Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Wereld Bibliotheek
Onder leiding van L Simons
Sprookjes
Verzameld door de
Gebroeders Grimm
Opnieuw uit het Duitsch vertaald door mevrouw
M. Van Eeden-Van Vloten,
met 10 illustraties van Mevr. J. B. Midderigh-Bokhorst en
J. J. Midderigh
Tweede Verzameling
Uitgegeven door De Maatschappij voor Goede en Goedkoope
Lectuur--Amsterdam
XXXV.
DE KLEERMAKER IN DEN HEMEL.
Het gebeurde eens op een mooien dag, dat de lieve God zich in
den Hemeltuin een beetje wilde vertreden; hij nam alle apostels en
heiligen meê, en niemand bleef meer in den Hemel, dan de heilige Petrus
alléén. De Heer had hem bevolen, in zijn afwezigheid niemand binnen
te laten, en Petrus stond dus aan de deur en hield de wacht. Na een
poosje werd er geklopt. Petrus vroeg: »wie is daar? en wat wil je?«
En een schrille stem antwoordde: »ik ben een arme, eerlijke kleermaker,
die vraagt om binnen gelaten te worden.«
»Jawel, eerlijk!« zei Petrus, »zooals de dief aan den galg! Je hebt
lange vingers gemaakt en de menschen hun goed verdonkeremaand; je komt
niet in den Hemel; de Heer heeft mij verboden iemand binnen te laten
terwijl Hij weg is.« »Wees toch barmhartig!« riep de kleermaker; »ik
hink en ik heb blaaren aan mijn voeten van den langen weg hierheen,
ik kon onmogelijk weer omkeeren! laat mij toch binnen; ik zal al
het nare werk doen: ik zal de kinderen dragen, de luiers spoelen,
de banken waar ze op gespeeld hebben weêr schoonmaken, en hun
gescheurde kleêren verstellen.« De heilige Petrus kreeg meêlijden
en deed voor den manken kleermaker de deur open, juist zóóver dat
hij er met zijn scharminkelige lijf net door kon kruipen. Hij moest
in een hoekje achter de deur gaan zitten en zich heel koest houden,
dat onze lieve Heer hem, als Hij terugkwam, niet zou merken, en boos
worden. De kleermaker deed wat hem gezegd werd; maar toen de heilige
Petrus even naar buiten ging, stond hij op en ging nieuwsgierig in
alle hoeken en gaten van den Hemel rondkijken om het terrein op te
nemen. Zoo kwam hij op een plein; daar stonden een heeleboel mooie en
kostbare stoelen, en in het midden een geheel gouden zetel, die met
schitterende edelsteenen was bezet. Hij was ook veel hooger dan de
andere stoelen, en er stond een gouden voetebankje voor. Dat was de
stoel waarop onze Heer zat als Hij thuis was, en van waar Hij alles
zien kon wat er op aarde voorviel. De kleermaker bleef een heelen
tijd naar den stoel staan kijken, want die beviel hem nog veel beter
dan al het andere. Eindelijk kon hij zijn neuswijsheid niet meer
betoomen en klom op den stoel en ging er op zitten. Toen zag hij
alles wat op aarde gebeurde, en hij bemerkte een oude, leelijke vrouw,
die bij een beek stond te wasschen en stilletjes twee doeken op zij
legde. De kleermaker maakte zich daarover zóó woedend dat hij het
gouden voetebankje oppakte, en het naar de aarde smeet, naar de oude
diefegge. Maar hij kon het bankje niet meer terug halen, en daarom
sloop hij stilletjes van den stoel weg en ging weer op zijn plaatsje
achter de deur zitten, met een onnoozel bakkes.
Toen onze Heer en Meester nu met zijn hemelsch gevolg weer terugkwam,
merkte Hij wel niets van den kleermaker achter de deur, maar toen
Hij zich op Zijn troon zette, miste hij het voetebankje. Hij vroeg
aan den heiligen Petrus, waar toch het voetebankje was, maar die wist
het niet. Toen vroeg hij of Petrus iemand had binnengelaten.
»Ik weet niemand,« zei Petrus, »die hier geweest is, behalve een
manke kleermaker, die nog achter de deur zit.« Toen liet de Heer
den kleermaker voor zich komen, en vroeg hem of hij het bankje had
weggenomen, en wat hij er mee gedaan had.
»O, Heer!« riep de kleermaker verheugd, »ik heb het in boosheid naar
de aarde naar een oud wijf gesmeten, die ik bij het wasschen twee
doeken zag stelen.«
»O, jou oolekert!« zei de Heer, »als ik wou recht doen, zooals jij
recht deed, wat denk je dan, dat er gebeurd zou zijn? Dan had ik al
lang geen stoelen en banken en voetebankjes, niet eens een oude pook of
tang meer, want alles zou naar de zondaars zijn gegooid. Nu kun je niet
meer in den Hemel blijven, maar moet de poort weer uit en zien waar
je terecht komt. Hier zal niemand straffen, dan ik de Heer, alléén!«
Petrus moest den kleermaker weer uit den Hemel brengen, en omdat zijn
schoenen waren stuk geloopen, en zijn voeten vol blaâren, nam hij een
stok in de hand, en ging naar wachteenbeetje waar de brave soldaten
zitten en pleizier maken.
XXXVI.
TAFELTJE DEK JE, GOUDEZEL, EN KNUPPEL UIT DE ZAK.
Lange jaren geleden, was er een kleermaker, die drie zoons had, en
maar één enkele geit. Maar die geit die hen allemaal met haar melk
moest onderhouden, had goed voeder noodig en werd alle dag naar buiten
gebracht om te grazen; dat deden de zoons om de beurt. Eens bracht
de oudste haar op het kerkhof, waar gras en kruid zoo welig groeide,
en liet haar daar grazen en rondspringen. 's Avonds toen het tijd
was om naar huis te gaan vroeg hij:
»Geitje ben je zat?« De geit antwoordde:
»Ik ben zoo zat,
Ik lust geen blad,--mè, mè!«
»Kom dan maar meê naar huis,« zei de jongen, nam haar aan het touw,
en bracht haar naar den stal, daar bond hij haar vast. »Wel,« zei
de oude kleermaker, »heeft de geit genoeg voêr gehad?« »O,« zei de
zoon, »die is zoo zat, ze lust geen blad!« Maar de vader wôu zichzelf
overtuigen, en ging naar den stal; hij aaide het lieve dier, en vroeg:
»Geitje, ben je zat?« De geit antwoordde:
»Ik ben niet zat,
'k Heb niets gehad,
Ik sprong maar op de graven rond,
Waar ik geen enkel blaadje vond--mè, mè!«
»Wat moet ik hooren!« riep de kleermaker, en hij liep naar den jongen:
»jou leugenaar, je hebt haar honger laten lijden!« en in zijn boosheid
nam hij de el van den spijker, en joeg den jongen het huis uit.
