Op den dag, die voor de bruiloft bepaald was, verscheen de bruigom;

de molenaar had alle familie en vrienden uitgenoodigd. Toen zij aan

tafel zaten, werd ieder opgegeven iets te vertellen. De bruid zat

stil; zij sprak niet. Toen zei de bruigom: »wel, liefste, weet je

niets? Vertel toch ook eens wat.« Zij antwoordde: »Dan zal ik een

droom vertellen. Ik ging alléén door een bosch en kwam eindelijk aan

een huis; er was niemand in, maar aan den muur hing een kooi met een

vogel. De vogel riep:

»Keer om, keer om, gij jonge bruid!

Gij zijt hier in een roovershuis!«

en hij riep het nog eens. Mijn lief, het was maar een droom. Toen ging

ik door alle kamers; zij waren alle leeg, en het was er zoo akelig;

eindelijk ging ik ook in den kelder. Daar zat een stokoude vrouw,

die schuddebolde. Ik vroeg: »woont mijn bruidegom in dit huis?« Zij

antwoordde: »och arm kind je bent in een roovershol, je bruidegom

woont hier, maar hij wil je dooden en in stukken hakken, en dan

koken en opeten.« Mijn lief, het was maar een droom. Maar de oude

vrouw verstopte mij achter een groot vat, en nauwelijks was ik daar

weggekropen of de roovers kwamen thuis, zij sleepten een jonkvrouw

meê en gaven haar drieërlei wijn te drinken, witte, roode en gele,

daarvan barstte haar hart. Mijn lief, het was maar een droom. Toen

trokken zij haar kleeren af, en hakten op een tafel haar schoon

lichaam in stukken, en zij bestrooiden haar met zout. Mijn lief,

het was maar een droom. En een van de roovers zag, dat er aan de pink

nog een ring zat; hij ging er moeielijk af en toen nam hij een bijl,

en hakte den vinger af; maar de vinger sprong in de hoogte, en viel

achter het groote vat en viel mij in den schoot. En hier is de vinger

met den ring.« En toen zij dat zeide haalde zij den vinger met den

ring voor den dag en liet hem de aanwezigen zien.

De roover was krijtwit geworden bij het vertellen en nu sprong hij

op en wilde ontvluchten; maar de gasten hielden hem vast, en leverden

hem over aan het gerecht. Toen moest hij met zijn geheele bende voor

zijn schanddaden terecht staan.

XLI.

MIJNHEER KORBES.

Er waren eens een hennetje en een haantje, die wilden samen een

reis maken. Toen maakte het haantje een mooien wagen met vier roode

wieltjes, en vier muisjes spande hij er voor. Het hennetje ging met

het haantje op den wagen en zij reden samen weg. Het duurde niet lang

of zij ontmoetten een kat. »Waar gaat dat heên?« vroeg de kat. Het

haantje antwoordde:

»Al vooruit,

Naar mijnheer Korbes zijn huis.«

»Neem mij meê,« zei de kat. Het haantje antwoordde: »Heel graâg! Ga

maar achterop zitten, dat je er voor niet afvalt.

En pas op het nat,

Dat het vuil niet op mijn roode wieltjes spat

Zweepje, zwiep,

Muisjes, piep,

Al vooruit

Naar mijnheer Korbes zijn huis!«

Daarna kwam een molensteen, toen een ei, toen een eend, een speld

en eindelijk een naald; zij zetten zich allemaal op den wagen en

reden mee. Maar toen zij bij het huis van mijnheer Korbes kwamen, was

mijnheer Korbes niet thuis. De muisjes brachten den wagen in de schuur,

het hennetje vloog met het haantje op een balk; de kat ging onder den

schoorsteen, de eend op den slinger van de pomp, het ei wikkelde zich

in een handdoek, de speld ging in het kussen van den leuningstoel,

de naald sprong op het bed midden op het hoofdkussen, en de molensteen

legde zich voor de deur. Toen kwam de slechte mijnheer Korbes thuis,

ging naar den haard en wilde vuur aanmaken, toen gooide de kat hem het

gezicht vol asch. Hij liep dadelijk naar de keuken om zich te wasschen,

toen spoot de eend hem water in het gezicht. Hij wilde zich met de

handdoek afdrogen, maar het ei rolde naar hem toe, brak, en kleefde

hem de oogen dicht. Hij wilde uitrusten en ging op den stoel zitten,

toen stak hem de speld. Toen werd hij kwaad en gooide zich op zijn bed,

maar toen zijn hoofd op het kussen kwam, stak de naald, dat hij het

uitschreeuwde, en woedend de wijde wereld in woû loopen. Maar bij de

huisdeur liet de molensteen zich naar beneden vallen en sloeg hem dood.

