had hij zeven kinderen, zes prinsen en één prinsesje, die hij alle
uitermate lief had. Hij vreesde, dat de stiefmoeder hen niet goed
zou behandelen en misschien wel kwaad zou doen, daarom bracht hij ze
naar een eenzaam slot, midden in een bosch. Het lag zóó verborgen, en
de weg was zóó moeielijk te vinden, dat hij zelf verdwaald zou zijn,
als niet een fee hem een kluw katoen had gegeven, met de bijzondere
eigenschap van zelf los te wikkelen als men hem vooruit wierp, en
zoo den weg aan te wijzen. Maar de koning ging zoo dikwijls naar zijn
lieve kinderen in het bosch, dat het de koningin begon op te vallen;
zij werd nieuwsgierig en wilde weten, wat hij toch iedere keer zoo
heel alléén in het bosch te doen had. Zij gaf toen veel geld aan zijn
dienaren, en die hebben haar het geheim verraden, en hebben haar ook
gezegd van de kluw en hoe die den weg aanwees. Nu had zij geen rust
voor zij had uitgevonden, waar de koning die kluw bewaarde; daarna
naaide zij kleine wit zijden hemdjes; en daar zij van hare moeder
tooverkunsten geleerd had, naaide zij er een betoovering in. Toen nu
de koning eens ter jacht was uitgereden, nam zij de hemdjes en ging
het bosch in, en de kluw wees haar den weg. De kinderen, die in de
verte iemand zagen komen, meenden, dat het hun lieve vader was, en
huppelden hem blij te gemoet. Toen gooide zij over ieders hoofd een
hemdje, en toen dat hun huid had aangeraakt, veranderden zij in zwanen,
en zij vlogen weg over het bosch. De koningin ging heel vergenoegd
naar huis, want zij dacht nu van haar stiefkinderen bevrijd te zijn;
maar het meisje was niet meêgekomen en van haar bestaan wist zij niets
af. Den volgenden dag kwam de koning om zijn kinderen te bezoeken,
maar hij vond alleen het meisje. »Waar zijn de broêrtjes?« vroeg de
koning. »Ach lieve vader,« zeide ze, »die zijn weg en zij hebben mij
alléén achtergelaten,« en zij vertelde hoe zij het gezien had van uit
haar venstertje, dat haar broers als zwanen over het bosch wegvlogen;
en zij toonde hem de veêren, die zij in het tuintje hadden laten
vallen, en die zij had bijeengezocht. De koning treurde, maar hij
verdacht toch de koningin niet van die booze daad. Hij vreesde dat
het meisje ook geroofd zou worden daarom wilde hij haar meenemen. Maar
zij was bang voor de stiefmoeder en smeekte, dat zij nog alléén maar
dien nacht in het bosch zou mogen blijven.
Het meisje had gedacht: »nu kan ik niet langer blijven, ik moet gaan
om mijn broeders te zoeken!« En toen de nacht was gekomen ontvluchtte
zij en ging dieper het bosch in. Zoo liep zij den ganschen nacht en
ook den volgenden dag, aan één stuk door, tot zij van vermoeidheid
niet meer kon gaan. Toen kwam zij bij een wildschuur; zij ging er
in en vond er een kamertje met zes kleine bedjes, maar zij dorst
er zich niet in te leggen, en kroop onder een van de bedjes; op den
harden grond wilde zij zoo den nacht doorbrengen. Maar toen de zon
zou ondergaan hoorde zij ruischen van vleugels in de lucht, en zes
zwanen kwamen het venster ingevlogen. Zij zetten zich op den grond
en bliezen tegen elkaâr, en bliezen elkaâr al de vederen af, en hun
zwanenhuid konden zij afstroopen als een hemd. Het meisje zag toen,
dat het haar broeders waren en zij verheugde zich en kroop van onder
het bedje te voorschijn. De broeders waren even verheugd dat zij hun
zusje terug hadden, maar het duurde niet lang.
