waar zou hij het gouden paard vinden! Daar zag hij op eens zijn ouden
vriend de vos aan den weg zitten. »Zie je,« zei die, »dat komt er van,
dat je niet naar mij geluisterd hebt; maar ik zal je wel helpen,
hou maar moed, ik zal je zeggen, hoe je bij het gouden paard moet
komen. Je moet maar rechtuit gaan, dan kom je eindelijk aan een slot;
daar staat het paard in een stal. Voor den stal liggen de stalknechts,
maar die slapen en snorken; je kunt rustig het gouden paard naar
buiten brengen. Voor één ding heb je te zorgen, zadel hem met den
leelijken zadel van hout en leêr en niet met den gouden die er bij
hangt, of het gaat je slecht.«
Toen strekte de vos zijn staart uit, de prins ging er op zitten
en voort, over stok en steen, dat de haren floten in den wind. Het
ging alles juist zoo; hij kwam in den stal, waar het gouden paard
stond, maar toen hij hem den houten zadel zou opleggen, dacht hij:
»het misstaat toch zoo'n mooi dier, als ik hem niet zadel zooals het
behoort!« Maar toen de gouden zadel het paard aanraakte, begon het
op eens luide te hinneken. De stalknechts werden wakker, grepen den
jongeling en brachten hem in den kerker. Den volgenden morgen werd
hij door het gerecht ter dood veroordeeld; maar de koning schonk hem
het leven en ook het gouden paard, als hij de schoone koningsdochter
van het gouden slot bij hem kon brengen.
Droevig begon de jongeling zijn reis, maar gelukkig vond hij gauw
zijn getrouwen vos. »Ik moest je eigenlijk maar in je eigen sop laten
gaarkoken,« zei de vos, »maar ik heb meelijden met je en zal je nog
ééns uit den nood helpen. Je weg brengt je recht naar het gouden slot;
's avonds zul je er aankomen en 's nachts als alles stil is gaat de
schoone koningsdochter naar het badvertrek om daar te baden. Als zij
daar binnen zal gaan, spring dan op haar toe en geef haar een kus, dan
zal zij je volgen en je kunt haar meênemen, maar duld niet, dat zij
eerst van haar ouders afscheid neemt, want dat zou je ongeluk zijn.«
Toen strekte de vos zijn staart, de prins ging er op zitten, vooruit,
over stok en steen, dat de haren floten in den wind. In het gouden
slot gebeurde wat de vos voorspeld had. Hij wachtte tot middernacht,
en toen alles sliep en de schoone jonkvrouw het badvertrek wilde
binnengaan, trad hij naar voren en gaf haar een kus. Zij zeide dat
zij hem gaarne volgen zou, maar met tranen smeekte zij hem haar
toch verlof te geven om eerst haar ouders vaarwel te zeggen. Eerst
weerstond hij haar bidden, maar toen zij steeds droeviger schreide
en hem te voet viel, gaf hij eindelijk toe. Maar toen de jonkvrouw
voor haar vader's bed getreden was, ontwaakte ieder in het slot,
en de jongeling werd vastgebonden en gevangen. Den volgenden ochtend
sprak de koning: »Uw leven hebt ge verbeurd, en er is slechts genade,
als ge den berg, die voor mijn venster mij het uitzicht verspert,
kunt weggraven; het moet binnen acht dagen gebeurd zijn. Gelukt het,
dan moogt ge mijn dochter huwen.« De prins begon te scheppen en te
graven aan één stuk door, maar toen hij na zeven dagen merkte, dat
er nog bijna niets gebeurd was en er van al zijn werk haast niets
was te zien, verviel hij in diepe droefgeestigheid en gaf de hoop
op. Maar 's avonds van den zevenden dag, verscheen de vos en zeide:
»je verdient niet, dat ik nog iets voor je doe, doch ga maar slapen,
ik zal je werk doen.« Den volgenden dag bij zijn ontwaken, zag hij door
zijn venster, dat de berg verdwenen was. Verheugd ging de jongeling
naar den koning en meldde hem dat de voorwaarde vervuld was, en de
koning, graag of niet, moest woord houden en gaf hem zijn dochter.
De twee trokken nu samen weg en het duurde niet lang of de trouwe
vos kwam bij hen.
