zoo zwaar is?« en ze zei: »Friedertje, ik moet de deur naar beneden
gooien.« »Neen Katerliesje, nu niet, dat zou ons kunnen verraden.«
»Ach, Friedertje, het moet, ze is zoo zwaar!« »Neen, Katerliesje,
hou ze maar goed vast.« »O, Friedertje, ik laat ze toch vallen!« »Laat
ze dan vallen, voor den duivel!« zei Frieder boos! Toen viel de deur
met een geweldig lawaai, en de kerels riepen: »de duivel komt uit den
boom!« ze renden weg en lieten alles in de steek. 's Morgens toen de
twee naar beneden kwamen, vonden ze al hun goud terug en namen het
meê naar huis.
Toen ze thuis waren zei Frieder: »Katerliesje, nu moet je vlijtig
zijn en werken.« »Ja, Friedertje, dat zal ik doen, ik zal naar het
land gaan en 't koren snijden.« Toen Katerliesje op het land was zei
ze in zich zelf: »Wat doe ik nu eerst, eet ik voor ik ga snijden,
of snij ik voor ik ga eten? Kom, ik zal eerst eten.« Ze ging eten en
werd gaandeweg slaperig en toen begon ze te snijden, en half slapend
sneed ze al haar kleêren kapot, haar schort en haar rok en hemd. Toen
ze na lang slapen weêr wakker werd, was ze half naakt, en ze dacht:
»Ben ik het, of ben ik het niet? och, ik ben het niet!« Intusschen
was het nacht geworden en zij liep het dorp in en klopte bij haar man
aan het raam en ze riep: »Friedertje!« »Wat is er?« »Is Katerliesje
soms binnen?« »Ja, ja,« zei Frieder, »die is zeker binnen en ligt te
slapen!« Toen zei ze: »dan ben ik het zeker niet,« en ze liep weg.
Buiten vond ze dieven die gingen stelen, zij ging bij hen en zei:
»ik zal jelui helpen stelen.« De dieven dachten, zij zou de plaats
wel goed kennen en vonden het best. Katerliesje ging naar de huizen
en riep: »Menschen heb jelui wat, wij willen stelen!« »Dat zal goed
gaan,« dachten de dieven en ze wilden Katerliesje wel graâg weêr kwijt
zijn. Daarom zeiden ze: »de dominee heeft rapen op het land, buiten
het dorp, haal ons wat rapen!« Katerliesje ging en begon de rapen uit
te trekken, maar ze was te lui om ze naar boven te halen. Toen kwam
er een man voorbij, die zag het en bleef stil staan en hij dacht,
dat het de duivel was, die zoo in de rapen wroette. Hij liep naar den
dominee en zeî: »Dominee, de duivel is in je rapenland en hij trekt de
rapen uit.« »Och, Heer,« zei de dominee, »ik heb een pijnlijke voet,
en nu kan ik niet naar buiten om den duivel weg te bannen.« Toen
zei de man: »dan zal ik je voortduwen,« en hij duwde hem voort. Toen
ze bij het land kwamen, kwam Katerliesje in de hoogte en rekte zich
uit. »O, de duivel!« riep de dominee, en ze holden allebeî weg, en
de dominee kon met zijn zeeren voet nog harder loopen dan de man,
die hem had voortgeduwd met zijn heele beenen.
LX.
DE TWEE BROEDERS.
Er waren eens twee broeders: een rijke en een arme. De rijke was
een goudsmid en had een boos hart, de arme leefde van bezembinden,
en die was goed en verstandig. De arme had twee kinderen, het waren
tweelingbroeders, en zij leken op elkaar, als de eene waterdruppel op
de andere. De twee jongens kwamen en gingen in het huis van den rijke
en kregen dikwijls goed eten van den afval. Nu gebeurde het eens,
dat de arme man toen hij het bosch inging om rijsjes, een vogel zag,
heelemaal van zuiver goud en zóó mooi als hem nog nooit iets onder de
oogen was gekomen. Hij raapte een steentje op en gooide het naar den
vogel en hij trof hem ook; maar er viel alléén een gouden veêrtje,
en de vogel vloog weg. De man nam het veertje en bracht het aan zijn
broeder; die bekeek het en zei; »het is zuiver goud;« en hij gaf hem
veel geld er voor. Den volgenden dag klom de man in een berkenboom
en wilde een paar takken afhakken; toen vloog dezelfde vogel uit
dien boom; de man zocht, en vond een nest en er lag een gouden
ei in. Hij nam het ei en bracht het zijn broeder en weêr zei die:
»het is zuiver goud,« en hij gaf hem de waarde in geld. Eindelijk
zei de goudsmid: »Ik zou den vogel zelf wel willen hebben.« De arme
man ging weêr het bosch in, en ten derden male zag hij den gouden
vogel op een boom zitten. Toen nam hij een steen en trof hem, dat
hij naar beneden viel. Hij bracht hem zijn broeder, en die gaf hem
een groote hoop geld in de plaats. »Nu kan ik mij redden!« dacht hij,
en ging tevreden naar huis.
