Toen bracht de tweede hem een stuk brood, en hij ving haar weêr zooals

de eerste, door haar even aan te raken; hij droeg haar toen in den

zak weg en vermoordde haar later even als de eerste in de bloedkamer,

omdat zij er binnen was gegaan.

Toen ging hij om de derde zuster nog te vangen en bracht haar ook

naar buiten; maar de derde was verstandig en slim. Toen hij haar de

sleutel en het ei gegeven had en was weggegaan, nam zij eerst het ei

en sloot het weg, en toen ging zij in de verboden kamer. Ach, wat

zag zij daar! Haar beide lieve zusters zag zij, gruwelijk vermoord

in het bekken! Maar zij pakte flink aan, en begon de stukken bij

een te zoeken, en legde ze weêr aan elkaar: hoofd, lijf, armen en

beenen. En toen er geen stukje meer ontbrak, kwam er beweging in

de leden en ze sloten zich aan elkaâr; en de beide meisjes openden

de oogen en waren weêr levend. Zij verheugden zich en omhelsden en

kusten elkaâr; maar de jongste nam de beide andere meê uit de kamer

en verstopte ze. De man kwam terug en vroeg het ei en de sleutel op,

en toen hij geen spoor van bloed er aan ontdekken kon, sprak hij:

»je hebt de proef doorstaan, jij zult nu mijn bruid zijn.«

»Goed,« antwoordde zij; »maar je moet mij eerst beloven, dat je

mijne ouders zelf een mand vol goud zult brengen, terwijl ik het

bruiloftsfeest bezorg.« Toen ging zij in haar kamertje, waar zij de

zusters verstopt had, en zei: »nu is het oogenblik gekomen, dat ik

je redden kan, de booswicht zal je zelf meêdragen: maar als je thuis

zijt, laat dan dadelijk hulp voor mij komen.« Zij zette haar toen

beide in een mand en overdekte ze met goud, dat er niets van haar te

zien was en toen riep zij den heksenmeester en sprak: »draag nu de

mand naar huis, maar pas op, dat je niet blijft staan om te rusten;

ik zie door het venstertje.«

De heksenmeester nam nu de mand op zijn rug en liep er meê voort, maar

hij werd hem zoo zwaar, dat het zweet hem over het gezicht liep en hij

dacht doodgedrukt te worden. Hij wilde wat rusten, maar dadelijk riep

het uit de mand: »ik kijk door mijn venstertje en zie, dat je rust,

ga dadelijk verder.« En zoo dikwijls hij stilstond werd er geroepen,

en hij moest voort, en zoo bracht hij buiten adem de mand, met het

goud en de beide meisjes, bij haar ouders in huis.

In huis bezorgde de bruid het bruiloftsfeest. Zij nam een grijnzend

doodshoofd en zette het een hoofdtooisel op, en bracht het voor het

zolderraam, daar liet zij het uitkijken. Toen noodigde zij de vrienden

van den heksenmeester uit voor het feest, en daarna kroop zij in een

vat met honing; zij sneed toen het veêren bed open en rolde zich er

in, zoodat zij er uitzag als een allerwonderlijkste vogel en geen

mensch haar kon herkennen. Zij ging toen het huis uit en ontmoette

eenige van de bruiloftsgasten, die vroegen:

»Fitscher's vogel, waar vandaan?«

»Van Fitse Fitscher's huis van daan.«

»Wat doet dan wel zijn jonge bruid?«

»Zij is aan 't vegen en poetsen gegaan

En kijkt nu uit het zolderraam.«

Daarna kwam zij den bruidegom tegen, die terugkeerde: hij vroeg ook.

»Fitscher's vogel, waar vandaan?«

»Van Fitse Fitscher's huis vandaan.«

»Wat doet daar wel mijn jonge bruid?«

»Zij is aan 't vegen en poetsen gegaan

En kijkt nu uit het zolderraam.«

De bruigom keek naar boven; hij zag het versierde doodshoofd, en meende

dat het zijn bruid was; hij knikte haar toen vriendelijk toe. Maar

toen hij met zijn vrienden het huis was binnen gegaan, kwam de hulp

die de zusters gevraagd hadden: zij sloten alle deuren van het huis

af, dat niemand ontsnappen kon en staken het toen in brand, zoodat

de heksenmeester met zijn heele bende verbranden moest.

