TWEEDE ORDE.

DE ACHTSTRALIGE POLYPEN (Octactinia).

De tweede groote afdeeling van de Straalpolypen staat, wat

vormenrijkdom betreft, ver bij de vorige achter, daar zij ruim 600

levende en 80 fossiele soorten omvat. Ook deze groep biedt veel

verscheidenheid aan, hoewel de individuën, door nooit af te wijken

van het oorspronkelijk aantal voelers, een veel eenvormiger uitzicht

vertoonen dan de overige Anthozoën. De voelers van de Octactiniën

zijn niet hol, gewoonlijk eenigszins afgeplat en langs den rand als

bladen getand of uitgetakt.

Het verst verbreid is de familie der Zeekurken (Alcyonidae), voor een

groot deel behoorend tot het gelijknamige geslacht (Alcyonium), waarvan

reeds in het hooge noorden eenige soorten veelvuldig voorkomen en dat

in de warmere zeeën zeer sterk vertegenwoordigd is. In de Noordzee,

ook bij onze kust, vindt men op diepten van 5 tot 30 vademen zeer

algemeen den Doodenmanshand of Doomansduim (Alcyonium digitatum), een

meestal witachtigen of bleek rooskleurigen stok, die van onderen even

breed is als van boven, hier in lobben verdeeld, welker eenigszins

rimpelige huid met stervormige, achtstralige sporen is overdekt,

die met de oppervlakte gelijk zijn.

Eene andere familie, die der Zeepennen, Zeevederen (Pennatuliden),

vormt een zeer eigenaardige groep, die zich wel is waar door het

maaksel der polypen na aan de overige aansluiten, maar zich toch weder

door den zeer regelmatigen, sierlijken vorm van den stok daarvan

verwijderen, zoodat men hen voor andere wezens zou houden. Deze

polypenstokken zwemmen vrij rond. Zij zijn niet, zooals de andere

altijd op eenig voorwerp in zee vastgegroeid, maar steken met het

steelvormig ondereind slechts los in den bodem, in het slib of het

zeezand. Door de golven, of door welke oorzaak ook, kunnen zij echter

worden weggerukt en zwemmen dan vrij rond.

De stok is vleezig of lederachtig, slechts over het bovenste gedeelte

met polypen bezet, die gewoonlijk op bijzondere, met kalkachtige

naaldjes ondersteunde aanhangsels geplaatst zijn. De meeste geslachten

hebben een door het geheele lichaam loopende kalkachtige as. De

polypen zijn voorzien van acht voelers, welke aan de randen diep

ingesneden zijn.

Voorwerpen van deze familie zijn indertijd in de Noordzee gevonden door

den heer Maitland, vroeger directeur van den Haagschen dierentuin,

n.l. de Wonderstaf [Vigularia (Lygus) mirabilis]. Deze heeft een

verlengden polypenstok met cilindrische, vleezige schaft, die aan beide

zijden van het bovengedeelte verlengde, vliezige aanhangsels heeft,

welke naar boven omgebogen zijn en aan hun onderrand polypencellen

dragen, acht in getal. Het onderste gedeelte van de schaft, dat

geen aanhangsels draagt, is opgezwollen. De as is cilindrisch,

draadvormig. De kleur van de polypenstok is geelachtig.

De andere soort behoort tot het geslacht, dat aan de familie den naam

gaf van Zeepennen, door de gelijkheid in vorm met een schrijfpen,

die de polypenstok aanbiedt. De schaft is aan de bovenzijde met

vinachtige aanhangsels ter weerszijden bekleed, waarop de polypen op

verschillende wijzen geplaatst zijn.

In de groep, aan welke Herklots weder den ouden naam van Zeepennen gaf,

zijn de bovengenoemde vinnen min of meer ingesneden tot bekervormige

cellen, waarin de polypen zitten. De schaft is lederachtig van huid,

ruw of gekorreld. De as is cilindrisch, aan beide uiteinden puntiger

en loopt door de geheele schaft.