Den volgenden dag was het de beurt van den tweeden zoon; hij zocht
een plaats op, waar veel gras en kruiden groeiden, en de geit vrat
de heele plek glad af. 's Avonds toen hij naar huis woû, zei hij:
»Geitje ben je zat?« De geit antwoordde:
»Ik ben zoo zat,
Ik lust geen blad--mè, mè!«
»Kom dan maar meê,« zei de jongen, en hij leidde haar naar huis en
bond haar in den stal vast. »Wel,« zei de oude kleermaker, »heeft de
geit genoeg te eten gehad?« »O,« zei de zoon, »die is zoo zat, zij lust
geen blad.« Maar de kleermaker wilde het daar niet op aan laten komen,
ging naar den stal en vroeg: »Geitje ben je zat?« De geit antwoordde:
»Ik ben niet zat,
'k Heb niets gehad,
Ik sprong maar op de graven rond,
Waar ik geen enkel blaadje vond--mè, mè!«
»Die goddelooze booswicht!« schreeuwde de kleermaker, »zoo'n braaf
dier te laten verhongeren!« Hij liep naar boven en ranselde den jongen
met de el het huis uit.
Nu kwam de beurt aan den derden zoon; die woû eens erg zijn best
doen, en zocht struiken op, met malsch frisch groen, en daar liet
hij de geit van eten. 's Avonds toen hij naar huis wilde, vroeg hij:
»Geitje ben je zat?« De geit antwoordde:
»Ik ben zoo zat,
Ik lust geen blad--mè, mè!«
»Kom dan maar meê naar huis,« zei de jongen, bracht haar naar den
stal en bond haar vast. »Wel,« zei de oude kleermaker, »heeft de geit
genoeg gehad?« »O,« zei de zoon, »die is zoo zat, ze lust geen blad.«
De kleermaker vertrouwde de zaak niet, hij ging naar de geit en vroeg:
»Geitje ben je wel zat?« Het boosaardige dier antwoordde:
»Ik ben niet zat,
'k Heb niets gehad
Ik sprong maar op de graven rond,
Waar ik geen enkel blaadje vond--mè, mè!«
»O, zulk boos gebroed!« riep de kleermaker, »de een nog gewetenloozer
dan de andere. Jelui zult mij niet langer voor den gek houden!«
en hij vloog woedend de trap op en striemde den armen jongen zoo
geweldig met de el over den rug, dat hij het huis uitliep.
Nu was de oude kleermaker met de geit alléén. Den volgenden morgen ging
hij in den stal, liefkoosde de geit en sprak: »Kom mijn lieve beestje,
nu zal ik je zelf laten grazen.« Hij nam haar aan het touw, en bracht
haar bij groene hagen en bij alles wat geiten graâg hebben. »Zoo,
nu kun je eens recht je genoegen eten,« zei hij, en liet haar weiden
tot den avond. Toen vroeg hij: »Geitje ben je zat?« De geit antwoordde:
»Ik ben zoo zat,
Ik lust geen blad--mè, mè!«
»Kom dan maar meê naar huis,« zei de kleermaker, en hij bracht haar
naar den stal en bond haar vast. Bij het heengaan keerde hij zich
nog eens om en zei: »Nu heb je je toch eindelijk eens zat gegeten.«
Maar de geit maakte het niet beter dan te voren en riep:
»Ik ben niet zat,
'k Heb niets gehad,
Ik sprong maar op de graven rond,
Waar ik geen enkel blaadje vond--mè, mè!«
Toen de kleermaker dat hoorde, schrikte hij en begreep, dat hij
zijn drie zoons onschuldig verstooten had. »Wacht maar, ondankbaar
schepsel!« riep hij, »wegjagen alléén is geen straf genoeg, ik zal je
zóó teekenen, dat je je bij geen eerlijken kleermaker meer kunt laten
zien,« en in een vaart liep hij de trap op, haalde zijn scheermes,
zeepte de geit haar kop in en schoor dien zoo glad als zijn vlakke
hand. En omdat de el nog te veel eer zou geweest zijn, haalde hij
de zweep, en sloeg er zoo geducht op los, dat zij zich met groote
sprongen wegmaakte.
Toen de kleermaker nu zoo eenzaam en verlaten thuis zat, verviel
hij in groote treurigheid en had graâg zijn zonen weêr terug gehad,
maar niemand wist, wat er van hen was geworden. De oudste was bij
een meubelmaker in de leer gegaan; hij werkte daar vlijtig, en toen
zijn tijd om was, schonk zijn patroon hem een tafeltje, dat er heel
gewoon uitzag en ook van geen bijzondere houtsoort gemaakt was; maar
het had een goede eigenschap. Als men het neêrzette, en dan sprak
»tafeltje dek je,« dan was het brave tafeltje op eens met een zuiver
wit lakentje gedekt; er stond een bord op met mes en vork er naast,
en zooveel schalen met gezoden en gebraden als er maar op konden. Ook
fonkelde er een groot glas met rooden wijn, dat het je hart goed deed.
De jonge gezel dacht: »Daaraan heb ik voor mijn leven genoeg!« en hij
trok vroolijk er mee de wereld rond; of een logement goed of slecht
was, kwam er voor hem niet op aan, en als hij lust had bleef hij ook
wel buiten op het veld of in een bosch; daar zette hij zijn tafeltje
voor zich en zei: »tafeltje dek je« en dan had hij alles wat zijn
hart begeerde. Ten laatste dacht hij dat hij naar zijn vader terug
wilde gaan; de boosheid zou wel voorbij zijn en met zijn tafeltje
zou hij zeker vriendelijk ontvangen worden. Nu gebeurde het, dat
hij op weg naar huis 's avonds in een logement kwam, dat overvol was
van gasten; zij heetten hem welkom en noodigden hem zich bij hen te
zetten en meê te eten, want anders zou hij moeite hebben nog iets te
krijgen. »Neen,« zei de meubelmaker, »om dat beetje eten moeten wij
elkaar niet aankijken, wees jelui liever mijn gasten.« Zij lachten en
hielden hem voor een grappenmaker. Maar hij zette zijn houten tafeltje
midden in de kamer en sprak: »tafeltje dek je.« Oogenblikkelijk was
het met spijzen bezet, zoo lekker, dat de waard ze hem nooit zoo had
kunnen voorzetten, en de heerlijke geur drong de gasten aangenaam
in den neus. »Toegetast, lieve vrienden!« sprak de meubelmaker,
en toen zij zagen, dat het goed gemeend was, lieten zij zich geen
tweede maal nooden, schoven bij, namen hunne messen en spraken alles
dapper aan. Maar het meest verbaasde het hun, dat een leeggegeten
schotel dadelijk weer met een volle verwisselde. De kastelein stond
in een hoek toe te kijken; hij wist niet wat hij er van zeggen zou,
maar hij dacht: »Zoo'n kok zou in mijn zaak goed te pas komen!«
De meubelmaker en zijn gezelschap waren vroolijk tot diep in den
nacht, maar eindelijk legden zij zich toch te slapen; de jonge
gezel ging ook naar bed, en zijn toovertafeltje zette hij tegen den
muur. Doch de waard kon niet tot rust komen, hij dacht, dat hij op
den rommelzolder een oud tafeltje staan had, dat er juist zoo uitzag;
hij haalde het voor den dag en ruilde het voor het toovertafeltje. Den
volgenden morgen betaalde de meubelmaker zijn nachtverblijf, nam
zijn tafeltje en merkte niet, dat het een ander was; zoo ging hij
op weg. 's Middags kwam hij bij zijn vader aan, die hem met groote
vreugde ontving! »Wel, lieve zoon, en wat heb je geleerd?« »Vader,
ik ben meubelmaker geworden.« »Een goed handwerk,« zei de vader,
»en wat heb je van je reis meêgebracht.« »Vader, het beste wat ik heb
meêgebracht, is dit tafeltje.« De kleermaker bekeek het eerst en zei:
»Dat is anders geen meesterstuk, het is een oud, slecht tafeltje.«
»Maar het is een Tafeltje dek je,« zei de zoon, »als ik het neerzet
en zeg dat het zich dekken moet, dan staan er in eens de heerlijkste
gerechten op, en wijn er bij, dat het je hart verkwikt. Noodig alle
familie en vrienden maar eens uit, dan kunnen zij zich heerlijk te goed
doen, want het tafeltje verzadigt hen allemaal.« Toen nu het gezelschap
bijeen was, zette hij het midden in de kamer, en zei »tafeltje dek je.«
Maar er kwam geen beweging in het tafeltje, het bleef zoo leeg als
iedere andere tafel, die geen menschentaal verstaat. Toen begreep de
arme gezel dat het tafeltje verruild was, en hij schaamde zich, dat hij
daar voor leugenaar stond; de gasten lachten hem uit en ongegeten en
ongedronken moest men weêr naar huis. De vader haalde zijn lappen weêr
voor den dag en snijderde verder, en de zoon moest een patroon zoeken.