»Je kunt hier niet blijven,« zeiden zij, »dit is een herberg voor
roovers, en als zij thuis komen en je vinden zullen zij je zeker
kwaad doen.« »Kun je mij dan niet beschermen?« vroeg het zusje.
»Neen,« antwoordden zij, »want wij kunnen niet langer dan een kwartier
iederen avond onze zwanenhuid afleggen en menschen zijn; daarna worden
wij weer in zwanen veranderd.« Het zusje begon te schreien en vroeg:
»Kun je dan niet verlost worden?«
»Ach neen, dat is te moeilijk. Zes jaar lang mag je niet spreken of
lachen, en in dien tijd moet je zes hemdjes voor ons maken alleen
van sterremuur bloemetjes. Maar spreekt je mond één enkel woord, dan
is alle arbeid voor niets.« Toen de broeders zoo gesproken hadden,
was het kwartier om, en als zwanen vlogen zij weer het venster uit.
Maar het meisje dacht in zich zelve; »ik wil mijn broeders verlossen
al kost het mij mijn leven,« en den volgenden ochtend ging zij uit,
en verzamelde sterremuur en begon te naaien; spreken kon zij met
niemand en voor lachen was zij niet vroolijk genoeg: zij zat maar
en keek op haar werk. Toen zij al langen tijd zoo gezeten had,
gebeurde het, dat de koning van dat land die in dat bosch op jacht
was, in de buurt jaagde, en de jagers kwamen bij den boom waar het
meisje op zat te naaien. Zij riepen haar toe: »Wie ben je?« Maar
zij antwoordde niet. »Kom van den boom af, bij ons, wij zullen je
geen kwaad doen.« Zij schudde alléén het hoofdje. Toen zij maar al
door vroegen, wierp zij hun haar gouden halsketting toe, zij dacht,
dan zouden zij wel tevreden zijn. Maar zij hielden niet op; toen
wierp zij nog haar gordel naar beneden en daarna haar kousebanden, en
alles wat zij aanhad zoodat zij eindelijk niets meer dan haar hemdje
overhield. Maar de jagers lieten zich nog niet afwijzen en klommen
in den boom, beurden het meisje eruit, en brachten haar bij den koning.
»Wie ben je?« vroeg de koning, »wat doe je op dien boom?« Maar zij
antwoordde niet. Hij vroeg in alle talen doch zij bleef stom. Maar zóó
mooi was zij, dat 't konings hart getroffen werd, en hij voelde een
groote liefde voor haar. Hij hing haar zijn mantel om, nam haar vóór
zich op het paard en bracht haar in zijn slot. Daar liet hij haar rijke
kleeren maken, en zij straalde in haar schoonheid als de lichte zon;
maar geen woord kwam er van haar lippen. De koning zette haar naast
zich aan tafel en haar bescheidenheid en zedig wezen bevielen hem
zóózeer, dat hij zeide: »Deze wensch ik tot mijn vrouw te maken, en
geen andere op de geheele wereld,« en na eenige dagen trouwde hij haar.
De koning echter had een booze moeder, die ontevreden was over dit
huwelijk en zij sprak kwaad van de jonge koningin. »Wie weet, wat
voor een meid dat is,« zeide zij, »die niet spreken kan; zij is een
koning onwaardig.« Na een jaar, toen de koningin haar eerste kindje
geboren was, nam de oude het weg terwijl zij sliep, en besmeerde haar
den mond met bloed. Toen ging zij naar den koning, en klaagde haar
aan, dat zij een menscheneetster was. De koning geloofde het niet en
wilde niet dulden, dat men haar eenig leed aandeed. En zij zat maar en
naaide aan de hemden, en merkte niets. Den tweeden maal toen er een
mooi jongetje geboren werd, pleegde de stiefmoeder hetzelfde bedrog;
maar de koning weigerde weêr haar te gelooven en hij sprak: »zij is
zoo vroom en goed; dat zou zij nooit kunnen doen; was zij niet stom,
dan zou zij zich kunnen verdedigen, en haar onschuld zou blijken.«
Maar toen den derden maal de oude weêr het jonge kind roofde en de
koningin aanklaagde, en zij geen woord tot haar verdediging sprak,
was de koning genoodzaakt haar aan het gerecht over te leveren;
en toen werd zij veroordeeld tot den vuurdood.