De Lichtende Zeepen (Pennatula phosphorea) is lang en slank; de schaft

is met kleine, stekelachtige schubjes bedekt. De vinnen zijn over de

helft van het lichaam verspreid, ongeveer vijf en dertig aan elke

zijde. Zij zijn vliezig, lang, zeer dun en in afgezonderde cellen

ingesneden, die tweemaal hare doorsnede van elkander verwijderd zijn,

veertien of vijftien op elke vin in aantal. De schaft is cilindrisch,

smal, ruw, het naakte gedeelte is bijna niet opgezwollen. De kleur

is rood [1].

De Zeeveder (Pteroides Spinosa) behoort tot de Pteroiden, wier

polypendragende bladeren, zooals boven werd beschreven, door

kalkachtige naaldjes ondersteund worden.

De Zeevederen behooren tot de lichtgevende zeedieren.

Eene in de verzamelingen van naturaliën meestal rijk vertegenwoordigde

familie, is die der Gorgoniden. Zij komen met de Pennatuliden

in zooverre overeen, dat zij een harde, hetzij hoornachtige of

kalkachtige as hebben, omhuld door het weeke of althans halfweeke

weefsel der individuën en van het deze verbindende coenenchym. De

polypenstokken zijn vastgehecht aan rotsen of andere onderzeesche

voorwerpen. De vorm der stokken is met enkele zeldzame uitzonderingen

meer of minder sterk vertakt, doch zeer verschillend. Bij de eene is

de stam rolrond en zijn de vertakkingen boomachtig, bij de andere is

de stam plat en zijn de takken pluim- of waaiervormig. Verscheidene

soorten hebben bladachtig samengedrukte takken, eene vereeniging van

takken, die er als een soort van traliewerk uitziet. Bij nog andere

is de stam aan één of beide zijden kamsgewijs of vedersgewijs met

takken bezet. Paragoria arborea, die aan de kusten van Noorwegen

voorkomt, bereikt bijna manshoogte. Andere komen vooral voor in de

Middellandsche Zee en de warmere zeeën, zooals de Roode Zee, Indische

Zee, Stillen Oceaan en West-Indische Zee. Men kent ook eenige weinige

fossiele soorten uit het krijt en de tertiaire formatie van Europa.

Een geslacht (Corallium) onderscheidt zich door de geheel verkalkte,

harde, steenachtige as, welke, evenals de geheele stok, boomachtig

vertakt is. Die van de gewone Middellandsche Zee-soort (Corallium

rubrum) levert het bekende bloedkoraal.

De stam bestaat uit talrijke fijne kalkschichten, van zóó bepaalde

microscopische structuur, dat een kenner van de verhouding hiervan

gemakkelijk aan ieder stuk koraal de echtheid of valschheid kan

constateeren. De nog versche, niet kunstmatig glad gemaakte, nòch in

zee afgeschuurde stok, is met fijne overlangsgroeven bedekt, waarin

de kanalen loopen, die het voedingssap bevatten.

De natuurlijke historie en de anatomie van het zoogenaamde edelkoraal

is op uitstekende wijze door Lacare-Duthiers bestudeerd. Hij kwam tot

de ontdekking dat de stokken nu eens enkel mannelijke, dan weder enkel

vrouwelijke individuën bevatten, dat echter ook polypen van beiderlei

geslacht op een stok voorkomen, ja, dat er zelfs hermaphroditen

(geslachtloozen) onder loopen.

Onze afbeeldingen vertoonen, matig vergroot, een twijg van een stok met

verschillende gesloten en een opengesneden kelk. In fig. A ziet men,

bij o, eieren, bij t een grooter zaadhuisje en daarnaast, bij o´, een

ei. In fig. B, bij B, de 1 à 2 mM. lange larven, in de lichaamsopening

van het moederdier het ei verlatend. Zij zijn langwerpig wormvormig

en wij zien in de polypen met ingetrokken voelers, bij f g, door de

zachte wanden van het lichaam heen twee zulke larven. De middelste

polypencel is afgesneden; zij bevat twee larven. Uit de mondopening

der bovenste, bij b, is een larve bezig de wereld in te treden.