De tweede zoon was bij een molenaar aangeland, en ging bij hem in de
leer. Toen zijn jaren om waren, zei de baas: »Omdat je zoo goed je best
gedaan hebt, krijg je een ezel van mij; maar een bijzondere ezel, hij
trekt niet voor den wagen en draagt geen zakken.« »Maar waar is hij dan
goed voor?« zei de jongen. »Hij spuwt goud,« antwoordde de molenaar;
»als je een doek onder hem uitspreidt en je zegt: »Brikklebrit,« dan
spuwt het brave dier goudstukken uit, van voren en van achteren. »Dat
is een goed ding!« zei de jongen; hij bedankte zijn baas en trok de
wereld in. Als hij geld noodig had, dan zei hij »brikklebrit,« tegen
zijn ezel en het regende goudstukken; alles wat hij dan nog te doen had
was ze op te rapen. Waar hij kwam was het beste hem pas goed genoeg,
en hoe duurder hoe liever zelfs, want hij had altijd een vollen buidel.
Toen hij een tijdje in de wereld had rondgekeken, dacht hij: »ik moet
nu mijn vader gaan opzoeken, boos zal hij wel niet meer zijn en met
mijn ezeltje zal hij mij zeker goed ontvangen.«
Op zijn weg naar huis, gebeurde het, dat hij zijn intrek nam in
hetzelfde logement, waar het tafeltje van zijn broer verruild was. Hij
leidde zijn ezel aan de hand en de kastelein wilde het dier van hem
afnemen en naar den stal brengen; maar de jonge gezel sprak: »Doe geen
moeite, ik zal mijn ijzer-schimmel wel zelf wegbrengen en vastbinden,
want ik moet weten, wat er met hem gebeurt.« Dat vond de waard vreemd,
en hij dacht, iemand, die zelf voor zijn ezel wou zorgen, zou wel niet
veel te verteren hebben; maar toen de vreemde een paar goudstukken uit
zijn zak haalde, en verzocht daar wat goeds voor zijn avondmaal voor
in te slaan, zette hij groote oogen op, en ging zelf om het beste te
halen, wat er te krijgen was. Na den maaltijd vroeg de gast wat hij
schuldig was; de kastelein schreef met dubbel krijt, en zei, dat er
nog een paar goudstukken bij moesten. De jongen greep in zijn zak,
maar zijn goudstukken waren op. »Wacht een oogenblikje, kastelein,«
zei hij, »ik zal even geld gaan halen,« en hij ging, maar nam het
tafellaken meê. Daar begreep de waard niets van, en hij sloop hem
nieuwsgierig achterna. De gast had de staldeur gegrendeld, en daarom
keek hij door een reet. De vreemde spreidde het tafellaken onder den
ezel en riep: »Brikklebrit!« en oogenblikkelijk begon den ezel goud
te spuwen, van voren en van achteren, dat het wel een regen van goud
leek. »Te deksel!« dacht de waard, »dat goud wordt vlug gemunt! Zoo'n
geldbuidel was nog eens de moeite waard.«
De gast betaalde de rekening en legde zich te slapen, maar de kastelein
ging 's nachts stilletjes in den stal, bracht den muntmeester weg en
bond een anderen ezel in zijn plaats vast. Den volgenden ochtend in
de vroegte, trok de gezel met zijn ezel af en dacht, dat hij zijn
goudezel had. 's Middags kwam hij bij zijn vader aan; die was blij
hem terug te zien en nam hem gaarne op. »Wat ben je wel geworden,
lieve zoon?« vroeg de oude. »Een molenaar, vader.« »En wat heb je van
je reis meegebracht?« »Niets anders dan een ezel.« »Ezels zijn hier
genoeg,« zei de vader, »dan had ik toch nog liever een flinke geit
gehad.« »Ja,« zei de zoon, »maar het is geen gewone ezel, het is een
goudezel; als ik zeg: »brikklebrit,« dan spuwt het goede dier een heel
laken vol met goudstukken; laat al de familie maar bij elkaar roepen,
dan maak ik ze allemaal rijk.«
»Daar ben ik voor te vinden,« zei de kleermaker, »dan heb ik mij met
de naald niet meer af te tobben,« en hij sprong op, en ging zelf de
familie bij elkaar roepen. Toen ze allen bijeen waren, zei de molenaar
hun ruimte te maken; hij spreidde zijn laken uit en bracht den ezel
in de kamer.
»Let nu op,« zei hij; »brikklebrit!« maar wat er viel leek niets op
goudstukken, en het bleek, dat het dier niet in die kunst thuis was;
zoo ver kon iedere ezel het ook niet brengen. Toen zette de arme
molenaar een lang gezicht en begreep dat hij bedrogen was; en hij
vroeg excuus aan zijn familieleden, die even arm weêr weg gingen
als zij gekomen waren. En er zat niets anders op, dan dat de oude de
naald weêr ter hand nam en de jongen zich bij een molenaar verhuurde.
De derde broer was bij een draaier in de leer gegaan, en omdat dat
een kunstig handwerk is, moest hij het langste leeren. Zijn broers
berichtten hem in een brief hoe slecht het hun gegaan was, en hoe nog
den laatsten avond de kastelein hen hun mooie tooverdingen afhandig
had gemaakt. Toen de draaier nu uitgeleerd was en zou gaan reizen,
gaf hem zijn patroon omdat hij zich zoo goed gehouden had, een zak
en zei: »er zit een knuppel in.« »De zak kan ik omhangen, en daar
kon ik vrij wel dienst van hebben, maar die knuppel, wat moet die,
die verzwaart hem maar?«
»Dat zal ik je zeggen,« zei de baas, »als iemand je kwaad gedaan heeft,
dan zeg je maar: »Knuppel uit de zak!« dan springt de knuppel er uit
en danst de luitjes zoo lekker over hun rug, dat zij zich in geen acht
dagen bewegen kunnen, en eerder houdt hij niet op, voordat je zegt:
»Knuppel in de zak.« De gezel bedankte, hing de zak om, en als iemand
hem te na kwam of te lijf wilde, dan sprak hij: »Knuppel uit de zak!«
en dadelijk sprong de knuppel er uit en klopte den een na den ander
zijn jas of buis op den rug uit, zonder af te wachten, dat hij hem
eerst uittrok, en dat ging zoo vlug, dat men al aan de beurt was
als men dacht, dat het rijtje pas begon. De jonge draaiersgezel kwam
ook tegen den avond in hetzelfde logement waar zijn broêrs bedrogen
waren geworden. Hij legde zijn ransel voor zich op tafel en begon te
vertellen wat hij al voor merkwaardigs in de wereld gezien had.