De dag waarop het vonnis zou voltrokken worden, was tegelijk de
laatste dag van de zes jaren, waarin zij niet spreken of lachen
mocht, en nu had zij haar broeders uit de macht van de betoovering
bevrijd. De zes hemden waren klaar, alléén de linker mouw ontbrak
nog aan het laatste. Toen zij nu naar den brandstapel geleid werd,
hing zij de hemden over haar arm, en toen zij boven stond en het vuur
ontstoken zou worden, keek zij om, en er kwamen zes zwanen door de
lucht gevlogen. Toen begreep zij, dat haar verlossing nabij was en
er was vreugde in haar hart. De zwanen ruischten om haar heen en
bogen zich tot haar, dat zij om hun halzen de hemden kon gooien;
en toen die hen aanraakten viel de zwanenhuid af, en haar broeders
stonden levend voor haar, frisch en schoon; alleen de jongste miste
den linkerarm, en daar voor was aan zijn schouder een zwanenvleugel
gehecht. Zij omhelsden en kusten elkaâr en de koningin ging tot den
koning, die daar verslagen stond, en sprak: »Mijn liefste gemaal, nu
mag ik spreken en u openbaren, dat ik onschuldig ben en valschelijk
aangeklaagd,« en zij verhaalde hem van het bedrog van de oude koningin
en hoe zij haar kinderen had geroofd en verborgen. Die werden toen
tot 's konings innige vreugde te voorschijn gebracht, maar de booze
schoonmoeder werd tot haar straf op den brandstapel gebonden en
tot asch verbrand. De koning en de koningin en hare zes broeders,
leefden nog lange jaren in vrede en geluk.
L.
DOORNENROOSJE.
Voor lange, lange jaren, waren er eens een koning en koningin, die
zeiden elken dag: »Ach als wij toch maar een kind hadden!« maar zij
kregen geen kind. Toen gebeurde het eens, terwijl de koningin in
het bad was, dat er een kikvorsch uit het water naar den kant zwom
en tot haar zeide: »Uw wensch wordt vervuld, gij zult een dochter
ter wereld brengen.« Wat de kikvorsch voorspeld had, gebeurde, de
koningin werd een dochtertje geboren, en zóó schoon was het, dat
de koning zich niet houden kon van vreugde en een groot feest liet
aanrichten. En niet alleen vrienden en verwanten liet hij uitnoodigen,
maar ook de wijze vrouwen, opdat zij het kind goed en gunstig gezind
zouden zijn. Dertien waren er in zijn rijk; hij had echter maar twaalf
gouden borden, waarvan zij zouden eten, daarom kon hij er ééne niet
nooden. Die gevraagd waren, zijn gekomen; en toen de feestmaaltijd
gehouden was, hebben zij aan het kind hare wondergaven geschonken:
de eene gaf Deugd, de andere Schoonheid, de derde Rijkdom en zoo
kreeg zij alles wat er heerlijks is in de wereld. Toen elf haar
gave gegeven hadden, kwam plotseling de dertiende binnen. Zij kwam
om zich te wreken, dat zij niet genoodigd was, en zonder iemand te
groeten of aan te zien, riep zij met harde stem: »De koningsdochter
zal zich op haar vijftiende jaar aan een spinnewiel verwonden, en
dood neêrvallen!« Na deze woorden keerde zij zich om en verliet de
zaal, en allen stonden verwezen. Daar trad de twaalfde naar voren,
die nog een gave te geven had. Zij kon de booze voorzegging niet
opheffen, wel verzachten, en sprak: »Het zal niet de dood zijn,
maar een honderdjarige slaap, die 's konings dochter zal overvallen.«
De koning wilde zijn lieve dochter voor dat ongeluk bewaren en hij
liet in zijn rijk afkondigen, dat alle spinnewielen moesten worden
afgeschaft. Aan het meisje werden alle voorzeggingen van de wijze
vrouwen vervuld: zij werd schoon, zedig, liefelijk en verstandig,
en ieder, die haar kende kreeg haar hartelijk lief. Nu gebeurde het
juist op den dag, dat haar vijftiende jaar moest aanvangen, dat de
koning en de koningin waren uitgegaan, en het meisje alléén bleef in
het slot. Zij dwaalde het geheele slot rond, bekeek zalen en kamers,
hoeken en gaten, zooals het haar in den zin kwam, en zoo kwam zij ook
bij een ouden toren. Zij steeg een nauwe trap op en kwam toen voor een
kleine deur. In het slot stak een roestige sleutel en toen zij die
omdraaide sprong het slot open. In het kamertje zat een oude vrouw,
die ijverig haar vlas spon. »Ei, moedertje!« zei het prinsesje, »wat
doet ge daar?« »Ik spin,« zei het oudje en knikte met het hoofd. »Wat
springt dat dingetje aardig rond!« zei het meisje en greep naar het
spinnewiel en wilde zelf ook spinnen. Maar nauwelijks had zij het
aangeraakt of de tooverspreuk vervulde zich en zij stak zich er aan.