Het voorkomen van het Edelkoraal is beperkt tot de Middellandsche-

en de Adriatische Zeeën. In den laatsten tijd strekt zij zich uit tot

halverwege Sebenico, en wordt op eenige plaatsen van de Albaneesche

kust en tusschen de Ionische eilanden reeds talrijker gevonden. De

opbrengst is in verhouding tot die aan de Algerijnsche en Tunesische

kusten onbeduidend. Aan de laatstgenoemde kust is de visscherij

het loonendst op banken, die zich tot op eenige zeemijlen afstands

van den oever uitbreiden en bij eene diepte van 40-100 vademen,

zeldzaam daaronder of daarboven. Zij wordt bij voorkeur uitgeoefend

door vaartuigen met een Italiaansche bemanning, minder met Franschen

en Spanjaarden en het is een hard werk. De vaartuigen varieeren van

6-12 tonnen inhoud ongeveer, en hebben eene bemanning van 4-12 man

en hiernaar zijn ook de werktuigen en netten ingericht, welke voor de

koraalvisscherij gebruikt worden. De eersten bestaan uit twee overkruis

gelegde en stevig verbonden balken, bij de groote vaartuigen 3 M. lang

en op de kruising met steen of met ijzer bezwaard. Daaraan hangen 34-38

bundels netten met groote mazen, in den vorm van bundels of dwijlen,

zooals men dat op gewone schuiten wel ziet om het dek te reinigen. Dit

aan een sterke kabel bevestigde toestel wordt achter het vaartuig aan

gesleept en al naar het vaartuig is, met een windas of met de hand

opgehaald en neergelaten. Daar de koralen slechts op oneffen zeebodem

leven, bij voorkeur onder vooruitspringende of overstekende gedeelten,

waarin de armen van de balken moeten doordringen, zoo begrijpt men

dat het vastzitten van het net elk oogenblik voorkomt. Het moet dus

telkens weder losgemaakt worden, en het is begrijpelijk, dat dit

tot den zwaarsten arbeid behoort, temeer daar deze visscherij in het

heete jaargetijde zonder ophouden geschiedt.

Het aldus verkregen koraal varieert in reinen toestand zeer in

hoedanigheid en in waarde. Het van de rotsen afgerukte, dikwijls

door zwammen en wormen doorboorde koraal kost 5-20 franc het kilo. De

prijs der betere soort wisselt af van 45-70 franc het kilo. Voor het

kilo bizonder uitgezochte dikke en rozenrood (peau d'ange) gekleurde

stukken, wordt echter 400 en 500 franc, ja meer betaald. De stukken

welke op eene bepaalde diepte gevonden worden of die door en door

zwart zijn en als "zwarte koraal" voor 12 à 15 franc het kilo verkocht

worden, behooren niet tot eene bizondere soort, maar zijn lang door

slijk bedekt geweest en hebben door een soort van verrottingsproces en

nog niet bekende chemische inwerkingen de zwarte kleur gekregen. De

verwerking van het koraal tot sieraden en bijouteriën geschiedt te

Parijs en te Marseille en in het bizonder te Napels, Livorno en Genua.

De bouw en het leven der Polypen als enkele individuën en in koloniën

biedt ons veel wetenswaardigs en boeiends aan. De beteekenis van

het leven der polypen is echter van veel grootere strekking. Die

polypen welke men als riffenbouwende koralen aanduidt, richten zich

gedenkteekenen op voor eeuwen, en de invloed op het leven en de

ontwikkeling van het menschelijk geslacht is het gewichtigste punt,

waarop de waarnemingen van het leven der polypen geconcentreerd

kunnen worden.

