al in je eenzaamheid?« »Den eenen dag als den anderen!« antwoordde
de kolenbrander, »en iederen avond aardappelen; heb je zin, dan kun
je mijn gast zijn.« »Wel bedankt,« zei de andere, »ik zal je je maal
niet afnemen; je hebt niet op een gast gerekend; maar neem je voor
lief wat ik heb, dan nood ik jou.« »Waar moet dat van daan komen?«
zei de kolenbrander, »ik zie, dat je niets bij je hebt en een paar
uur in den omtrek is er niemand, die het je bezorgen kan.« »En toch
zal het een maaltijd zijn, zoo fijn als je er nog nooit een gegeten
hebt.» Hij haalde het servetje uit zijn ransel, legde het uit en zei:
«tafeltje dek je,« en op eens stond er gezoden en gebraden en zoo
lekker warm als kwam het pas uit de keuken. De kolenbrander zette
groote oogen op; hij liet zich niet lang nooden, maar tastte toe en
gedurig gingen er grootere brokken zijn zwarten snoet binnen. Toen
zij klaar waren monkelde de kolenbrander en zei: »voor dat kleedje
ben ik te vinden, dat was iets voor mij hier in 't bosch, waar nooit
eens iemand iets lekkers voor mij kookt. Ik zal je een voorslag
doen: wij ruilen. Ik heb een soldatenransel; hij is oud en leelijk,
maar hij heeft een wonderbare kracht; ik gebruik hem toch niet, en
ik zal hem je geven voor dat kleedje.« »Eerst moet ik weten wat het
voor wonderbare krachten zijn,« antwoordde de andere. »Dat zal ik je
zeggen: als je met de hand er op klopt, komt er telkens een korporaal
en zes man, met sabel en geweer, en wat je beveelt dat doen ze.« »Nu,
't is goed; als 't zoo zijn moet, dan zullen wij ruilen;» en hij gaf
den kolenbrander het kleedje voor den ransel, en nam afscheid. Toen
hij een eindje geloopen had, wou hij de wonderkracht van den ransel wel
eens probeeren en klopte er op. Dadelijk stonden de zeven krijgshelden
voor hem, en de korporaal vroeg: »wat verlangt mijn heer en gebieder?«
«Marcheer naar den kolenbrander en vraag mijn tooverkleedje terug!«
Zij maakten rechts om keert en in een oogenblik brachten zij het
verlangde, zij hadden het den kolenbrander zonder complimenten
afgenomen. Hij dankte ze af, en ging verder; hij hoopte, dat zijn
gelukszon nog klaarder zou gaan schijnen. Tegen zonsondergang kwam hij
bij een anderen kolenbrander, die bij het vuur zijn avondmaal klaar
maakte. »Wil je met mij eten?« zei de zwarte gezel, «aardappelen
met zout, maar zonder vet, ga dan maar zitten.« »Neen,« zei hij,
»van daag moet je mijn gast zijn,« en hij spreidde zijn kleedje uit,
en 't was dadelijk met de heerlijkste gerechten bezet. Zij aten en
dronken samen en hadden schik. Na het eten zei de kolenbrander: »ik
heb een oud versleten hoedje, dat heeft zeldzame eigenschappen: als
iemand het opzet en op zijn hoofd ronddraait, dan schieten de kanonnen,
of er twaalf naast elkander waren opgesteld, en ze schieten alles neêr,
dat niemand er iets aan verhelpen kan. Aan het hoedje heb ik niets, en
ik wil het graag geven voor je kleedje.» »Dat geloof ik wel,« zei hij,
nam het hoedje en liet zijn kleedje achter. Maar toen hij een eindje
ver was, klopte hij op het ranseltje en zijn soldaten moesten toen het
doekje terughalen. »Het komt alles bij elkaâr,« dacht hij, »en 't is of
mijn geluk nog niet ten einde is.« En zijn gedachten hadden hem niet
bedrogen. Toen hij weêr een dag geloopen had, kwam hij bij een derden
kolenbrander, die hem als de vorigen op droge aardappelen noodde. Hij
liet hem weêr van zijn tooverkleedje meêeten, en dat smaakte den
kolenbrander zóó goed, dat hij hem ten laatste een hoorntje er voor
aanbood, dat nog heel andere eigenschappen had als het hoedje. Als
men er op blies, dan vielen vele muren en vestingwerken en eindelijk
alle steden en dorpen, in puin. Hij gaf er den kolenbrander wel het
kleedje voor, maar liet het door zijn manschappen weer opeischen,
zoodat hij eindelijk den ransel, het hoedje en het hoorntje bijeen
had. »Nu ben ik het heertje,» zei hij, »en nu is het tijd dat ik naar
huis ga en eens kijk hoe mijn broêrs het maken.«
Toen hij aankwam, hadden zijn broêrs van hun zilver en goud een mooi
huis gebouwd en leefden een leventje van vroolijken Frans. Hij ging