»Het beste heb je nu,« zei hij, »maar bij de jonkvrouw van het gouden
slot, hoort ook het gouden paard.« »Hoe moet ik dat krijgen?« vroeg
de jongeling. »Dat zal ik je zeggen,« antwoordde de vos, »breng
eerst aan den koning, die je naar het gouden slot zond, de schoone
jonkvrouw. Daar zal uitermate groote vreugde zijn en zij zullen je
gaarne het gouden paard geven, en het voor laten brengen. Stijg er
dadelijk op en geef aan allen tot afscheid de hand, het laatst aan
de jonkvrouw, en als je haar vasthebt, trek haar dan in één zwaai bij
je op het paard en jaag er meê weg; niemand kan je inhalen, want het
paard is sneller dan de wind.«
Het werd alles volbracht, en de koningszoon voerde de schoone jonkvrouw
op het gouden paard met zich mede. De vos bleef bij hen en zeide: »nu
zal ik je ook aan den gouden vogel helpen. Als je dicht bij het slot
van den vogel zult zijn, laat dan de jonkvrouw afstijgen, ik zal haar
bewaken. Rij dan met het gouden paard het slotplein op; dat gezicht
zal bovenmatige vreugde geven, en zij zullen den gouden vogel buiten
brengen. Als je de kooi vast hebt, jaag dan oogenblikkelijk naar ons
terug en haal de jonkvrouw af.« Toen dat waagstuk volbracht was en de
koningszoon met zijn schatten zou wegrijden, zei de vos: »nu moet je
mij nog de belooning geven voor mijn hulp.« »Wat wensch je er voor?«
zei de jongeling. »Als wij in het bosch komen moet je mij doodschieten
en kop en pooten af houwen!« »Dat zou een mooie dankbaarheid zijn,
dat kan ik onmogelijk doen,« antwoordde de prins. Toen zei de vos:
»als je het niet doen wilt moet ik heengaan, maar vóór ik je verlaat
wil ik je eerst nog een goeden raad geven. Pas op voor twee dingen:
Koop geen galgenvleesch en ga niet zitten op den rand van een bron.«
Toen liep hij het bosch is.
»Wat een raar dier!« dacht de jongeling, »wat heeft hij zeldzame
grillen! Wie zal nu galgenvleesch koopen, en ik heb nog nooit
bijzondere lust gehad om op den rand van een bron te gaan zitten!«
Hij reed met de schoone jonkvrouw verder en kwam weer door het dorp
waar zijn beide broers gebleven waren. Daar was groot geschreeuw
en rumoer, en toen hij vroeg, wat er aan de hand was, zeide men,
dat er twee menschen zouden gehangen worden. Naderbij gekomen zag
hij, dat het zijn broeders waren; zij hadden alles er doorgelapt en
allerlei slechte streken hadden zij uitgehaald. Hij vroeg of zij niet
vrij konden komen. »Als je voor hen wilt betalen,« was het antwoord,
»maar waarom wilt ge uw geld weggooien en slechte menschen loskoopen!«
Doch hij bedacht zich niet, hij betaalde het losgeld en toen zij vrij
waren, gingen zij gezamenlijk verder.
Zij kwamen in het bosch waar zij het eerst den vos hadden gezien,
het was daar koel en aangenaam, want de zon brandde fel. Toen zeiden
de broeders »laat ons hier bij de bron wat uitrusten en ook eten en
drinken.« Hij vond het goed en al pratende ging hij zonder er bij te
denken op den rand zitten. Maar de broeders duwden hem ruggelings in
het water, namen de jonkvrouw, het paard en den vogel en keerden terug
naar hun vader's slot. »Daar brengen wij niet alléén den gouden vogel,«
zeiden zij, »maar wij hebben ook het gouden paard en de jonkvrouw van
het gouden slot buit gemaakt.« Er was groote vreugde; maar het paard
dat wilde niet eten, de vogel zong niet en de jonkvrouw zat al door
te schreien. De jongste broer was echter niet verdronken. Er was niet
veel water in de bron geweest en hij viel op zacht mos, zonder letsel;
maar hij kon er niet weêr uitkomen. Ook in den grooten nood verliet
de trouwe vos hem niet, hij sprong naar beneden en beknorde hem,
dat hij zijn raad had vergeten.