Welk een tooverachtigen indruk de bloote aanschouwing van een koraalrif

maakt, heeft Haeckel na een bezoek aan de Arabische kust van de Roode

Zee meesterlijk geschilderd:

"Die pracht te schilderen, daartoe zijn pen noch penseel in staat. De

oppervlakte der grootere koraalbanken, van 6-8 voet in doorsnede,

is bedekt met duizenden van de schoonste bloemsterren. Tusschen

de vertakte boomen en struiken zit bloem aan bloem. De groote,

bontgekleurde bloemkelken aan hun voet zijn eveneens koralen. Ja zelfs

het bonte mos, dat de tusschenruimten tusschen de verschillende stammen

aanvult, blijkt bij nauwkeurige beschouwing te bestaan uit millioenen

kleine koraaldiertjes. En deze geheele onvergelijkelijke bloemenpracht

wordt door de schitterende Arabische zon in dit kristalheldere water

overgoten met een onvergelijkelijken glans.

"In deze wondervolle koralentuinen, welke de tot het rijk der

sagen behoorende tooverachtige Hesperidentuinen overtreffen,

wemelt het van dierlijk leven in talrijke soorten. Metaalachtig

glanzende visschen van de zonderlingste kleuren en vormen spelen in

scharen tusschen de koraalbloemen, evenals de kolibrie's die rondom

de kelken der tropische bloemen zweven. Nog veel menigvuldiger en

interessanter zijn de weekdieren der verschillende klassen, welke op de

koraalbanken hun leven leiden. Sierlijke, doorzichtige Schaaldieren,

tot de groep der Garnalen behoorende, klimmen tusschen de takken der

Koralen. Ook roode Zeesterren, violette Slangsterren en zwarte Zeeëgels

klauteren in menigte rond op de takken der koraalstruiken; de scharen

bontgekleurde Mosselen en Slakken zijn niet op te noemen. Schoone

Wormen met bontgekleurde kieuwvederboschjes kijken uit hunne holen

en gangen. Daar komt ook een dichte zwerm Medusen aanzwemmen en tot

onze verrassing herkennen wij in den sierlijken klok een oude bekende

uit de Oost- en Noordzee, de Kwal".

Alle riffenvormende koraalsoorten leven in de zeeën der heete zone,

waar de afkoeling van het water zelfs in den winter niet onder de 16

graden Réaumur daalt. De grootste zomerwarmte in den Stillen Oceaan

bedraagt 24 graden Réaumur. Twee lijnen noordelijk en zuidelijk

van den equator, welke de streek van de gelijke wintertemperatuur

verbinden en al naar de stroomingen veelvoudig in- en uitgebogen zijn,

omsluiten de Zone van de koraalriffen-zeeën.

De grootste verscheidenheid heerscht natuurlijk in den middelsten

heetsten gordel, tusschen 15 en 18 graden noordelijk en zuidelijk

van den equator, waar de temperatuur niet onder 18½ graad Réaumur

daalt. In deze streek vallen de Fidschi-eilanden, wier riffen een

voorbeeld van eene buitengewone menigte Koralen vertoonen.

De koraalsoorten van Oost-Indië en van de Roode Zee zijn dezelfde als

in het centrale gedeelte van den Stillen Oceaan, eveneens die van de

kusten van Zanzibar.

De Golf van Panama en de naburige deelen der zee noordelijk tot

aan de punt van het Californische schiereiland en zuidelijk tot

Guayaquil liggen ook nog in den heeten gordel, maar in de koelere zone

daarvan. De polypensoorten aldaar dragen een ander karakter, en zijn

geheel verschillend van de West-Indische. Zij zijn daar niet talrijk en

tot een klein getal geslachten beperkt. Dit laat zich verklaren door

den aard en richting van de strooming langs de Westkust van Amerika,

welke zoowel door hare lage temperatuur als door hare richting, de

verbreiding der soorten uit het centrale gedeelte van den Stillen

Oceaan naar Panama verhindert.

Koraalriffen en koraaleilanden zijn werken van dezelfde soort, maar

onder eenigszins verschillende omstandigheden. Een koraal-eiland

is in ieder geval altijd lang geleden een tijd lang een koraalrif

geweest en is dat voor het grootste deel nog. De namen beteekenen

echter iets anders. Koraal-eilanden zijn geïsoleerd in de zeeën

staande riffen, welke nu eens slechts tot den waterspiegel reiken of

half onderduiken of bedekt zijn met een dichteren of minder dichten

plantengroei. Koraalriffen echter noemt men in het bizonder de

koraalvormingen langs de kusten van eilanden en het vasteland.