bij hen binnen maar omdat hij in een versleten jas was, het schunnige
hoedje op zijn hoofd had en den ouden ransel om, wilden zij hem niet
voor hun broeder herkennen. Zij spotten en zeiden: »Geef jij je uit
voor onzen broeder, die zilver en goud verwierp en een grooter geluk
zocht? Neen, die komt zeker in volle pracht als een machtig koning
aangereden, en niet als een bedelaar,« en zij joegen hem de deur
uit. Toen werd hij kwaad en hij klopte zóó lang op zijn ransel tot er
honderdvijftig man in 't gelid voor hem stonden. Hij gebood hun het
huis van zijn broeders te omsingelen, en twee zouden er hazelroeden
meênemen en de overmoedige rakkers de huid van hun rug zoolang warm
striemen tot zij wisten wie hij was. Er kwam een hevig opstootje,
de menschen liepen te hoop, om de twee mannen in hun nood te hulp te
komen, maar zij konden tegen de soldaten niets uitrichten. Er werd
melding van het geval gemaakt aan den koning; hij ergerde zich en
liet een kapitein met zijn manschappen uitrukken. Maar de man met den
ransel had dadelijk meer manschappen bijeen en sloeg den kapitein met
de zijnen terug dat ze met bloedneuzen moesten aftrekken. De koning
zei: »wij zullen dien landlooper toch wel klein krijgen, en hij beval
een nog grootere schare tegen hem op te rukken, maar die kon nog
minder uitrichten; want hij zette er nog veel meer volk tegenover,
en daarna draaide hij nog driemaal zijn hoedje op zijn hoofd rond;
toen begon het zware geschut te spelen, en al 's konings soldaten
werden verslagen en op de vlucht gejaagd. »Nu maak ik geen vrede,«
zei hij, «voordat de koning mij zijn dochter tot vrouw geeft, en
ik in zijn naam het geheele rijk mag regeeren.« »Moeten is dwang!«
zei de koning tegen zijn dochter, »wat kan ik anders doen dan hem
zijn zin geven; wil ik vrede hebben en de kroon op mijn hoofd houden,
dan zit er niets anders op dan dat hij je krijgt.«
De bruiloft werd gevierd; maar de prinses was verdrietig omdat
haar gemaal maar een gewoon man was, met een schunnig hoedje op
en een ouden ransel om. Zij was graag weêr van hem af geweest en
dag en nacht gingen haar gedachten over een middel. Toen dacht zij:
«zouden zijn wonderkrachten misschien in zijn ransel steken?« en zij
stelde zich erg vriendelijk aan, en liefkoosde hem en zei: »Als je
toch dien leelijken ransel maar afleggen wilde, hij ontsiert je zoo,
dat ik mij soms voor je schamen moet.« »Lieve kind,« antwoordde hij,
»die ransel is mijn grootste schat, zoolang ik hem heb, behoef ik
voor geen macht ter wereld bang te zijn,« en hij vertelde haar welke
de wonderkracht was. Toen viel zij hem om den hals of zij hem wilde
kussen, maar nam hem tegelijk handig den ransel van den schouder en
liep er meê weg. Toen zij nu alleen was klopte zij er op en beval
de soldaten, dat zij hun vorigen meester moesten gevangen nemen en
uit het paleis wegbrengen. Zij gehoorzaamden, en de valsche vrouw
liet nog meer manschappen volgen, die hem over de grenzen moesten
jagen. Nu zou hij verloren zijn geweest zonder zijn hoedje. Toen
zijn handen even vrij kwamen, draaide hij het een paar maal rond,
en daar begon het geschut te donderen, en sloeg alles neêr, en de
prinses moest zelve komen en om genade vragen. En toen zij zoo roerend
smeekte en beloofde zich te beteren, liet hij zich overhalen en maakte
vrede. Zij gedroeg zich heel vriendelijk en stelde zich aan of zij
hem heel lief had, en na een poosje had zij hem zóó behekst dat hij
haar vertelde hoe iemand die hem den ransel afhandig maakte toch nog
niets kon uitrichten zoolang hij het oude hoedje nog had. Toen zij
dat geheim kende, wachtte zij tot hij was ingeslapen en nam toen zijn
hoedje weg en liet het op de straat gooien. Maar nu was het hoorntje
er nog, en in zijn woede blies hij er op met al zijn kracht. Toen viel
alles ineen: muren, vestingwerken, steden en dorpen, en verpletterden
den koning en de prinses. En als hij het hoorntje niet had afgezet,
maar nog langer had geblazen, zou alles ondersteboven zijn gegaan,
en geen steen was er op den anderen gebleven. Toen kon niemand hem
meer weerstaan en hij stelde zich als koning over het geheele rijk.