De goudsmid was listig en slim, en hij wist wel wat het voor een vogel
was. Hij riep zijn vrouw en zei: »braad mij dien vogel en zorg, dat er
niets van verloren gaat; ik heb zin hem heelemaal alléén op te eten.«
Het was namelijk geen gewone vogel, maar een van wonderbare geaardheid:
wie zijn hart en lever had gegeten kon iederen morgen een goudstuk
onder zijn hoofdkussen vinden. De vrouw maakte den vogel schoon,
stak hem aan het spit, en liet hem braden. Maar nu gebeurde het,
dat terwijl hij voor het vuur stond, en de vrouw voor een andere
bezigheid even uit de keuken weg was, de twee kinderen van den
armen bezembinder naar binnen liepen; zij gingen bij het spit staan
en draaiden het een paar maal rond. En toen er nu juist een paar
stukjes van den vogel in de pan vielen zei de eene: »laten wij die
paar stukjes eten, ik heb zoo'n honger en niemand zal het merken.«
Toen aten zij samen de stukjes op; maar de vrouw kwam juist binnen
en zag dat zij wat aten en ze zeide: »wat eet jelui daar?« »Een paar
stukjes, die van den vogel zijn afgevallen.« »Dat moet het hart en de
lever geweest zijn,« zei de vrouw, erg verschrikt, en omdat haar man
ze niet missen zou en boos worden, slachtte zij gauw een haantje,
nam er hart en lever uit en legde die bij den goudvogel. Toen hij
gaar was, droeg zij hem op voor den goudsmid, die hem heelemaal
opat, en niets overliet. Maar toen hij den volgenden morgen onder
zijn kussen keek en een goudstuk voor den dag dacht te halen, was er
evenmin een te vinden als in vroeger dagen. Maar de kinderen wisten
niet wat voor een groot geluk hun gebeurd was: toen zij den volgenden
ochtend opstonden, viel er iets klinkends op den grond, en toen zij
het opraapten waren het twee goudstukken. Zij brachten ze hun vader;
hij was erg verwonderd en zei: »wat zou dat wel voor een wonder zijn!«
Maar toen zij er den volgenden morgen en verder iederen dag, weer
twee vonden, ging hij naar zijn broeder en vertelde hem de vreemde
gebeurtenis. De goudsmid begreep in ééns hoe het gegaan was, en in
zijn hardvochtigheid en nijd sprak hij tot den vader: »Je kinderen
staan met den Booze in verband; neem het goud niet, maar stuur ze
weg; want hij heeft macht over hen, en zou ook jou kunnen verderven.«
De vader vreesde den Booze, en hoe hard het hem ook viel, hij bracht
de tweelingen buiten in het bosch en liet hen daar alléén; maar zijn
hart was bedroefd.
Nu dwaalden de twee kinderen in het bosch rond; zij zochten den
weg naar huis, maar zij vonden dien niet en verwarden zich meer
en meer. Eindelijk ontmoetten zij een jager. Hij vroeg: »bij wie
hoor jelui thuis, kinderen?« »Wij zijn de kinderen van den armen
bezembinder,« antwoordden zij, en zij vertelden, dat hun vader hen
verlaten had, omdat er iederen ochtend een goudstuk onder hun kussen
lag. Nu was de jager een goed man, en de kinderen bevielen hem; hij nam
hen daarom meê naar huis en zeî: »ik zal jelui vader zijn en je groot
brengen.« Zij leerden toen bij hem het jagersvak; en het goudstuk dat
zij 's morgens vonden, bewaarde hij voor hen als zij het later noodig
mochten hebben. Toen zij nu opgegroeid waren, nam de jager hen op een
dag meê in het bosch en sprak: »Heden zul jelui je proefschot doen,
dat ik je vrij kan laten en tot jagers maken.« Zij wachtten op die
plaats, en zij wachtten lang, maar er kwam geen wild. De jager keek
toen naar boven in de lucht, en hij zag een vlucht wilde ganzen,
die een driehoek maakten. »Schiet er nu uit iederen hoek één weg,«
zei hij tegen den eenen jongen. Die deed het, en zijn proefschot was
gelukt. Kort daarop kwam er weêr een vlucht; die vormden het cijfer
twee; daarvan moest de andere er uit iederen hoek een wegschieten,
en zijn proefschot gelukte ook. Nu zei de pleegvader: »Ik spreek
jelui vrij: je zijt volleerde jagers.« Daarop gingen de twee jongens
in het bosch, beraadslaagden samen en spraken iets af.
