in den middag tegen den waard: »zoudt ge wel gelooven heer waard,
dat ik hier dezen middag brood van 's konings tafel zal eten?« »Nu,«
zei de waard, «daar verwed ik nog wel honderd goudstukken om, dat
dat niet waar is.« De jager nam de weddingschap aan, en zette er een
beurs met honderd goudstukken tegen. Toen riep hij de haas, en zei:
»Ga eens vlug, lieve springer, en haal mij van het brood dat de koning
eet.« Nu was het haasje de minste en kon het geen ander opdragen,
maar moest zelf beenen maken. En hij dacht bij zichzelf: »Als ik
zoo alleen door de straat ga, zal ik gauw de slagershonden achter
mij hebben.« En dat gebeurde ook, de honden kwamen hem achterna, en
hadden plan hem zijn kostelijke huid uit te stukken. Maar hij rende
van wat ben je me, en hij vluchtte in een schilderhuis zonder dat
de schildwacht het merkte. Toen kwamen de honden om hem er uit te
halen; maar de soldaat verstond geen gekscheeren, en hij sloeg er
met zijn geweer oplos, dat zij jankend en huilend wegliepen. Toen
de haas merkte, dat de kust vrij was, sprong hij het slot binnen,
recht op de koningsdochter af, zette zich onder haar stoel en krabde
over haar voet. »Wil je weg gaan!« zei ze, en ze dacht, dat het haar
hond was. De haas krabde weer aan haar voet. »Wil je weg gaan,« zeide
zij weer, en zij dacht nog, dat het haar hond was. Maar de haas hield
vol, en krabde weer. Toen keek ze, en zij herkende den haas aan zijn
halsband. Nu nam zij hem op haar schoot en droeg hem naar haar kamer,
en daar zeide zij: »lieve haas wat wil je?« En hij antwoordde. »Mijn
meester, die den draak gedood heeft is hier, en hij stuurt mij om
een brood te vragen, zooals de koning het eet.« En zij verheugde zich
en zond om den bakker en gebood hem een brood te brengen, zooals de
koning het at. Maar het haasje zei: »de bakker moet het ook voor mij
wegbrengen, dat de slagershonden mij geen kwaad doen.« De bakker droeg
het brood tot aan de deur van de gelagkamer, en daar ging de haas op
zijn achterpooten staan, nam het brood in de voorpooten en bracht
het zijn meester. Toen sprak de jager: »ziet ge wel, heer waard,
de goudstukken zijn voor mij.« De waard was ten hoogste verbaasd,
maar de jager sprak: »ja meester waard, nu heb ik het brood, maar nu
wil ik ook het vleesch er bij hebben, dat de koning eet.«
»Dat wou ik wel eens zien,« zei de waard; maar wedden deed hij niet
meer. Toen riep de jager den vos, en zei: »vosje, ga eens gauw en haal
mij van het vleesch, dat de koning eet.« De vos maakte zijn zaakjes
beter en sloop door hoeken en gaten, zonder dat een hond hem zag; en
hij kroop onder den stoel van de prinses en krabde haar voet. Toen
keek ze, en herkende den vos aan zijn halsband, en zij nam hem meê
naar haar kamer en zei: »Vosjelief, wat wil je?« En hij antwoordde:
»mijn meester, die den draak gedood heeft, is hier, en hij zendt mij
om van het gebraad te halen, dat de koning eet.« Zij zond toen om den
kok, die moest een stuk gebraad bereiden zooals de koning het at,
en het voor den vos dragen tot aan de deur, daar nam de vos hem de
schotel af en bracht die aan zijn meester.
