Toen drukte het boerke den raaf op zijn kop, dat hij kwakte en

»kerr, kerr,« zei. »Wat heeft hij gezegd?« vroeg de molenaar. »Ten

eerste heeft hij gezegd dat er wijn onder het hoofdkussen ligt.«

»Wat, koekoek!« zei de molenaar, en hij ging en vond den wijn. »Nu

verder,« zei de molenaar. Het boerke liet den raaf weer krassen en

zei: »ten tweede, zegt hij, dat er gebraad in de kachel staat.« »Wat

koekoek!« zei de molenaar, en hij ging en vond het gebraad. Boerke

liet de raaf nog meer waarzeggen, en zei: »ten derde, zegt hij, dat

er sla in het bed is.« »Wat koekoek!« zei de molenaar en hij vond de

sla. Eindelijk drukte boerke den raaf nog éénmaal dat hij kraste, en

zei toen: »en ten vierde, is er gebak onder het bed.« »Wat koekoek!«

riep de molenaar, en hij ging en vond het gebak.

Nu zetten de twee zich samen aan tafel, maar de molenaarsvrouw bekroop

de doodsangst, zij ging in bed liggen en nam alle sleutels bij zich. De

molenaar woû wel graâg het vijfde ook weten maar boerke zei: »eerst

moeten wij deze vier dingen rustig opeten, want het vijfde is iets

heel ergs.« Zij aten dus, en terwijl werd er gehandeld, hoe veel

de molenaar voor de vijfde waarzegging zou geven; voor driehonderd

rijksdaalders werden zij het eens. Toen drukte het boerke den raaf

nog eens op zijn kop, dat het hard kwakte. »Wat heeft hij gezegd?«

vroeg de molenaar. Het boerke antwoordde: »hij heeft gezegd: »»op

den deel in de kast, daar zit de duivel!«« Toen zei de molenaar:

»de duivel moet er uit!« en hij sloot de huisdeur open. De vrouw

moest de sleutels geven, en boerke maakte de kast open. Toen liep

de pastoor zoo gauw hij kon er uit, en de molenaar zei: »ik heb den

zwarten kerel gezien.« Maar den volgenden morgen in de schemering

pakte boerke zich met zijn driehonderd rijksdaalders gauw weg.

Boerke ging het nu goed, hij werd een rijk man en de boeren zeiden:

»boerke is zeker geweest, waar de gouden sneeuw valt, en men het geld

in schepels thuis brengt.« Toen werd boerke voor den schout geroepen;

nu moest hij zeggen waar al die rijkdom van daan kwam. Hij antwoordde:

»ik heb mijn koeienhuid voor driehonderd rijksdaalders in de stad

verkocht.« Toen de boeren dat hoorden, wilden zij dat voordeeltje ook

hebben; zij sloegen allemaal hun koeien dood, en trokken hen de huid

af, om ze in de stad met groote winst te verkoopen. »Mijn meid moet

het eerst gaan,« zei de schout. Toen zij bij den koopman in de stad

kwam, gaf die haar niet meer dan twee rijksdaalders voor een huid,

en de anderen gaf hij niet eens zooveel, »wat moest hij met al die

huiden doen,« zei hij. Nu waren de boeren kwaad, dat het boerke hen

er zoo tusschen had genomen, en zij wilden wraak nemen, en klaagden

hem bij den schout aan wegens bedrog. Het onschuldig boerke werd nu

ter dood veroordeeld; hij zou in een doorboord vat, in het water

gerold worden. Boerke werd weggebracht en er kwam een geestelijke

om een mis voor zijn ziel te lezen. Al de anderen moesten zich nu

verwijderen. Toen boerke nu den geestelijke aankeek, zag hij, dat het

de pastoor van de molenaarsvrouw was. »Ik heb je uit de kast bevrijd,«

zei hij toen, »bevrijd mij nu uit het vat.« Er kwam juist een herder

met een kudde schapen voorbij; boerke wist van hem, dat hij erg graâg

schout zou zijn, en hij riep luid: »Neen, ik doe het niet, en al zou

de heele wereld het willen, ik doe het niet!« De schaapherder hoorde

het en kwam er bij en vroeg: »Wat meen je? wat wil je niet?«

»Ze willen mij schout maken, als ik in dat vat kruip,« zei boerke,

»maar ik doe het niet.« De schaapherder zei: »anders niet? om schout

te worden, wil ik wel in dat vat gaan zitten.« »Als je er in gaat

zitten,« zei boerke, »wordt je ook schout.« De herder vond het goed,

en kroop er in en boerke sloeg het deksel goed dicht en dreef toen

de kudde schapen zelf verder. Nu ging de pastoor tot de gemeente en

zei, dat de mis gelezen was. Zij kwamen, en rolden het vat naar het

water. Toen het vat begon te rollen, riep de herder: »ik wil graâg

schout worden!« en zij dachten, dat het 't boerke was en riepen terug:

»Best hoor, maar eerst moet je daar beneden eens rondkijken!« en zij

rolden het vat in het water.

De boeren gingen toen naar huis, en in het dorp zagen zij boerke,

die heel bedaard een kudde schapen voor zich uitdreef en een erg

tevreden gezicht zette. Toen stonden de boeren te kijken: »boerke,«

zeiden ze, »waar kom je van daan, kom je uit het water?« »Zeker,«

zei boerke, »ik ben gezonken, diep, diep, tot ik eindelijk op den

grond kwam; ik trapte den bodem uit het vat, en kroop er uit: ik

zag mooie weilanden waar veel schapen weidden; deze kudde heb ik er

van meêgebracht.« »Zijn er nog meer?« vroegen de boeren. »O, ja,« zei

boerke, »meer dan je gebruiken kunt.« Toen bespraken de boeren, dat zij

ook schapen zouden gaan halen, ieder een kudde; maar de schout zei:

»ik ga eerst!« Zij gingen nu allemaal samen naar het water, en juist

stonden er aan de blauwe lucht van die kleine vlokjeswolken, die men

schaapjes noemt. Zij spiegelden zich in het water, en toen riepen de

boeren: »wij zien de schapen al onder in het water!« De schout drong

naar voren en zei: »ik moet er eerst in, en eens rondkijken; als het

waar is zal ik jelui roepen.« Hij sprong er in: »plomp!« zei het in

het water. »Kom!« dachten ze, dat hij riep, en de heele bende sprong

met een vaart achter hem aan. Toen was het heele dorp uitgestorven,

en boerke was de eenige erfgenaam, en een rijk man.

LXII.

DE BIJENKONINGIN.

Twee prinsen gingen op avontuur uit; maar zij geraakten in een woest

en losbandig leven, zoodat zij in 't geheel niet meer thuis kwamen. De

jongste, die Dommertje genoemd werd, trok uit om zijn broêrs te zoeken;

maar toen hij hen vond, bespotten zij hem, dat hij zoo onnoozel als hij

was, zijn weg door de wereld wilde vinden; zij waren zóóveel slimmer en

zij konden het niet eens. Te zamen trokken zij toen verder en kwamen

aan een mierenhoop. De twee oudsten wilden die door elkaar woelen,

om te zien hoe de mieren in hun angst zouden rondscharrelen en hunne

eieren wegdragen; maar Dommertje zei: »laat de diertjes met rust en

stoor ze niet; ik verdraag het niet, als je ze kwaad doet!« Toen gingen

ze verder en ze kwamen aan een meer; daarop zwommen vele eenden. De

twee broeders wilden er een paar vangen en braden; maar Dommertje zei

weêr: »laat de dieren met rust: ik verdraag het niet, als je ze doodt.«

Eindelijk vonden zij een bijennest; er was zooveel honing in, dat het

langs den stam naar beneden liep. De twee oudsten wilden vuur onder

den boom aanleggen, en de bijen doen stikken, zoodat zij de honing

konden wegnemen. Maar Dommertje hield hen er weêr van af en sprak:

»laat die dieren met rust, ik verdraag het niet als je ze verbrandt.«

Toen kwamen de drie broêrs aan een slot: daar stonden in de stallen

enkel steenen paarden; maar er was geen mensch te zien, en zij gingen

door alle zalen. Aan het eind kwamen zij voor een deur, waaraan

drie sloten hingen; midden in de deur was een luikje, daardoor kon

men in de kamer zien. Zij zagen een oud mannetje aan de tafel zitten

en riepen hem aan, éénmaal, tweemaal, maar hij hoorde hen niet. Toen

riepen zij voor de derde maal, hij stond op, en kwam er uit. Hij sprak

geen woord, maar hij vatte hen aan en leidde hen naar een rijkbezette

tafel. Toen zij gegeten en gedronken hadden bracht hij hen ieder in

een afzonderlijk slaapvertrek. Den volgenden morgen kwam hij bij den

oudste, wenkte hem en bracht hem naar een steenen zerk; daarop stonden

de drie opgaven geschreven, waardoor het slot verlost kon worden.

