»'t Is wat moois,» zei de man, »ik ben goed af met jou, je deugt voor

geen enkel werk. Ik zal wat anders probeeren en een handel beginnen met

potten en pannen; jij zult naar de markt gaan en de waar verkoopen.«

»Ach,« dacht ze, »als er menschen komen uit mijn vader's rijk en zij

zien mij op de markt zitten verkoopen, hoe zullen zij mij uitlachen

en bespotten!« Maar er was niet aan te doen, zij had zich te schikken

of van honger te sterven. Den eersten keer ging het goed, want de

menschen kochten de mooie vrouw graag haar goed af, en betaalden

wat zij vroeg en soms gaven zij haar het geld en lieten haar de

pannen houden ook. Van wat zij thuis bracht leefden zij zoo lang

mogelijk. Toen kocht de man weer een groote hoeveelheid aardewerk in,

en zij zette zich op een hoek van de markt om het te verkoopen. Daar

kwam op eens een dronken huzaar te paard aanrennen, midden door haar

potten en pannen dat zij in duizend scherven vlogen. Zij begon te

schreien en wist niet wat zij beginnen zou. »O, hoe zal het mij nu

gaan!« riep zij, »wat zal mijn man nu zeggen!« Zij liep naar huis en

vertelde hem haar ongeluk. »Wie gaat nu ook op den hoek van de markt

zitten met aardewerk!« sprak de man, »schei maar uit met huilen, ik

zie wel dat je voor geen fatsoenlijk werk te gebruiken zijt. Ik ben in

's konings paleis geweest, en heb gevraagd of zij niet een keukenmeisje

wilden hebben, en zij hebben mij beloofd, dat ze je zouden aannemen;

dan heb je vrij eten.«

Nu werd de prinses een keukenmeisje; zij moest den kok helpen en

het ruwste werk doen. Zij maakte in hare rokken aan twee kanten

een pannetje vast, daarin nam ze haar deel van het overgeschoten

eten mee naar huis en zij leefden samen daarvan. Nu gebeurde het,

dat de bruiloft van den oudsten prins zou gevierd worden, en de arme

vrouw ging naar boven en bleef aan de zaaldeur staan om er wat van te

zien. Toen nu de lichten waren aangestoken, en de eene na de andere

prachtig getooid binnen ging, en alles één glans en heerlijkheid was,

dacht zij met droefheid over haar lot, en verwenschte haar trots

en overmoed, die haar in armoede en ellende gebracht hadden. Van

de kostelijke spijzen, die werden uitgedragen kreeg zij nu een deel

van de bedienden voor haar pannetjes, en zij wilde er meè naar huis

gaan. Op eens kwam de koningszoon met gouden ketenen versierd dien

kant uit, en toen hij de schoone vrouw in de deur zag staan, nam

hij haar bij de hand en wilde met haar dansen: maar zij wilde niet,

en zij schrikte; want zij zag, dat het koning Lijsterbaard was, die

haar had willen trouwen en dien zij met spot had afgewezen. Toen zij

tegenstribbelde trok hij haar naar binnen, en daarbij ging de band los,

die haar rokken hield, en de pannetjes vielen er uit, zoodat de soep

stroomde en de brokken over den vloer rolden. Toen dat gezien werd,

gaf het een algemeen gelach en spotterij, en zij schaamde zich zóó,

dat zij liever honderd voet diep onder den grond had gezeten. Zij

sprong naar de deur om te ontvluchten, maar op de trap haalde haar

een man in en bracht haar terug; en toen zij hem aanzag was het

koning Lijsterbaard zelf: hij sprak haar vriendelijk toe: »Wees niet

bevreesd, ik ben de speelman, die met je in het arme huisje heeft

gewoond: uit liefde voor je heb ik mij zoo vermomd, en de huzaar,

die je pannetjes stuk reed, was ik ook. Het is alles gebeurd om je

trotschen zin te buigen, en je voor den hoogmoed te straffen waarmee je

mij hebt bespot. Maar nu is het voorbij en wij zullen bruiloft houden.«

Toen kwamen de kamervrouwen, en trokken haar prachtige kleederen aan

en haar vader kwam, en het geheele hof, en wenschten haar geluk met

haar huwelijk met koning Lijsterbaard, en nu begon de rechte pret

eerst. Ik wenschte, dat jij en ik er ook bij waren geweest.