»Zie je heer waard,« zei de jager, »brood en vleesch heb ik nu;
nu wil ik ook groenten hebben zooals de koning ze eet.« En hij riep
den wolf, en sprak: »lieve wolf, ga eens heen en haal mij groente
zooals de koning ze eet.« De wolf ging recht naar het slot, omdat
hij voor niemand bang was en toen hij bij de prinses kwam trok hij
haar achter aan haar kleed, dat zij moest omkijken. Zij herkende
hem aan zijn halsband en nam hem mee naar haar kamer en daar sprak
zij: »lieve wolf, wat wil je?« En hij antwoordde: »mijn meester,
die den draak gedood heeft, is hier, en zendt mij om groente te
vragen zooals de koning ze eet.« Toen liet zij den kok komen, die
moest een schaal groenten bereiden, zooals de koning ze at en dien
voor den wolf wegbrengen tot aan de deur. Daar nam hem de wolf de
schaal af en bracht dien aan zijn meester. »Ziet ge, meester waard,
nu heb ik brood, vleesch en groente, maar ik wil ook gebak hebben,
zooals de koning het eet.« En hij riep den beer: »Beertje, je snoept
wel eens graâg wat zoets, haal mij eens wat gebak zooals de koning het
eet.« De beer draafde naar het slot, en iedereen ging hem uit den weg;
maar toen hij bij de wacht kwam, legden zij zware geweren op hem aan,
en wilden hem niet binnen laten gaan. Toen richtte hij zich op en
gaf links en rechts met zijn klauwen een paar patsen, dat de heele
wacht door elkaâr viel; en daarop liep hij recht naar de prinses,
ging achter haar staan en bromde een beetje. Zij keek achter zich
en herkende den beer, en zeide hem meê naar haar kamer te gaan en
daar vroeg zij: »lieve beer, wat wil je?« En hij antwoordde: »mijn
meester die den draak gedood heeft is hier, en ik moet vragen om het
gebak, dat de koning eet.« Zij liet den suikerbakker komen, die moest
gebak en suikerwerk maken, zooals de koning het at, en het tot aan
de deur dragen; daar richtte de beer zich rechtop, nam hem de schaal
af en bracht die aan zijn meester. »Zie je heer waard,« sprak hij,
»nu heb ik brood, vleesch, groente en gebak, nu wil ik ook nog wijn
drinken zooals de koning ze drinkt.« En hij riep den leeuw en sprak:
»lieve leeuw, je drinkt je ook graag een roes, haal mij eens van den
wijn, dien de koning drinkt.« Toen de leeuw nu over de straat schreed
vluchtte het volk voor hem, en toen hij bij de wacht kwam, wilde die
hem den weg versperren; maar hij brulde even en toen gingen zij ook
op de vlucht. Nu ging de leeuw naar het koninklijk verblijf en klopte
tegen de deur met zijn staart. De koningsdochter kwam er toen uit,
en bijna verschrikte zij van den leeuw, maar zij herkende hem aan het
gouden slot van haar halsketting, en nam hem meê naar haar kamer en zij
sprak: »lieve leeuw, wat wilt ge?« En hij antwoordde: »mijn meester,
die den draak gedood heeft, is hier; ik moet vragen om den wijn, dien
de koning drinkt.« Zij liet den schenker komen, die moest den leeuw den
wijn geven, die de koning gewoon was te drinken. Maar de leeuw zeide:
»Ik zal meegaan, en toezien, dat ik de rechte krijg.« Hij ging met den
schenker naar de kelder, en beneden gekomen, wilde die hem van den
gewonen wijn aftappen, die door 's konings dienaren gedronken werd;
maar de leeuw zeide: »wacht een oogenblik, ik wil den wijn eerst
proeven,« en hij tapte zich een halve maat af en slokte hem in ééns
naar binnen. »Neen,« zeide hij, »dat is niet de rechte.« De schenker
keek hem schuin aan, en wilde hem toen uit een ander vat geven, dat