Alle door Koralen omgeven kusten en in het bizonder die van midden

in den Oceaan gelegen eilanden, genieten van hunne riffen groote

voordeelen. De uitgestrekte koraalbanken en de daarachter liggende

kanalen breiden den omvang van het eiland waartoe zij behooren,

buitengewoon uit. Behalve dat zij bolwerken tegen den oceaan vormen,

zijn zij te gelijk dijken, welke den van de bergachtige kusten

afgespoelden grond verzamelen. Zij noodzaken het van het land

afstroomende water het slib, hetwelk zij met zich voeren, af te

zetten en bewaren die op deze wijze voor het land; en het is op deze

aangespoelde gronden dat de inwoners gewoon zijn hunne dorpen aan

te leggen. Zulke vlakten vindt men rondom Tahiti, van O.5-3 mijlen

breed en juist hier groeien de kokos- en broodvruchtboomen het best.

De riffen maken ook de vischgronden der inboorlingen uitgestrekter

en lokken de visch zeer aan, wat voor die menschen bijna het eenige

vleeschvoeder is. De door de riffen ingesloten wateren bevorderen

de scheepvaart en vergemakkelijken de verbinding tusschen de

nederzettingen. Om dezelfde reden treft men er veilige havens aan,

waarvan sommige er wel een dozijn bezitten, terwijl men langs vele

onbeschutte kusten soms geen enkele veilige haven bezit. Zelfs voor

den wereldhandel leveren de omvangrijke riffenregionen hunne bijdrage,

behalve parelen, de tripang genoemde eetbare holothuriën of zeeslakken,

waarvan duizenden centenaars jaarlijks van de riffen in Oost-Indië,

Australië en de Fidschi-eilanden naar China worden uitgevoerd.

DE SPONSEN (Spongiae).

Wie voor den eersten keer eene verzameling Sponsen, gedroogd of in

spiritus bewaard, bekijkt, zal niet zelden over de dierlijke natuur

van deze in verschillende vormen (zooals beker-, bol-, knots-,

waaier- of trechtervormige) voorkomende voorwerpen in twijfel staan

en de totaalindruk zal wezen, dat het planten zijn. Daar men echter

zulke Sponsen in een museum van natuurlijke historie vindt, zal men

allicht oordeelen, dat zij dan zeker in leven en op de plaatsen wáár

zij leven er anders uit zullen zien en dan meer den indruk van dieren

maken. Laten wij daarom de Sponsen in de natuur opzoeken. Zij komen

slechts in het water voor, en zeer spaarzaam zijn zij in zoet water

vertegenwoordigd door de Zoetwater-sponsen of Spongillen. Op den

bodem van menig water, aan houten brugpijlers, kan men gedurende

den zomer groenachtige of grijze, vertakte of rondachtige dingen,

ter grootte van een vuist of van een hoofd, bestaande uit een weeke

of papachtige massa, zien, die voor het bloote oog niet het geringste

spoor van leven vertoonen, die, in een glas met water bewaard, zich

weken lang onbeweeglijk vertoonen, en die, in de zon gelegd, snel

indrogen, zonder iets van hun vorm te verliezen en dan gemakkelijk

tot poeder zijn te knijpen.

Het microscoop toont dat dit poeder of stof grootendeels uit fijne,

met twee punten voorziene kiezelnaalden bestaat en wij zijn nog even

wijs als vroeger. Laten wij daarom de zee opzoeken, waar Sponsen in

menigte voorhanden zijn.