En op het oogenblik, dat zij den steek voelde, viel zij in diepen
slaap en de slaap verbreidde zich over het geheele slot: de koning
en de koningin, die juist waren thuis gekomen, sliepen in, en met
hen de geheele hofstoet. En ook de paarden in de stallen sliepen,
de honden in den hof, de duiven op het dak, de vliegen aan den wand;
ja, ook het vuur, dat flikkerde in den haard werd stil en sliep,
het gebraad hield op te prutsen, en de kok moest den keukenjongen
loslaten, die hij juist een flink pak wilde geven voor een verzuim,
en hij sliep ook. Toen legde zich ook de wind, en aan den boom voor
het slot bewoog geen blaadje meer.
Maar rondom het slot groeide een doornhaag, die ieder jaar hooger werd,
en het gansche slot omgaf en er overheen groeide zoodat er niets meer
van te zien was, zelfs niet de vlag op het dak. In het land ging toen
de sage van het »Doornenroosje«, de schoone, slapende koningsdochter;
en dikwijls kwamen er koningszonen, die door de haag in het slot wilden
dringen. Maar het was hun niet mogelijk, want de takken hielden zich,
als met handen, gegrepen, en de jongelingen bleven aan de doornen
hangen en moesten jammerlijk sterven. Na lange, lange jaren trok
weêr een koningszoon door het land. Hem vertelde een oud man van
de doornhaag; daarachter zou een slot zijn, waar een wonderschoone
koningsdochter, het »Doornenroosje,« zou slapen; en met haar het
geheele hof. Hij wist ook van zijn grootvader, dat veel koningszonen
al in de haag gedrongen waren, maar zij waren er ingebleven en een
jammerlijken dood gestorven. Toen sprak de jongeling. »Dat schrikt
mij niet af: ik wil door de doornen dringen en schoon Doornenroosje
zien.« En wat de oude zeggen mocht, het hielp hem niet, hij kreeg
zelfs geen gehoor. Nu waren echter juist toen de prins kwam, de
honderd jaren voorbij gegaan. En toen hij de doornhaag naderde waren
het enkel mooie groote bloemen, die uit elkaâr bogen toen hij kwam,
zoodat hij er doorging, onverlet; en achter hem sloten zij zich
weêr als een haag. Hij kwam in het slot; daar waren de paarden en
de gevlekte jachthonden in slaap, op het dak de duiven, het kopje
tusschen de vleugels. En binnen sliepen de vliegen op den wand,
de kok hield nog de hand uitgestrekt om den keukenjongen te slaan,
en de meid zat met de zwarte hen, die zij plukken zou. Verder ging
hij, en in de zaal zag hij den ganschen hofstoet in slaap, en onder
aan den troon lagen de koning en koningin. Toen ging hij nog verder
en het was zóó stil dat hij zijn ademhaling hoorde. Zoo kwam hij
eindelijk aan den toren, en opende de deur van het kleine kamertje
waar Doornenroosje sliep. Daar lag zij, en zij was zóó schoon, dat
hij zijn oogen niet van haar kon afwenden; toen bukte hij zich en
kuste haar. Maar bij die aanraking sloeg Doornenroosje de oogen op,
en ontwaakte, en zij zag hem vriendelijk aan. Te zamen daalden zij
toen van den toren af, en de koning ontwaakte, en de koningin, en de
geheele hofstoet en met groote oogen zagen zij elkander aan. En de
paarden op het slotplein stonden op en schudden zich, de jachthonden
sprongen en kwispelstaartten, de duiven op het dak haalden het kopje
uit, keken rond en vlogen weg. De vliegen kropen verder op de muren;
het vuur in den haard verhief zich, flikkerde op en kookte het eten;
het gebraad prutste; de kok gaf den jongen een oorvijg, dat hij 't
uitschreeuwde en de meid plukte het hoen. Toen werd de bruiloft van
Doornenroosje met den prins in alle pracht gevierd en zij leefden
gelukkig tot aan het einde.