voor 's konings maarschalk bestemd was. »Wacht een oogenblik, ik wil
eerst den wijn proeven,« sprak de leeuw, en hij tapte zich een halve
maat af, en dronk het uit; »hij is beter, maar nog niet de rechte.«
Toen werd de schenker boos, en zei: »Wat kan nu zoo'n beest van
wijn afweten!« Maar de leeuw gaf hem toen een slag achter de ooren,
dat hij niet heel zacht op den grond kwam, en toen hij weer op zijn
beenen stond, bracht hij den leeuw zonder spreken, in een kleine
afgeschoten kelder, waar 's konings wijn lag, dien niemand anders
ooit te drinken kreeg. De leeuw tapte eerst een halve maat voor zich
af, en dronk: »dat kan de rechte zijn,« en hij liet den schenker
zes flesschen vullen. Zij gingen nu naar boven; maar toen de leeuw
buiten kwam, zwaaide hij heen en weer en was een beetje dronken,
en den schenker zeide hij, den wijn tot voor de deur te dragen;
dáár nam hij hem de mand af, en bracht die zijn meester. Toen zei
de jager: »zie je, heer waard, nu heb ik brood, vleesch, groente,
gebak en wijn, zooals de koning het gebruikt, en nu zal ik met mijn
dieren het middagmaal houden,« en hij ging zitten, en at en dronk,
en gaf den haas, den vos, den wolf, den beer, en den leeuw ook te
eten en te drinken; en hij was vroolijk, want hij begreep, dat de
prinses hem nog lief had. Toen de maaltijd gehouden was, sprak hij:
»heer waard, nu heb ik gegeten en gedronken, zooals de koning eet
en drinkt, nu zal ik ook aan het hof gaan en de prinses trouwen.« En
de waard zei: »hoe moet dat gaan, als zij al een bruidegom heeft en
het van daag haar trouwdag is?« Toen haalde de jager den zakdoek te
voorschijn, die de koningsdochter hem op den drakenberg gegeven had,
en waarin hij de zeven tongen van het monster bewaarde, en hij zeide:
»daarbij zal mij helpen wat ik hier in de hand heb.« De waard keek
naar den zakdoek: »al geloofde ik ook alles, dan geloof ik dàt toch
niet, ik verwed er huis en hof onder.« Maar de jager nam een buidel
met goudstukken, legde die op tafel en zei: »en dit houd ik er tegen.«
Aan de koninklijke tafel sprak de koning tot zijn dochter: »Wat
was dat, dat al die wilde dieren bij je kwamen, en in en uit gingen
in mijn slot?« Zij antwoordde toen: »ik mag het niet zeggen; maar
laat den meester van die dieren ontbieden, dan zult ge wèl doen.«
De koning zond een dienaar naar de herberg en liet den vreemdeling
uitnoodigen, en de dienaar kwam juist, toen de jager met den waard
gewed had. Toen sprak hij: »zie je, heer waard, nu zendt de koning
zijn dienaar om mij uit te noodigen, maar zóó ga ik nog niet.«
En tot den dienaar zeide hij: »ik laat den Heer koning verzoeken,
mij koninklijke kleederen te zenden, een koets met zes paarden en
dienaren om mij te bedienen.« Toen de koning dat antwoord hoorde,
sprak hij tot zijn dochter: »wat zal ik doen?« En zij antwoordde:
»laat hem halen zooals hij het verlangt, ge zult er wèl aan doen.«
Toen zond de koning vorstelijke kleeren, een koets met zes paarden,
en dienaars om hem te bedienen. Toen de jager hen zag komen zeide hij:
»zie je, heer waard, nu word ik afgehaald zooals ik het verlangd heb.«
Hij trok de koninklijke kleeren aan, nam den doek met de drakentongen,
en reed naar den koning. Toen de koning hem zag komen, zeide hij tot
zijn dochter: »hoe zal ik hem ontvangen?« En zij antwoordde: »ga hem
tegemoet, ge zult er wèl aan doen.« Toen ging de koning hem tegemoet,