De eerste was deze: in het woud onder het mos, lagen de paarlen van

de koningin, duizend in getal; die moesten opgezocht worden; maar

als er met zonsondergang ook maar een enkele ontbrak, werd hij, die

gezocht had, tot steen. De oudste ging, en zocht den geheelen dag;

maar toen de dag ten einde was, had hij er pas honderd gevonden, en

er gebeurde wat op de zerk stond: hij werd in steen veranderd. Den

volgenden dag ondernam de tweede broeder het avontuur; het ging hem

niet veel beter dan den oudste: hij vond maar tweehonderd paarlen en

werd eveneens tot steen. Eindelijk kwam ook aan Dommertje de beurt;

hij zocht in het mos; maar het was zoo moeilijk de paarlen te vinden en

het ging zoo langzaam. Toen zette hij zich op een steen, en schreide.

Terwijl hij nu zoo zat, kwam de mierenkoning, dien hij eens het leven

gered had, met vijfduizend mieren, en heel gauw hadden de diertjes

de paarlen gevonden en op een hoop gebracht. De tweede opgaaf was:

de sleutel van de slaapkamer der prinses uit het meer te halen. Toen

Dommertje bij het meer was, kwamen de eenden aangezwommen, die hij eens

gered had; zij doken onder, en haalden den sleutel uit de diepte. De

derde opgaaf was de moeilijkste: uit drie slapende prinsesjes moest de

jongste en liefste gekozen worden. Zij geleken elkander sprekend, en

waren alleen te onderscheiden omdat zij vóór het inslapen verschillende

zoetigheden gegeten hadden: de oudste een stukje suiker, de tweede

een beetje stroop, en de jongste een lepel honing. Daar kwam de

bijenkoningin, die de jongste van de broeders gered had van het vuur,

en zette zich op den mond van alle drie de jonkvrouwen; maar zij bleef

zitten op degene, die de honing gegeten had, en zoo herkende de prins

de rechte. Nu was alle betoovering verbroken, en allen uit de slaap

verlost; en wie steen was, kreeg weder zijn menschelijke gedaante. En

Dommertje nam de jongste en liefste tot vrouw en werd koning na haar

vader's dood. Zijne twee broeders trouwden met de oudste zusters.

LXIII.

DE DRIE VEEREN.

Er was eens een koning, die drie zonen had. De twee oudsten waren knap

en slim; maar de jongste zei niet veel en was een beetje onnoozel:

hij werd Dommerik genoemd. Toen de koning nu oud werd en aan zijn

einde ging denken, wist hij niet, wien van zijn zonen hij het rijk

zou laten erven. Toen sprak hij tot hen: »Gaat alle drie er op uit,

en die mij het mooiste tapijt mee terugbrengt, zal na mijn dood

koning zijn.« En opdat er geen oneenigheid tusschen hen mocht komen,

nam hij ze mede tot voor het slot; daar blies hij drie veertjes in

de lucht, en hij sprak: »zoo als die vliegen moet gij heentrekken.«

Het eene veertje vloog naar het oosten, het andere naar het westen,

en het derde recht vooruit; maar het vloog niet zoo ver als de anderen

en het viel op den grond. Nu ging de eene broeder rechts, de andere

ging links; en zij hebben Dommerik uitgelachen, die bij zijn derde

veer op den grond moest blijven zitten.