XLII.

DE PEET.

Een arme man had zooveel kinderen, dat hij de heele wereld al gevraagd

had peet te staan, en toen er nog een kind bijkwam, was er niemand

meer over, dien hij vragen kon. Hij wist niet wat te beginnen, legde

zich vol zorg te bed en sliep in. Toen droomde hij, dat hij de stad

uit moest loopen tot voor de poort, en den eersten dien hij daar

buiten tegen kwam moest hij als peet vragen. Toen hij wakker werd

besloot hij zijn droom te volgen, en liep de stad uit, en den eersten

dien hij buiten de poort zag, vroeg hij peet te staan. De vreemde

schonk hem een glaasje water en zei: »dit is een wonderbaar water,

daarmee kunt ge zieken gezond maken; maar ge moet opletten waar de

dood staat. Staat hij bij het hoofd, dan moet je de zieke van het

water geven, en hij zal genezen, maar staat hij bij de voeten, dan

is alles vruchteloos en hij moet sterven.« Van nu af aan kon de man

altijd zeggen, of een zieke weêr beter kon worden, hij werd beroemd

en verdiende veel geld. Eens werd hij bij het kind van den koning

geroepen, en toen hij binnenkwam stond de dood bij het hoofdeneind; hij

genas het toen met het water; zoo ging het ook den tweeden keer, maar

de derdemaal stond de dood bij de voeten en het kind moest sterven.

De man wou toch den peet eens bezoeken en hem vertellen hoe het

met het water gegaan was. Maar toen hij in het huis kwam ging het

daar zonderling toe. Op de eerste verdieping waren de bezem en de

luiwagen aan 't vechten, en gingen elkaâr duchtig te lijf. Hij vroeg:

»waar woont mijnheer de Peet?« De bezem antwoordde: »een trap hooger.«

Op de tweede verdieping lag een heele hoop doode vingers. Hij vroeg:

»Waar woont mijnheer de Peet?« Een van de vingers antwoordde: »een

trap hooger.« Op de derde verdieping lag een stapel doodshoofden,

die wezen hem ook een trap hooger. Op de vierde zag hij visschen

boven een vuur staan prutsen die bakten zich zelf. Zij zeiden ook:

»een trap hooger.« En toen hij eindelijk op de vijfde verdieping was

gekomen, kwam hij voor een kamer en keek door het sleutelgat, daar

zag hij den peet met een paar lange horens. Toen hij de deur opendeed

en binnen ging, kroop de peet gauw in bed en dekte zich toe. En de

man zei: »Mijnheer Peet, wat gebeuren er toch voor rare dingen in

uw huis? Op de eerste verdieping vochten de luiwagen en de bezem,

en sloegen geweldig op elkaâr los.« »Wat ben je onnoozel!« zei de

peet, »dat waren de knecht en de meid, die een praatje hielden.«

»Op de tweede verdieping, lagen doode vingers.« «Wat ben jij een

stommerik! Het waren schorseneeren.« »Op de derde verdieping lag

een stapel doodskoppen.« «Domkop! dat waren witte koolen.« »Op de

vierde verdieping lagen visschen in een pan te prutsen, die bakten

zichzelf.« Toen hij dat gezegd had, kwamen de visschen en dienden

zichzelf op. »En toen ik de vierde trap was opgeklommen, keek ik door

het sleutelgat, en toen zag ik u Peet, en ge hadt lange, lange horens.«

»Och, dat is niet waar!« De man werd bang en liep weg, gelukkig maar,

want wie weet wat de Peet hem anders nog gedaan had!

XLIII.

VROUW TRUDE.