en leidde hem naar boven, en zijne dieren volgden. De koning wees hem
een plaats aan tusschen zichzelf en zijn dochter. De maarschalk zat
aan den anderen kant als bruidegom, maar hij kende hem niet meer. Nu
werden juist de zeven drakenkoppen ten toon gesteld, en de koning
sprak: deze zeven koppen heeft de maarschalk den draak afgeslagen,
daarom geef ik hem heden mijn dochter ten huwelijk. Nu stond de jager
op, opende de zeven muilen, en vroeg: »waar zijn de zeven tongen van
den draak?« De maarschalk verschrikte; hij werd bleek en wist geen
antwoord; maar eindelijk zei hij in zijn angst: »draken hebben geen
tongen.» »Leugenaars moesten geen tongen hebben!« sprak de jager,
»maar de drakentongen zijn het waarteeken van den overwinnaar,» en toen
opende hij den doek, en alle zeven tongen lagen er in. Toen stak hij
in iederen muil de tong die er in hoorde, en zij pasten precies. En
daarna nam hij den doek, waarin de naamletters van de prinses gestikt
waren en toonde het de jonkvrouw; en hij vroeg haar, aan wien zij den
zakdoek gegeven had. »Aan hem, die den draak had gedood.« Toen riep hij
zijn dieren, nam ieder zijn halsband af, en den leeuw het gouden slot,
en toonde ze de jonkvrouw, en vroeg wie dat alles toebehoorde. En zij
antwoordde: »de halsketting en het gouden slot behoorden mij toe,
ik heb ze onder de dieren verdeeld, die den draak hielpen dooden.«
Toen sprak de jager: »Na den strijd, toen ik moe en afgemat was, en
rustte en sliep, kwam de maarschalk en heeft mij het hoofd afgehouwen,
en de koningsdochter heeft hij weggedragen en hij heeft voorgegeven,
dat hijzelf den draak gedood had. Dat hij gelogen heeft, bewijs ik met
de tongen, den doek en den halsketting.« En hij vertelde, hoe de dieren
hem met een wonderbaren wortel genezen hadden, en dat hij een jaar
lang met hen had rondgetrokken en eindelijk weer hier was aangekomen,
en dat het bedrog van den maarschalk hem door den waard was verteld
geworden. Toen vroeg de koning zijn dochter: »is het waar, dat deze
den draak gedood heeft?« En zij antwoordde: »ja, het is waar; nu kan ik
ook het schandelijk gedrag van den maarschalk openbaar maken, omdat het
zonder mijn toedoen aan het licht kwam; want hij heeft mij met dreigen,
tot zwijgen gedwongen. Daarom heb ik volgehouden dat eerst over een
jaar en een dag de bruiloft zou gehouden worden.« De koning liet nu
twaalf raadsheeren ontbieden, die moesten over den maarschalk richten,
en het vonnis werd gesproken, dat hij door vier paarden vanééngereten
zou worden. Zoo werd den maarschalk recht gedaan; maar de jager kreeg
's konings dochter tot vrouw, en hij werd tot stadhouder des konings
in het geheele rijk uitgeroepen. De bruiloft werd met groote vreugde
gevierd; en de jonge koning liet zijn vader en pleegvader halen en
overlaadde hen met schatten. Den waard vergat hij ook niet; hij liet
hem bij zich ontbieden en zeide: »ziet ge, heer waard, de prinses heb
ik getrouwd, en uw huis en hof zijn mijn.« Toen sprak de waard: »Ja,
dat zijn zij, naar recht en billijkheid.« Maar de jonge koning zeide:
»Maar het moet hier niet naar recht, maar naar genade gaan: uw huis
en hof kunt ge behouden, en de duizend goudstukken schenk ik u er bij.«
De jonge koning en de jonge koningin waren gelukkig en hadden het
goed. Hij trok dikwijls ter jacht, want dat was zijn groote vreugde,
en zijne dieren moesten hem begeleiden. Nu was er in de nabijheid een
