EERSTE ORDE.

DE ZESSTRALIGE POLYPEN (Hexactinia).

Bij alle hedendaagsche leden van deze orde bedraagt het grondtal van

de stralen en tentakels 6 (bij een reeds sinds het primaire tijdvak

geheel uitgestorven groep echter 4). Slechts enkele geslachten, alle

behoorende tot de kleine onderorde der Hoornkoralen (Antipatharia),

blijven levenslang uit dit geringe aantal stralen samengesteld;

bij alle overige heeft vermeerdering van hun aantal plaats door

tusschenvoeging van nieuwe schotten, die een geringere breedte bereiken

dan de reeds aanwezige, en deel uitmaken van een nieuwen "cyclus",

die volledig is na verdubbeling van het aantal kamers; dit kan op

deze wijze toenemen tot 96 en zelfs tot 192, doch stijgt zelden hooger.

De eerste rang komt toe aan de Zeeanemonen of Actiniën (Actinaria),

die een der grootste aantrekkelijkheden onzer aquariën uitmaken. Zij

onderscheiden zich door het gemis van een skelet van de beide overige

onderorden der Zesstraligen en zijn sterker dan deze in den gematigden

aardgordel vertegenwoordigd. Verreweg de meeste leven afzonderlijk,

vormen geen stokken. Daar zij dikwijls een aanzienlijke grootte

bereiken en veelvuldig in ondiep water voorkomen, trekken zij sterk

de aandacht. Niet weinig draagt hiertoe bij hun levendige, meestal

fraaie kleur. Zij hebben een taaie, lederachtige huid, die groote

samentrekkingen en vormveranderingen kan ondergaan. Met uitzondering

van enkele soorten die het achterste gedeelte van haar lichaam

in een kuiltje van den zandigen of slijkerigen zeebodem verbergen

(Cerianthus) of zich met een koker van aaneengekleefd zand of slijm

omgeven (Edwardsia), gebruiken alle Actiniën de voetschijf om zich

vast te hechten en kunnen zij zich zelfs langzaam schuivend op dit

orgaan voortbewegen.

In alle Europeesche zeeën, ook aan onze kust, ontmoet men van

de laagwaterlijn, tot op een diepte van 20 vademen, bij voorkeur

aan de onderzijde van overhangende steenen, de Gewone Zee-anemone

(Actinia equina, A. mesembryanthemum). Haar lichaam is een korte

en dikke cilinder, 5 cM. hoog en 7 cM. breed, in saamgetrokken

toestand kegelvormig. De mondschijf is aan den rand bezet met

vele rijen kegelvormige tentakels, gezamenlijk hoogstens 192, van

15 mM. lengte. Zij komt in vele kleurverscheidenheden voor, van

paarsachtig rood tot zeer donker olijfkleurig, soms groen of groen

gevlekt of gestreept. De voetschijf is even boven den rand door een

blauwe streep omgeven. De rand van de mondschijf draagt een krans

van hoogstens 48 azuurblauwe knobbeltjes, die talrijke netelorganen

voortbrengen.

Ondanks hun bevalligen vorm, prachtige kleur, stillen aard en

aan bloemen herinnerend uiterlijk zijn de Actiniën buitengewoon

vraatzuchtige wezens. In het aquarium ziet men ze groote stukken

vleesch verzwelgen, niet om er eenvoudig het sap uit te persen, maar

om het geheel te verteren; de vetdeelen, die zich er aan bevinden,

worden weer uitgeworpen. Ook zuigen zij gaarne Oesters en Mossels

uit. Daar het geen bijzondere moeite kost de Actiniën in 't leven te

houden, heeft men hun levenswijze en voortplanting nauwkeurig kunnen

nagaan. Zij behooren voor 't meerendeel tot de niet talrijke Anthozoën,

die geen stokken vormen. Met zeldzame uitzonderingen planten zij zich

uitsluitend langs geslachtelijken weg voort.

Steenkoralen of Koraaldieren i.e.z. (Madreporaria) noemt men alle

Anthozoën met verkalkt skelet. De gezamenlijke skeletdeelen vormen

het polyparium. Dit kan enkelvoudig zijn of vertakt. Enkelvoudig is

het, wanneer de groei van het individu geen knopvorming of deeling,

maar vermeerdering van het aantal kransen van tentakels en kringen

van mesenteriaalplooien ten gevolge heeft, zooals reeds bij de

Actiniën werd opgemerkt. Een voorbeeld hiervan levert de hiernevens

afgebeelde soort, die tot de Tolkoralen (Turbinolidae) behoort. De

"wand" of "muur" van haar "cel" is van buiten glad; van de binnenste

oppervlakte gaan "straalschotten" uit, die tusschen (niet in) de

mesenteriaalplooien liggen: iedere kamer bevat er één. De muur met

de straalschotten vormen de "kelk". In de hierdoor begrensde holte

kan de Polyp het altijd week blijvende voorste deel van haar lichaam

terugtrekken, hetgeen gepaard gaat met het uitwerpen van het hierin

aanwezige vocht.