»Ja,« zei hij, »men ziet wel eens een »tafeltje dek je,« en een
»goudezel« en zoo, en dat zijn dingen, die ik in het geheel niet
veracht, maar de schat, dien ik verkregen heb en in die zak meedraag,
daar halen ze toch niet bij!« De kastelein spitste zijn ooren,
»jongens, wat zou dàt wel zijn; die zak zit zeker vol edelgesteenten;
die moet ik dan ook nog hebben, want alle goede dingen zijn drie.«
Toen het bedtijd was, legde de gast zich op de bank, met de zak onder
zijn hoofd voor kussen. De waard wachtte tot hij hem in diepen slaap
dacht, en toen begon hij heel voorzichtig aan de zak te trekken, om
hem zoo weg te halen en er dan een andere voor in de plaats te leggen.
Maar dáár had de draaier juist op liggen wachten, en toen de waard
een flinken ruk aan de zak wou doen, riep hij: »Knuppel uit de zak!«
Fluks kwam het knuppeltje er uit en den waard op het lijf, en veegde
hem den mantel uit, dat het zoo'n aard had.
De waard riep om genade, maar hoe harder hij schreeuwde hoe harder de
knuppel de maat op zijn rug sloeg, totdat hij eindelijk van uitputting
neêrviel. Toen zei de draaier: »als je niet dadelijk het »tafeltje
dek je« en de »goudezel« terug geeft, zal de dans weêr van nieuws
beginnen.« »Ach, neen,« riep de kastelein heel benauwd, »ik geef alles
graag weêr terug, als dat duivelsding maar weêr in zijn zak kruipt!«
Toen sprak de gezel: »ik zal genade voor recht geven, maar neem je
in acht!« toen riep hij: »Knuppel in de zak!« en liet hem met rust.
Den volgenden morgen toog de draaier met tafeltje dek je en de goudezel
naar zijn vader. De kleermaker verheugde zich, dat hij hem terug zag,
en vroeg wat hij in den vreemde geleerd had. »Lieve vader,« zei hij,
»ik ben een draaier geworden.« »Dat is een kunstig vak!« zei de vader,
»en wat heb je van je reis meegebracht?« »Een kostbaar stuk lieve
vader, een knuppel uit de zak!«
»Wat!« riep de vader, »een knuppel! dat is wel de moeite waard! Die
kun je van den eersten den besten boom hakken.« »Maar zoo een niet,
vader! Als ik zeg: »knuppel uit de zak!« dan springt hij er uit
en met wien het niet goed met mij meent wordt een leelijk dansje
uitgevoerd, en dat houdt niet op, voor hij op den grond ligt en mooi
weêr speelt. Kijk vader, met dien knuppel heb ik het tafeltje-dek-je en
den goudezel terug gekregen, die die schurk van een waard mijn broers
ontfutseld had. Laat hen nu allebei roepen, en ook al de familie,
ik zal ze allemaal te eten geven en hun zakken met goud vullen.«
De oude kleermaker wou er nog niet recht aan gelooven, maar hij riep
toch de familie bij elkaâr. Toen spreidde de draaier een laken uit in
de kamer en leidde den goudezel binnen, en hij zei tegen zijn broeder:
»kom, lieve broer spreek tegen hem!« De molenaar zei: »brikklebrit,« en
oogenblikkelijk sprongen de goudstukken als een hagelbui op het laken,
en de ezel hield niet op, voor zij allemaal zooveel hadden als zij
maar dragen konden (ik zie aan je gezicht dat je er wel bij had willen
zijn). Toen haalde de draaier het tafeltje en zei: »lieve broêr, spreek
er nu eens tegen!« En nauwelijks had de meubelmaker »tafeltje dek je«
gezegd of het was gedekt en met de heerlijkste schotels bezet. En
toen werd er een maaltijd gehouden zooals de kleermaker er nooit
een in zijn huis beleefd had, en het heele gezelschap bleef bijeen
tot laat in den nacht, en ze waren allemaal lustig en vergenoegd. De
kleermaker sloot garen en naalden, el en strijkijzer in de kast en
leefde met zijn drie zonen in weelde en vreugde.
Maar waar is de geit gebleven, die de schuld was, dat de kleermaker
zijn drie zonen uit zijn huis joeg? Dat zal ik je zeggen. Zij
schaamde zich, dat zij een kalen kop had, en verstopte zich in een
vossenhol. Toen de vos thuis kwam gloeiden hem een paar groote oogen
uit het donker aan, zoodat hij schrikte en weêr wegliep. De beer kwam
hem tegen, en vond, dat de vos er erg onthutst uit zag. Daarom vroeg
hij: »Wat is er broeder vos, wat zet je voor een gezicht?« »Ach,«
zei de vos, »er zit een grimmig dier in mijn hol, een gloeiend met
vurige oogen!« »Die zullen wij er wel uit krijgen,« zei de beer; hij
ging meê naar het hol, en keek naar binnen; maar toen hij de vurige
oogen zag, werd het hem ook te warm; hij moest van het grimmige dier
niets hebben, en pakte gauw zijn biezen. Hij ontmoette de bij en toen
die merkte, dat hij zich in zijn huid niet erg thuis voelde, zei ze:
»Beer, wat zet je een lang gezicht, waar is je joligheid gebleven?«
»Je hebt goed praten,« zei de beer; »er zit een grimmig dier met vurige
oogen in den roode zijn hol, en wij kunnen hem er niet uit jagen!«
»Je bent een stumper, beer!« zei de bij, »ik ben maar een arm zwak
ding, waar je overheên kijkt, maar ik geloof toch dat ik je helpen
kan.« Ze vloog in het vossenhol, zette zich op den kalen knikker van
de geit, en stak haar zoo ongemakkelijk dat ze opsprong en »mè! mè!«
riep, en toen holde zij als dol in de wereld rond, en er is niemand
die zeggen kan waar ze heêngeloopen is.
XXXVII.
DUIMPJE.
Er was eens een arme boer; hij zat 's avonds bij den haard en pookte
in het vuur en de vrouw zat te spinnen. Toen zei de man: »wat is
het toch droevig, dat wij geen kinderen hebben; het is zoo stil bij
ons in huis, en bij anderen is het altijd zoo druk en vroolijk.«
»Ja,« zeide de vrouw, en ze zuchtte, »al hadden wij er maar één,
en al was het nóg zoo klein, al was het niet grooter dan een duim,
dan zou ik al tevreden zijn, en wij zouden het hartelijk liefhebben.«
Nu gebeurde het, dat de vrouw ziekelijk werd, en na zeven maanden
kreeg zij een kindje; het was gaaf en gezond, maar niet langer dan
een duim. Toen zeiden zij: »het is als wij gewenscht hebben, en het
zal ons lieve kind zijn!« en om zijn klein postuur noemden zij het:
»Duimpje.« Het werd goed verzorgd, maar het kind groeide niet en
bleef altijd zoo klein als toen het geboren werd, het keek echter
heel verstandig uit zijn oogen en toonde zich een vlug en handig ding,
dat geluk had in alles wat het begon.