LI.
VOGELBUIT.
Een houtvester ging eens in het bosch op de jacht, en midden in het
bosch hoorde hij het schreien van een klein kind; hij ging op het
geluid af en kwam voor een hoogen boom en boven in dien boom zat een
kindje. Het was zóó gekomen, dat de moeder met het kindje op den
schoot, onder den boom was ingeslapen; een roofvogel had het kind
bespeurd en was toegeschoten en had het in zijn snavel weggedragen,
en in den hoogen boom gezet.
De houtvester klom in den boom en haalde het kind er uit en hij dacht:
»ik zal het meênemen, en met Leentje samen zullen wij het opvoeden;«
en hij bracht het kind naar huis en het groeide met zijn dochtertje
op. Omdat het op een boom gevonden was en door een vogel was meègenomen
werd het »Vogelbuit« genoemd.
Vogelbuit en Leentje hielden zóóveel, zóóveel van elkaâr, dat zij
treurden als zij niet te zamen waren.
De houtvester had echter een oude huishoudster, die nam op een avond
twee emmers, en ging aan het water dragen; en zij ging niet ééns
om water, maar zij ging vele malen naar de bron. Leentje zag het
en zei: »Hoor eens, oude Sanne! waar is al dat water voor?« »Als je
het niemand oververtelt, wil ik het je wel zeggen.« Leentje beloofde,
dat zij er niemand over spreken zou; toen zei de huishoudster: »Morgen
vroeg als de baas op jacht is, zet ik het water op, en als het kookt
gooi ik Vogelbuit er in en zal hem koken.«
En den volgenden ochtend, heel vroeg, stond de houtvester op en ging
op de jacht; toen hij weg ging lagen de kinderen nog in bed en Leentje
sprak tot Vogelbuit.
»Verlaat je mij niet, dan verlaat ik jou ook niet,« toen antwoordde
Vogelbuit: »nu niet, en nooit!«
Toen sprak Leentje: »Ik zal het je zeggen: oude Sanne sleepte gisteren
zooveel emmers water in huis; toen vroeg ik haar, waarvoor; zij zoude
het mij zeggen als ik er niemand over sprak. Ik zei: »ik zal het zeker
aan niemand zeggen;« toen sprak zij weêr, als vader op de jacht was,
zou zij het water koken in een ketel en jou er in gooien en koken. Maar
wij zullen gauw opstaan en ons vlug aankleeden en samen wegloopen.«
Dus stonden de kinderen op, kleedden zich vlug aan, en liepen weg. Toen
nu het water in den ketel kookte, kwam de oude vrouw in de slaapkamer
om Vogelbuit te halen en hem dan in het kokende water te gooien. Maar
toen zij in de bedjes keek, waren de kinderen allebei weg; toen werd
zij gruwelijk angstig en zij dacht: »wat zal ik nu zeggen, als de
houtvester thuis komt, en hij merkt, dat de kinderen weg zijn? Gauw
ze achter op, dat ik ze terug krijg!«
Toen stuurde de heks hun drie knechten na, die moesten hard loopen
en de kinderen achterhalen. De kinderen zaten voor het bosch,
en toen zij in de verte de drie knechten zagen komen, zei Leentje,
tegen Vogelbuit: »Verlaat je mij niet, dan verlaat ik jou ook niet.«
En Vogelbuit antwoordde: »Nu niet, en nooit.« Toen zei Leentje: »Word
jij dan een rozenstruik, dan ben ik het roosje, dat er aan groeit.«
Toen nu de drie knechten bij het bosch kwamen, was er niets dan een
rozenstruik met een roosje, maar de kinderen waren er niet. Toen zeiden
zij: »hier is niets,« en zij gingen naar huis terug en zeiden tegen