Er was eens een klein meisje: zij was eigenzinnig en wijsneuzig,

en als haar ouders haar iets zeiden, gehoorzaamde zij niet: hoe

kon dat nu goed gaan? Eens op een dag zeide zij tegen haar ouders:

»ik heb al zoo dikwijls van vrouw Trude gehoord, nu wil ik er toch

eens heengaan: de menschen zeggen, dat het er zoo wonderlijk bij

haar uitziet, en er moeten zulke vreemde dingen in haar huis zijn,

dat ik echt nieuwsgierig ben geworden.« De ouders verboden het haar

streng. »Vrouw Trude is een slechte vrouw,« zeiden ze, »en ze doet

goddelooze dingen, en als je naar haar toe gaat, ben je ons kind

niet meer.« Maar het meisje stoorde zich niet aan het verbod van haar

ouders, en ging toch naar vrouw Trude.

Toen zij bij haar kwam, vroeg vrouw Trude: »Waarom zie je zoo bleek?«

Het meisje stond te beven. »O,« zei ze, »ik ben zoo geschrikt van

wat ik gezien heb!«

»Wat heb je dan gezien?«

»Ik zag een zwarten man hier op de trap.«

»Dat was een kolendrager.«

»Toen zag ik een groenen man.«

«Dat was een jager.«

»Toen een bloedrooden.«

»Dat was een slager.«

»O, vrouw Trude, het was gruwelijk! ik keek door het raam en toen

zag ik in plaats van u, den duivel met een vurigen kop!«

»O, zoo!« zei ze, »dan heb je de heks in haar echte pakje gezien; ik

heb al lang op je gewacht en naar je verlangd, je moet mij verlichten.»

Toen veranderde zij het meisje in een blok hout en gooide dat op

het vuur, en zij ging er naast zitten en warmde zich. »Hé!« zei ze,

»wat flikkert dat mooi!«

XLIV.

PEET DE DOOD.

Een arme man had twaalf kinderen, en moest dag en nacht werken om ze

den kost te kunnen geven. Toen nu het dertiende geboren werd, wist

hij geen raad, en liep naar buiten den straatweg op, en den eersten

dien hij tegenkwam wilde hij vragen peet te zijn. De eerste die hij

ontmoette, dat was de lieve God, die wist al wat hij op het hart had,

en zei: »Arme man, ik heb medelijden met je, ik zal je kind ten doop

houden, en er voor zorgen, en maken, dat het op aarde gelukkig wordt.«

De man vroeg: »Wie zijt ge?« »Ik ben de lieve God.« »Dan begeer ik

u niet tot peet,« zei de man, »ge geeft de rijken en de armen laat

ge hongeren.«

Dat zei de man, omdat hij niet wist hoe wijs God den rijkdom

verdeelt. Hij wendde zich dus van den Heer af en ging verder. Toen

trad de duivel op hem toe en sprak: »Wat zoekt ge? Wilt ge mij tot peet

voor het kind hebben, dan zal ik hem goud in overvloed geven, en alle

genot dat op de wereld is.« De man vroeg: »Wie zijt ge?« »Ik ben de

duivel.« »Dan wil ik je niet tot peet, want je verlokt en bedriegt de

menschen.« Hij ging en ontmoette den knokigen dood; die sprak: »Wilt

ge mij tot peet?« De man vroeg: »wie zijt ge?« »Ik ben de dood, die

allen gelijk maakt.« Toen sprak de man: »U wil ik hebben, ge zijt de

rechte: ge haalt rijken en armen zonder onderscheid, ge zult peet bij

mij zijn.« De dood antwoordde: »ik zal uw kind rijk en beroemd maken,

want wie mij tot vriend heeft kan het niet slecht gaan.« De man sprak:

»Den volgenden Zondag is de doop; zorg dat ge te rechter tijd komt.«

De dood verscheen zooals hij beloofd had en stond peet zooals het

behoort.