bosch, daarvan heette het, dat het er niet recht pluis was, en wie er
in kwam, kwam er niet gemakkelijk weêr uit. De jonge koning had echter
groote lust in dat bosch te jagen, en hij liet den ouden koning niet
met rust, voor die het hem vergunde. Hij reed er toen met groot geleide
heen, en toen hij in het bosch kwam, zag hij een sneeuwwitte hertekoe,
en sprak toen tot zijn gevolg: »houdt hier halt tot ik terugkom,
want dat fraaie wild wil ik jagen.« En hij reed haar na, het bosch
in; zijne dieren volgden hem. Zijn geleide wachtte tot den avond maar
hij kwam niet terug. Toen reden zij naar huis en verhaalden de jonge
koningin hoe de koning in het betooverde bosch een witte hertekoe had
gevolgd en niet terug was gekomen. Toen was zij in groote zorg. Hij
was het schoone wild steeds nagegaan, en kon het niet inhalen; meende
hij, dat hij het onder schot had, dan was het op eens heel ver,
en eindelijk verdween het heel en al. Nu merkte hij, dat hij diep
midden in het bosch geraakt was, en nam zijn hoorn en blies; maar er
volgde geen antwoord, want zijn gevolg kon het niet hooren. En toen
nu ook de nacht kwam, begreep hij dat hij dezen dag niet meer thuis
zou komen. Hij steeg af, en maakte een vuur aan bij een boom: daar
wilde hij overnachten. Toen hij bij het vuur zat, en zijn dieren zich
naast hem gelegerd hadden, meende hij een menschelijke stem te hooren;
hij keek om, maar er was niets. Kort daarop hoorde hij weer steunen,
alsof het van boven kwam; hij keek toen in de hoogte, en daar zag hij
een oud wijf op den boom zitten, en zij jammerde aan één stuk door:
»hu-u-u! wat heb ik het koud!« Toen zeide hij: »wel, kom er dan af,
en warm je als je 't koud hebt.« »Neen,« zei ze, »je dieren bijten
mij.« En hij antwoordde: »Neen, zij doen je niets moedertje, kom
er maar af.« Maar zij was een heks en zeide: »ik zal een takje van
den boom af gooien; als je hen daarmeê op hun rug slaat doen zij mij
niets.« Zij gooide toen een tak naar beneden, en hij sloeg hen er meê:
dadelijk lagen zij stil en zij waren in steen veranderd. En toen de
heks nu veilig was voor de dieren, kwam zij naar beneden, en roerde
hem ook met een tak aan, toen werd hij ook steen. Toen lachte zij en
sleepte hem en de dieren in een kuil, waar meer zulke steenen lagen.
Toen de jonge koning maar niet terug kwam, namen de angst en onrust
van de koningin steeds toe. Nu gebeurde het, dat juist in dezen tijd,
de andere broeder, die bij de scheiding naar het oosten getrokken was,
in het koninkrijk kwam. Hij had een dienst gezocht, maar niet gevonden,
had heen en weer getrokken en zijn dieren laten dansen. Toen was het
hem ingevallen, eens naar het mes te kijken, dat zij bij de scheiding
in een boomstam hadden gestooten, om te weten hoe het met zijn broeder
stond. Toen hij daar kwam was de kant van zijn broêr half verroest en
half nog blank. Toen schrikte hij en dacht: »er moet mijn broeder een
groot ongeluk overkomen zijn; maar misschien kan ik hem nog redden,
want de helft van het mes is nog blank,« en hij trok met zijn dieren
naar het westen. Toen hij de stadspoort binnenging, presenteerde de
wacht het geweer, en vroeg of zij hem bij de koningin zouden aanmelden;
want de jonge koningin was al sedert een paar dagen in grooten angst
over zijn uitblijven, en zij meende, dat hij in het betooverde bosch
was omgekomen. De wacht dacht niet anders of het was de jonge koning