LIII.

SNEEUWWITJE.

Het was eens midden in den winter, en de sneeuwvlokken daalden als

donzen veêrtjes uit de lucht. Een koningin zat aan haar venster; zij

naaide, en het venster was gevat in een raam van ebbenhout. En toen

zij zoo naaide en ook naar het sneeuwen keek, stak de naald in haar

vinger, en drie bloeddruppels drupten in de sneeuw. En toen nu dat

rood zoo mooi kleurde in de witte sneeuw, dacht zij bij zichzelve:

»Had ik toch een kindje, zoo wit als sneeuw, zoo rood als bloed

en zoo zwart als het ebbenhouten raam!« Kort daarop werd haar een

dochtertje geboren; het was zoo wit als sneeuw, zoo rood als bloed

en haar haartjes waren zoo zwart als ebbenhout, daarom werd zij

»Sneeuwwitje« genoemd; en toen het kind geboren was, stierf de moeder.

Na een jaar nam de koning zich een andere koningin. Zij was een

schoone vrouw, maar trotsch en ingebeeld en zij kon het niet lijden,

dat een andere haar in schoonheid overtrof. Zij had een wonderspiegel;

als zij daarvoor stond en sprak:

»Spiegel, spiegel aan den wand,

Wie is de schoonste in 't gansche land?«

Dan antwoordde de spiegel:

»Vrouw koningin, gij zijt de schoonste in 't land.«

En zij was tevreden; want zij wist, dat de spiegel waarheid sprak. Maar

Sneeuwwitje groeide op en werd steeds mooier, en toen zij zeven jaar

oud was, was zij zoo mooi als de klare dag, en mooier dan de koningin

zelve. Toen deze eens haar spiegel vroeg:

«Spiegel, spiegel aan den wand,

Wie is de schoonste in 't gansche land?«

toen antwoordde de spiegel:

»Vrouw koningin, de schoonste hier zijt gij,

Maar Sneeuwwitje is duizendmaal schooner dan gij.«

Toen verschrikte de koningin en werd geel en groen van nijd. Van het

oogenblik af, dat zij Sneeuwwitje gezien had, was het of haar hart

zich in haar lijf omdraaide, zoo haatte zij het meisje. En nijd en

trots groeiden, en vervulden haar eindelijk zoozeer, dat zij dag noch

nacht meer rust had. Toen riep zij een jager, en sprak: »Breng het kind

buiten in het bosch, ik wil haar niet meer voor mijn oogen hebben. Je

moet haar dooden, en breng mij haar long en lever als bewijs.« De jager

gehoorzaamde en nam Sneeuwwitje meê, en toen hij zijn hartsvanger

getrokken had en daarmeè haar onschuldig hartje doorboren wilde,

begon zij te schreien en sprak: »Ach, lieve jager, laat mij leven,

ik zal in het wilde woud blijven en nooit meer terug komen!« En zij

was zóó mooi, dat de jager medelijden kreeg, en hij zeide: »loop dan

maar weg, arm kind.« Hij dacht: »de wilde dieren zullen je wel gauw

gevonden hebben;« maar toch was het hem of er een steen van zijn hart

was gewenteld, nu hij haar niet dooden zou. Er kwam juist een jong

hertje voorbij gesprongen, dat stak hij dood en nam er long en lever

van meè. De kok moest ze met zout koken en het boosaardige wijf at

het op, en dacht, dat zij Sneeuwwitje's long en lever gegeten had.