»Maar ik kan het toch niet laten,« zei hij, »en ik zal je weêr aan
het daglicht brengen.« De prins moest zijn staart vatten en goed
vasthouden. Toen kroop hij er uit en sleepte hem zoo naar boven. »Toch
ben je nog niet buiten gevaar,« zei de vos, »je broeders hebben het
bosch met wachten omzet, die je moeten dooden als je er uitkomt.« Er
zat een arme man aan den weg; met hem ruilde de jongeling van kleeren,
en kwam zoo aan 's koning's hof. Niemand herkende hem, maar de vogel
begon te zingen, het paard te eten, en de schoone jonkvrouw hield
op met schreien. De koning vroeg verwonderd: »wat zou dat beduiden?«
Toen sprak de jonkvrouw: »ik weet het niet, maar ik was zoo treurig
en nu ben ik vroolijk. Het is of mijn ware bruidegom gekomen is.«
Zij verhaalde alles wat er gebeurd was, hoewel de beide broeders
haar met den dood bedreigd hadden, als zij iets zoude verraden. De
koning liet alle menschen, die in het slot waren, bij zich brengen;
er was ook een bedelaar bij in lompen, maar de jonkvrouw herkende hem
dadelijk en viel hem om den hals. De schandelijke broeders werden
gevangen genomen en terecht gesteld; maar hij trouwde de schoone
jonkvrouw en zou zijn vader's erfgenaam zijn.
En hoe ging het den armen vos? Lang daarna was de koningszoon weer
eens in het bosch, en hij ontmoette den vos, die zeide: »je hebt nu
alles wat je maar wenschen kunt; maar aan mijn ongeluk is geen einde;
toch is het in uw macht mij te verlossen,« en weer smeekte hij hem,
hij zou hem doodschieten en kop en pooten afhouwen. Toen heeft hij
het gedaan, en nauwelijks was het gebeurd, of de vos veranderde in
een mensch, en hij was niemand anders dan de broeder van de schoone
koningsdochter, die nu van een booze betoovering was verlost. Er
ontbrak nu niets meer aan hun geluk, zoolang zij leefden.
LVIII.
DE HOND EN DE MUSCH.
Een herdershond had geen goeden baas, maar een, die hem liet
hongerlijden. Toen hij het niet meer kon uithouden, liep hij treurig
heen. Onderweg zag hij een musch. »Broeder hond, waarom ben je
zoo treurig?« »Ik heb zoo'n honger,« zei de hond, »en ik heb niets
te eten.«
Toen zei de musch: »Broertje-lief, ga maar mee naar de stad, dan zal ik
wel zorgen, dat je genoeg krijgt.« Zij gingen toen samen naar de stad,
en bij een slagerswinkel, zei de musch tegen den hond: »Blijf nu even
staan, dan zal ik een stuk vleesch voor je afpikken.« Zij vloog den
winkel binnen, en keek eerst rond of het niemand zag, toen pikte en
rukte en trok zij zoo lang, tot er een stuk vleesch naar beneden viel,
dat op een kantje lag. De hond pakte het, liep er mee in een hoek en
at het op. Toen zei de musch: »Ga nu mee naar een anderen winkel, dan
zal ik nog een stuk naar beneden halen, dat je je genoegen kunt eten.«
Toen de hond het tweede stuk ook op had zei de musch: »Broeder hond,
heb je nu genoeg?« »Ja, vleesch heb ik genoeg,« zei hij, »maar ik heb
nog geen brood gehad.« »Dat zul je ook hebben,« zei de musch, »kom maar
mee.« Zij bracht hem bij een bakkerswinkel en pikte zoo lang aan een
paar broodjes dat zij naar beneden rolden, en toen de hond nog meer
wilde bracht zij hem bij een tweeden bakker en haalde weer wat brood
af. Toen dat op was zei de musch: «Broeder hond, heb je nu genoeg?«
»Ja,« zei de hond, »laten wij nu een beetje naar buiten gaan.«
Zij gingen samen naar den straatweg; het was warm en na een poosje
zei de hond: »ik ben moe, ik zou wel wat willen slapen.» »Ja, ga maar
slapen,« zei de musch, »ik zal zoolang op een tak gaan zitten.« De hond
ging op den weg liggen en sliep vast in. Terwijl hij sliep, kwam er een
voerman aanrijden; hij had drie paarden voor zijn wagen en vervoerde
twee vaten wijn. De musch zag, dat hij niet zou uitwijken, maar op het
spoor bleef rijden waar de hond lag te slapen, toen riep zij: »Voerman