zelf, zoo geleek hij hem, en hij had ook de wilde dieren achter zich
aan loopen. Hij bemerkte toen, dat er van zijn broêr gesproken werd en
dacht: »het zal het beste zijn, dat ik mij maar houd of het zoo is,
dan kan ik hem misschien nog gemakkelijker redden.« Hij liet zich nu
door de wacht naar het slot geleiden en werd er met groote vreugde
ontvangen. De jonge koningin meende niet anders dan dat hij haar
echtgenoot was. Hij vertelde haar, dat hij in het bosch verdwaald was
geweest en er niet eerder weer uit had kunnen komen. Des avonds werd
hij naar het koninklijke bed geleid, maar hij legde een tweesnijdend
zwaard tusschen zich en de jonge koningin. Zij begreep niet wat dat
beduiden moest, maar heeft het niet durven vragen. Hij bleef een paar
dagen, en in dien tijd kwam hij alles te weten, wat betrekking had op
het betooverde bosch, en eindelijk zei hij: »ik moet daar toch nog
eens jagen.« De koning en de jonge koningin wilden het hem uit zijn
hoofd praten, maar hij stond er op, en trok met een groot gevolg er
op uit. Toen hij in het bosch kwam, zag hij even als zijn broeder een
witte hertekoe en hij sprak tot zijn gevolg: »houdt hier halt tot ik
terug kom, dat fraaie wild wil ik jagen,« en hij reed verder het bosch
in; zijne dieren volgden hem. Nu ging het hem even als zijn broeder:
het hert kan hij niet inhalen, en hij raakte zóó diep in het bosch,
dat hij er overnachten moest. En toen hij een vuur had aangemaakt,
hoorde hij boven zich steunen: »hu-u-u! wat heb ik het koud!«
Toen keek hij naar boven en zag dezelfde heks boven in den boom en hij
riep: »als je 't koud hebt moedertje, kom dan naar beneden en warm je.«
»Neen,« riep zij, »je dieren bijten mij.« Maar hij antwoordde: »zij
doen je niets.« Toen riep zij: »ik zal een tak naar beneden gooien,
als je ze daarmee slaat, bijten zij niet.« Toen de jager dat hoorde
vertrouwde hij de oude niet, en zei: »mijne dieren sla ik niet, kom
naar beneden, of ik haal je.« Toen riep zij: »wat denk je wel, je doet
mij toch niets!« En hij antwoordde: »als je niet komt, schiet ik je er
uit.« En zij: »schiet maar toe, ik maal niet om je kogels.« Hij legde
toen aan en schoot, maar de heks was voor looden kogels onkwetsbaar,
en gilde van 't lachen en ze riep: »je kunt mij toch niet treffen!«
Maar de jager wist raad: hij trok drie zilveren knoopen van zijn jas en
laadde daarmee het geweer, want daartegen vermocht haar kunst niets,
en toen hij losdrukte viel zij akelig schreeuwend uit den boom. Toen
zette hij zijn voet boven op haar en zei: »oude heks, als je niet
dadelijk zegt waar mijn broêr is, dan pak ik je op, en gooi je in het
vuur.« Zij was in groote angst en smeekte om genade en zeide: »hij
ligt met zijn dieren versteend in een kuil.« Toen dwong hij haar meê
te gaan, »oude meerkat, nu maak je mijn broer en alle schepsels die
hier liggen, weêr levend, of je komt in 't vuur.« Zij nam een stok,
en roerde de steenen aan; toen werden zijn broeder en de dieren weer
levend en ook vele anderen, kooplieden, handwerkers, herders, stonden
op, bedankten hem voor hun verlossing en trokken huiswaarts. Maar
de tweelingbroeders kusten elkander, toen zij elkaâr terug zagen,
en verheugden zich van ganscher harte. Toen grepen zij de heks,
bonden haar, en legden haar in 't vuur, en toen zij verbrand was,
opende zich het bosch van zelf, het werd er licht en zonnig en het
koninklijk slot kon men op drie uur afstand zien.