Dommerik zette zich neêr en was treurig. Daar bemerkte hij op eens,

naast het veêrtje, een deur in den grond. Die heeft hij geopend, en

vond een trap, die hij afging. Toen kwam hij voor een andere deur;

daar klopte hij aan; en van binnen werd toen geroepen:

»Jonkvrouw, teêr en kleen,

Hutselbeen,

Hutselbeen's hondje,

Hutsel hier en hutsel daar

Ga eens zien, wie klopt daar.«

De deur ging open, en hij zag een groote dikke pad zitten en daar

omheen een heelen kring van kleine padjes. De dikke pad vroeg hem wat

hij wenschte. Hij antwoordde: »Ik zou graag het mooiste en fijnste

tapijt hebben.« Toen riep de oude pad een jonkie en zeî:

»Jonkvrouw teêr en kleen,

Hutselbeen,

Hutselbeen's hondje,

Hutsel hier en Hutsel daar,

Geef de groote doos maar.«

De jonge pad haalde de doos, en de dikke maakte de doos open, en ze

gaf er Dommerik een tapijt uit, zoo fraai en fijn als er boven op de

aarde geen kon geweven worden. Hij dankte en ging weêr weg.

De twee anderen hadden den jongsten voor zóó onnoozel gehouden, dat

zij meenden, dat hij nooit tegen hen op zou kunnen. »Wat zullen wij

de moeite doen lang te zoeken!« zeiden zij; en de eerste de beste

herdersvrouw, die zij tegen kwamen namen zij haar grove doek af, en

namen die meê naar den koning. Dommerik kwam ook met zijn prachtig

tapijt, en toen de koning dat zag stond hij verbaasd en zeide: »het

rijk is voor den jongsten.« Maar de twee anderen lieten den koning

niet met rust; zij zeiden, het was niet mogelijk, dat Dommerik koning

zou worden, en zij vroegen hem nog een voorwaarde te stellen. Toen

zeide de vader: »hij zal het rijk erven, die mij den fraaisten ring

brengt.« Toen nam hij zijne drie zonen meê naar buiten, en blies drie

veêren in de lucht, die zij achterna zouden gaan. De twee oudsten

trokken weêr naar het oosten en westen, en Dommerik's veêr vloog

rechtuit, en viel weer naast de deur neêr, die in de aarde was. Hij

ging toen weêr de trap af naar de dikke pad en vertelde haar, dat

hij den mooisten ring moest hebben. Zij liet haar groote doos halen,

en gaf hem daaruit een ring, zóó mooi als geen goudsmid op aarde er

een maken kon. Maar de twee oudsten hadden Dommerik uitgelachen, dat

hij een ring woû zoeken, en zij gaven zich niet de minste moeite;

maar zij sloegen de spijkers uit den eersten den besten wielband,

en brachten dien aan den koning. Toen die Dommerik's mooien ring zag,

zei hij: »Hem behoort het rijk.« Nu kwelden weêr de twee oudsten den

koning zóó lang tot hij nog eén derde voorwaarde stelde, dat het rijk

nu gegeven worde aan hem, die de schoonste vrouw thuis bracht. Hij

blies weêr drie veêren in de lucht, en zij vlogen gelijk de vorigen.

Toen ging Dommerik ten derden male naar de dikke pad en zei: »ik

moet de schoonste vrouw thuis brengen.« »Zoo,« zei de dikke pad, »de

schoonste vrouw? je zult haar hebben.« En zij gaf hem een gele raap

met zes muisjes bespannen. Maar Dommerik zei treurig: »wat moet ik daar

nu meê doen?« »Zet er maar een van de kleine padjes in,« zei de dikke

toen. Hij greep er op goed geluk een uit den kring, en zette die op

de gele raap; maar nauwelijks had zij de raap aangeraakt of zij werd

een wonderschoone jonkvrouw, de raap werd een koets, en de zes muisjes

werden paarden. Toen stapten zij in de koets en hij kuste haar, en zij

reden naar den koning. Zijn broeders kwamen ook; zij hadden Dommerik

zóó zeer veracht, dat zij de eerste de beste boerin maar meê naar huis

hadden genomen. En de koning sprak: »voor den jongsten is het rijk na

mijn dood.« Maar de twee oudsten maakten oproer, zij konden het niet

goedkeuren, zeiden zij. En zij verlangden, dat de geen wiens vrouw

door een ring, die midden in de zaal hing, zou kunnen springen, de

voorkeur zou hebben. »Want,« dachten zij, »die boerinnen kunnen dat

wel, die zijn sterk; maar dat fijne juffertje springt zich dood.«

Eindelijk liet de koning zich overhalen. Eerst sprongen de twee

boerenmeiden; zij kwamen er door; maar zij waren zóó plomp, dat zij

vielen en armen en beenen braken. Toen sprong de schoone jonkvrouw,

die Dommerik had meêgebracht, en zij sprong heel luchtig door den

ring en won het rijk voor hem. En toen de koning stierf heeft hij de

kroon mogen dragen, en heeft lang met wijsheid het rijk bestuurd.