doe het niet, of ik maak je arm!« Maar de voerman bromde in zijn baard:
»jij zult mij niet arm maken!« hij klopte met de zweep en dreef den
wagen over den hond, dat de wielen hem dood reden. Toen riep de musch:
»je hebt mijn broeder hond overreden, dat kost je paarden en wagen!«
»Wel zeker, paarden en wagen!« zei de voerman, »wat zou jij mij kunnen
aandoen!« en hij reed door. Toen kroop de musch onder het wagenkleed,
en pikte zoo lang aan het eene spongat, dat de stop er uitviel, en de
wijn liep weg zonder dat de voerman het merkte. Toen hij even omkeek,
zag hij, dat er iets van den wagen druppelde; hij onderzocht en merkte,
dat er een vat leeg was. »Ach, ik arme man!« riep hij. »Nog niet arm
genoeg,« zei de musch en zij vloog op den kop van het eene paard,
en pikte het de oogen uit. Toen de voerman dat zag, nam hij een bijl
en wilde er de musch mee raken, maar de musch vloog op, en de voerman
trof den kop van het paard dat het dood neêrviel. »Ach, ik arme man!«
»Nog niet arm genoeg!« zei de musch, en toen de voerman met de twee
paarden verder reed, kroop de musch weer onder het kleed en pikte de
stop uit het tweede gat, dat al de wijn wegliep. Toen de voerman dat
merkte, riep hij weer: »Och, ik arme man!« Maar de musch antwoordde:
»Nog niet arm genoeg,« en zij ging op het tweede paard zitten en
pikte dat ook de oogen uit. De voerman liep er heen, en haalde uit
met zijn bijl, maar de musch vloog op; toen trof de bijl het tweede
paard, dat het neerviel. »Ach, ik arme man.« »Nog niet arm genoeg!»
zei de musch, en zette zich op den kop van het derde paard en pikte
naar de oogen. De voerman sloeg in zijn woede zonder om te zien op de
musch los; hij trof hem niet, maar sloeg het derde paard dood. »Ach,
ik arme man!« »Nog niet arm genoeg, nu wil ik je thuis nog arm maken,«
zei de musch en vloog weg. De voerman moest den wagen laten staan,
en ging vol zorg en ergernis naar huis. »Ach,« zei hij tegen zijn
vrouw, »wat heb ik een ongeluk gehad: de vaten zijn leeggeloopen en
de paarden zijn alle drie dood.«
»Ach man,« zeide zij, »wat voor een leelijke vogel is er bij ons in
huis gekomen! hij heeft alle vogels uit de lucht bij elkaar gebracht
en nu zitten ze op onze tarwe en pikken ze allemaal op!« Hij ging naar
boven, en duizenden en duizenden vogels zaten op zolder en pikten het
koren op, en de musch zat er midden tusschen. Toen riep de voerman:
»ach, ik arme man!« »Nog niet arm genoeg,« zei de musch, »voerman
het kost je nog je leven!« en zij vloog naar buiten.
Nu had de voerman al zijn goed verloren, ging in de kamer achter
de kachel zitten, en was door en door nijdig en giftig. De musch
zat buiten voor het raam en riep: »voerman, het kost je je leven!«
De voerman greep zijn bijl en gooide die naar de musch, maar hij
brak de vensterruiten en den vogel trof hij niet. De musch wipte nu
naar binnen en zette zich op de kachel, en ze riep weêr: »voerman,
het kost je je leven!« Dol en bleek van woede sloeg de voerman de
kachel in tweeën en toen het een na het ander al zijn huisraad;
want de vogel vloog van de eene plaats naar de andere: spiegel,
banken, tafel en eindelijk de muren van zijn huis, alles werd kapot
geslagen maar de musch kon hij niet treffen. Eindelijk greep hij hem
toch. Toen zei de vrouw: »Zal ik hem doodslaan?» »Neen!« riep hij,
»dat is te gemakkelijk voor hem, hij moet veel moorddadiger sterven;
ik zal hem inslikken.« En hij stopt hem in zijn mond en slokt hem
ineens in. Maar de musch gaat in zijn lichaam aan het fladderen,
en fladderde weer in zijn mond terug en steekt er zijn kop uit,
en hij roept: «voerman het kost je je leven!» De voerman geeft zijn
vrouw de bijl en zegt: »Vrouw, sla mij den vogel in mijn mond dood!»