LV.
ROMPELSTEELTJE.
Er was eens een molenaar; hij was arm maar had een mooie dochter. Nu
kwam het zoo, dat hij eens met den koning sprak en tegen hem zei:
»Ik heb een dochter dié kan spinnen! stroo tot goud!« De koning,
die veel om goud gaf, vond dat een prachtige kunst en beval, dat de
schoone molenaarsdochter bij hem zou gebracht worden. Hij nam haar
meê naar een vertrek dat vol stroo was en gaf haar een spinnewiel en
haspel en sprak: »Als van dezen avond tot morgen vroeg, niet al het
stroo tot goud is gesponnen, moet ge sterven.« Toen werd de kamer
afgesloten en zij bleef alleen.
Daar zat nu het arme mulderskind en wist geen hemelschen raad; want
stroo tot goud spinnen, hoe dat moest, dat wist zij niet. Haar angst
werd grooter en grooter, en eindelijk begon zij te schreien. Daar ging
op eens de deur open en een klein manneke kwam naar binnen. »Goeden
avond, juffer muldersche,« zei hij, »wat schreit ge zoozeer?« »Ach,«
antwoordde het meisje, »ik moet goud spinnen van stroo en dat kan ik
niet!« Toen sprak het manneke weêr: »Wat geef je mij als ik het voor je
doe?« «Mijn halsketting,» zei het meisje.« Het mannetje nam de ketting
en ging aan het spinnewiel zitten: »snorrr, snorrr, snorrr!« driemaal
getrokken en de spoel was vol. Toen zette hij een andere op: »snorrr,
snorrr, snorrr,« driemaal getrokken, en de tweede was ook vol. Zoo ging
het tot aan den morgen en al het stroo was gesponnen, en al de spoelen
waren vol goud. Toen nu de koning er naar kwam zien, was hij verbaasd;
maar de goudzucht in zijn hart werd er te sterker door. Hij liet de
molenaarsdochter in een andere kamer, ook vol stroo, brengen, die
nog veel grooter was, en hij zeide haar, dat alles ook in dien éénen
nacht te spinnen als haar leven haar lief was. Het meisje zat radeloos
schreiend neêr; maar weêr ging de deur open en het kleine mannetje
kwam en zeide: »Wat geef je mij als ik goud spin van dat stroo?« »Den
ring van mijn vinger,» zei het meisje. Het mannetje nam den ring en
liet weêr het wieltje snorren en 's morgens was al het stroo glanzend
goud. De koning was op dat gezicht bovenmate verheugd; maar nog had
hij geen goud genoeg, en hij bracht het meisje voor een nóg grooter
vertrek vol stroo: »nu moet je dit nog in ééne nacht spinnen,» zei hij,
»en dan zul je mijn vrouw worden,» want, dacht hij, een rijkere vrouw
is er op de heele wereld niet te vinden. Toen het meisje alleen was,
kwam voor de derde maal het mannetje weêr en zei: »wat geef je mij als
ik ook dát stroo tot goud spin?» »Ik heb niets meer te geven,» zei het
meisje. »Beloof mij dan je eerste kind als je koningin zult zijn.«
»Wie weet hoe het loopen zal!« dacht het meisje, en zij wist er ook
niets anders op te bedenken; daarom beloofde zij het mannetje maar wat
hij verlangde, en toen spon hij nog eens het stroo tot goud. En toen
's morgens de koning kwam en alles vond zooals hij het gewenscht had,
hield hij bruiloft en de schoone molenaarsdochter werd een koningin.