Nu was het arme kind in het groote bosch moederziel alléén, en zij

werd zóó bang, dat zij alle boomblaadjes aankeek, in haar angst en

radeloosheid. En zij ging hard loopen; zij liep over spitse steenen

en door dichte doornen; de wilde dieren gingen haar voorbij, maar zij

deden haar niets. Zij liep zoo lang haar voetjes nog gaan konden, tot

het bijna avond was; toen zag zij een klein huisje, en ging er binnen

om te rusten. In het huisje was alles klein, maar zoo allerliefst

en zindelijk, dat het niet te gelooven is. Er stond een wit gedekt

tafeltje, met zeven kleine bordjes, ieder bordje met zijn lepeltje; ook

zeven mesjes, zeven vorkjes en zeven kleine bekertjes. Langs den wand

stonden zeven bedjes, met sneeuwwitte lakentjes opgemaakt. Sneeuwwitje

was zoo hongerig en dorstig; zij at van ieder bordje een beetje brood

en moes, en dronk uit ieder bekertje een dropje wijn; want zij wilde

niet van één alles wegnemen. Daarna legde zij zich in een bedje omdat

zij zoo moè was, maar de bedjes pasten niet. Het eene was te lang,

het andere te kort, maar het zevende was juist goed en daarin bleef

zij liggen, zeide haar gebedje en sliep in.

Toen het nu bijna heelemaal donker was, kwamen de eigenaars van het

huisje: dat waren de zeven dwergen, die in de bergen groeven en erts

hakten. Zij staken hun zeven lichtjes aan, en toen het nu licht was

in het huisje, merkten zij, dat er iemand geweest was; want het stond

niet alles heelemaal in dezelfde orde als toen zij weg gingen. De

eerste zei: »Wie heeft er op mijn stoeltje gezeten?« De tweede: »Wie

heeft er van mijn bordje gegeten?« De derde: »Wie heeft er van mijn

broodje gebeten?« De vierde: »Wie heeft er van mijn moesje gehapt?»

De vijfde: »Wie heeft er met mijn vorkje geprikt?« De zesde: »Wie

heeft er met mijn mesje gesneden?» De zevende: »Wie heeft uit mijn

bekertje gedronken?»

Toen keek de eerste om en zag dat er in zijn bedje een klein

verdiepinkje was en hij sprak: »Wie is er in mijn bedje gestapt?«

De anderen kwamen kijken en ze riepen tegelijk: »In het mijne heeft

ook iemand gelegen?« Maar de zevende zag in zijn bedje Sneeuwwitje

liggen slapen. En hij riep de anderen er bij; zij kwamen en waren zéér

verwonderd en zij haalden hun zeven lichtjes en verlichtten haar. »Ach,

lieve Heer! ach, lieve Heer, hoe mooi is dat kind!» riepen zij; en

zij hadden er zooveel pleizier in, dat zij haar niet wakker maakten,

maar stil lieten doorslapen in het bedje. En de zevende dwerg sliep

bij zijn makkers, bij ieder een uurtje; toen was juist de nacht om.

Toen het ochtend werd ontwaakte Sneeuwwitje, en toen zij de zeven

dwergen zag schrikte zij. Maar zij waren vriendelijk, en vroegen:

»Hoe heet je?« »Ik heet Sneeuwwitje.« »Hoe ben je in ons huisje

gekomen?» vroegen verder de dwergen. Toen vertelde zij, dat haar

stiefmoeder haar wilde laten dooden, maar de jager had haar het leven

gelaten; toen had zij den heelen dag geloopen tot zij hun huisje had

gevonden. Nu zeiden de dwergen: »Wil je ons huishouden doen, koken,

bedden opmaken, wasschen, naaien en breien, dan kun je bij ons blijven

en je zult aan niets gebrek hebben.« Dat beloofde Sneeuwwitje, en zij

bleef. Zij deed goed het huishouden; 's morgens gingen de dwergjes

in de bergen om erts en goud te vinden en 's avonds kwamen zij weêr

terug, dan moest het eten klaar zijn. Den geheelen dag was het meisje

alléén, en de goede dwergen waarschuwden haar en spraken: »Pas goed op,

je stiefmoeder zal gauw weten, dat je hier zijt; laat niemand binnen.«

Maar de koningin meende Sneeuwwitje's longen en lever gegeten te

hebben, en dacht, dat zij nu weêr de eerste, en van allen de mooiste

was, en zij ging voor haar spiegel en zeide:

»Spiegel, spiegel aan den wand,

Wie is de schoonste in 't gansche land?«

Toen antwoordde de spiegel:

»Vrouw Koningin, de schoonste hier zijt gij,

Maar Sneeuwwitje over de bergen,

Bij de zeven dwergen,

Is duizendmaal schooner dan gij.«

Toen schrikte zij, want zij wist, dat de spiegel waarheid sprak, en

nu begreep zij, dat de jager haar had bedrogen, en dat Sneeuwwitje

nog leefde. En zij dacht en dacht op nieuw, hoe zij haar leven zou

nemen. Want zoolang zij niet in het geheele land de schoonste was,

liet de nijd haar geen rust. Eindelijk had zij iets verzonnen; zij

verfde zich het gezicht, en kleedde zich als een oude koopvrouw,

toen was zij geheel onkenbaar. Zoo ging zij over de bergen naar de

zeven dwergen, en klopte aan, en ze riep:

»Mooie waar te koop, mooie waar!« Sneeuwwitje keek door haar venstertje

en riep: »Goeden dag, vrouwtje! wat heb je te koop?«

»Goede waar, mooie waar! Rijgsnoeren van alle kleuren!« en zij liet

er haar een zien, die van bontkleurige zijde gevlochten was. »Die

eerlijke koopvrouw, kan ik wel binnen laten,« dacht Sneeuwwitje, en

zij schoof den grendel van de deur en kocht het mooie snoer. »Kind!«

zei de oude vrouw, »wat zie je er uit! kom, laat ik je eens rijgen

zooals het hoort.« Sneeuwwitje had geen vermoeden en ging voor haar

staan, en de vrouw begon te rijgen, maar ze reeg zoo gauw en trok zoo

sterk aan, dat Sneeuwwitje benauwd werd en voor dood neêrviel. »Nu

ben je de mooiste geweest!» zei het wijf en liep hard weg.

Niet lang daarna toen 't avond was, kwamen de zeven dwergen naar huis;

maar o, hoe schrikten zij, toen zij hun lief Sneeuwwitje op den grond

zagen liggen, en zij roerde en bewoog niet, als was zij dood. Zij

hieven haar op; maar toen zij zagen, dat zij te nauw geregen was,

sneden zij het rijgsnoer door. Toen begon zij weêr zacht te ademen,

en langzamerhand herleefde zij. Toen de dwergen hoorden wat er gebeurd

was, spraken zij: »Die oude koopvrouw was de valsche koningin; pas

nu toch op, en laat niemand binnen, als wij uit zijn.«

Maar het booze wijf ging, thuisgekomen, naar den spiegel, en vroeg:

«Spiegel, spiegel aan den wand,

Wie is de schoonste in 't gansche land?«

En de spiegel antwoordde als de vorige maal:

»Vrouw Koningin, de schoonste hier zijt gij,

Maar Sneeuwwitje over de bergen,

Bij de zeven dwergen,

Is duizendmaal schooner dan gij.«

Toen zij dat hoorde, liep het bloed haar naar het hart, zóó schrikte

zij; want zij begreep nu, dat Sneeuwwitje weêr levend geworden was.