De vrouw slaat, maar ze slaat den vogel mis, en den voerman juist op
zijn mond, zoodat hij dood neêrvalt.
De musch vliegt weg.
LIX.
FRIEDER EN KATERLIESJE.
Er was een man, die heette Frieder, en een vrouw, die heette
Katerliesje; zij waren samen getrouwd en leefden als jonge
echtelieden. Op een dag zei Frieder: »Katerliesje, ik ga naar het
land; als ik weerkom, moet er gebraad op tafel zijn voor den honger,
en een frisschen dronk voor den dorst.« »Ga maar gerust Friedertje,«
zei Katerliesje, »ik zal voor alles zorgen.« Toen het nu tegen
etenstijd liep, haalde zij een worst uit den schoorsteen, nam een
braadpan, deed er een kluitje boter in en de worst, en zette het
op het vuur. De worst begon te braden en te prutsen, Katerliesje
stond er bij, hield den steel van de pan vast en soesde zoo'n beetje
heên. Toen viel haar in: »Terwijl de worst braadt, kan ik wel even
in de kelder het bier aftappen.« Ze zette toen de pan van het vuur,
nam een kan, ging in de kelder en tapte bier. Het bier liep in de
kan, en Katerliesje stond er bij te kijken, toen viel haar wat in:
«Jée! de hond boven ligt niet vast; die zou de worst uit de pan kunnen
halen, dat zou wat moois zijn!« in een wip was ze de keldertrap weer
op. Maar Spits had de worst al te pakken en sleepte hem meê over
den grond. Katerliesje, flink bij de hand, hem achterna, een heel
eind het veld over. Maar de hond was de vlugste, en hij liet ook de
worst niet los, die wipte op en neer over den akker. »Weg is weg,«
zei Katerliesje, en keerde weer om; en omdat ze moê was van 't harde
loopen, ging ze lekker langzaam om wat op te koelen. Al dien tijd
liep het bier uit het vat, want Katerliesje had vergeten de kraan
om te draaien; en toen de kan vol was, en het nergens anders meer in
kon loopen, liep het in de kelder, en 't hield niet op, voordat het
heele vat leeg was. Van de trap af zag Katerliesje het ongeval al:
»Groote grutten! wat begin ik nu, dat Frieder het niet merkt.« Ze
dacht een oogenblikje, en toen schoot het haar te binnen, dat er van
de laatste kermis, nog een zak met fijn tarwemeel op zolder stond,
dat zou ze afhalen en op het bier strooien. »Ja, ja, wie bij tijds
wat spaart, die heeft wat in den nood!« en ze ging naar den zolder,
droeg de zak naar beneden en gooide hem boven op de kan met bier,
dat die omviel; en toen zwom Frieder's drinken in de kelder. »Wel ja,
waar het ééne is, daar hoort ook het andere,« zei Katerliesje, en ze
strooide het meel over de heele kelder uit. Toen had ze de grootste
schik van haar werk, en zei: »wat ziet het hier zindelijk en netjes!«
Tegen twaalf uur kwam Frieder naar huis. »Wel vrouw, wat heb je klaar
gemaakt?« »Ach Friedertje, ik zou een worst braden, maar terwijl ik
het bier aftapte, heeft de hond de worst weggehaald; en terwijl ik
den hond achterna zat, is het vat leeggeloopen; en toen ik het bier
met het tarwemeel opdroogde, heb ik de kan ook nog omgestooten. Maar
de kelder is weer heelemaal droog.« Toen zei Frieder: »Katerliesje,
Katerliesje, dat hadt je niet moeten doen! Je laat de worst opeten, het
bier uit het vat loopen, en nu vermors je ook nog ons fijne meel!« »Ja,
Friedertje, dat heb ik niet geweten; dat hadt je me ook moeten zeggen.«
De man dacht: »staat het zóó met de vrouw, dan moet ik mijn voorzorgen
nemen.« Nu had hij een mooi stapeltje rijksdaalders bij elkaâr, die
wisselde hij in voor goud, en hij zei tegen Katerliesje: »Zie je, dat