XLVII.

VAN DEN AMANDELBOOM.

Dat is nu al lang geleden, wel tweeduizend jaar; toen was er eens een

rijk man, die had een mooie, brave vrouw, en zij hadden elkaâr zeer

lief. Maar zij hadden geen kinderen en zij wenschten zoozéér kinderen

te hebben; en de vrouw bad er om, dag en nacht, maar zij kreeg er geen,

kreeg er maar geen. Voor hun huis was een hof, daarin groeide een

amandelboom. Onder dien amandelboom stond de vrouw eens in den winter

en schilde een appel. Toen zij dien appel zoo schilde sneed zij zich in

den vinger, en het bloed drupte op de sneeuw. »Ach,« zei de vrouw, en

ze zuchtte zoo diep, en ze zag naar het bloed en ze was zoo weemoedig,

»had ik toch een kind, zoo rood als bloed, zoo wit als sneeuw.« En

toen zij dat gezegd had, werd zij zoo vroolijk: het was haar of er

iets van komen zou. Toen ging zij in huis, en er verliep een maand:

de sneeuw smolt weg; twee maanden: toen kwam het groen; drie maanden:

de bloemen ontloken en vier maanden, toen stonden de boomen dicht

in het loof en al de groene takken drongen te zamen. Daar zongen de

vogelkens, dat het schalde in het bosch. Toen vielen de bloesems:

de vijfde maand was voorbij en zij stond onder den amandelboom. Hij

geurde zoo heerlijk, haar hart sprong op van vreugde; zij viel op

haar knieën en kon zich niet houden. Toen de zesde maand voorbij was,

werden de vruchten dik en stevig; zij werd heel stil. De zevende maand

greep zij naar de amandelkernen en at ze gulzig; toen werd zij droevig

en ziek. Toen ging de achtste maand voorbij, en zij riep haar man en

schreide en zei: »Als ik sterf, begraaf mij dan onder den amandelboom.«

Daarna was zij weêr getroost en verheugde zich, tot de negende maand

voorbij was; toen kreeg zij een kind zoo wit als sneeuw, zoo rood als

bloed, en toen zij het zag was haar vreugde zóó groot, dat zij stierf.

De man begroef haar onder den amandelboom en hij weende zoo zeer;

een poos, toen werd het wat minder; en toen hij nog wat geschreid

had hield het op, en nog een tijd, toen nam hij weêr een vrouw.

De tweede vrouw kreeg een dochter; maar het kind van de eerste

vrouw was een zoontje, en hij was zoo rood als bloed, zoo wit als

sneeuw. Als de vrouw haar dochtertje aanzag, had zij het zoo lief;

maar keek zij naar den kleinen jongen, dan ging het haar recht door

het hart, en hij was haar overal in den weg; en zij dacht en dacht,

hoe zij al het geld en goed voor haar dochter krijgen kon; en de Booze

gaf het haar in, dat zij den kleinen jongen kwaad wilde, stootte hem

van den eenen hoek in den anderen, en kneep hem hier en duwde hem daar,

dat het arme kind altijd in angst was. Als hij dan uit de school kwam

had hij geen rustig plekje meer.

Eens ging de vrouw naar boven, toen kwam het dochtertje ook en zei:

»moeder geef mij een appel.« »Ja, mijn kind,« zei de vrouw, en gaf

haar een mooien appel uit de kist. Maar de kist had een zwaren deksel,

met een groot, scherp, ijzeren slot.

»Moeder,« zei het kleine meisje, »moet broertje ook niet een appel

hebben?« Dat verdroot de vrouw, maar zij antwoordde: »ja, als hij

uit school komt.« En toen zij hem door het venster gewaar werd,

toen was het of de Booze zoo over haar kwam, en zij greep van haar

dochtertje den appel weêr weg, en zei: »je zult er niet eerder een

hebben dan je broer!« en zij smeet den appel in de kist en maakte de

kist toe. Toen kwam de kleine jongen binnen, en de Booze gaf haar in,

dat zij vriendelijk vroeg: »wil je een appel hebben, mijn jongen?«

en zij keek hem schichtig aan. »Moeder,« zei de kleine jongen, »wat

kijk je gruwelijk, ja, geef mij een appel.« Toen voelde zij of zij hem

moest dooden. «Kom hier,« zei ze, en opende het deksel, »krijg er een

appel uit.« En toen de kleine jongen zich er in bukte, gaf haar de

Booze, een raad: flap sloeg zij het deksel dicht, dat zijn hoofd af

vloog en tusschen de roode appels bleef liggen. Toen rilde zij, en zij

dacht: »kon ik het van mij afzetten!« Zij ging naar boven naar haar

kamer in haar latafel, en nam uit de bovenste laâ een witten doek;