Na een jaar werd haar een mooi kind geboren en om het mannetje dacht
zij niet meer. Daar kwam hij op eens haar kamer binnen en zeide: «geef
mij nu, wat je mij beloofd heb.« De koningin schrikte en bood hem
alle rijkdommen van het koninkrijk aan, als zij maar haar kind mocht
houden; »neen,« zeide het mannetje, «iets dat leeft is mij liever
dan alle schatten ter wereld.» Toen begon de koningin zoo bitter te
schreien en te jammeren, dat het mannetje medelijden kreeg en zeide:
«drie dagen tijd zal ik je laten, als je dan mijn naam weet, mag je
je kind houden.»
Nu overdacht de koningin 's nachts alle namen, die zij ooit
gehoord had, en zij zond een bode uit, het heele land door om nieuwe
namen. Toen nu den volgenden dag het mannetje kwam, begon zij: Albert,
Gerard, Christiaan, en achtereenvolgens alle namen, die zij wist,
maar bij ieder zei het mannetje: »zoo heet ik niet.« Den tweeden
dag liet zij bij alle menschen rondvragen, en toen het mannetje kwam
noemde zij de allervreemdste en wonderlijkste: «Rattevel, Beerekuit,
Sparrebeen,» maar het bleef er bij: «zoo heet ik niet.» Den derden
dag kwam de bode terug en vertelde: «Nieuwe namen heb ik niet meer
kunnen vinden; maar toen ik van een hoogen berg kwam aan den hoek
van het bosch, waar haas en vos elkaâr goeden nacht zeggen, zag ik
een klein huisje en voor het huisje brandde een vuur, en om dat vuur
sprong een raar mannetje rond op één been, en hij riep:
Heden bakker, morgen brouwer,
Overmorgen 't koningskind;
O wat vreugd, dat niemand weet,
Dat ik »Rompelsteeltje« heet.
Wat was de koningin toen blij, dat zij den naam wist! En toen kort
daarop het mannetje kwam en vroeg: »Wel, vrouw koningin, hoe heet ik
nu?« toen vroeg zij eerst: »Heet je Gijs?« »Neen.« »Heet je Gert?«
»Neen.« »Heet je misschien ook »Rompelsteeltje?« «Dat heeft je de
duivel verteld! dat heeft je de duivel verteld!« schreeuwde het
mannetje, en hij stampte met zijn rechtervoet zoo hard op den grond,
dat hij er tot aan zijn middel inzakte, en toen pakte hij in woede
zijn linkervoet met twee handen, en trok zichzelf midden door.
LVI.
DE LIEFSTE ROLAND.
Er was eens een vrouw, dat was een echte heks. Zij had twee dochters:
de eene leelijk en kwaadaardig, die had zij lief, omdat het haar
eigen dochter was; de andere, mooi en goed, die haatte zij, want dat
was haar stiefdochter. Eens had de stiefdochter een mooi boezelaar,
dat de andere bijzonder beviel, zoodat zij afgunstig was en tegen
haar moeder zei, dat zij dat boezelaar wilde hebben. »Wees maar stil,
kind,« zei de oude, »je zult het ook hebben. Je stiefzuster heeft al
lang den dood verdiend; van nacht als zij slaapt, dan kom ik en hak
haar hoofd af. Zorg jij nu, dat je achter in het bed komt te liggen,
en schuif haar maar ver naar voren.«
Het zou nu met het arme meisje gedaan zijn geweest als zij niet in
een hoek had gestaan, en er alles gehoord had. Zij mocht den heelen
dag de deur niet uit, en 's avonds moest zij het eerst naar bed,
opdat de andere achterin zou kunnen gaan liggen. Maar toen die was
ingeslapen schoof de stiefdochter haar zachtjes naar voren en ging
zelf tegen den wand liggen, 's Nachts kwam de oude aansluipen; in de
rechterhand had zij een bijl, met de linker voelde zij of er iemand
vooraan lag, en toen nam zij de bijl met twee handen en sloeg. En
zij sloeg haar eigen kind het hoofd af.
Toen zij weer weg was, stond het meisje op en ging naar haar liefste,
die Roland heette, en zij klopte aan de deur. Toen hij naar buiten kwam
zeide zij tegen hem: »Hoor eens liefste Roland, wij moeten vluchten,
dadelijk, mijn stiefmoeder heeft mij willen doodslaan, maar zij heeft
haar eigen kind getroffen. Als de dag komt en zij ziet wat zij gedaan
heeft, dan zijn wij verloren.« »Maar ik raad je,« zei Roland, »dat je
eerst den tooverstaf wegneemt, anders kunnen wij ons niet redden als
zij ons nazet en achterhalen wil.« Het meisje haalde den tooverstaf,
en toen nam zij het afgeslagen hoofd en druppelde drie bloeddruppels op
den grond, een voor het bed, een in de keuken en een op de trap. Toen
ging zij met haar liefste op de vlucht.