Toen de knaap volwassen was, kwam op eens zijn peet, en hij moest

meêgaan. Hij nam hem naar het bosch en wees hem een plant, die

daar groeide: »nu zul je je peetgeschenk krijgen,« zei hij. »Ik

maak je tot een beroemd dokter. Als je een zieke moet genezen,

zal ik je verschijnen; sta ik aan het hoofdeneinde van den zieke,

dan kun je veilig zeggen, dat je hem genezen zult, en je geeft hem

van dit kruid, dan wordt hij beter; maar sta ik aan het voeteneind,

dan behoort hij mij, en dan moet je zeggen, dat er geen hulp voor hem

is, en dat alle dokters van de wereld hem niet redden kunnen. Maar

pas op, dat je het kruid niet tegen mijn wil gebruikt, want dan zou

het slecht met je afloopen.«

Het duurde niet lang of de jongen was de beroemdste arts van de

wereld. »Als hij een zieke alléén maar aanziet, dan weet hij al hoe het

staat, of hij genezen kan, of sterven moet,« zoo sprak men over hem,

en van heinde en ver kwamen de menschen hem af halen om hunne zieken

te bezoeken, en zóóveel goud kreeg hij, dat hij spoedig een rijk man

was. Nu gebeurde het, dat de koning zwaar ziek werd; de dokter werd

geroepen en moest zeggen of genezing mogelijk was. Toen hij bij het

bed kwam, stond de dood aan het voeteneind, en er was voor den koning

geen kruid meer gewassen. Toen kreeg de dokter den inval of hij den

dood niet eens te slim af kon zijn, hij was toch zijn peet, en zou het

voor één enkelen keer wel door de vingers zien, als hij een loopje

met hem nam. Hij nam dus den zieke op en legde hem andersom, zoodat

de dood nu bij zijn hoofd kwam te staan. Daarna gaf hij hem van het

kruid, en de koning werd langzamerhand beter. Maar de dood kwam bij

den dokter, en keek duister en toornig en dreigde hem met den vinger:

»Déze keer zal ik het nog laten gaan, omdat je mijn peetekind zijt,

maar waag je het nog eens mij te bedriegen, dan neem ik jezelf meê.«

Kort daarop bezocht een zware ziekte 's konings dochter. De oude

koning schreide dag en nacht, dat zijn oogen door een nevel zagen,

en hij liet bekend maken, dat hij, die haar van den dood redden zou

haar gemaal zou worden en de kroon erven.

Toen kwam de dokter aan het ziekbed, en zag den dood aan haar

voeteneind. Hij had zich de waarschuwing van zijn peet moeten

herinneren, maar de schoonheid van de prinses overweldigde hem zóózeer,

dat hij alle denken liet varen. En hoe toornig de dood hem aanzag en

dreigde met de vuist, hij veranderde toch de ligging van de zieke

en gaf haar van het kruid, en het leven begon zich weêr in haar te

roeren. Maar de dood, die zich ten tweeden male in zijn recht bedrogen

vond, trad op den dokter toe: »nu is het jouw beurt,« en hij pakte

hem met ijskoude hand en bracht hem in een onderaardsche grot. Daar

brandden duizende en duizende lichten, groote en minder groote, en

kleine, in onafzienbare rijen. Ieder oogenblik doofden er eenige uit en

andere vlamden weêr op, dat het scheen of de lichtjes in aanhoudende

wisseling dansten. »Zie,« zei de dood, »dat zijn voor de menschen de

levensvlammen. De groote behooren aan kinderen, de mindergroote aan

gehuwden in hun besten tijd, de kleine behooren aan grijsaards. Maar,

soms hebben ook kinderen en jonge lieden een klein lichtje.« De dokter

vroeg naar zijn eigen levenslicht. De dood wees op een klein, even nog

opflikkerend vlammetje, dat bezig was uit te dooven, en zeide: »Zie dat

is het.« »Ach mijn goede peet!« sprak de jongeling, »wees toch lief,

en ontsteek een nieuw licht voor mij, dat ik het leven nog genieten

kan, en Koning worden en de gemaal van de schoone prinses!« »Dat kan

ik niet,« antwoordde de dood, »eerst moet het uwe zijn uitgedoofd,

voor er een nieuw kan branden.« »Zet dan een nieuw op het oude, dat

het blijft doorbranden als het zou uitdooven.« De dood hield zich

of hij zijn wensch zou vervullen, en haalde een nieuw groot licht;

maar bij het inzetten, deed hij opzettelijk of hij zich vergiste,

om zich te wreken, en het stukje viel en doofde uit. Toen zakte de

dokter in één en was nu zelf in handen van den dood.