LXIV.

DE GOUDEN GANS.

Er was eens een man, die had drie zonen, de jongste heette Domoor,

en hij werd veracht en bespot, en altijd achtergezet bij anderen. Eens

zou de oudste het bosch ingaan om hout te halen; vóór hij ging gaf zijn

moeder hem een kostelijke eierkoek mee, en een flesch wijn, dat hij

geen honger en dorst zou lijden. In het bosch ontmoette hij een oud,

grijs mannetje: »goeden dag,« zei het, »geef mij toch een stuk van

je koek en laat mij een slok van je wijn drinken, ik heb zoo'n dorst

en honger.» Maar de slimme jongen zei: »als ik jou van mijn eierkoek

en van mijn wijn geef, dan heb ik zelfs niets; maak maar gauw, dat

je wegkomt!« en hij liet het mannetje staan, en liep door. Toen hij

nu begon een boom om te hakken, heeft hij al heel gauw mis geslagen,

en de bijl drong in zijn arm. Toen moest hij naar huis om zich te

laten verbinden. Maar dat kwam van het grijze mannetje.

Nu ging de tweede zoon het bosch in, en de moeder gaf hem, even

als den oudsten, een eierkoek en een flesch wijn. Hem kwam ook het

oude, grijze mannetje tegen, en vroeg om een stuk koek en een slokje

wijn. Maar de tweede zoon zei ook heel verstandig: »wat ik jou geef,

dat heb ik zelf niet, maak dat je weg komt!« en hij liet het mannetje

staan, en ging verder. De straf bleef niet uit: toen hij een paar

slagen met de bijl gedaan had, hakte hij zich in zijn been en moest

naar huis gedragen worden. Toen zei Domoor: »vader, laat mij ook

eens hout gaan hakken.» Maar de vader antwoordde: »Dat hoef jij

niet te beginnen, je broêrs hebben het er niet eens goed afgebracht,

blijf jij nu maar stil thuis.« Maar Domoor hield niet op te bedelen,

dat hij hem zou laten gaan, en eindelijk zei de vader: »Ga dan maar;

door schade en schande moet je wijs worden.« De moeder gaf hem een

koek meê, die met water en in de asch gebakken was, en daarbij een

flesch zuur bier. In het bosch was weêr het oude mannetje; het groette

hem en zei: »geef mij een stuk van je koek en een slok uit je flesch,

ik heb zoo'n dorst en honger.« Toen antwoordde Domoor: »ik heb maar

een aschkoek en zuur bier, als je dat hebben wilt, kom dan maar bij

mij zitten, dan gaan wij eten en drinken.« En zij zijn gaan zitten

en hebben gegeten en gedronken, en daarna zei het mannetje: »omdat

je zoo'n goed hart hebt, en graag van het jouwe wat meedeelt, zal ik

je geluk geven. Daar staat een oude boom, hak dien om, dan zul je in

de wortels iets vinden.« Toen nam het mannetje afscheid. Domoor hakte

den boom om, en toen hij gevallen was, zat er tusschen de wortels een

gans, en die gans had veêren van het zuiverste goud. Hij pakte de gans

op, en ging een herberg binnen waar hij overnachten wilde. Nu had de

waard drie dochters; zij waren nieuwsgierig toen zij de gans zagen;