Toen nu 's morgens de oude heks was opgestaan, heeft zij haar dochter
geroepen om haar het boezelaar te geven, maar zij kwam niet. Toen
heeft zij geroepen: »Waar ben je?« »Wel, hier op de trap om te vegen!«
riep de eene bloeddruppel. De oude ging kijken, maar er was niemand
op de trap, toen heeft zij weêr geroepen: »Waar ben je?« »Wel, hier
in de keuken om mij te warmen!« riep de tweede bloeddruppel. Ze is
toen naar de keuken gegaan, maar er was niemand. Toen riep zij nog
eens: »Waar ben je?« »Ach, hier in het bed, ik slaap!« riep de derde
bloeddruppel. Zij ging naar de slaapkamer en naar het bed. Wat zag
zij daar? In een bad van bloed haar eigen kind, dat zij zelve het
hoofd had afgehouwen.
De heks brieschte van woede en vloog naar het raam. Zij vermocht ver
in de wereld te zien, en zij zag haar stiefdochter, die vluchtte met
haar liefste, Roland. »Dat zal je niet baten,« riep zij. »Al ben je
ver weg, aan mij kun je niet ontkomen!« Zij trok haar mijlslaarzen
aan, waarmee zij in één stap een uur verder was, en zoo had zij hen
spoedig ingehaald. Maar toen het meisje de heks zag komen, veranderde
zij met den tooverstaf haar liefste in een meer en zichzelve in een
eend, die midden op het meer zwom. De heks trad aan den oever, en
strooide brood en gaf zich alle moeite om de eend te lokken; maar de
eend liet zich niet lokken en de oude moest 's avonds onverrichter
zake weêr terug. Toen nam het meisje met haar lief Roland weêr de
menschengedaante aan en zij liepen den ganschen nacht door, tot het
licht werd. Toen veranderde zich het meisje in een fraaie bloem, die
bloeide midden op een doornhaag en haar liefste, Roland, veranderde
zij in een vedelaar. Niet lang daarna kwam de heks aangeloopen en zij
zeide tegen den speelman: »lieve speelman, mag ik die mooie bloem wel
afplukken?« »O, jawel,« zei hij, »en dan zal ik er wat bij spelen.«
Toen zij nu haastig in de heg kroop en de bloem wilde afbreken,--want
zij; wist wel wie die bloem was--begon hij te spelen en zij moest
dansen of ze wou of niet, want het was een tooverdans. Hoe vlugger
hij speelde des te hooger sprongen moest zij maken en de doornen
reten haar de kleêren van het lijf en staken haar bloedende wonden,
en toen hij niet ophield met spelen moest zij blijven dansen tot zij
zich had doodgedanst.
