij de vos in het bosch kwam.

»Wat heb je mij nu weer voor een poets gebakken! de boeren hebben

mij gesnapt en mij de huid vol geslagen!« Maar de vos antwoordde:

»waarom ben je ook zoo'n veelvraat.«

Den derden dag waren zij weer samen er op uit, en de wolf hinkte

met moeite, maar toch zei hij weer: »Rooievos, schaf eten, of ik

eet jou!« De vos antwoordde: »ik weet een man, die geslacht heeft;

en het gepekelde vleesch ligt in een vat in de kelder, dat zullen

wij gaan halen.« »Maar ik zal dadelijk meegaan,« zei de wolf,

»dan kun je mij helpen, als ik niet meer voort kan.« »Mij goed,«

zei de vos, en hij wees hem allerlei sluipwegen om in de kelder te

komen. Daar was vleesch in overvloed, en de wolf viel dadelijk aan

en dacht: vooreerst schei ik nog niet uit.« De vos at ook smakelijk,

maar gluurde aanhoudend rond, en liep dikwijls naar het gat, waar

zij doorgekomen waren, en hij probeerde of zijn lijf nog dun genoeg

was om er door te kruipen. »Lieve vos,« zei de wolf, »waarom zie je

toch zoo rond en kruipt in en uit?«

»Ik moet toch kijken of er niemand komt,« zei de rakker, »eet maar

niet te veel.« »Ik ga niet weg, voordat het vat leeg is,« zei de

wolf. Op eens kwam de boer in de kelder; hij had het leven gehoord,

van het uit en inspringen van den vos. De vos zag hem, en was in één

sprong buiten. De wolf wilde hem achterna, maar hij had zich zóó dik

gegeten, dat hij er niet meer door kon, en bleef steken. Toen nam de

boer zijn knuppel en sloeg hem dood. Maar de vos liep het bosch in,

en was blij, dat hij van den ouden veelvraat verlost was.

Einde

INHOUD.

De kleermaker in den hemel

Tafeltje dek je, Goudezel, en Knuppel uit de zak

Duimpje

De bruiloft van vrouw Vos

De Kaboutertjes

De Rooverbruigom

Mijnheer Korbes

De Peet

Vrouw Trude

Peet de Dood

Hoe Duimpje op reis ging

Fitscher's Vogel

Van den Amandelboom

De oude Sultan

De zes Zwanen

Doornenroosje

Vogelbuit

Koning Lijsterbaard

Sneeuwwitje

De Ransel, het Hoedje en het Hoorntje

Rompelsteeltje

De liefste Roland

De gouden Vogel

De Hond en de Musch

Frieder en Katerliesje

De twee Broeders

Het Boerke

De Bijenkoningin

De drie Veeren

De gouden Gans

Albontje

Hazebruidje

De twaalf Jagers

De Gauwdief en zijn Meester

Jorinde en Joringel

De drie Gelukskinderen

Hoe er zes door de wereld kwamen

De Wolf en de Mensch

De Wolf en de Vos

Sprookjes: Tweede verzameling · 第 12 / 12 段