En toen zij zich 's avonds aan tafel gezet hadden om te eten, zeiden
zij tot hun pleegvader: »wij roeren het eten niet aan, voor gij
ons eerst een belofte gegeven heb.« »Wat is dan die belofte?» Zij
antwoordden: »wij zijn nu volleerd, en nu moeten wij de wereld in;
laat ons gaan en rondtrekken.« Toen zei de oude verheugd: »Je spreekt
als dappere jongens; ik heb het zelf ook gewenscht. Trek heen, het zal
jelui goed gaan!« Daarop aten en dronken zij vroolijk te zamen. Toen de
bepaalde dag kwam, kregen zij van hun pleegvader ieder een goed geweer
en een hond, en zij mochten van hun gespaarde goudstukken zooveel
meenemen als zij wilden. Hij ging toen nog een stuk weg met hen mee,
en bij het afscheid gaf hij hun nog een blinkend mes: »als je eens
ieder je weg gaat,« zei hij, »stoot dan dit mes aan den kruisweg in
een boom, dan kan degeen die terugkomt, zien hoe het zijn afwezigen
broeder gegaan is; want de kant naar welken hij heen getrokken is
roest als hij sterft; maar zoolang hij leeft, blijft zij blank.«
De twee broeders gingen en zij kwamen in een groot bosch, zóó groot,
dat zij er onmogelijk in één dag weer uit konden. Zij bleven er dus
's nachts en aten wat zij in hun knapzak bij zich hadden. Zij liepen
ook nog den tweeden dag, maar kwamen er niet uit, en hadden niets te
eten. Toen zei de ééne: »wij moeten wat schieten, anders lijden wij
honger;« hij laadde zijn geweer en keek om zich heen. Er kwam een
oude haas geloopen, daarop legde hij aan; maar de haas riep:
«Lieve jager laat mij leven,
'k Zal u ook twee jongen geven,«
en zij sprong het bosch in en bracht twee jongen; maar de beestjes
waren zoo aardig en speelden zoo vroolijk, dat de jongens het hart
niet hadden ze te dooden. Ze hielden ze bij zich, en de kleine haasjes
volgden hen op den voet. Kort daarop kwam een vos; dien wilden zij
toen schieten; maar de vos riep:
«Lieve jager laat mij leven,
'k Zal u ook twee jongen geven,«
en hij bracht twee kleine vosjes; de jagers konden die ook niet
dooden en gaven ze de haasjes als gezelschap, en de vosjes volgden
hen ook. Het duurde niet lang of er kwam een wolf; hij zou geschoten
worden, maar hij vroeg om zijn leven en riep:
»Lieve jager laat mij leven,
'k Zal u ook twee jongen geven.«
De twee jonge wolven werden bij de andere dieren gedaan en volgden
ook. Daarop kwam een beer, die wou nog wat langer blijven ronddraven
en hij riep:
»Lieve jager laat mij leven,
'k Zal u ook twee jongen geven.«
De twee beertjes kwamen ook bij de anderen. Wat kwam er toen?--Er kwam
een leeuw. De eene jager legde op hem aan, maar ook de leeuw sprak:
«Lieve jager laat mij leven,
'k Zal u ook twee jongen geven.«
Nu hadden de jongens: twee leeuwen, twee beren, twee wolven, twee
vossen en twee hazen, en ze liepen alle met hen meê en dienden
hen. Maar hun honger was nog niet gestild, en zij zeiden tegen de
vossen: »Hoor eens, jelui sluipers, zoek ons eens wat te eten, jelui
zijt slim en uitgeslapen.« Zij antwoordden: »niet ver van hier is een
dorp, daar hebben wij al menig hoentje vandaan gesleept; wij zullen u
den weg wijzen er heen.« Zoo gingen zij naar het dorp en kochten eten,
hunne dieren lieten zij ook voederen, en toen trokken ze verder.