De vader maakte zich eens klaar om naar het bosch te gaan en hout te
hakken, toen zei hij zoo in zich zelf: »nu wou ik, dat ik iemand had
om mij met een wagen achterna te komen.« »O, vader!« riep Duimpje,
»den wagen zal ik wel brengen, hij zal op den bepaalden tijd in het
bosch zijn, reken daar maar vast op.« De man begon te lachen; »hoe zou
dat moeten gaan, je bent veel te klein om het paard aan den toom te
houden.« »Dat hindert niet vader, als moeder maar aan wil spannen,
dan kruip ik in het paard zijn oor en zeg hem hoe hij gaan moet.«
»Nu,« zei de vader, »wij zullen het eens probeeren.«
Toen het tijd was, spande de moeder het paard aan en zette Duimpje
in zijn oor, en het kleine ding riep tegen het paard hoe hij gaan
moest, hot! hu! Het ging heel ordelijk, als bij een echten baas en
de wagen reed recht den weg naar het bosch. Nu gebeurde het, dat
Duimpje »hu!« riep, bij een draai van den weg, toen er juist twee
mannen aankwamen. »Wat is dàt?« zei de een, »daar gaat een wagen,
en de voerman roept wat tegen het paard, en hij is nergens te zien.«
»Dat is niet pluis!« zei de andere, »wij zullen de kar volgen en zien
waar hij staan blijft.«
De wagen reed het bosch in tot op de plaats waar het hout gehakt
werd. Toen Duimpje zijn vader zag, riep hij: »Kijk vader, daar ben ik
al met den wagen, haal mij nu maar naar beneden.« De vader hield het
paard met de linkerhand en haalde met de rechter zijn zoontje uit het
oor. Duimpje ging vroolijk op een grashalm zitten schommelen. Toen de
twee vreemde mannen het kereltje zagen, konden zij geen woord zeggen
van verbazing; maar de eene trok den anderen op zij en sprak: »Met
dat kleine baasje zou geld te verdienen zijn in de stad als wij hem
lieten kijken; wij moeten hem zien te koopen.« Hij ging naar den boer
en zeide: »verkoop ons dat ventje, hij zal het goed bij ons hebben.«
»Neen,« zei de vader, »dat is mijn hartelap, die is voor al het goud in
de wereld niet te koop.« Maar Duimpje, die den handel had afgeluisterd,
klom over de plooien van zijn vader's jas naar boven, ging op zijn
schouder zitten, en fluisterde in zijn oor: »Vader, doe het maar,
ik kom wel weêr bij je terug.« Toen verkocht de vader hem voor een
ronde som aan de twee mannen. »Waar wil je zitten?« vroegen zij. »O,
zet mij maar op den rand van je hoed, daar kan ik op en neer wandelen
en uitkijken, en ik val er toch niet af.« Zij gaven hem zijn zin,
en toen Duimpje afscheid van zijn vader had genomen, gingen zij met
hem weg. Zoo liepen zij met hem door, en toen het avond en schemer
werd, zei de kleine: »zet mij eens even op den grond, het is noodig.«
»Blijf maar boven,« zei die van wien de hoed was, »ik geef er niets om,
de vogels laten er ook wel eens wat op vallen.« »Neen,« zei Duimpje,
»ik weet heel goed wat mij past, zet mij maar gauw op den grond.«
De man nam zijn hoed af en zette het jongetje op een akker die aan
den weg lag, hij sprong en kroop een beetje tusschen de kluiten
en toen kroop hij op den weg in een mierengaatje, dat hij had
uitgezocht. »Gegroet heeren! ga maar zonder mij naar huis!« riep hij
en lachte hen uit. Zij kwamen aanloopen en prikten met stokken in het
mierengat, maar dat was verloren moeite, Duimpje kroop al maar verder
terug en toen het eindelijk heelemaal donker was, moesten zij nijdig
en met een leege beurs naar huis. Toen Duimpje begreep, dat zij weg
waren, kroop hij weêr uit zijn onderaardsche gang te voorschijn. »Het
is hier op den akker gevaarlijk loopen in het duister,« dacht hij,
»ik zou makkelijk mijn beenen of mijn hals kunnen breken.« Gelukkig
liep hij juist tegen een leeg slakkenhuis aan. »Goddank, nu ben ik van
nacht ten minste veilig,« zei hij en kroop er in. Toen hij juist zou
inslapen, hoorde hij twee mannen voorbijgaan. »Hoe leggen wij 't nu
aan om dien rijken dominé van zijn geld en zijn zilver af te helpen,«
zei de een. »Dat kan ik je wel zeggen!« riep Duimpje. »Wat was dat?«
zei de dief verschrikt, »ik hoorde iemand spreken.« Zij bleven staan
luisteren, en Duimpje riep: »neem mij mee, dan zal ik je helpen.«
»Waar ben je dan?« »Zoek maar hier op den grond, en let goed op waar
de stem vandaan komt.«
De dieven vonden hem eindelijk en namen hem van den grond op. »Jij
klein wicht, wat wou jij ons helpen!« »Kijk,« zei hij, »ik kruip
tusschen de ijzeren staven door tot in dominé's kamer, en geef
jelui aan, wat je hebben wilt.« »Nu, goed dan, wij zullen eens
zien wat je kunt.« Toen zij bij de pastorie waren, kroop Duimpje
tusschen de staven door in huis; maar daar begon hij zoo hard als
hij kon te schreeuwen. »Wou jelui alles hebben wat hier in is?« De
dieven schrikten en zeiden: »Spreek toch zachtjes, dat ze niet wakker
worden.« Maar Duimpje deed of hij 't niet hoorde en schreeuwde weêr:
»Wat wil jelui? Wil je alles hebben wat hier in is?« Daarvan werd de
keukenmeid wakker, die in de kamer daar naast sliep, zij ging opzitten
en luisterde. Maar de dieven waren van schrik een eind weggeloopen;
na een poosje vatten zij weer moed en kwamen terug, zij meenden,
dat het baasje hen een beetje plagen wou, en ze fluisterden naar
binnen: »Kom maak nu geen gekheid, en geef gauw wat aan.« En Duimpje
schreeuwde zoo hard als hij kon: »Ik zal je alles geven, steek je
handen maar naar binnen.«
Dat hoorde de luisterende keukenmeid heel duidelijk, ze sprong uit
bed en strompelde de kamer binnen. De dieven liepen weg en renden of
de dood hen op de hielen zat, en de meid, die niets merkte stak een
kaars aan.
Toen zij met het licht terug kwam, maakte Duimpje gauw, dat hij wegkwam
in de schuur. De meid doorzocht alle hoeken en gaten en toen zij niets
vinden kon, dacht ze, dat ze met open oogen en ooren toch gedroomd had.