Toen zij nu verlost waren sprak Roland: »Nu zal ik naar mijn vader
gaan om de bruiloft te bestellen.« »Dan zal ik hier blijven,« zei
het meisje, »en op je wachten, en omdat niemand mij zal herkennen,
zal ik de gedaante aannemen van een rooden steen.« Roland ging, en
het meisje lag als een roode steen op het veld en wachtte op haar
liefste. Maar toen Roland thuis kwam raakte hij in het net van eene
andere, die maakte, dat hij het meisje vergat. Het arme meisje lag daar
langen tijd; maar toen hij eindelijk in het geheel niet terug kwam,
werd zij treurig en zij veranderde zich in een bloem en zij dacht:
»er zal wel iemand komen die mij vertrapt.«
Maar het gebeurde, dat daar een herder zijn schapen hoedde, en hij zag
de bloem. En omdat zij zoo mooi was, plukte hij haar af en nam haar meê
en legde ze thuis in een kast. Van dien tijd ging het bij den herder
aan huis wonderlijk toe. Als hij 's morgens opstond was al het werk al
gedaan: de vloer was geveegd, de tafel en de banken afgezeept; er was
vuur in den haard en water gedragen; en als hij 's middags thuis kwam,
was de tafel gedekt en een stevig maal opgedragen. Hij kon maar niet
begrepen hoe dat toeging, want hij zag nooit een mensch in zijn huis
en niemand zou zich ook in die kleine hut kunnen verbergen. Die goede
zorg beviel hem best; maar het begon hem toch angstig te worden en
hij ging naar een wijze vrouw, en vroeg haar om raad. De wijze vrouw
zei: »er zit tooverij achter; let 's morgens vroeg eens heel goed
op, of er niet iets beweegt in de kamer, en wanneer je iets ziet,
wat het ook is, gooi er dan vlug een witte doek over, dan wordt de
betoovering verbroken.« De schaapherder deed wat zij gezegd had, en
den volgenden ochtend, juist toen de dag aanbrak, zag hij hoe de kast
openging en de bloem er uit kwam. Vlug sprong hij er op af en wierp er
een witte doek over heen. Toen was de gedaanteverwisseling voorbij en
een mooi meisje stond voor hem en zij bekende, dat zij de bloem was
geweest en zijn huis verzorgd had. Zij vertelde haar geschiedenis;
zij beviel hem zeer en daarom vroeg hij haar of zij hem trouwen wilde;
maar zij antwoordde, neen, want zij wilde haar liefste Roland trouw
bleven, hoewel hij haar verlaten had, maar zij beloofde hem toch,
niet weg te zullen gaan en verder voor zijn huishouden te zorgen.
Nu kwam de tijd, dat Roland bruiloft zou houden, en naar oud gebruik
werd er in het land bekend gemaakt, dat alle meisjes moesten komen
om ter eere van het bruidspaar te zingen. Het trouwe meisje werd
zoo bedroefd toen zij dat hoorde, dat het was of haar hart uiteen
zou springen; zij wilde niet gaan, maar de anderen kwamen om haar te
halen. Toen het nu haar beurt zou zijn om te zingen trad zij op zij;
maar toen zij nog maar alleen over was moest zij wel. Toen zij begon te
zingen en het gezang Roland's ooren trof, riep hij: »die stem ken ik,
dat is mijn eerste bruid en een andere wil ik niet!« Alles wat hij
vergeten was en uit zijn gemoed was verdwenen, dat werd plotseling
weer levend in zijn hart. Toen hield het meisje bruiloft met haar
liefste Roland, en haar leed was teneinde en de vreugde ving aan.
LVII.
DE GOUDEN VOGEL.
Voor lange tijden was er een koning; hij had een prachtigen tuin
achter zijn paleis en daarin stond een boom, die gouden appelen
droeg. Toen de appelen rijpten werden zij geteld, maar den volgenden
morgen ontbrak er al een. Het werd den koning gemeld, en hij beval,
dat er alle nachten onder den boom zou gewaakt worden. De koning
had drie zonen: den oudsten zond hij uit om bij den boom te waken,
toen den nacht aanbrak; maar toen het middernacht was kon hij zich
niet meer verweeren tegen den slaap en 's morgens miste men weêr een
appel. Den nacht daarop moest de tweede zoon waken, maar hem ging het
niet beter, om twaalf uur te middernacht sliep hij in en 's morgens
ontbrak er een appel. Nu kwam de beurt aan den derden zoon en hij was
ook bereid, maar de koning had niet veel verwachting van hem en meende
dat hij nog minder zou uitrichten dan zijn broêrs, maar hij gaf hem
toch verlof te gaan. De jongeling legde zich onder den boom en bleef
waken; hij liet den slaap niet over zich baas worden. Toen het twaalf
uur sloeg, ruischte het in de lucht en hij zag in den maneschijn een
vogel vliegen met glanzend goud gevederte. De vogel liet zich op den
boom neêr en hij had juist even een appel aangepikt toen de jongeling
een pijl op hem afschoot. De vogel vloog weg, maar de pijl had zijn
veêren getroffen en een van zijn gouden veêren viel naar beneden.