zij wilden weten wat het voor een wonderlijke vogel was, en zij wilden

ook graag een van zijn veêren hebben. En de oudste dacht: »ik zal en

moet een gouden veer hebben,« zij wachtte tot Domoor uitgegaan was,

en toen pakte zij de gans bij een vleugel; maar haar hand en vingers

bleven er aan vastkleven. Kort daarop kwam de tweede dochter, en die

had ook geen rust of zij moest een gouden veêr hebben; maar nauwelijks

had zij haar zuster aangeraakt of haar hand bleef vastzitten. Eindelijk

kwam ook de derde om een veêr; toen riepen de twee anderen: »blijf

weg, blijf toch in godsnaam weg!« maar zij begreep niet, waarom zij

weg zou blijven en zij dacht: »als zij er bij zijn kan ik er ook bij,«

en toen sprong zij er heên. Maar toen zij haar zuster had aangeraakt,

zat zij ook vast. En zoo moesten zij dien nacht bij de gans blijven.

Den volgenden morgen pakte Domoor zijn gans op, en ging er meê

weg, en om de meisjes, die er aanhingen bekreunde hij zich in het

minst niet. Zij moesten maar meêloopen, links en rechts, zooals het

uitkwam. Midden op den landweg kwam hen de dominee tegen, en toen

hij het spektakel zag, riep hij: »schaamt je toch, jelui onkuische

meisjes, met een jongen knaap zoo door het veld te loopen, past je

dat?« En hij nam de jongste bij de hand, en wilde haar wegtrekken,

maar toen hij haar aanraakte bleef hij ook kleven, en moest zelf

meêloopen. Niet lang daarna kwam de koster, en zag hoe de dominee

drie jonge meisjes vlak achteraan liep. Dat verwonderde hem en hij

riep: »wel, dominee, waar gaat dàt naar toe? denk er aan, dat er van

daag nog een kind gedoopt moet!« en hij liep op hem toe en trok hem

bij zijn mouw, maar toen zat hij ook vast. Toen die vijf zoo achter

elkaâr aan draafden, kwamen twee boeren met hun hakken van het land. De

dominee riep hen toe, of zij hem en den koster los wilden maken. Maar

nauwelijks hadden zij den koster aangeraakt, of zij bleven vastzitten

en nu waren er zeven, die Domoor en zijn gans achterna liepen.

Hij kwam al gauw in een stad; daar regeerde een koning die had zóó'n

ernstige dochter, dat niemand haar kon laten lachen. Daarom had hij

een wet afgekondigd, dat hij, die haar aan het lachen kon brengen,

met haar zou mogen trouwen. Toen Domoor dat hoorde, ging hij met

de gans en toebehooren, naar de prinses, en toen die nu die zeven

menschen zoo al maar achter elkaâr aan zag loopen, begon zij hard

te lachen en kon niet meer bedaren. Toen verlangde Domoor haar

als zijn bruid; maar de koning had allerlei uitvluchten, en zei,

hij moest eerst een man brengen, die een heele kelder met wijn kon

uitdrinken. Domoor dacht aan het grijze mannetje, dat zou hem wel

kunnen helpen, en hij ging het bosch weêr in, en naar de plaats waar

hij den boom had geveld; dáár zag hij een man zitten, die trok een

allerdroevigst gezicht. Domoor vraagde wat hem toch zoo vreeselijk

aan zijn hart ging. »Ik heb zoo'n dorst,« antwoordde hij, »en ik kan

maar niet genoeg te drinken krijgen; een vat wijn heb ik leeg, maar

wat is een druppel op een gloeienden steen?« »Dan kan ik je helpen,«

zei Domoor, »ga maar meê, dan kun je je genoegen drinken.« Hij bracht

hem toen in 's koning's kelder, en de man viel op de groote vaten aan,

en dronk en dronk, tot hij geen adem meer had, en vóór den dag om was,

had hij de heele kelder leeggedronken. Nu verlangde Domoor zijn bruid

weêr; maar de koning ergerde zich, dat zoo'n gewone jongen, die door

iedereen Domoor genoemd werd, zijn dochter zou krijgen. Hij maakte weêr

nieuwe voorwaarden: Eerst zou hij een man zoeken, die een heelen berg

brood eten kon. Domoor ging weêr naar het bosch waar hij den boom had

omgehakt; op die plaats zat een man, die zich met een riem het lijf

samen snoerde en een verdrietig gezicht zette. »Ik heb een oven vol

brood gegeten, maar wat helpt dat, zoo'n honger als ik heb! Ik voel

altijd nog een leege maag, en ik moet mij insnoeren om niet van honger

te sterven.« Toen Domoor dat hoorde, had hij schik: »sta maar op en

ga mee, dan kun je je genoegen eten!« Hij bracht hem bij den koning;