zij zette het hoofd weer op den hals, en bond er den halsdoek zóó

om, dat men niets zien kon, en zette hem voor de deur op een stoel,

en gaf hem den appel in de hand.

Toen kwam daarna Marleentje bij haar moeder in de keuken; zij stond bij

het vuur, en had een pan met heet water voor zich en roerde en roerde.

«Moeder,« zei Marleentje, «broertje zit voor de deur; hij ziet heel wit

en hij heeft een appel in de hand. Ik heb hem om den appel gevraagd

maar hij antwoordt niet, toen werd ik er zoo akelig van.« »Ga er nog

weer eens heen,« zei de moeder, »en als hij weer niet antwoordt,

geef hem dan een klap om zijn ooren.« Toen ging Marleentje weer,

en zij vroeg: »Broertje mag ik den appel?« Maar hij zweeg stil;

toen gaf zij hem een klap om zijn ooren en het hoofd rolde op den

grond. Daarvan verschrikte zij, en begon te schreien en te jammeren,

en liep naar haar moeder, en zei: »Ach, moeder, ik heb mijn broertje

zijn hoofd afgeslagen!« en zij schreide en schreide en wilde niet

bedaren. »Marleentje!« zei de moeder, »wat heb je gedaan? Maar wees

nu toch stil, dat niemand het merkt; er is nu niets meer aan te

veranderen; wij zullen er zult van koken.« Toen nam de moeder den

kleinen jongen en hakte hem in stukken, deed hem in de pan en kookte

er zult van. Marleentje stond er bij, en schreide en schreide, en haar

tranen vielen in de pan; er was toen geen zout noodig. Toen kwam de

vader thuis; en ging aan tafel zitten en vroeg: »waar is toch mijn

zoon?« De moeder droeg een grooten schotel met zult op en Marleentje

schreide en kon zich niet goed houden. Toen vroeg de vader weer:

»Waar is toch mijn zoon?«

»Och,« zei de moeder, »hij is naar buiten naar zijn moeder's oom,

daar wou hij een poosje blijven.« »Wat moet hij daar doen, hij heeft

mij niet eens goeden dag gezegd!« »Hij wou er zoo graag naar toe,

en heeft gevraagd of hij wel zes weken blijven mocht; zij zullen hem

er wel houden.«

»Ach,« zei de man, »ik ben zoo droevig; het is toch niet goed, hij had

mij toch goeden dag moeten zeggen.« Tegelijk begon hij te eten, en zei:

»Marleentje, wat huil je toch? Je broertje zal wel terug komen. Hé,

vrouw,« zei hij, »wat smaakt mij dat eten goed, geef mij nog meer!«

En hoe meer hij at, hoe meer hij wilde hebben. Hij riep: »geef mij

meer, je zult er niets van hebben, het is of het allemaal van mij

is!« En hij at, en at, en de beentjes gooide hij onder de tafel, tot

hij alles op had. Maar Marleentje ging naar haar kast, en nam van de

onderste plank haar beste zijden doekje, en haalde al de beentjes van

onder de tafel uit, en bond ze in den zijden doek, en ging er meê naar

buiten en schreide haar bloedige tranen. Toen legde zij ze onder den

amandelboom in het groene gras, en toen zij ze daar neêrgelegd had,

werd haar het hart zoo licht en zij schreide niet meer. Daar begon

de amandelboom te bewegen, de takken gingen van elkaâr en dan weer

naar elkaâr toe, zoo net of iemand erg blij is en zoo met zijn handen

doet. Meteen ging er nu een nevel uit den boom op, en recht midden in

dien nevel, brandde het als vuur, en uit dat vuur vloog een prachtige

vogel op; hij zong zoo heerlijk en vloog hoog op in de lucht; en toen

hij weg was, stond de amandelboom weer zooals hij vroeger gestaan had,

en de doek met de beentjes was weg. Maar Marleentje was zoo luchtig

en blij, alsof haar broertje nog leefde. En zij ging weer vroolijk

het huis in en aan de tafel zitten en begon te eten.