de huishoudster, dat zij niets gezien hadden dan een rozenstruik met
een roosje er aan. Toen werd de oude huishoudster kwaad: »Onnoozele
suffers, dat jelui zijt; je hadt de rozenstruik midden door moeten
snijden, en het roosje aftrekken en meè naar huis brengen; ga gauw
terug en doe het!« En ze moesten nog eens gaan zoeken. De kinderen
zagen hen in de verte komen, en Leentje zei: «verlaat je mij niet,
dan verlaat ik jou ook niet.« En Vogelbuit antwoordde: »nu niet,
en nooit.« Toen zei Leentje: »word jij dan een kerk, dan zal ik de
lichtkroon er in zijn.«
Toen nu de drie knechten aankwamen was er niet anders te zien dan
een kerk waarin een lichtkroon hing. Toen zeiden zij tegen elkaâr:
»Er is hier niets voor ons, laat ons maar naar huis gaan.« Toen zij
aankwamen vroeg de huishoudster of zij niets gevonden hadden: »neen,«
zeiden zij, »wij hebben niets gevonden dan een kerk, en daarin hing een
lichtkroon.« »Ezels! waarom heb jelui de kerk niet omvergehaald en de
kroon mee thuis gebracht!« en toen ging de oude huishoudster zelf op
het pad met de drie knechten, de kinderen achterna. De kinderen zagen
de drie knechten in de verte komen en de oude huishoudster strompelde
achteraan. Toen sprak Leentje: »Vogelbuit, verlaat je mij niet, dan
verlaat ik jou ook niet.« »Nu niet, en nooit!« zei Vogelbuit. »Word
dan een vijver,« zei Leentje, »dan ben ik het eendje dat er rondzwemt.«
De huishoudster was nu aangekomen, en bij den vijver ging zij voorover
liggen en wilde hem leeg drinken. Maar de eend kwam vlug gezwommen,
pakte haar hoofd met den snavel en trok haar in het water: toen moest
de oude heks verdrinken. De kinderen gingen nu te samen naar huis,
en waren overgelukkig, en als zij niet dood zijn, leven zij nog.
LII.
KONING LIJSTERBAARD.
Een koning had een dochter. Wondermooi was zij, maar trotsch en
overmoedig, zoodat geen man haar goed genoeg was. Den een na den ander
wees zij af, en lachte hen daarna nog uit ook. Eens liet de koning
een groot feest aanrichten en noodde daarop alle trouwlustige mannen
van heinde en ver. Zij werden naar rang en stand in een rij geplaatst,
eerst kwamen de koningen, dan de hertogen, daarna de vorsten, graven,
baronnen en jonkheeren. De prinses werd langs de rijen geleid, maar
op ieder had zij wat aan te merken. De een was te dik; en zij noemde
hem »het wijnvat.« Een andere was te lang: »Lang en smal, is te mal.«
De derde te klein: »dik en klein, moet niet zijn.« Een vierde was te
bleek: hij was, »de bleeke dood.« De vijfde te rood: »de roode haan.«
De zesde was niet recht genoeg: »jong hout, dat achter de kachel
gedroogd is!« Bij ieder kwam er wat, maar 't ergst maakte zij het bij
een goeden koning die heel bovenaan stond, en een beetje een scheeve
kin had. »Hé!« riep ze, »die heeft een kin zooals de lijster een
snavel heeft,« en sedert dien tijd heette hij »Koning Lijsterbaard.«
Maar den ouden koning ergerde het, dat zijn dochter niet anders deed
dan spotten, en dat zij allen versmaadde, die haar wilden huwen;
en hij werd zoo toornig, dat hij een eed zwoer haar den eersten den
besten bedelaar, die aan de poort kwam te doen trouwen.