Duimpje was over de stroohalmen rond geklommen en had een goed plekje
gevonden om te slapen. Hij woû daar blijven uitrusten tot het dag was
en dan weêr naar zijn ouders gaan. Maar dat zou anders uitkomen; ja,
de wereld is vol wisselvalligheden! De meid stond als gewoonlijk op
omdat het vroeg dag was, en wilde het vee voederen. Haar eerste zorg
was naar de schuur; daar pakte zij een arm vol hooi, en juist dat waar
Duimpje in lag. Maar hij sliep zoo vast, dat hij niets merkte, en werd
pas wakker, toen hij in den bek van de koe zat, die hem met het hooi
had gegrepen. »Ach God hoe kom ik hier nu in!« Maar hij merkte gauw
waar hij was. Nu was het oppassen, dat hij niet tusschen de tanden
kwam en vermorseld werd, en toen moest hij nog meê naar beneden,
naar de maag. »In dit kamertje zijn de raampjes vergeten,« zei hij,
»en er schijnt geen vonk maan; een licht zal hier ook wel niet te
krijgen zijn.« Het kwartier beviel hem in alle opzichten slecht, en
het ergste was, dat er altijd maar meer hooi door het deurtje naar
binnen kwam, en het plaatsje werd hoe langer hoe benauwder. Toen riep
hij eindelijk in zijn angst zoo hard als hij maar kon: »Breng niet
meer voêr, niet meer voêr!«
De meid was juist bezig de koe te melken en toen ze spreken hoorde
en niemand zag, en de stem van 's nachts herkende, tuimelde zij van
schrik van haar stoeltje, en morste al de melk. Zij liep haastig naar
haar meester en riep:
»O, mijnheer de dominé, de koe kan spreken!« »Je bent niet wijs,« zei
de dominé en ging zelf naar den stal om de zaak te onderzoeken. Maar
hij had nog geen voet binnen of Duimpje riep: »Breng mij geen nieuw
voêr!« Toen geloofde de dominé zelf ook, dat het een booze geest was,
en liet de koe dood maken. Ze werd geslacht, maar de maag waarin
Duimpje zat, werd op de mesthoop gegooid. Duimpje trachtte zich er
uit te werken, en wurmde en wurmde tot hij eindelijk wat ruimte kreeg;
maar toen hij juist zijn hoofd naar buiten wou steken, gebeurde er weêr
een nieuw ongeluk. Er kwam een hongerige wolf voorbij en die slokte
de heele maag in ééns in. Maar Duimpje gaf het niet op, »misschien
valt er met dien wolf wel te praten,« dacht hij, en hij riep hem
toe uit zijn eigen buik: »lieve wolf, ik weet een lekker hapje voor
je!« »Waar is dat te krijgen?« vroeg de wolf. »Daar en daar, je moet
door het riool naar binnen zien te komen, en dan zal je zooveel spek
en worst en koek vinden als je maar bergen kunt;« en hij beschreef
hem heel nauwkeurig zijn vader's huis. De wolf had daar ooren naar,
drong in den nacht door het riool en at in de provisiekamer, wat hij
maar eten kon. Toen hij klaar was, wilde hij weêr terug, maar hij was
nu te dik om er door te kunnen. Daar had Duimpje juist op gerekend,
en begon nu in het lijf van de wolf geweldig te keer te gaan, roepen
en schreeuwen zoo hard hij kon.
»Hou je mond toch,« zei de wolf; »je maakt de menschen wakker!« »Neen
man,« zei 't kleine ding, »jij hebt lekker gegeten, nu wil ik eens
lekker pleizier maken,« en hij begon het misbaar weêr opnieuw. Daarvan
werden zijn vader en moeder wakker, liepen naar de provisiekamer en
keken door een reet. Toen zij zagen, dat er een wolf in was, haalde
de man de bijl en de vrouw de zeis. »Blijf jij achter,« zei de man,
»en als ik hem een slag gegeven heb en hij is nog niet dood, dan kom
jij en geeft hem een sneê in zijn lijf.« Duimpje hoorde de stem van
zijn vader en riep: »lieve vader, ik ben hier, ik zit in den wolf
zijn buik.« »Goddank,« riep de man heel verheugd, »ons lieve kind
is weêr terecht,« en hij vroeg de vrouw, de zeis weg te zetten, dat
Duimpje geen letsel zou krijgen. Daarop haalde hij uit en sloeg den
wolf met één slag op zijn kop dood, en toen haalden zij een schaar en
mes en sneden hem zijn buik open, en haalden het ventje er uit. »O,«
zei de vader, »wat een zorg en angst hebben wij om je uitgestaan!«
»Ja vader, ik heb heel wat in de wereld beleefd; goddank, dat ik
weer wat frissche lucht krijg!« »Waar ben je dan toch geweest?«
»Och vader, ik was in een muizengat, in een koeienmaag en in een
wolfsbuik en nu blijf ik bij u.« »En voor geen schatten in de wereld
verkoopen wij je weêr.« En ze pakten en kusten hun dierbare Duimpje,
gaven hem te eten en te drinken, en lieten hem nieuwe kleêren maken,
want de zijne waren van een slechte reis thuis gekomen.
XXXVIII.
DE BRUILOFT VAN VROUW VOS.
Eerste Sprookje.
Er was eens een oude vos met negen staarten, die meende, dat zijn
vrouw hem niet trouw was, en daarom wilde hij haar eens op de proef
stellen. Hij ging lang uit onder de bank liggen, en hield zich zoo
dood als een pier. Vrouw vos ging naar haar slaapkamer, deed de deur
op slot, en de meid juffer poes, zat bij het vuur en kookte. Toen het
nu bekend werd, dat de oude vos gestorven was, begonnen de vrijers op
te dagen. De meid hoorde eens, dat er aan de huisdeur geklopt werd;
zij deed open, en er stond een jonge vos; hij sprak:
»Juffer poes wat doe je toch,
Ben je wakker of slaap je nog?«
zij antwoordde:
»Slapen niet, ik ben niet moe,
Wil je weten wat ik doe?
Boter doe 'k in 't warme bier,
Komt mijnheer te gast hier?«
»Dank u wel, juffer,« zei de vos, »wat doet vrouw Vos?« De meid
antwoordde:
»Op haar kamer zit ze maar,
Met de handen in het haar,
En zij schreit haar oogen rood,
Want mijnheer de vos is dood.«
»Ga haar dan zeggen, juffer, dat er een jonge vos is, die graâg met
haar trouwen woû.« »Goed jongeheer.»
Toen ging poesje trip, trap,
Sloeg de deuren klip, klap,
»Vrouw vos is u daar wel?«
»»Och ja, mijn poesjenel!««
»Een vrijer is gekomen,»
»»Heb j'm goed opgenomen?««
»Heeft hij ook wel negen zulke mooie pluimstaarten als mijn zalige
heer Vos?« »O, neen,« zei het poesje, »hij heeft er maar één.« »Dan
wil ik hem niet hebben.»
Juffer poes ging naar buiten en stuurde den vrijer de laan uit. Heel
spoedig daarop werd er weêr geklopt; er was weêr een andere vos
voor de deur, die om vrouw Vos kwam vrijen. Hij had twee staarten,
maar het ging hem niet beter dan den eersten. Toen kwamen er weer
anderen, ieder met een staart meer; zij werden allemaal afgewezen;
maar eindelijk kwam er een, die had negen staarten precies zooals de
zalige heer Vos. Toen de weduwe dat hoorde, zeide zij heel verheugd
tegen het poesje:
»Nu poorten en deuren opensluiten,
En smijt wij den ouden heer Vos naar buiten,«
Maar toen de bruiloft zou beginnen begon ook de oude heer Vos te
bewegen, en strafte het heele zootje duchtig af; maar vrouw Vos joeg
hij de deur uit.