Op sommige plaatsen van de Adriatische Zee en de Ionische eilanden

zijn de rotsen bij plekken door een korst van O.5-2 cM. dikte

bedekt, die witachtig van kleur is en die men gemakkelijk er af kan

breken. Als men deze korst losbrokkelt, ziet men dat zij ten deele

bestaat uit lichaampjes van een onregelmatigen, ten deele van een

kegelachtigen of fleschachtigen vorm, die eerst leven en beweging

verraden, als men in hunne nabijheid fijn verdeelde verfstof in het

water werpt. Daardoor worden dan stroomingen zichtbaar, welke van

de groote openingen uitgaan en door de een of andere werkzaamheid in

het inwendige van deze lichamen moeten ontstaan. Al deze Kalksponsen

zijn hard en ruw op het gevoel of vertoonen tenminste, als zij van

een weekere zelfstandigheid zijn, eene ruwe, stekelige oppervlakte.

Waaraan herkent men nu eigenlijk een Spons? Om deze vraag te

beantwoorden, kunnen wij niet beter doen dan te wijzen op de meest

verbreide soort van Spons, die bij iedereen bekend is, n.l. de gewone

Badspons. Maar ... om te beginnen hebben wij ons reeds onjuist

uitgedrukt, want niet de Badspons is het die bij iedereen bekend

is maar ... het geraamte er van. Het is, zooals men gemakkelijk

kan nagaan, een zeer elastisch, van grootere en ontelbare kleinere

poriën en kanalen doorboorde, vezelachtige massa van een stof die

men hoornachtig (Spongin) noemt.

Wij hebben over het voorkomen der Sponsen reeds gesproken. De vorm

wijzigt zich echter dikwijls naar de omstandigheden waaronder zij

groeit en van het voorwerp waarop zij zich heeft vastgehecht. Met

uitzondering van den eersten levenstijd, zijn zij vastzittende

wezens en niet zelden leven zij ook parasitisch op andere dieren,

op de schelpen van Weekdieren, Polypariën enz. Er zijn ook Sponsen,

die parasitisch op andere wonen. Eenige soorten hebben zelfs het

vermogen om gaten in kalkgesteenten te boren en houden daarin

hun verblijf. In verschen toestand bezitten de meeste Sponsen eene

tamelijke vastheid, zoodat zij aan drukking weerstand kunnen bieden,

zooals b.v. de soorten, welke worden ingezameld om in den handel te

worden gebracht. Deze handelsartikelen bestaan echter, zooals wij

reeds zeiden, enkel uit het skelet, waaruit alle weeke deelen door

uitspoeling en uitwassching zijn verdreven. De kleuren welke zij

vertoonen zijn wit, geel, bruin, zwart, rood, violet en groen, en in

grootte wisselen zij af van eenige millimeters tot een meter en meer.

Alle Sponsen bestaan uit een skelet en uit eene zeer weeke

zelfstandigheid, het sarcode of protoplasma, waarmede de opene

holten en kanalen gevuld zijn, die met elkander in verband staan en

buitenwaarts uitmonden met tweeërlei soort van openingen, namelijk

zeer kleine, poriën genaamd, en grootere, gewoonlijk mondjes (oscula)

geheeten. Het stelsel van kanalen mondt uit in eene ruimte, de

maagruimte, die naar onderen zakachtig gesloten is, naar boven met eene

opening, de schoorsteen genaamd, in verbinding staat. Het omringende

water met de daarin zwevende kleine deeltjes, die tot voeding van

het lichaam dienen, treedt de kleine poriën binnen en verlaat dit

weder door de groote openingen, na de voedende bestanddeelen te

hebben achtergelaten.

De instroomingsopeningen of poriën bevinden zich altijd aan de

buitenvlakte, de uitstroomingsopeningen daarentegen monden dikwijls

uit in een gemeenschappelijke of cloacale holte, die dan één grootere,

naar buiten voerende opening heeft. Deze openingen bezitten nog de

eigenaardigheid dat zij tijdelijk of blijvend kunnen zijn. Dit hangt af

van de meerdere of mindere vastheid van de weeke zelfstandigheid. Is

de buitenste sarcodelaag in zekeren graad verhard en een soort

certicula geworden, dan zijn de openingen blijvend, is de sarcode

week, dan verschijnen en verdwijnen de openingen zonder een spoor

achter te laten.