zijn gele gokkels, die zal ik in een potje doen en in den stal achter
de koeien begraven; maar kom er niet bij, want dan zou het misloopen.«
»Neen Friedertje, dat zal ik zeker niet doen,« zei Katerliesje. Nu,
toen dan Frieder weg was kwamen er marskramers met aardewerk in het
dorp, en zij vroegen aan de jonge vrouw of zij niets te verhandelen
had. »Och, lieve menschen,« zei Katerliesje, »ik heb geen geld en
ik kan niets koopen; maar kun je soms gele gokkels gebruiken, dan
koop ik wat.« »Gele gokkels, waarom niet, laat eens kijken.« »Ga
dan naar den stal en graaf achter de koeien, daar kun je de gele
gokkels vinden, maar ik mag er niet bijkomen.« De kerels gingen,
en toen zij aan 't graven waren, vonden zij zuiver goud. Zij pakten
het bij elkaar en liepen er gauw mee weg, de potten en pannen lieten
zij staan. Katerliesje vond dat zij het nieuwe gerij ook gebruiken
moest; maar zij had er in de keuken geen gebrek aan. Toen sloeg zij
uit iedere pan den bodem, en stak ze allemaal als sieraad op de palen
van het hek om het huis heen. Toen nu Frieder thuis kwam en de mooie
pronk zag, zei hij: »Katerliesje wat heb je uitgevoerd?« »Dat heb ik
gekocht Friedertje voor de gele gokkels van achter de koeien: maar ik
ben er niet bij geweest hoor! de marskramers moesten ze netjes zelf
opgraven.« »Och, vrouw, wat heb je nu weêr uitgehaald! Het waren geen
gokkels, het waren goudstukken, ons heele vermogen; dat hadt je niet
mogen doen!« »Ja, Friedertje, dat heb ik niet geweten, dat hadt je mij
moeten zeggen.« Katerliesje stond een poosje te denken, toen zeide ze:
»hoor eens Friedertje, dat goud zullen wij wel weer terug krijgen,
wij zullen de dieven achterna loopen.« »Kom dan maar,« zei Frieder,
»dan zullen wij 't probeeren; maar, neem boter en kaas meê, dat wij
onderweg iets te eten hebben.« »Ja, Friedertje, ik zal het meênemen.«
Zij gingen op weg, maar Frieder was vlugger ter been en daarom kwam
Katerliesje achteraan. »Dat komt voor mij goed uit,« dacht ze, »want
als wij omkeeren ben ik een heel eind vóór.« Nu ging het een berg op,
en aan beide kanten van den weg waren diepe wagensporen. »Kijk nu toch
eens aan,« zei Katerliesje, »hoe ze mij dat arme aardrijk, verscheurd
en beschadigd en ingedrukt hebben! Dat wordt van zijn leven niet weêr
goed,« en de meêlijdende ziel nam haar boter en bestreek er rechts
en links de wagensporen meê, dan zouden ze niet zoo 'n last van het
drukken van de wagens hebben. En toen zij in haar barmhartigheid zoo
neêrbukte, viel er een kaas uit haar zak en rolde den berg af. Toen
zei Katerliesje: »ik ben al ééns naar boven geklommen, een tweede keer
bedank ik er voor; dan mag hem een ander achterna gaan en terughalen.«
Zij nam dus een tweede kaas en rolde hem naar beneden. De twee kazen
kwamen niet terug, en toen liet ze nog een derde den berg afrollen,
want ze dacht: »mogelijk wachten ze op gezelschap, ze gaan zeker liever
niet alléén.« Toen ze nu alle drie wegbleven zei ze: »wat moet dàt nu
weêr beteekenen! Maar 't kon wel dat de derde verdwaald is, dan zal
ik de vierde maar achterna sturen, die kan ze dan bij elkaâr zoeken.«
Maar met de vierde ging het niet beter dan met de derde. Toen werd
Katerliesje kwaad, en gooide de vijfde en de zesde ook nog achterna en
dat waren de laatsten. Zij bleef eerst een poosje wachten, om te zien
of zij nog komen zouden en toen zei ze: »Jelui bent pas goed om op