De vossen waren goed op de hoogte van de plaatsen waar kippen gehouden
werden, en konden de jongens overal terecht wijzen.
Zij trokken nu een tijdje rond, maar zij konden geen betrekking vinden,
waar zij te zamen konden blijven; toen zeiden zij: Het gaat niet
anders, wij zullen moeten scheiden. Zij verdeelden toen de dieren,
zoodat ieder een leeuw, een beer, een wolf, een vos en een haas kreeg
en toen namen zij afscheid. Broederliefde tot in den dood beloofden
zij elkander, en het mes, dat hun hun pleegvader gaf, staken zij in
een boom; toen trok de een naar het oosten, de andere naar het westen.
De jongste kwam met zijn dieren in een stad, die met zwart floers
geheel behangen was. Hij ging in een logement en vroeg den waard
of hij ook zijn dieren kon herbergen. De waard gaf hun een stal,
waar een gat in den muur was. De haas kroop er door en haalde een
kool, de vos haalde een hoen, en toen hij dat op had, ook nog den
haan. Maar de wolf, de beer en de leeuw waren te groot en konden
er niet uit. Toen liet de waard hen in de wei brengen, waar een koe
stond te grazen, dat zij hun genoegen konden eten. Toen de jager eerst
zijn dieren verzorgd had, vroeg hij pas aan den waard, waarom de stad
zoo met floers behangen was. »Omdat morgen 's koning's éénige dochter
sterven moet,« zei toen de waard. »Is zij dan zóó zwaar ziek?« »Neen,«
sprak de waard, »zij is heel gezond, maar zij moet toch sterven.«
»Hoe dat zoo?« vroeg de jager. »Buiten voor de stad is een hooge berg,
daar woont een draak, die moet alle jaar een reine jonkvrouw hebben,
of hij verwoest het gansche land. Nu zijn alle jonkvrouwen geofferd;
er is er geene meer dan de koningsdochter, maar zonder genade moet
zij ook worden gegeven, en dat zal morgen gebeuren.«
»Maar waarom wordt de draak niet gedood?« sprak toen de jager. »Ach,«
zei de waard, »zooveel ridders beproefden het, maar het kostte allen
het leven. De koning belooft hem, die den draak doodt, zijn dochter
tot vrouw, en na zijn dood het rijk als erfgoed.»
De jager zeide toen niets meer, maar den volgenden dag nam hij zijne
dieren mee en besteeg den drakenberg. Op den top stond een klein
kerkje en voor het altaar stonden drie gevulde bekers; daarbij stond
geschreven: »wie de bekers uitdrinkt, wordt de sterkste man op aarde,
en zal het zwaard dragen, dat voor den drempel begraven ligt.« De
jager dronk niet, maar ging naar buiten en zocht in den grond naar
het zwaard, maar hij kon het niet van de plaats bewegen. Toen ging hij
binnen en dronk de bekers leeg, nu was hij sterk genoeg om het zwaard
op te lichten, en zijn hand kon het gemakkelijk zwaaien. Toen het uur
kwam, dat de jonkvrouw den draak moest geofferd worden, geleidde haar
de koning, de maarschalk en het geheele hof naar buiten. Zij zag van
verre den jager op den drakenberg, en meende, dat daar de draak stond
en haar wachtte, en zij wilde niet naar boven; maar toch moest zij
eindelijk den zwaren gang doen, opdat niet de geheele stad verloren
zou gaan.
De koning en het hof keerden in groote rouw en droefenis terug, maar
's konings maarschalk zoude blijven staan en uit de verte toezien.