Nu gingen de twee broeders te zamen naar huis en vertelden elkander
onderweg hun lotgevallen. En toen de jongste zei dat hij 's konings
plaats vervulde in het heele land, zei de andere: »dat heb ik wel
gedacht, want toen ik in de stad kwam, en voor jou werd aangezien,
geschiedde mij alle koninklijke eer; de jonge koningin hield mij voor
haar gemaal, en ik moest aan hare zijde eten en in je bed slapen.«
Toen de andere dat hoorde werd hij zoo jaloersch en toornig dat hij
zijn zwaard trok, en zijn broer het hoofd afsloeg. Maar toen hij
nu dood lag en het roode bloed vloede, werd zijn berouw geweldig en
hij sprak: »Mijn broeder heeft mij verlost, en daarvoor heb ik hem
gedood!« en hij jammerde luid. Toen kwam zijn haas en zeide, dat hij
den levenswortel zou halen, en sprong weg en kwam nog te rechter tijd,
en de doode werd weer levend, en bemerkte niet eens de wond.
Toen trokken zij verder, en de jongste sprak: »ge ziet er uit als
ik: ge draagt als ik koninklijke kleeren, en de dieren volgen u als
mij. Wij zullen de tegen-overgestelde poorten binnengaan, en van
verschillende kanten bij den ouden koning aankomen.« Toen gingen
zij van elkaar; en bij den ouden koning kwam tegelijk de wacht
van de eene en van de andere poort, en meldde dat de jonge koning
met zijn dieren van de jacht teruggekeerd was. Toen zei de koning:
»dat is niet mogelijk: de poorten liggen een uur van elkaar.« Juist
kwamen de twee broeders van twee kanten het slotplein oprijden en
stegen beiden de trappen op. Toen sprak de koning tot zijn dochter;
»Zeg nu, welke is je echtgenoot? De eene ziet er uit als de andere;
ik kan het niet zeggen.« Toen was zij in grooten angst, want zij wist
het niet, maar daar dacht zij opeens aan den halsketting, dien zij
de dieren gegeven had, en aan den leeuw van haar echtgenoot zag zij
het gouden slootje; toen sprak zij vergenoegd: »deze is mijn echte
man!« Toen lachte de jonge koning en zei: »ja, het is de rechte,«
en ze zetten zich allen te zamen aan tafel, en aten en dronken en
waren vroolijk. 's Avonds toen de jonge koning naar bed ging, zeide
zijn vrouw: »waarom heb je de vorige nachten altijd een tweesnijdend
zwaard in het bed gelegd? Ik heb gedacht, dat je mij wilde doodsteken.«
Nu begreep hij, hoe trouw zijn broeder hem geweest was.
LXI.
HET BOERKE.
Er was een dorp, daar woonden enkel rijke boeren, en maar één arme:
dien noemden zij het »boerke«. Hij bezat niet eens een koe, en nog
minder geld om er een te koopen; en hij en zijn vrouw hadden er toch
zoo graag een gehad. Maar eens zei hij tegen zijn vrouw: hoor eens, ik
heb daar een goeden inval; wij hebben toch onzen neef de schrijnwerker,
die moet ons eens een kalf van hout maken, en het bruin schilderen,
dat het er als een gewoon kalf uitziet; het zal mettertijd wel groot
worden, dan is het een koe. Dat beviel de vrouw ook wel, en neef
de schrijnwerker timmerde en schaafde het kalf, en schilderde het
naar den aard, en hij maakte het zoo, dat de kop naar beneden hing,
alsof het vrat.