XLV.

HOE DUIMPJE OP REIS GING.

Een kleermaker had een zoon, die was wat klein uitgevallen, niet

grooter dan een duim, daarom heette hij ook »Duimpje.« Maar er zat

pit in hem, en hij zei tegen zijn vader: »Vader, ik zal, en ik moet

de wereld in!« »Flink zoo, mijn zoon!« zei de vader, en hij nam een

stopnaald, en maakte bij het licht een knop van rood lak er aan, »daar

heb je nog een degen ook meê op weg!« Nu zou het kleine snijdertje nog

voor het laatst mee eten, en hij huppelde naar de keuken, om te zien

wat moeder voor zijn galgenmaal bereid had. Het was juist klaar en de

pan stond op de kachel. »Moeder, wat is er van daag te eten?« »Kijk

zelf maar eens,« zei de moeder. Duimpje sprong op den haard, en keek

in de pan; maar hij rekte zijn hals te ver uit en werd door den wasem

meegenomen, den schoorsteen in en naar boven. Nog een poosje bleef

hij op den damp in de lucht rondrijden, tot hij eindelijk weêr op den

grond neerkwam. Nu was het snijdertje in de wijde wereld en begon zijn

zwerftochten. Hij ging bij een meester in de leer, maar daar smaakte

het eten hem niet. »Hoor eens bazin, als ik geen beter eten krijg,

dan ga ik er van door,« zei Duimpje, »en dan schrijf ik op je huisdeur:

aardappelen te veel en vleesch te weinig, atjuus baas aardappelkoning!»

»Wat heb je in te brengen, sprinkhaan,» zei de vrouw, en ze greep

een lap om hem te slaan, maar het snijdertje kroop handig onder

den vingerhoed en keek met een uitgestoken tong er onderuit naar de

vrouw. Zij nam den vingerhoed weg en wilde hem pakken, maar Duimpje

sprong tusschen de lappen, en toen ze de lappen uit elkaâr gooide

verstopte hij zich in een reet van de tafel. »Hier, bazin!« riep hij en

stak zijn hoofd er uit, en toen zij wilde slaan, kroop hij in de laâ;

maar eindelijk kreeg zij hem toch te pakken en joeg hem het huis uit.

Het snijdertje ging aan den wandel en kwam door een groot bosch;

daar ontmoette hij een bende roovers, die des konings schatkamer

gingen bestelen. Toen zij het snijdertje zagen, dachten zij: »zoo'n

instrumentje kan te pas komen!« »Hei, reus Goliath!» riep er een:

»Wil je meê naar de schatkamer? dan kun je er inkruipen en ons het

geld toegooien.« Duimpje dacht er eens over, en zei ja, en nu ging het

naar de schatkamer. Daar bekeek hij de deur van boven en van onderen,

of er een spleet in was. Gelukkig vond hij er een, en was juist op

het punt er door te kruipen, toen de schildwacht hem bemerkte: »Wat

kruipt daar voor een akelige spin!« zei hij tegen zijn kameraad,

»die zal ik dood trappen.« »Och, laat dat arme dier maar loopen,«

zei de andere, »het heeft je niets gedaan.« En zoo kwam Duimpje door

de spleet heelhuids in de schatkamer.

Hij maakte het venster waarbij de roovers stonden, open, en gooide

de rijksdaalders één voor een naar buiten. Midden in zijn werk,

hoorde hij op eens den koning komen, die zijn schatkamer kwam bezien,

en toen moest hij zich verstoppen. De koning bemerkte wel, dat er

heel wat ronde stukken mankeerden, maar hij kon niet begrijpen, wie

ze had kunnen stelen, want de sloten waren in goede orde en het werd

alles wel bewaakt. Hij ging weêr weg, maar zei tegen de schildwacht:

»Zie goed toe, er is iemand bij het geld.«

Toen Duimpje nu op nieuw met zijn werk begonnen was hoorden zij het

geld alsof 't zich begon te roeren en te klinken: »Kling, klang! klik,

klak!« en ze sprongen gauw naar binnen en wilden den dief grijpen. Maar

snijdertje, die hen hoorde komen, was hen nog te vlug af, hij kroop

gauw in een hoek, en legde een rijksdaalder over zich heen. Nu was

er niets van hem te zien en hij hield de schildwachten voor den

gek en riep: »hé! hier ben ik!« De wachten liepen er heên, maar

als ze er bij waren, zat hij al weêr in een anderen hoek onder een

andere rijksdaalder, en riep: »Hé! hier ben ik!« Zoo nam hij hen in

't ooitje en liet hen zóólang in de schatkamer rondloopen tot het

hun verveelde en zij moe werden en wegliepen. Toen gooide hij de

rijksdaalders achter elkaâr allemaal naar buiten, maar den laatsten

slingerde hij met alle kracht en sprong er zelf op, en zoo vloog hij

het raam uit. De roovers prezen hem om het hardst: »Jij bent nog eerst

een held! Wil je onze hoofdman zijn?« Duimpje bedankte beleefd en zei,

dat hij eerst de wereld moest zien. Toen verdeelden zij den buit;

maar het snijdertje vroeg maar een dubbeltje, omdat hij niet meer

dragen kon. Nu gespte hij zijn degen weêr aan, zei de roovers goeden

dag, en nam den weg tusschen de beenen. Hij ging bij verscheiden

meesters in de leer, maar met het handwerk lukte het niet best,

en eindelijk verhuurde hij zich als knecht in een logement. Maar

de dienstmeisjes konden hem niet uitstaan, want zonder gezien te

worden, zag hij alles, wat zij stilletjes deden en bracht alles aan

bij zijn meesters, wat zij van de borden hadden weg genomen en in den

kelder hadden buitgemaakt. »Wacht! wij zullen het je wel inpeperen«

zeiden zij eindelijk, en spraken samen af een streek met hem uit te

halen. Toen de eene meid in den hof aan het maaien was, en Duimpje

daar tusschen het gras rondsprong en tegen de grashalmen opklom,

maaide zij hem met een bundeltje gras tegelijk, vlug af, bond het

samen en gooide het voor de koeien. Er was een groote zwarte bij,

die slokte hem in eens op, zonder hem pijn te doen. Dat beviel hem in

't geheel niet, het was zoo donker, want daar binnen brandde geen

licht. Toen de koe gemolken werd riep hij:

»Strip, strop, strol,

Is de emmer haast vol?«

Maar door het ruischen van de stroomende melk, hoorde men hem

niet. Daarna kwam de huisheer in den stal, en sprak. »Morgen moet die

koe daar, geslacht!« Duimpje werd zóó bang, dat hij met een schelle

stem riep: »laat mij er eerst uit, ik zit er in!« De baas hoorde hem

wel, maar begreep niet waar de stem van daan kwam: »Waar zit je toch?«

riep hij. »In de zwarte!« maar de baas wist niet wat hij daar mee

meende en ging weêr weg.

Den volgenden dag werd de koe geslacht, gelukkig kreeg Duimpje er geen

steek of houw bij, maar hij kwam tusschen het worstvleesch. Toen nu de

slager wou gaan hakken, riep hij zoo hard hij kon: »hak niet te diep,

hak niet te diep! ik zit er tusschen!« Maar door het geklikklak van

de messen hoorde niemand hem. Nu zat ons snijdertje geweldig in de

piepzak. Maar angst geeft beenen, en hij sprong zoo behendig tusschen

de hakmessen door, dat hij heelemaal vrij bleef. Toch was er geen

ontkomen aan, hij moest zich met de stukjes spek in een bloedworst

laten stoppen. Dat was een benauwd kwartier, en bovendien werd hij

nog in den schoorsteen opgehangen om gerookt te worden, waar hij zich

geducht verveelde. Midden in den winter werd de worst naar beneden

gehaald, om een gast voorgezet te worden. Toen de waardin de worst

in schijven sneed, paste hij goed op, dat hij zijn hoofd niet te ver

naar voren stak, dat zijn hals niet zou worden afgesneden: eindelijk

kwam er een gunstig oogenblik, hij maakte zich lucht en sprong er uit.