De vogel was weggevlogen en had zich op het dak bij een goudsmid gezet,

en begon te zingen:

»Mijn moeder, die mij slacht,

Mijn vader, die mij at,

Mijn zusje Marleentje,

Zij zocht mijn beentjes

Legt ze in een zijden doek,

Onder den amandelboom

Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«

De goudsmid zat in zijn werkplaats en maakte een gouden ketting; hij

hoorde den vogel die op zijn dak zat te zingen, en het leek hem zoo

mooi. Toen stond hij op, maar toen hij over den drempel ging verloor

hij een pantoffel. Zoo ging hij midden op de straat op één pantoffel

en één sok; zijn schootsvel had hij voor, en in de eene hand de gouden

ketting, in de andere de tang, en de zon scheen fel in de straat. Daar

ging hij staan midden in, en keek naar den vogel. »Vogel,« zei hij,

wat kun je mooi zingen, zing dat stuk nog eens.« »Neen,« zei de

vogel, »tweemaal zing ik niet voor niets. Geef mij de gouden ketting,

dan zal ik het nog eens zingen.« »Daar heb je de gouden ketting,«

zei de goudsmid, »zing het nu nog eens.« Toen kwam de vogel en nam

de gouden ketting in de rechterpoot, en hij ging voor den goudsmid

staan en toen zong hij:

»Mijn moeder, die mij slacht,

Mijn vader, die mij at,

Mijn zusje Marleentje

Zij zocht al mijn beentjes

Legt ze in een zijden doek

Onder den amandelboom,

Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«

Toen vloog de vogel naar een schoenmaker, ging op het dak zitten

en zong:

»Mijn moeder, die mij slacht,

Mijn vader, die mij at,

Mijn zusje Marleentje

Zij zocht al mijn beentjes,

Legt ze in een zijden doek

Onder den amandelboom,

Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«

De schoenmaker hoorde het en liep in zijn hemdsmouwen naar de deur,

en keek naar zijn dak, en zijn hand moest hij boven zijn oogen houden,

voor 't helle licht van de zon. En hij riep toen naar binnen door

de deur. »Vrouw, kom toch eens, daar is een vogel! kijk toch eens

die vogel, hij kan zoo mooi zingen!« En hij riep zijn dochter en de

kinderen en de knechts, en de meid, en ze kwamen allemaal op straat

en keken naar den vogel, hoe mooi hij was; hij had roode en groene

veeren, en om zijn hals was het als zuiver goud, en zijn oogen blonken

in zijn kop als sterren. »Vogel,« zei de schoenmaker, »zing nu dat

stuk nog eens.« »Neen,« zei de vogel, «tweemaal zing ik niet voor

niets, je moet er mij wat voor geven.« »Vrouw,« zei de man, »ga naar

de zolder: op de bovenste plank staan een paar roode schoenen, breng

die beneden.« Toen ging de vrouw heen, en haalde de schoenen. »Daar

vogel,« zei de man, »zing nu dat stuk nog eens.« Toen kwam de vogel

en nam de schoenen in den linkerpoot en vloog weer op het dak, en zong:

»Mijn moeder, die mij slacht,

Mijn vader, die mij at,

Mijn zusje Marleentje,

Zij zocht al mijn beentjes,

Legt ze in een zijden doek,

Onder den amandelboom,

Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«

En toen hij uitgezongen had vloog hij weg; de ketting had hij in

de rechterpoot, de schoenen in de linker; hij vloog ver weg naar een

molen, en de molen ging: »klippe-klappe, klippe-klappe, klippe-klappe,«

en in den molen waren twintig muldersgezellen; zij houwden een steen en

hakten: »hik-hak, hik-hak, hik-hak,« en de molen ging: »klippe-klappe,

klippe-klappe, klippe-klappe.« Toen ging de vogel op een lindeboom

zitten, die voor den molen stond en zong:

»Mijn moeder, die mij slacht,«

toen keek er één op,

»Mijn vader, die mij at,«

Toen keken er nog twee op en luisterden,

»Mijn zusje Marleentje,«

Toen hoorden er weêr vier op,

»Zij zocht al mijn beentjes,

»Legt ze in een zijden doek,«

Nu hakten er nog maar acht,

»Onder«

Nu nog maar zeven

»den amandelboom,«

en nu nog maar één.

«Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«

Toen hield de laatste ook op, en had het eind nog net gehoord. »Vogel,«

zei hij, »wat zing je mooi; laat het mij ook eens hooren, zing het

nog eens.« »Neen,« zei de vogel, »tweemaal zing ik niet voor niets;

geef mij den molensteen, dan zal ik het nog eens zingen.»

»Ja,« zei hij, »als hij alléén van mij was, zou ik hem je geven.«

»Ja,« zeiden de anderen, »als hij het nog eens zingt, zal hij hem

hebben.« Toen vloog de vogel naar beneden, en al de twintig mulders,

legden den steen op planken en beurden hem op »ho-op, ho-op, ho-op!«

De vogel stak toen den kop door het gat, en nam hem als een kraag om

den hals; toen vloog hij weêr op den boom en zong:

»Mijn moeder, die mij slacht,

Mijn vader, die mij at,

Mijn zusje Marleentje,

Zij zocht al mijn beentjes

Legt ze in een zijden doek,

Onder den amandelboom,

Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«

En toen hij uitgezongen had, sloeg hij de vleugels uit elkaâr, en hij

had in de eene poot den ketting en in de andere de schoenen en om zijn

hals den molensteen, en zoo vloog hij ver weg, naar zijn vader's huis.

In de kamer zaten de moeder, de vader en Marleentje aan tafel en de

vader zei: »Ach, wat voel ik mij op eens blij en verlicht van hart!«

»Neen,« zei de moeder, »ik ben angstig, 't is of er een zwaar onweer

zal komen.«

Maar Marleentje zat en schreide en schreide; toen kwam de vogel

aangevlogen en toen hij op het dak zat, zei de vader: »ik ben zoo blij,

en de zon schijnt buiten zoo heerlijk, het is mij of ik van daag een

ouden vriend zal terug zien.« »Neen,« zei de vrouw, »ik ben benauwd,

mijn tanden klapperen, en mijn bloed brandt als vuur,« en zij maakte

haar lijfje los en haar ondergoed; maar Marleentje zat in een hoek

te schreien; zij hield haar bord voor de oogen en schreide het bord

druipnat.

Toen zette de vogel zich op den amandelboom en zong:

»Mijn moeder, die mij slacht,«

Toen hield de moeder haar ooren dicht en haar oogen toe, en wilde

niet zien en niet hooren, maar het bruiste in haar ooren als een

vreeselijke storm, en haar oogen brandden en het trok er door heên

als bliksemflitsen.

»Mijn vader, die mij at,«

»Ach, moeder,« zei de man, »daar zit zoo'n mooie vogel, en hij zingt

zoo heerlijk, en de zon schijnt zoo lekker en buiten ruikt het als

zuiver kaneel!»

»Mijn zusje Marleentje,«

Toen legde Marleentje haar hoofdje op haar knie en schreide, schreide;

maar de man zei: »ik ga naar buiten, ik moet dien vogel van dichtbij

zien.« »O, ga toch niet!« zei de vrouw, »het is of het gansche huis

schudt en in vlam staat!« Maar de man ging naar buiten en keek naar

den vogel:

»Zij zocht al mijn beentjes,

Legt ze in een zijden doek,

Onder den amandelboom,

Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«

En tegelijk liet de vogel de gouden ketting vallen, en hij viel den man

om zijn hals, en het sloot zoo mooi rondom, hij paste hem precies. En

hij ging naar binnen en zei: »Kijk toch eens, wat is dat voor een mooie

vogel! Hij heeft mij zoo'n prachtigen ketting gegeven en hij ziet er

zoo mooi uit!« Maar de vrouw werd het zoo eng, zij viel languit op

den grond en de muts van haar hoofd; toen begon de vogel weêr:

»Mijn moeder, die mij slacht,»

»O, was ik duizend voeten onder den grond, dat ik dat niet hooren

moest!»