»Nu zal ik toch iets verzinnen, dat je te gronde zal richten,« zei

ze toen, en met de heksenkunsten waarin zij bedreven was, maakte zij

een vergiftige kam. Toen verkleedde zij zich en nam de gedaante aan

van een andere oude vrouw. Zoo ging zij over de zeven bergen naar

de zeven dwergen, klopte aan de deur en riep: »Mooie waar, mooie

waar te koop!« Sneeuwwitje keek door 't raampje en riep: »ga maar

voorbij; ik mag niemand binnen laten!« »Je zult toch wel eens mogen

kijken?« zei de oude, en nam de vergiftige kam en hield die in de

hoogte. Het meisje vond hem zoo mooi, dat zij zich liet bepraten,

en de deur opende. Toen zij de kam gekocht had, zei de oude vrouw:

»Ik wil je er toch eens netjes mee kammen.« Het arme Sneeuwwitje dacht

er niet bij en liet de oude begaan, maar nauwelijks had die de kam

in het haar gestoken, of het gif begon te werken, en het meisje viel

bewusteloos neêr. »O, wonder van schoonheid, nu is 't met je gedaan!«

zei de kwaadaardige heks, en ging heen. Maar gelukkig was het bijna

avond en de zeven dwergjes kwamen naar huis. Toen zij Sneeuwwitje

dood zagen liggen, dachten zij dadelijk aan de stiefmoeder, en gingen

zoeken. Zij vonden toen de kam, en nauwelijks hadden zij hem er uit

getrokken of Sneeuwwitje kwam weêr bij, en vertelde wat er gebeurd

was. Toen waarschuwden zij haar nóg eens, toch voorzichtig te zijn,

en voor niemand de deur te openen. De koningin ging thuis voor haar

spiegel staan en sprak:

«Spiegel, spiegel, aan den wand,

Wie is de schoonste in 't gansche land?«

En weer antwoordde de spiegel:

»Vrouw Koningin, de schoonste hier zijt gij,

Maar Sneeuwwitje over de bergen,

Bij de zeven dwergen,

Is duizendmaal schooner dan gij.«

Toen zij den spiegel zoo hoorde spreken, trilde en beefde zij van

toorn; «Sneeuwwitje _zal_ sterven!« riep zij, »al kost het mijn eigen

leven.« Zij ging toen in een geheim vertrek waar nooit iemand kwam en

maakte daar een doodelijk vergiftige appel. Die was heel mooi om te

zien met roode wangetjes, dat ieder er in zou bijten; maar wie er ook

maar het kleinste stukje van at zou moeten sterven. Toen de appel klaar

was, beschilderde zij haar gezicht, en verkleedde zich als een boerin

en zoo ging zij over de zeven bergen naar de zeven dwergen. Zij klopte

aan. Sneeuwwitje stak haar hoofdje uit het venster en riep: »ik mag

niemand binnen laten, de zeven dwergen hebben het mij verboden!« »Ook

goed,« zei de boerin, »van mijn appels zal ik toch wel af komen; dáár,

die eene moog je van mij present hebben.« »Neen,« zei Sneeuwwitje,

»ik mag niets aannemen.« »Ben je soms bang voor vergif?« zei de oude

vrouw, »kijk, dan snijd ik hem in tweeën; dan eet ik de bleeke helft en

jij moogt het roode wangetje.« Maar de appel was zoo kunstig gemaakt,

dat alléén het roode wangetje vergiftig was. Sneeuwwitje had grooten

zin in den mooien appel, en toen zij zag, dat de boerin er van at,

kon zij zich niet langer bedwingen en strekte haar handje uit om de

vergiftige helft. Maar toen zij het eerste stukje er van in den mond

had, viel zij dood neêr. De koningin bezag haar met een gruwelijken

blik, en lachte hardop: »wit als sneeuw, rood als bloed, zwart als

ebbenhout!« deze keer kunnen de dwergen je niet weêr opwekken.