Tweede Sprookje.
Toen de oude heer Vos dood was, kwam de wolf als vrijer en klopte aan
de deur, en de kat die dienstmeisje was bij vrouw Vos, deed open. De
wolf groette en zei:
»Dag vrouw poes van schuiermaar,
Zit je nu alléén daar?
Wat voor lekkers maak je klaar?«
De kat antwoordde:
»'k Drink mijn melk en bak mijn brood,
Is mijnheer te gast genood?«
»Dat niet juffer poes, is vrouw Vos niet thuis?«
»Zij zit op haar kamer in zorg en nood,
Want mijnheer de Vos is dood!«
De wolf antwoordde:
»Wil zij soms een anderen man,
Laat ze gauw maar komen dan.«
De kat liep op de trap,
Haar staartje ging: wip wip,
En haar oogjes gingen rond,
Tot zij juffrouw Vos vond,
Zij klopte met haar vijf gouden ringen:
»Juffrouw vos is u daarbinnen?
Wil je soms een anderen man?
Gauw maar naar beneden dan!«
Vrouw Vos vroeg: »heeft hij een rood broekje aan, en een spits
snoetje?« »Neen,« zei de kat. »Dan kan ik hem niet gebruiken.« Toen de
wolf weggestuurd was, kwam er een hert, een haas, een beer, een leeuw
en vele dieren de een voor den ander. Maar er ontbrak altijd een van
de goede eigenschappen van den ouden heer Vos, en de kat moest iedere
keer de vrijers weêr wegsturen. Eindelijk kwam er een jonge vos. Toen
zei vrouw Vos: »heeft hij een rood broekje aan en een spits snoetje?«
»Ja, dat heeft hij!« zei de kat. »Dan moet hij boven komen,« zei
vrouw Vos, en de meid moest het bruiloftsmaal bereiden.
»Katje veeg de kamer aan.
En smijt den ouden Vos maar uit het raam,
Een dikke vette muis,
Bracht hij zoo dikwijls thuis,
Maar at ze op alléén,
Gaf er mij nooit één.«
Toen werd er bruiloft gehouden met den jongen heer Vos, er werd
gezongen en gedanst, en als ze niet opgehouden hebben dansen ze nog.
XXXIX.
DE KABOUTERTJES.
Eerste Sprookje.
Een schoenmaker was eens, buiten zijn schuld, zoo arm geworden dat hij
niets anders meer bezat, dan leêr voor een enkel paar schoenen. Hij
sneed het leêr 's avonds en wilde den volgenden morgen met het maken
van de schoenen beginnen. En omdat hij een goed geweten had, legde
hij zich rustig te bed, beval zich aan de hoede van den lieven God
en sliep in. 's Morgens nadat hij gebeden had, wilde hij aan het werk
gaan; maar daar stonden de schoenen al kant en klaar op zijn werktafel:
Hij was zoo verbaasd, dat hij niets zeggen kon, en hij nam de schoenen
in zijn hand om ze eens goed te bekijken. Ze waren zoo keurig bewerkt,
dat er geen verkeerde steek aan was, precies of het een meesterwerk
had moeten worden. Er kwam ook al heel gauw een klant voor, en omdat
hem de schoenen zoo bijzonder goed bevielen, betaalde hij meer dan
gewoonlijk; zoo kon de schoenmaker voor het geld leêr voor twee paar
schoenen inkoopen. Hij sneed ze 's avonds, en den volgenden ochtend
wilde hij vroolijk aan 't werk gaan, maar het hoefde niet, want toen
hij opstond waren ze al klaar, en de klanten bleven ook niet uit:
zij gaven hem zóó veel geld, dat hij nu het leêr voor vier paar
schoenen kon inkoopen. Den volgende morgen in de vroegte vindt hij
die vier paar ook weêr klaar staan. Zoo ging het maar altijd door:
wat hij 's avonds gesneden had, was den volgenden ochtend klaar,
zoodat hij langzamerhand weêr een fatsoenlijk inkomen had en eindelijk
een welgesteld man werd. Nu gebeurde eens op een avond tegen Kerstmis,
dat de man, toen hij zijn schoenen gesneden had vóór het naar bed gaan,
tegen zijn vrouw zei: »Hoe zou je het vinden, als wij deze nacht eens
opbleven om te zien, wie toch onze helpers zijn?« De vrouw vond het
goed en stak het licht op, en toen verborgen zij zich in de hoeken
van de kamer achter de kleeren, die daar hingen en zij letten goed
op. Te middernacht kwamen twee alleraardigste kleine naakte mannetjes,
gingen voor de werktafel zitten, en begonnen met hun kleine vingertjes
zoo handig te steken, te naaien en te kloppen, dat de schoenmaker van
verbazing zijn oogen niet van hen af kon houden. Zij hielden niet op,
voor alles was afgemaakt, en kant en klaar op tafel stond en toen
sprongen zij in een wip weg.
Den volgenden dag zeide de vrouw: »Die kleine mannetjes hebben ons
rijk gemaakt, daarvoor moeten wij toch dankbaar zijn. Ze loopen zoo
maar naakt rond; wat zullen zij het koud hebben! Weet je wat? Ik zal
hemdjes, jasjes, buisjes en broekjes voor hen maken, en voor ieder een
paar kousjes breien.« Dat vond de man heel goed, en toen alles klaar
was, legden zij de geschenken op de tafel in plaats van de gesneden
schoenen; en toen verstopten zij zich om te zien, wat de mannetjes
zouden doen. Te middernacht kwamen zij aangesprongen, en wilden
onmiddellijk aan 't werk gaan. Toen zij nu geen leêr vonden maar in
plaats daarvan die nette kleertjes, waren zij eerst heel verbaasd,
maar daarna hadden zij uitbundige pret. Met groote vlugheid trokken
zij de kleeren aan en streken ze netjes glad en toen zongen zij:
»O, wat zijn wij warm en fijn,
Waarom nu nog schoenmaker zijn!«
Toen gingen zij springen en dansen, en sprongen over stoelen en banken
en eindelijk dansten zij de deur uit. Van nu af aan kwamen zij niet
terug; maar den schoenmaker is het goed gegaan zoolang hij leefde,
en alles wat hij begon bracht hij gelukkig ten eind.
Tweede Sprookje.
Er was eens een arm dienstmeisje. Zij was netjes en ijverig, stofte
alle dag de vloeren, en het stof schudde zij op een hoop voor de
deur. Op een morgen toen zij weêr aan het werk wilde gaan, vond zij er
een brief liggen. Zij kon niet lezen, en daarom zette zij zoolang den
bezem in een hoek, en bracht den brief aan haar juffrouw. Het was een
uitnoodiging van de kaboutertjes om een kind ten doop te houden. Het
meisje wist niet wat zij zou doen; maar de buren moedigden haar aan,
en men zeide, dat zoo iets niet afgeslagen mocht worden; toen is zij
gegaan. Er kwamen drie kaboutertjes, die brachten haar in een grot waar
zij woonden. Alles was er heel klein, maar zoo sierlijk en prachtig,
dat het niet te beschrijven is. De kraamvrouw lag in een bed van zwart
ebbenhout met knoppen van paarlen; de dekens waren met goud gestikt;
de wieg was van ivoor en de waschkom van goud. Het meisje stond peet,
en wilde toen weêr naar huis gaan, maar de kaboutertjes vroegen haar
dringend toch nog drie dagen bij hen te willen blijven. Dat deed ze
toen, en leefde vroolijk en genoegelijk, en de mannetjes deden alles
om het haar prettig te maken. Toen zij weêr weg zou gaan, vulden
zij eerst haar zakken met goud, en brachten haar toen weêr uit den
berg. Toen zij thuis kwam, wilde zij met haar werk beginnen; zij nam
den bezem weêr, die nog in den hoek stond, en begon te vegen. Toen
kwamen er vreemde menschen uit het huis, die vroegen wie zij was,
en wat zij daar kwam doen. En het waren geen drie dagen geweest,
zooals zij meende, maar zij had zeven jaar bij de kleine mannetjes in
den berg gediend, en haar vorige meesters waren in dien tijd gestorven.