Een paar dagen daarna kwam er een speelman, die onder het venster
begon te zingen, om daar een aalmoes mee te verdienen. Toen de koning
dat vernam sprak hij: »Laat hem bij mij brengen.« Toen kwam de vuile
bedelaar binnen, en zong voor den koning en zijn dochter, en toen hij
klaar was vroeg hij om een milde gift. De koning sprak: »je gezang is
mij zoo goed bevallen, dat ik je mijn dochter tot vrouw wil geven.« De
prinses schrikte, maar de koning zei: »ik heb een gelofte gedaan, dat
de eerste de beste bedelaar je man zou zijn en die gelofte houd ik.«
Er hielp geen bidden; de priester werd gehaald, en zij moest zich
dadelijk met den speelman laten trouwen. Toen dat gebeurd was, zei
de koning: »nu past het niet meer voor je in mijn paleis te wonen,
je kunt nu met je man mee trekken.«
De bedelaar nam haar mee naar buiten, en zij kwamen in een groot bosch:
Daar vroeg zij:
»O, van wie dit mooie woud?«
»Dat hoort van koning Lijsterbaard
Had gij hem getrouwd
Behoorde u dit woud,«
»Ach, ik arme jonkvrouw fijn,
Kon 'k koning Lijsterbaard's vrouw maar zijn!«
Toen kwamen zij over een weiland, en zij vroeg weêr:
»Van wie dit mooie weiland wel?«
»Dat is van koning Lijsterbaard
Had ge hem genomen het hoorde aan u.«
»Ach, ik arme jonkvrouw fijn,
Kon 'k koning Lijsterbaard's vrouw maar zijn!«
Toen kwamen zij door een groote stad, daar vroeg zij weêr:
»Van wie toch deze fraaie stad,«
»Die is van koning Lijsterbaard,
Hadt ge hem genomen, zij was voor u,«
»Ach, ik arme jonkvrouw fijn,
Kon 'k koning Lijsterbaard's vrouw maar zijn!«
»Het bevalt mij in 't geheel niet,« zei de speelman, »dat je iedere
keer een anderen man wenscht; ben ik je niet goed genoeg?« Eindelijk
kwamen zij aan een heel klein huisje, toen zeide ze:
»Ach, wat is dat een klein huisje,
Van wie zou dat miezerige kleine huisje zijn?«
De speelman antwoordde: »dat is mijn en jouw huis, waar wij samen
wonen.« »Waar zijn de bedienden?« vroeg de prinses. »Wat bedienden!«
zei de bedelman, »wat je gedaan wilt hebben moet je zelf doen. Maak
het vuur maar aan, en zet het water op, dat je mijn eten kunt koken;
ik ben moê.« Maar de prinses had geen verstand van vuur aanmaken en
koken, en de bedelaar moest zelf een handje meè helpen, dat er nog
wat van terecht kwam. Toen zij hun schraal middagmaal binnen hadden,
gingen zij naar bed; maar hij joeg haar er al weêr vroeg uit, omdat
zij het huis aan kant moest maken. Een paar dagen ging het zoo als
het ging, en toen hadden zij hun voorraad opgeteerd. Toen zei de man:
»Vrouw, zoo gaat het niet langer, je moet mandjes vlechten.« Hij
ging naar buiten en sneed wilgetakken en bracht die naar huis. Toen
begon zij te vlechten, maar de harde takken beschadigden hare fijne
handen. »Ik zie, dat het niet gaat,» zei de man, »ga liever spinnen,
dat kun je misschien beter.« Zij zette zich om te gaan spinnen,
maar de stroeve draad sneed haar in de teere vingers, dat het bloed
op den grond drupte.