Waarnemingen hebben aangetoond, dat er voortdurend eene strooming

van het water naar de ingangsopeningen plaats heeft en dat deze

strooming veroorzaakt wordt door de beweging van trilciliën. Aan de

wanden der inwendige kanalen komen namelijk binnenwaartsche, lange,

draadvormige verlengselen van wandlooze cellen voor, die meestal elk

slechts een enkel trilhaar bezitten, soms twee of meer. Op sommige

punten zijn zij troepsgewijs vereenigd tot zoogenaamde triltoestellen,

ook trilkorfjes genoemd. Door de zweepende beweging nu van deze

trilhaartjes, wordt de strooming van het water onderhouden en naar de

verschillende gedeelten gevoerd. Uit de uitstroomingsopeningen komt

het water verder met kracht naar buiten en voert de faecale stoffen

mede. Deze geheele inrichting voldoet voor de Sponsen aan de behoefte

tot ademhaling zoowel als aan die der spijsvertering.

Het voedsel wordt in de eerste plaats opgenomen door zekere beweeglijke

cellen, geassimileerd en dan naar de plaatsen, waar voedsel noodig is,

gebracht. Hier geven deze wandelende cellen haar voedsel af behalve

het onbruikbare deel daarvan. Daarna verplaatsen zij zich met die

faecale stoffen naar de uitstroomingskanalen waar zij deze afgeven,

dan trekken de cellen naar de instroomingsmonden, nemen voedsel op

en beginnen hun rondreis van voren af aan.

Het weeke sarcodelichaam, dat wij in de vorige regels schetsten, wordt

gedragen, omvat als het ware, door het skelet, dat gedeelte wat wij

na droging de "spons" noemen. Men noemt de zelfstandigheid, waaruit

dit skelet bestaat, hoornachtig, maar in werkelijkheid is het een

geheel andere stof. Zij wordt onderscheiden met de namen spongioline,

keratode en keratose, zelfstandigheden waartoe ook de chitine en

conchyoline behooren. Deze stof wordt uit de sarcode gevormd in de

gedaante van vezels, vliezige platen en spicula, die onderling tot een

meer of minder dicht net zijn verbonden. Zij zijn meest cilindrisch

van vorm, uit concentrische blaadjes samengesteld, ook hol, in welk

geval zij een net van vertakte buizen vormen. Een ander bestanddeel

van het skelet is kiezelzuur, dat zich gewoonlijk vertoont in den

vorm van afzonderlijke spicula, die, daar zij veelal naaldvormig

zijn, ook eenvoudig sponsnaalden worden genoemd. Zeldzamer komt als

bestanddeel van het skelet voor koolzure kalk, die ook somtijds in de

gedaante van spicula voorkomt en dan van de kiezelspicula moeielijk

te onderscheiden zijn.

Ook de eieren ontstaan uit beweeglijke cellen.

De gewone wijze van voortplanting is die door tweeërlei soort

van lichaampjes. De eerste zijn bolvormige, eironde, korrelige

lichaampjes en liggen verspreid in de sarcode massa, te midden waarvan

zij ontstaan, en worden door de uitstroomingsopeningen naar buiten

gevoerd. Zij verkrijgen dan geheel of ten deele een trilhaarbekleedsel,

zwemmen een tijd rond en hechten zich daarna vast aan eenig voorwerp,

waarna de ontwikkeling zijn verder verloop heeft. De tweede soort

van lichaampjes zijn grooter en bestaan uit een verzameling cellen,

welke door eene opening in den dunnen wand, welke hen bijeenhoudt, naar

buiten treden. Er is echter nog eene andere wijze van voortplanting.

Wanneer een levende Spons in stukken verdeeld wordt dan behoudt elk

stuk het vermogen om te blijven leven en te groeien. Men neemt aan

dat zich uit elk sarcodeklompje een Spons kan ontwikkelen en het

schijnt dat deze zelfverdeeling somtijds voorkomt.

Het Leven der Dieren: Deel 3.8, De Stekelhuidigen, Plantdieren en Sponsen · 第 16 / 21 题