Derde Sprookje.
Een moeder hadden de kaboutertjes haar kind uit de wieg genomen, en
er een wisselkind voor in de plaats gelegd; het had een dikken kop,
starre oogen en woû niets dan eten en drinken. In haar angst ging
zij bij een buurvrouw om raad te vragen. De buurvrouw zei, ze zou
het wisselkind meê naar de keuken nemen en het bij den haard zetten;
dan zou zij het vuur aanmaken en in twee eierschalen water koken;
daar zou het wisselkind om moeten lachen, en als 't gelachen had,
dan was het er mee gedaan ook. De vrouw deed alles precies zooals de
buurvrouw het gezegd had; toen zij de eierschalen met water op het
vuur zette, zei de dikkop:
»Ik ben wel zoo oud
Als het Westerwoud,
Maar nooit heb ik iemand water zien putten in eierschalen.«
en hij begon te lachen. Terwijl hij lachte kwam er een heele troep
kaboutertjes, die brachten het echte kind, zetten het bij den haard
en namen het wisselkind weêr meê.
XL.
DE ROOVERBRUIGOM.
Er was eens een molenaar, die had een mooi dochtertje en toen zij was
opgegroeid, had hij haar graâg verzorgd en goed getrouwd, en hij dacht:
»als er een fatsoenlijke vrijer komt en haar ten huwelijk vraagt,
zal ik haar geven.« Niet lang daarna kwam er een vrijer; hij scheen
heel rijk te zijn en de molenaar had niets op hem aan te merken,
daarom gaf hij hem zijn dochter. Maar het meisje had hem niet recht
lief, zooals een bruid haar bruigom moet liefhebben; zij had geen
vertrouwen in hem, en zoo dikwijls zij hem aanzag of aan hem dacht,
griezelde zij. Eens zei hij tot haar: »Je bent mijn bruid en je komt
mij nooit eens bezoeken.« Toen antwoordde het meisje: »Ik weet niet
waar je woont.« Zij zocht uitvluchten en meende, dat zij den weg niet
zou vinden. Maar de bruigom zei: »den volgenden Zondag moet je bij
mij komen; de gasten zijn al genood, en ik zal asch strooien, dat je
den weg door het bosch kunt vinden.« Toen het Zondag was en het meisje
op weg zou gaan, werd zij zoo angstig, waarom wist zij zelf niet, en
zij stopte haar beide zakken vol met erwten en boonen. In het bosch
vond zij de asch, die haar den weg zou aanwijzen; die volgde zij;
maar bij iederen stap gooide zij rechts en links een paar erwten of
boonen. Zij moest den heelen dag loopen en eindelijk kwam zij aan
een huis, dat midden in het allerdonkerste bosch stond. Het huis
beviel haar niet, het zag zoo somber en ongezellig. Zij ging binnen,
maar er was niemand en alles was stil. Plotseling riep een stem:
»Keer om, keer om, gij jonge bruid,
Gij zijt hier in een roovershuis!«
Het meisje keek om; de stem kwam van een vogel, in een kooi aan den
muur; en hij riep weer:
»Keer om, keer om, gij jonge bruid,
Gij zijt hier in een roovershuis!«
Maar de schoone bruid ging verder, van de eene kamer in de andere,
door het heele huis; alles was leeg, geen menschenziel was er
te vinden. Eindelijk kwam zij ook in den kelder; daar zat een
stokoude vrouw, die schuddebolde. »Kunt ge mij niet zeggen, of mijn
bruidegom hier woont?« vroeg het meisje. »Ach, arm kind, waar ben je
ingekomen! het is hier een roovershol! Je gelooft, dat je een bruid
zijt en spoedig bruiloft zult houden, maar je bruiloft zul je houden
met den dood. Je bruidegom wil je dood maken. Ik heb hier een groote
ketel met water moeten opzetten en als ze je in hun macht hebben,
hakken ze je zonder medelijden in stukken, en koken en eten je, want
het zijn menscheneters. Als ik mij niet over je erbarm en je red,
dan ben je verloren.«
Toen moest het meisje achter een groot vat wegkruipen. »Wees nu zoo
stil als een muisje,« zei de oude, »beweeg je niet, want dan is het met
je gedaan. Van nacht als de roovers slapen, zullen wij ontvluchten,
want ik heb al lang op een gelegenheid gewacht.« Zij verstopte het
meisje achter het vat, en nauwelijks was dat gebeurd, of de goddelooze
troep kwam naar huis. Zij sleepten een andere jonkvrouw meê en waren
dronken, en op haar schreien en jammeren sloegen zij geen acht. Zij
gaven haar wijn te drinken, drie volle glazen, een glas witte, een glas
roode en een glas gele, daarvan barstte haar hart. Zij trokken haar
toen haar kleeren af, legden haar op een tafel, hakten haar schoon
lichaam in stukken en strooiden er zout over. De arme bruid achter
het vat sidderde en beefde, want zij zag wel, dat haar hetzelfde
lot was toegedacht. Een van de roovers bemerkte aan de pink van de
vermoorde, een gouden ring, en toen die er niet gemakkelijk afging,
nam hij een bijl en hakte den vinger af; maar de vinger sprong in de
hoogte en viel de bruid in den schoot.
De man nam een licht en zocht, maar kon hem niet vinden. Toen zei een
ander. »Heb je al achter het groote vat gezocht?« »Kom,« zei de oude
vrouw, »ga nu eten en wacht maar met zoeken tot morgen, die vinger
loopt niet weg.« »De oude heeft gelijk!« riepen de roovers, ze zochten
niet langer maar gingen zitten om te eten, en de oude druppelde een
slaapdrank in hun wijn, zoodat ze al heel gauw lagen te slapen.
Toen de bruid hen hoorde snorken, kwam zij van achter het vat te
voorschijn en moest over de slapende roovers heenstappen; ze lagen op
een rij, en ze had grooten angst, dat zij op hen trappen zou, en hen
wakker maken. Maar God hielp haar, dat zij er gelukkig over heen kwam,
en de oude vrouw ging met haar naar boven en opende de deuren, en zij
vluchtten zoo gauw zij konden uit het roovershol weg. De asch had de
wind weggewaaid, maar de erwten en boonen waren ontkiemd en opgegroeid,
en wezen in den maneschijn den weg. Zij liepen den ganschen nacht en
's morgens kwamen zij in den molen aan. Toen vertelde het meisje haar
vader alles wat er gebeurd was.