Toen de koningsdochter op den berg kwam, stond daar boven niet de
draak, maar de jonge jager, en hij sprak haar troostwoorden toe en
zeide dat hij haar wilde redden, en hij geleide haar toen tot in het
kerkje en sloot achter haar de deur af. Heel kort daarop kwam met
loeien en brieschen de zeven-koppige draak. Toen hij den jager zag
was hij verwonderd en vroeg: »wat zoekt ge hier boven op den berg?«
»De jager antwoordde: »ik kom je bestrijden!« Toen sprak de draak: »zoo
menig dapper ridder heeft hier het leven moeten laten, met jou zal ik
ook gauw hebben afgerekend,« en hij ademde vuur uit zeven muilen. Het
vuur moest het dorre gras doen ontbranden, en dan zou de jager in
gloed en rook moeten omkomen, maar de dieren kwamen aangeloopen, en
trapten het vuur uit. Toen keerde de draak zich tegen den jager, maar
hij zwaaide zijn zwaard, dat het suisde en zong door de lucht, en sloeg
hem drie koppen af. Toen in ziedende woede verhief de draak zich in de
lucht, spuwde vuurvlammen over den jager uit, en wilde zich over hem
heênstorten, maar de jager hief het zwaard, en sloeg weer drie koppen
af. Nu verloor het ondier zijn weerstand en zonk inéén; maar het wilde
toch weêr den jager te lijf; die sloeg hem echter met zijn laatste
kracht de staart af en daar hij niet langer vechten kon, riep hij de
dieren en zij verscheurden het monster. Toen het gevecht geëindigd
was, ontsloot de jager de kerkdeur, en vond de koningsdochter zonder
bewustzijn neêrliggen van den schrik en angst bij het gevecht. Hij
droeg haar naar buiten, en toen zij weêr tot haarzelve kwam, en de
oogen opsloeg, toonde hij haar den verscheurden draak, en zeide haar,
dat zij nu verlost was; en zij verheugde zich en sprak: »Nu wordt gij
mijn lieve gemaal; want mijn vader heeft mij aan hém beloofd, die den
draak zou dooden.« Toen deed zij haar bloedkoralen halsketting af en
verdeelde die onder de dieren: de leeuw kreeg er het gouden slootje
van. Maar haar zakdoek, waarin haar naam stond, schonk zij den jager;
hij ging heên en sneed uit de zeven drakenmuilen de tongen weg,
en wikkelde ze in dien zakdoek; hij heeft ze toen goed bewaard.
Toen dat gebeurd was, en hij zich zoo moê en mat voelde van het
gevecht, heeft hij tot de jonkvrouw gezegd: »wij zijn beiden zoo mat
en moe, wij willen wat gaan slapen.« Zij zeide ja, en zij hebben zich
neêrgezet op den grond, en hij sprak tot den leeuw: »gij zult waken,
dat niemand ons in den slaap overvalt,« en beiden sliepen in.
De leeuw heeft zich naast hen gelegd om te waken, maar hij was ook
moê van het gevecht, en daarom heeft hij den beer geroepen en gezegd;
»Ga naast mij liggen, ik moet wat slapen; maar als er wat komt,
maak mij dan wakker.« De beer heeft zich naast hem gelegd, maar hij
was ook moê, en hij riep den wolf en zeide: »ga naast mij liggen,
ik moet wat slapen, maar als er wat komt moet je mij wakker maken.«
De wolf heeft zich toen naast hem gelegd, maar hij was ook moê en
heeft den vos geroepen en gezegd: »ga naast mij liggen, ik moet
wat slapen, maar als er wat komt, maak mij dan wakker.« Toen heeft
de vos zich naast hem gelegd, maar hij was ook moê en hij riep den
haas en zeide: »ga naast mij liggen, ik moet wat slapen, en als er
wat komt moet je mij wekken.« Toen ging de haas naast hem zitten,
maar de arme haas was ook moê en hij had niemand dien hij voor zich
de wacht kon laten houden, toen is hij ingeslapen. En zoo sliepen nu
de koningsdochter, de jager, de leeuw, de beer, de wolf, de vos en
de haas, en zij sliepen alle een vasten slaap.
De maarschalk, die van verre had moeten toezien, zag den draak niet
met de jonkvrouw wegvliegen, en alles was rustig op den berg; toen
vatte hij moed en steeg naar boven. Daar lag de draak in stukken en
verscheurd en niet ver van daar de koningsdochter, en een jager met
zijn dieren; alle verzonken in diepen slaap. En omdat hij slecht en
goddeloos was, nam hij zijn zwaard en sloeg den jager het hoofd af;
de jonkvrouw nam hij in zijn armen en droeg haar naar beneden. Zij
ontwaakte toen en verschrikte, maar de maarschalk zeide: »Ge zijt in
mijn macht, en ge zult zeggen dat ik den draak gedood heb.« »Dat kan
ik niet,« antwoordde zij, »want een jager deed het met zijn dieren.«
Toen trok hij zijn zwaard, en dreigde haar te dooden, als zij niet
gehoorzaamde, en zoo drong hij haar tot de belofte.