En toen zij thuis haar spiegel vroeg:

»Spiegel, spiegel aan den wand,

Wie is de schoonste in 't gansche land,«

toen antwoordde hij eindelijk:

»Vrouw koningin, gij zijt de schoonste in 't land.«

Toen had haar nijdig hart rust,--als er rust is voor een nijdig

hart. De dwergjes vonden, toen zij 's avonds thuis kwamen Sneeuwwitje

op den grond liggen, geen ademhaling bewoog meer, zij was dood. Zij

namen haar op, zochten naar iets, dat vergiftigd was, regen haar

keursje los, kamden het haar, wieschen haar met water en wijn, maar het

hielp niet, het lieve kind was dood en bleef dood. Zij legden haar op

een baar, en alle zeven zetten zij zich er om heên, en zij schreiden

over haar, schreiden drie dagen lang. Toen wilden zij haar begraven;

maar zij zag nog zoo frisch, als eene die leeft, en zij had nog mooie

roode wangen. Toen zeiden zij: »Dat kunnen wij niet in de zwarte

aarde laten neerzakken!« en zij lieten een doorzichtige kist maken

van glas, zoodat men haar van alle kanten zien kon, en legden haar

daarin, en schreven met gouden letters haar naam er op, en dat zij een

koningsdochter was. Toen droegen zij de kist naar buiten op den berg,

en een van hen bleef en waakte. En de dieren kwamen ook om te treuren

over Sneeuwwitje: eerst een uil, toen een raaf en eindelijk een duifje.

Sneeuwwitje lag langen, langen tijd in de glazen kist, en zij

veranderde niet, maar leek te slapen, en zij bleef zoo wit als sneeuw,

zoo rood als bloed, zoo zwart als ebbenhout. Toen gebeurde het eens,

dat een koningszoon in het bosch verdwaalde, en bij het dwergenhuis

kwam en daar den nacht zou blijven. Hij zag de kist op den berg en

het mooie Sneeuwwitje daarin, en las wat er met gouden letters op

geschreven stond. Toen sprak hij tot de dwergen: »laat mij die kist,

ik zal er voor geven, wat ge vraagt.« Maar de dwergen antwoordden:

»Wij geven haar niet; niet voor al het goud dat in de wereld is.«

Toen sprak hij: »schenk haar mij dan, want ik kan niet leven zonder

Sneeuwwitje te zien; ik zal haar eeren en hoogachten als wat mij het

allerliefste is.« Toen hij zoo sprak, werden de goede dwergen bewogen

en gaven hem de kist, en de koningszoon liet haar door zijn dienaren

op de schouders wegdragen. Toen gebeurde het, dat zij struikelden over

een tak, en door den schok schoot het stukje van den appel, dat nog

in haar keel zat, uit haar mond. Kort daarop opende zij de oogen en

richtte zich op en leefde weêr: »Ach, waar ben ik toch?« riep zij toen.

»Ge zijt bij mij!« sprak de koningszoon in groote vreugde, en

verhaalde haar, hoe alles gebeurd was, en hij zeide ook: »ge zijt

mij liever dan alles op de wereld, kom meè naar mijn vader's slot,

en word mijne vrouw!« Dat wilde Sneeuwwitje en ging met hem, en met

groote pracht en heerlijkheid werd het trouwfeest aangericht.

Op de bruiloft was ook de stiefmoeder genood. Toen zij zich nu getooid

had in haar prachtig kleed, trad zij voor den spiegel en vroeg:

«Spiegel, spiegel aan den wand,

Wie is de schoonste in 't gansche land?«

De spiegel antwoordde:

»Vrouw koningin, de schoonste hier zijt gij,

Maar de jonge koningin is duizendmaal schooner dan gij.«

Toen vloekte het booze wijf en zij werd zoo angstig, zoo angstig dat

zij zich niet meer houden kon. Zij wilde eerst niet naar de bruiloft

gaan, maar het liet haar toch geen rust, zij moest gaan en de jonge

koningin zien. En toen zij binnentrad herkende zij Sneeuwwitje; toen

stond zij roerloos van angst en schrik. Maar boven het vuur stonden

ijzeren dansschoenen die werden gloeiend binnen gebracht. Nu moest

zij de roodgloeiende schoenen aantrekken en dansen tot haar voeten

jammerlijk verbrand waren. En zij mocht niet met dansen ophouden tot

zij zich had doodgedanst.