»Mijn vader, die mij at,»

Toen viel de vrouw als dood neêr.

»Mijn zusje Marleentje,»

»Ik wil ook naar buiten gaan,« zei Marleentje, »en zien of de vogel

mij ook wat geeft.« Toen ging zij naar buiten.

»Zij zocht al mijn beentjes,

Legt ze in een zijden doek.«

Toen gooide hij de schoenen naar beneden.

»Onder den amandelboom,

Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«

Toen werd het haar licht en blij; zij trok het eene roode schoentje

aan en danste en sprong er in rond. »Toen ik naar buiten ging, was

ik zoo treurig,« zei ze, »en nu ben ik zoo licht en blij! wat is dat

een mooie vogel; hij heeft mij een paar roode schoentjes gegeven!»

»O!« zei de vrouw, en ze sprong op, en de haren rezen haar te berge

als vuurvlammen; »het is of de wereld vergaan moet, ik wil naar

buiten, dan wordt het mij misschien lichter!« Toen zij buiten de

deur kwam: plang! smeet de vogel haar den molensteen op het hoofd,

dat ze tot moes geplet werd. De vader en Marleentje hoorden het en

gingen naar buiten; er ging rook en vuur en vlammen op van die plek,

en toen dat voorbij was, stond daar het broertje; hij nam zijn vader

en Marleentje bij de hand en alle drie waren echt vergenoegd, en zij

zijn in huis gegaan en zijn aan tafel gaan zitten eten.

XLVIII.

DE OUDE SULTAN.

Een boer had een trouwen hond, die Sultan heette; hij was oud en had

al zijn tanden verloren, zoodat hij niets meer kon aanpakken. Eens

stond de boer met zijn vrouw buiten voor de deur, en de boer zei:

»Den ouden Sultan schiet ik morgen dood, wij hebben geen nut meer van

hem.« De vrouw had medelijden met het trouwe dier en daarom sprak zij:

»Hij heeft ons zoo veel jaren trouw gediend en zoo goed geholpen,

wij konden hem nu het genadebrood wel geven.» »Wat,« zei de man,

»ben je niet wijs? Hij heeft geen enkelen tand meer in zijn bek;

geen dief, die meer bang voor hem is, 't is nu zijn tijd. En heeft

hij ons gediend, dan heeft hij er ook goed eten voor gehad.»

De arme hond, die niet ver daar vandaan in de zon lag uitgestrekt,

had alles gehoord, en hij was treurig, dat het morgen zijn laatsten dag

zou zijn. Hij had een goeden vriend, dat was de wolf, daar sloop hij 's

avonds in het donker door het bosch naar toe, en hij klaagde hem over

het lot, dat hem treffen zou. »Wees maar goedmoeds, buur,« zei de wolf,

»ik zal je wel helpen uit den brand. Ik heb wat bedacht. Morgen ochtend

vroeg moeten je baas en je vrouw naar het hooiland, en zij nemen het

kleine kind mee, omdat er niemand in huis achterblijft. Terwijl zij

aan 't werk zijn leggen zij het kind gewoonlijk achter de heg, in de

schaduw; ga jij daar nu naast liggen, of je het wilde bewaken. Ik

zal dan uit het bosch komen draven en het kind rooven, en dan moet

jij dadelijk opspringen en mij achterna rennen, om het mij weêr af

te pakken. Ik laat het vallen, je brengt het aan de ouders terug;