In het huis waar het hem zoo slecht gegaan was, wilde hij niet langer

blijven, en daarom ging ons snijdertje maar weêr aan het loopen. Doch

zijn vrijheid duurde niet lang. Er kwam een vos over het veld, die

hapte hem in gedachten op. »O! mijnheer de vos, ik zit in je keel,

laat mij weêr los!«

»Ja,« zei de vos, »aan jou heb ik toch niets, als je mij de kippen

van je vader belooft, zal ik je loslaten.« »Heel graâg,« zei Duimpje,

»de kippen zul je allemaal hebben, dat beloof ik je.« Toen liet de

vos hem weêr vrij en droeg hem naar huis. Toen de vader zijn lief

zoontje weêr terug had, gaf hij den vos graâg al zijn kippen.

«Daarvoor breng ik dan ook een aardig stuk geld mee,« zei Duimpje,

en gaf hem het dubbeltje, dat hij op zijn zwerftocht had buit gemaakt.

»Maar waarom moest de vos al die arme kakel-kipjes hebben?« »Dommert,

jouw vader heeft toch ook liever zijn kind dan zijn kippen?«

XLVI.

FITSCHER'S VOGEL.

Er was eens een heksenmeester; hij nam de gedaante aan van een

bedelaar, ging bedelen aan de huizen en ving de mooie meisjes. Niemand

wist waar hij haar heên bracht, maar zij kwamen nooit weêr terug. Zoo

kwam hij ook eens aan de deur bij een man, die drie mooie dochters had;

hij zag er uit als een arme zwakke bedelaar en hij droeg een zak op

den rug, als wilde hij de goede gaven daarin verzamelen. Hij vroeg

om wat eten; maar toen de oudste naar buiten kwam en hem een stukje

brood reikte, heeft hij haar even aangeroerd, en toen moest zij in

zijn zak springen. Toen liep hij met vlugge stappen weg, door een

duister woud naar zijn huis; daar was het prachtig. Hij gaf haar wat

zij maar wenschte en sprak: »Het zal je bij mij wel bevallen; want je

kunt alles krijgen wat je hart begeert.« Dat duurde zoo een paar dagen,

toen zei hij: »ik moet op reis en je zult een korten tijd alleen zijn;

hier zijn de huissleutels; je kunt overal rondloopen en alles bekijken,

maar alléén de deur waar deze kleine sleutel op past, mag je niet

openen, dat verbied ik je op je leven.« Hij gaf haar ook een ei en

zeide: »Pas hier goed op, en draag het liever altijd bij je, want

als het verloren raakte zou er een groot ongeluk van kunnen komen.«

Zij nam den sleutel en het ei, en beloofde aan alles goed te zullen

denken. Maar toen hij weg was, kwam de nieuwsgierigheid haar plagen,

en toen zij het heele huis van onder tot boven had doorgesnuffeld,

ging zij naar de verboden deur en opende die. Maar zij schrikte toen

zij binnentrad: in het midden stond een groot bloedig bekken, en

daarin lagen doode menschen in stukken gehakt. Zij schrikte zoo hevig,

dat het ei uit haar hand, in het bekken neerplompte. Zij haalde het

er wel dadelijk weer uit en veegde het bloed er af, maar dat hielp

niet, want het kwam altijd weêr te voorschijn; zij werkte en wreef

en krabde, maar het ging er niet af. Kort daarop kwam de man van

de reis terug, en het allereerst vroeg hij naar den sleutel en het

ei. Zij reikte ze hem bevend over en hij bekeek ze beide nauwkeurig,

en merkte toen wel, dat zij in de bloedkamer geweest was. Hij sprak:

»Ge zijt tegen mijn wil in de kamer geweest, en nu zul je tegen je

eigen wil er weêr in. Het is met je leven gedaan.« Hij greep haar,

nam haar mee naar binnen, en hakte haar in stukken, dat haar rood

bloed over den grond liep, en toen wierp hij haar bij de anderen in

het bekken. »Nu ga ik de tweede halen,« zei de heksenmeester, en hij

ging weêr als een arm man naar het huis, en bedelde.

Sprookjes: Tweede verzameling · 第 2 / 12 段