LIV.

DE RANSEL, HET HOEDJE EN HET HOORNTJE.

Er waren eens drie broêrs, die langzamerhand tot armoede waren

vervallen; eindelijk was de nood zoo hoog gestegen, dat zij niets

meer te eten hadden, en honger moesten lijden. Toen zeiden zij: »Zoo

kan het niet blijven: wij zullen de wereld in moeten en ons geluk

zoeken.« En zij trokken weg. Op verre wegen waren zij al gegaan,

en veel grassprietjes hadden zij al plat getreden, maar het geluk

hadden zij nog niet ontmoet. Op een dag gebeurde het, dat zij in

een groot bosch kwamen, en midden daarin was een berg; en dichterbij

gekomen, zagen zij, dat de berg heelemaal van zilver was. Toen zei de

oudste: »nu heb ik het verlangde geluk gevonden, en heb niets verder

noodig.« Hij nam zooveel zilver van den berg als hij maar dragen kon,

keerde toen om, en ging weêr naar huis. Maar de beide anderen zeiden:

»wij verlangen van het geluk nog iets meer dan enkel zilver!« en zij

raakten het niet aan en gingen verder. Toen zij weêr een paar dagen

geloopen hadden, kwamen zij aan een berg, die heelemaal van goud

was. De tweede broeder bleef staan en weifelde. »Wat zal ik doen?«

dacht hij, »zou ik van het goud zooveel nemen dat ik voor mijn leven

genoeg heb, of zou ik verder gaan?« Eindelijk nam hij een besluit,

vulde zijn zakken met wat er in kon, nam afscheid van zijn broêr en

ging naar huis. Maar de derde sprak: »Goud en zilver trekt mij niet;

ik zie niet van het geluk af, misschien is er voor mij nog iets beters

weggelegd.« Hij trok verder, en toen hij drie dagen geloopen had,

kwam hij bij een bosch, nog veel grooter dan de vorigen, er kwam geen

eind aan. Hij had niets te eten of te drinken en was op het punt te

versmachten. Toen klom hij in een hoogen boom om te zien waar het

bosch ophield; maar zoover zijn blik ging zag hij niet anders dan

boomtoppen. Hij kwam weêr naar beneden, maar de honger plaagde hem

geweldig en hij dacht: »als ik mij maar eens flink verzadigen kon!«

En daar zag hij op eens onder den boom tot zijn groote verbazing een

tafel, die rijkelijk bezet was met spijzen. »Nu is mijn wensch toch

eens vervuld geworden!« dacht hij; en zonder te vragen wie het eten

gebracht, en wie het gekookt had, ging hij naar het tafeltje en at

tot hij verzadigd was. Toen hij klaar was dacht hij: »Het zou toch

jammer zijn, als dat mooie tafellakentje hier in het bosch bleef liggen

bederven,« en hij vouwde het netjes op en stak het in zijn zak. Daarna

ging hij verder, en 's avonds toen hij weêr hongerig werd, wilde

hij zijn tafellakentje eens op de proef stellen; hij legde het uit,

en zeide: »nu wensch ik, dat je weêr met lekker eten gedekt wordt,«

en hij had niet uitgesproken of er stonden vele schotels op met het

heerlijkste eten, zoodat het heelemaal vol was. »Nu merk ik in welke

keuken er voor mij gekookt wordt; jij zult mij liever zijn, dan een

berg zilver of goud!« Want hij zag wel, dat het een »tafeltje dek je«

was. Maar het tafeltje was hem toch nog niet genoeg om er rustig mee

thuis te gaan zitten; hij woù liever nog wat in de wereld rondtrekken

en nog meer geluk zoeken. Op een avond ontmoette hij in een eenzaam

bosch een kolenbrander; hij brandde kolen en had aardappelen op het

vuur staan, daarmeè zou hij zijn maaltijd houden.

Sprookjes: Tweede verzameling · 第 5 / 12 段