Hij bracht haar naar den koning; die was buiten zichzelf van vreugde,
toen hij zijn lieve dochter levend voor zich zag, want hij meende
zeker dat het ondier haar gedood had. De maarschalk sprak: »Ik heb
den draak gedood en de jonkvrouw en het rijk bevrijd, nu eisch ik
haar tot mijne vrouw, zooals het is toegezegd.« De koning sprak tot
de jonkvrouw: »Is het waar wat hij zegt?« »Ach ja,« antwoordde zij,
»maar ik houd het aan mij, eerst over een jaar en een dag bruiloft
te vieren, want,« dacht zij, »in dien tijd zal ik misschien iets van
mijn lieven jager hooren.«
Maar op den drakenberg lagen nog de dieren naast hun dooden meester,
en sliepen; toen kwam een groote hommel, en heeft zich den haas op de
neus gezet, maar de haas veegde hem met zijn poot weg, en sliep door.
De hommel kwam weer terug maar de haas veegde hem weer weg en
sliep door. Voor den derden maal kwam hij, en stak den haas, dat
hij ontwaakte. Toen de haas wakker was, heeft hij den vos gewekt,
en die den wolf, en die den beer en die den leeuw. Maar toen de leeuw
ontwaakte en zag dat de jonkvrouw weg was, en zijn meester dood, heeft
hij ontzettend gebruld en geroepen: »Wie heeft dat gedaan! Beer,
waarom heb je mij niet gewekt?« De beer vroeg den wolf: »waarom
heb je mij niet gewekt?« en de wolf den vos: «waarom heb je mij
niet gewekt?« en de vos den haas: »waarom heb je mij niet gewekt?«
De arme haas wist niet te antwoorden en zoo bleef de schuld op hem
hangen. Toen wilden zij hem te lijf, maar hij smeekte: »doodt mij
niet, ik zal onzen meester het leven teruggeven! Ik weet een berg,
daarop groeit een wortel; wie dien wortel in den mond heeft wordt
van alle ziekte en wonden genezen. Maar de berg ligt tweehonderd uur
van hier.« Toen sprak de leeuw: »In vierentwintig uur moet je heen en
terug zijn, en den wortel meebrengen.« Toen sprong de haas weg, en in
vierentwintig uur was hij terug en bracht den wortel meê. De leeuw
legde den jager het hoofd weer aan, en de haas stak hem den wortel
in den mond; toen voegde zich alles weer te zamen, het hart klopte,
en het leven keerde terug. De jager ontwaakte toen, en hij schrikte
toen hij de jonkvrouw niet meer zag, en hij dacht: »Zij zal zijn
weggegaan terwijl ik sliep, om van mij af te komen.« De leeuw had in
de groote haast het hoofd verkeerd aangezet, maar de jager merkte dat
niet in zijn droevig denken aan de koningsdochter. Eerst 's middags,
toen hij wat eten wilde, zag hij, dat zijn hoofd naar den rug stond,
en hij begreep het niet, en vroeg aan de dieren, wat er in zijn slaap
gebeurd was. Toen vertelde de leeuw, dat zij van vermoeidheid allemaal
ingeslapen waren, en bij het ontwaken hadden zij hem dood gevonden
met afgeslagen hoofd; de haas had den levenswortel gehaald; hijzelf
had in de haast het hoofd verkeerd gehouden; maar hij zou zijn fout
weer herstellen. Hij trok toen den jager het hoofd weer af, en draaide
het om en de haas heeft het door den wortel weer vast laten groeien.
Maar de jager was treurig; hij trok in de wereld rond en liet zijn
dieren dansen voor de menschen. Toen gebeurde het, dat hij na een
jaar weer in dezelfde stad kwam, waar hij de koningsdochter van
den draak verlost had; maar nu was de stad met scharlaken rood
behangen. »Wat beduidt dat?« vroeg hij den waard, »voor een jaar
was de stad met zwart floers behangen, en waarom nu met scharlaken?«
De waard antwoordde: »Voor een jaar moest 's konings dochter aan den
draak worden uitgeleverd, maar de maarschalk heeft hem bevochten en
gedood, en nu wordt morgen hun huwelijk gevierd; daarom was verleden
jaar de stad met zwart floers behangen, en heden met rood scharlaken,
omdat het feest is.«