Toen den volgenden morgen de koeien naar buiten gingen, riep het boerke
den herder binnen, en zei: »kijk, hier heb ik een kalfje, maar het
is nog klein en moet gedragen worden.« »Goed,« zei de herder, en hij
nam het op zijn arm en droeg het naar de wei; daar zette hij het neer
op het gras. Het kalfje bleef daar al maar staan, of het graasde, en
de herder zei: »dat zal gauw kunnen loopen, kijk het al eens vreten.«
's Avonds toen hij de kudde weer naar huis zou drijven, sprak hij tot
het kalf: »kun je daar staan en je genoegen eten, dan kun je ook op je
vier pooten loopen, ik sleep je niet weer op mijn arm mee!« Maar het
boerke stond voor de huisdeur en wachtte op zijn kalfje; en toen nu de
herder door het dorp kwam, en het kalfje er niet bij was, vroeg hij er
naar. De herder antwoordde: »dat staat nog altijd buiten te vreten, het
wou niet ophouden en ook niet meegaan.« Maar boerke zei: »neen hoor,
ik moet mijn beest terug hebben!« Zij gingen toen samen naar de wei
terug; maar iemand had het kalf gestolen, het was weg. »Het zal wel
ergens heen geloopen zijn,« zei de herder. »Oele!« zei het boerke,
en bracht den herder voor den schout, en die veroordeelde den herder
om voor zijn onachtzaamheid het boerke een koe te vergoeden voor het
verloren kalf.
Nu hadden boerke en zijn vrouw de lang gewenschte koe; zij waren
machtig verheugd er mee; maar zij hadden geen voêr; zij konden haar
niets te eten geven, en zoo moest ze al dadelijk weer geslacht
worden. Ze pekelden het vleesch, en boerke ging naar de stad om
daar de huid te verkoopen, en voor het geld een nieuw kalfje te
bestellen. Onderweg moest hij langs een molen; daar zat een raaf met
lamme vleugels; boerke nam hem uit medelijden op en wikkelde hem in
de huid. Maar het was zulk boos weer, storm en regen, dat hij niet
verder kon, en hij ging den molen binnen en vroeg of hij er schuilen
mocht. De molenaarsvrouw was alléén thuis en zei tot het boerke:
»ga daar maar op het stroo liggen,« en ze gaf hem een boterham met
kaas. Het boerke at en ging toen liggen en de vrouw dacht: »die is
moe en slaapt.« Nu kwam de pastoor binnen en de vrouw ontving hem
vriendelijk en zei: »mijn man is uit, nu gaan wij smullen!« Boerke
had het gehoord, en bij »smullen« dacht hij aan de boterham met kaas,
die voor hem goed genoeg was geweest, en dat ergerde hem. De vrouw
droeg nu op, vierderlei gebraad, sla, gebak en wijn.
Toen zij gezeten waren, en 't eten zou beginnen, klopte men buiten
aan de deur.
»O, jeè, dat is mijn man!« zei de vrouw. En vlug ging het gebraad in
de kachel, de wijn onder het hoofdkussen, de sla op het bed, het gebak
onder het bed en de pastoor in de kast op den deel. Daarna maakte
zij den man de deur open en sprak: »gelukkig, dat je weer thuis bent!«
De molenaar zag boerke op het stroo liggen, en vroeg: »wat moet
die kerel daar?« »Och,« zei de vrouw, »de arme stakker kwam in dat
hondenweer en vroeg om nachtverblijf, toen heb ik hem een boterham
met kaas gegeven, en het stroo om op te liggen.« Toen zei de man:
»ik heb er niets tegen, maar geef mij maar gauw wat te eten!«
De vrouw antwoordde: »ik heb alleen maar kaas en brood.« »Wat mij
betreft, dan maar kaas en brood,« zei de man, »als 't maar eten is,«
en hij riep naar het boerke: »kom, eet nog maar eens mee!« Dat liet
boerke zich geen tweemaal zeggen, en hij stond op en at mee. »Wat
heb je daar bij je in de huid?« vroeg de molenaar. »O,« zei boerke,
»daar heb ik een waarzegger in.« »Kan hij mij ook waarzeggen?«
vroeg de molenaar. »Waarom niet,« zei het boerke, »maar hij zegt
maar vier dingen, en het vijfde houdt hij voor zich.« De molenaar
was nieuwsgierig, en zei: »laat hem eens waarzeggen.»