De jongeling raapte haar op en bracht ze 's morgens bij den koning,
en vertelde wat er 's nachts gebeurd was. De koning liet zijn raad
bijeenroepen, en allen verklaarden, dat één zulk een gouden veer hun
meer waard was dan het halve koninkrijk. »Is die veer zoo kostbaar,«
zei de koning, »dan is mij die ééne niets waard, dan wil ik den
heelen vogel.«
De oudste zoon ging op weg, vertrouwde op zijn slimheid en meende,
hij zou den gouden vogel wel vinden. Toen hij een eind gegaan was,
zag hij aan den rand van een bosch een vos zitten, legde zijn geweer
aan en mikte op hem. De vos riep: »schiet mij niet, dan geef ik je
daarvoor een goeden raad. Je bent op weg naar den gouden vogel, en
je zult dezen avond in een dorp komen, waar twee logementen tegenover
elkaar zijn; het eene is hel verlicht en daar gaat het vroolijk toe;
maar ga daar niet binnen, ga in het andere, hoe veel minder je dat
ook aanstaat.« »Hoe kan nu zoo'n onnoozel beest een verstandigen
raad geven!« dacht de prins en hij schoot zijn geweer af; maar hij
miste den vos die met gestrekten staart het bosch in vluchtte. Toen
zette de prins zijn weg voort, en kwam 's avonds in het dorp waar de
twee logementen waren; in het eene werd gezongen en gesprongen en het
andere zag er armzalig en saai uit. »Ik zou wel gek zijn,« dacht hij,
»als ik in dat schunnige logement ging en het mooie voorbij liep.«
Hij ging dus het vroolijke binnen en leefde er lekker op los, en hij
vergat den vogel en zijn vader.
Toen de tijd verliep en de oudste zoon maar niet naar huis kwam,
ging de tweede op weg en zou den gouden vogel zoeken. Even als de
oudste zag hij ook den vos, die hem den goeden raad gaf, dien hij
niet opvolgde. Hij kwam ook bij de twee logementen; in het vroolijke
waar luid gejuicht werd, stond zijn broeder aan het raam en riep hem
toe. Hij kon niet weêrstaan en ging naar binnen; toen leefde hij ook
het vroolijke leven meê.
Weer verging de tijd en nu wilde de jongste prins uittrekken en zijn
geluk beproeven; maar de vader weigerde. Hij hield hem voor minder
verstandig dan zijn broeders en vreesde een ongeluk, zoodat hij ook
niet zou terugkeeren. Maar hij liet hem geen rust en eindelijk mocht
hij gaan. Voor het bosch zat weêr de vos, smeekte om zijn leven en gaf
hem den goeden raad. De jongeling was goedhartig en zei: »Wees maar
niet bang vosje, ik zal je niets doen.« »Dat zal je niet berouwen,«
zei de vos, »en om vlugger vooruit te komen moet je op mijn staart
gaan zitten.« Nauwelijks was hij gezeten, of de vos liep over stok
en steen, dat de haren floten in den wind.
Toen zij bij het dorp waren, steeg de jongeling af en volgde den
goeden raad; zonder om te zien ging hij in het mindere logement, waar
hij rustig overnachtte. Toen hij den volgenden dag buiten kwam zat de
vos al te wachten en zei: »ik zal je verder vertellen wat je te doen
hebt. Ga maar recht uit, dan zul je bij een kasteel komen waarvoor
een heel regiment soldaten ligt; maar daar moet je niet om geven, ze
liggen allemaal te slapen en te snorken; ga er maar midden tusschen
door en dan het slot in, door alle kamers, tot je eindelijk in een
vertrek komt, waar een gouden vogel in een houten kooi hangt. Daar
naast staat een gouden kooi voor pronk, maar pas op, dat je den vogel
niet uit zijn slechte kooi neemt en in de pronkkooi zet, of het kon
slecht met je afloopen.« Toen strekte de vos weêr zijn staart uit en
de prins ging er op zitten, en het ging over stok en steen, dat de
haren floten in den wind.
Toen hij aan het kasteel kwam, ging het alles zooals de vos gezegd
had. Hij vond het vertrek waar de gouden vogel in een houten kooi zat
en de gouden kooi stond er naast; de drie gouden appels lagen verspreid
in de kamer. Maar hij dacht, het was toch te mal om dien mooien vogel
in de leelijke kooi te laten en hij deed het deurtje open, pakte den
vogel en zette hem in de gouden kooi. Maar op dat oogenblik gaf de
vogel een doordringenden kreet. De soldaten ontwaakten, stormden naar
binnen en brachten hem in de gevangenis. Den volgenden morgen werd er
gerecht over hem gehouden, en toen hij alles bekende werd hij ter dood
veroordeeld. Maar de koning wilde hem op één voorwaarde het leven laten
behouden, als hij namelijk het gouden paard bracht, dat sneller loopt
dan de wind; en dan zou hij nog als belooning den gouden vogel krijgen.