mageren Hein uit te sturen zoo netjes lang als je uitblijft! dacht je
soms dat ik nog langer zou wachten? Ik ga mijn weg; jelui hebt jonger
beenen dan ik, loop mij dan maar na.« Katerliesje ging, en zij vond
Frieder, die was blijven staan om op haar te wachten, want hij wou
graag wat eten. »Geef nu maar eens hier wat je hebt meêgenomen.« Zij
reikte hem het droge brood. »Waar zijn de boter en de kaas?« vroeg de
man. »Och, Friedertje, met de boter heb ik de wagensporen ingesmeerd,
en de kazen zullen wel gauw komen; de eene liep weg, en toen heb ik
de anderen achterna gestuurd, om hem te roepen.« Toen zei Frieder:
»Dat hadt je niet moeten doen Katerliesje, de boter aan den weg smeren,
en de kaas den berg afrollen.«
»Ja, Friedertje, dat hadt je mij dan maar moeten zeggen.«
Zoo aten ze samen het droge brood, en Frieder zei: »Katerliesje, heb
je ons huis wel verzekerd toen je bent weggegaan?« »Neen, Friedertje,
dat had je me eerst moeten zeggen.« »Ga dan weer terug, en verzeker
het huis, voor wij verder gaan; en breng dan ook wat ander eten meê;
ik zal hier op je wachten.« Katerliesje ging terug, en zij dacht:
»Friedertje wil ander eten hebben, boter en kaas smaakt hem zeker
niet; dan zal ik een doek vol hussen en een kruik azijn meênemen.«
Toen grendelde zij de bovendeur, maar de onderdeur lichtte zij er uit,
en droeg hem op haar schouders, want ze dacht, als ze de onderdeur in
veiligheid bracht, dan zou het huis wel goed bewaard zijn. Katerliesje
haastte zich niet onder weg, en toen ze weer bij Frieder was, zei ze:
»Daar Friedertje heb jij de deur, nu kun je zelf op het huis passen.«
»O, lieve Heer nog toe,« zei hij, wat heb _ik_ een slimme vrouw! die
neemt de onderdeur er uit, dat ieder naar binnen kan loopen, en van
boven grendelt zij hem dicht! Het is nu te laat om nog weêr naar
huis te gaan, maar heb je de deur meêgebracht dan mag je hem ook
zelf dragen.« »De deur zal ik dragen, Friedertje, maar de hussen en
de azijnkruik worden mij te zwaar, die hang ik aan de deur, dan kan
die ze dragen.«
Ze gingen nu het bosch in, en zochten naar de dieven, maar zij
vonden hen niet. Toen het eindelijk te donker was, klommen zij in
een boom, en wilden daar overnachten. Nauwelijks waren ze boven, of
daar kwamen de kerels, die dragen wat niet loopen wil, en de dingen
vinden vóór ze verloren zijn. Zij bleven onder denzelfden boom,
maakten een vuur aan en wilden den buit verdeelen. Frieder klom aan
den anderen kant van den boom af om steenen te rapen, en de dieven er
mee dood te gooien. Maar de steenen troffen niet en de kerels riepen:
»Het wordt al morgen, de wind schudt de pijnappels van de boomen.«
Katerliesje had nog altijd de deur op haar schouder, en omdat die
zoo zwaar drukte, dacht zij dat het van de hussen kwam en zij zei:
»Ik wou de hussen weggooien.« »Neen, Katerliesje, dat moet je niet
doen, zij zouden ons verraden.« »Ach, Friedertje ik moet wel, zij zijn
zoo zwaar.« »Nu, doe het dan maar in God's naam!« De hussen rolden
tusschen de takken door en de dieven riepen: »de vogels mesten!«
Een poosje daarna toen de deur nog altijd drukte zei Katerliesje:
»och, Friedertje, ik moet de azijn uitgieten.« »Neen, Katerliesje,
dat moet je niet doen, het zou ons kunnen verraden.« »Ach Friedertje
het moet wel, hij drukt mij zoo zwaar.« »Doe het dan maar in God's
naam!« Ze goot de azijn uit, dat de kerels er mee bespat werden,
en zij zeiden: »de dauw sijpelt al van de boomen.«