die gelooven dan, dat je het gered hebt, en zijn veel te dankbaar

om je iets aan te doen; je zult in volle genade worden aangenomen en

zij zullen het je aan niets laten ontbreken.«

Dat plan beviel den hond best, en zooals het bedacht was, werd

het uitgevoerd. De vader schreeuwde het uit toen hij den wolf met

zijn kind zag wegloopen, maar toen de oude Sultan het terugbracht

was hij blij en streelde den hond, en sprak: »jou zal geen haartje

gekromd worden, je zult het genadebrood eten zoolang als je leeft.«

En tegen zijn vrouw zei hij: »ga gauw naar huis en kook voor den ouden

Sultan wat wittebroodspap, dat hoeft hij niet te bijten, en breng het

hoofdkussen uit mijn bed, daar mag hij op slapen.« Van nu af aan, had

de oude Sultan het zoo goed als hij maar wenschen kon. Kort daarop

bezocht hem de wolf, en had er schik in, dat alles zoo goed gegaan

was. »Maar buur,« zei hij, »nu zul je toch wel eens een oog dicht doen,

als ik bij gelegenheid bij je baas eens een vet schaap weghaal. Het

is tegenwoordig zuinig met de kost.« »Daar moet je niet op rekenen,«

zei de hond, »mijn baas blijf ik trouw, daar gaat niets van af.« De

wolf dacht, dat het niet ernstig gemeend was, en in den nacht kwam

hij aangeloopen om het schaap te stelen. Maar de trouwe Sultan had

den boer gewaarschuwd, en die paste hem op, en kamde hem zijn haar

met den dorschvlegel, dat het bar was. De wolf moest vluchten, maar

hij riep tegen den hond: »wacht schoelje, dáár zul je voor boeten!»

Den volgenden dag stuurde de wolf het wilde zwijn, die moest den hond

opvorderen naar het bosch, daar zouden zij de zaak uitvechten. De

oude Sultan kon geen andere hulp vinden dan een kat, die maar drie

pooten had; en toen zij samen naar buiten gingen, strompelde de arme

kat langzaam voort, en van pijn, hield zij den staart in de lucht. De

wolf en zijn partij waren al op de bepaalde plaats, maar toen zij

hun tegenpartij zagen aankomen, meenden zij dat hij een sabel droeg,

want daarvoor hielden zij de recht opgerichte staart van de kat. En

toen het arme dier zoo op drie pooten sprong, dachten zij, dat het

iedere keer met de vierde een steen opnam om hen meê te gooien. Toen

kregen zij het te kwaad: het wilde zwijn kroop weg in een akker en

de wolf sprong in een boom. De hond en de kat verwonderden zich toen

zij aankwamen, dat er niemand te zien was. Maar het wilde zwijn had

zich niet heelemaal kunnen wegstoppen, en de ooren staken er nog

uit. Terwijl de kat bedaard rondkeek, bewoog het zwijn zijn ooren;

de kat dacht, dat het een muis was, en sprong er op af, en beet er

flink in. Het zwijn sprong schreeuwend op, liep hard weg, en riep:

»daar op den boom zit de schuldige!« De hond en de kat keken naar

boven en zagen den wolf; die schaamde zich, dat hij zich zoo laf had

aangesteld, en sloot vrede met den hond.

XLIX.

DE ZES ZWANEN.

Eens jaagde een koning in een groot woud, en hij jaagde zoo ijverig,

dat zijn jachtstoet hem niet volgen kon. En toen het avond was

geworden, en hij stil stond en rondkeek, bemerkte hij, dat hij

verdwaald was. Hij zocht een uitweg uit het woud maar hij vond er

geen. Nu zag hij op eens een oude vrouw met waggelend hoofd, die naar

hem toekwam; maar het was een heks. De koning sprak haar aan, en zeide:

»goede vrouw, kunt ge mij niet den weg wijzen uit het bosch?« »O ja,

heer koning, dat kan ik wel, maar er is een voorwaarde bij, en als

gij die niet vervult, komt gij nooit meer uit het bosch en moet den

hongerdood sterven.« »Welke is die voorwaarde?« »Ik heb een dochter,

die zoo schoon is, als ééne op de wereld, en zij verdient wel uwe

koningin te worden; wilt gij haar tot vrouw nemen, dan wijs ik u den

weg uit het bosch.«

De koning zeide, ja, in zijn angst, en de oude bracht hem naar haar

huisje, daar zat haar dochter bij het vuur. Zij ontving den koning

alsof zij hem verwacht had; hij zag wel, dat zij heel mooi was,

maar toch beviel zij hem niet; als hij haar aanzag overviel hem

een huivering.

Toen hij het meisje bij zich op het paard genomen had, wees de oude

hem den weg en zoo kwam de koning weer in zijn slot. Daar werd toen

de bruiloft gevierd.

Sprookjes: Tweede verzameling · 第 3 / 12 段