die had al het meel uit het heele rijk laten aanvoeren, en er een

kolossalen berg van laten bakken. De man uit het bosch ging er vóór

staan, en begon te eten: in één dag was de heele berg verdwenen. Nu

eischte Domoor zijn bruid op; maar de koning zocht nog een uitvlucht:

hij verlangde een schip, dat te land en te water kon varen. Wist hij

dat te krijgen dan zou hij de koningsdochter mogen trouwen. Domoor

ging maar weêr naar het bosch; daar zat het oude mannetje, dat

hij zijn koek had gegeven en het zeide: »Ik heb voor je gedronken

en gegeten, ik zal je ook het schip geven; en dat doe ik allemaal,

omdat je zoo goed voor mij zijt geweest.« En hij gaf hem het schip,

dat te land en te water kon varen, en toen de koning dat zag, kon

hij hem zijn dochter niet langer onthouden. De bruiloft werd gevierd,

en Domoor leefde nog langen tijd heel vergenoegd met zijn vrouw.

LXV.

ALBONTJE.

Een koning had een vrouw met haren van louter goud, en zoo mooi was

zij, dat zij haar gelijke op aarde niet had. Maar zij werd ziek; en

toen zij voelde dat zij ging sterven, riep zij den koning en sprak:

»Als ge na mijn dood een vrouw wilt nemen moet het geen andere zijn

dan eene, die zoo mooi is als ik, en ook zulke gouden haren heeft.«

Toen de koning het beloofd had, sloot zij haar oogen en stierf.

Lang was de koning troosteloos, en hij dacht niet aan een andere

vrouw. Maar eindelijk sprak 's koning's raad: »het gaat niet anders,

de koning moet weêr trouwen, dat wij een koningin hebben.« En nu

werden boden uitgezonden heinde en ver, om een bruid te zoeken, die

zoo mooi was als de gestorven koningin. Maar in de geheele wereld

was er geen zoo mooi, en al was er een zoo mooi geweest, zulke gouden

haren waren toch niet meer te vinden. En de boden kwamen onverrichter

zake weêr thuis.

Maar de koning had een dochter, die was juist zoo mooi als hare moeder

geweest was, en zij had ook zulk gouden haar. Toen zij was opgegroeid

heeft de koning haar eens aangezien, en hij zag, dat zij geheel gelijk

was aan de gestorven koningin. Toen voelde hij opeens liefde voor haar,

en hij sprak tot zijn raad: »ik wil mijn dochter trouwen, want zij is

het evenbeeld van mijn gestorven vrouw en anders kan ik toch geen bruid

op aarde vinden.« Toen de raad dat hoorde, was er groote ontsteltenis

en zij spraken: »God heeft verboden, dat een vader zijn dochter trouwt,

en uit zonde kan geen goed voortkomen.« De dochter schrikte ook, en

zij hoopte haar vader's hart te doen keeren. Daarom zeide zij: »voor

ik uw wensch vervul, moet ik eerst drie kleedjes hebben: één gulden

als de zon, één zilver als de maan, en één glanzend als de sterren. Ook

verlang ik een mantel, van alle soorten van pelswerk en bont in elkaâr

gezet; ieder dier in uw rijk moet een stuk van zijn huid er voor

geven.« En zij dacht bij zichzelve: »dát is zeker niet te krijgen,

en mijn vader zal zijn plan moeten opgeven.« Maar de koning hield vol,

en de handigste vrouwen uit zijn rijk moesten de drie gewaden weven:

het ééne, gulden als de zon, het tweede, zilver als de maan, en het

derde glanzend als de sterren. En de jagers moesten alle dieren uit

het rijk opvangen, en een stuk van hun huid af nemen, en daaruit werd

een bonten mantel gemaakt. Toen alles klaar was, heeft de koning het

haar laten brengen en heeft gezegd: »morgen zal de bruiloft zijn.«

Sprookjes: Tweede verzameling · 第 10 / 12 段