Bij vele soorten is de buitenste oppervlakte van den muur tegenover

de straalschotten bezet met smalle, gaafrandige, uitgetakte of getande

lijsten, die "ribben" heeten.

Het hierboven afgebeelde, boogvormig vertakte, samengestelde polyparium

van een Eupsammide uit de Golf van Napels dankt zijn vorm aan de

wijze van vermenigvuldiging, door knopvorming aan de zijden van het

lichaam; reeksen van fijne korreltjes vormen ribben aan de buitenste

oppervlakte van den langwerpigen kelk, waarboven de weeke deelen niet

ver uitsteken. Aan de overlangsche doorsnede van een der individuën

(B) ziet men hoe diep de tentakels (a) teruggetrokken worden, hoe

dik de muur (b) is en hoe ver de straalschotten zich binnenwaarts

uitstrekken. De geheel verkalkte wand aan de tegenover den mond gelegen

pool heet "voetblad"; hierop rust een tamelijk hooge zuil. Zij is

dikwijls omgeven door een aantal staafvormige verhevenheden, die men

"paaltjes" noemt. Deze en alle andere kalkafscheidingen tusschen de

straalschotten vormen samen de endotheca. Deze is bij de Steenkoralen

zeer ongelijk ontwikkeld. Soms, zooals bij de Oogkoralen (Oculina),

zet zij zich, naarmate de Polyp omhooggroeit, als een samenhangende

massa af op den bodem der cel, zoodat het onderste gedeelte van de

straalschotten er geheel in opgenomen wordt. Vaker echter ontstaan

tusschen de straalschotten dunne, betrekkelijk dicht bij elkander

gelegen dwarsschotten, die soms ineenvloeien tot vloeren, soms een

zeer geringe breedte hebben en op fijne, kegelvormige knobbeltjes

gelijken, die zich met die van het naburige straalschot tot

dwarsbalkjes vereenigen. Op deze wordt de niet meer door de weeke

deelen ingenomen ruimte allengs gevuld met een kalkmassa, die soms

als 't ware blaasjes, soms talrijke evenwijdige verdiepingen, soms

een soort van traliewerk vormt.

Ook aan de buitenzijde van den muur kunnen allerlei kalkafscheidingen

voorkomen; soms bekleeden zij dezen met een gladde laag (epitheca),

soms vormen zij talrijke blaasjes (peritheca), soms worden de leden

van den stok aaneenverbonden door een kalkmassa (het coenenchym),

die bladerig dicht of sponsachtig kan zijn. Den laatstgenoemden vorm

heeft zij bij de Sponskoralen (Madrepora), zooals uit de afbeelding

(B) blijkt.

De leden van dit geslacht leveren de fraaiste en grootste

polypenstokken aan de verzamelingen van naturaliën. Eerst na het

passeeren van het kanaal van Suez ontmoet men ze in grooten getale. De

hieronder afgebeelde soort komt behalve in den Indischen en den Grooten

Oceaan ook in de Roode Zee voor. Hare kelken steken als korte, van

boven kegelvormige buizen boven het hen vereenigende en bedekkende,

met fijne doorntjes bezaaide coenenchym uit. De Madrepora-stokken

zijn soms massief, soms op onregelmatige wijze gelobd, soms struik-

of boomvormig vertakt.

De Madreporiden, Poritiden en Eupsammiden worden wegens

de tusschenruimten (poriën) van hun kalkskelet onder den naam

van Poreuze Koralen (Perforata, Medreporacea) samengevat. Uit een

dichtere massa bestaan de polypariën van de Zwamkoralen, Sterkoralen en

Oogkoralen, die daarom gezamenlijk Aporosa heeten. Bij het bekijken

van een collectie naturaliën trekken de Zwam-, Paddestoel- of

Kampernoeljekoralen van het geslacht Fungia allicht de aandacht door

hun vorm en hun grootte. Het zijn platte, cirkelronde of langwerpige

schijven, die niet zelden een middellijn van 30 cM. bereiken en met

een het onderste boven gekeerden hoed van een Paddestoel vergeleken

worden. Behoudens een langwerpige groeve, die de plaats aanwijst,

waar zich bij het levende dier de mond bevindt, bestaat de geheele

bovenvlakte uit talrijke, verticale straalschotten; deze rusten

op een voetblad, dat aan de meestal eenigszins uitgeholde, niet

vastgehechte onderzijde gedoornde ribben draagt; de muur, het deel,

dat bij de meeste Koralen het sterkst ontwikkeld is, ontbreekt hier

geheel. De Zwamkoralen zijn enkelvoudig, niet tot stokken vereenigd:

evenals de Actiniën, vermenigvuldigen zij zich bijna uitsluitend

door eieren; wanneer ooit bij hen knopvorming of deeling voorkomt,

blijven de nieuwe individuën niet met het oude vereenigd.

De Sterkoralen (Astraea) met hunne meestal massieve stokken zijn

karakteristieke verschijnselen van de keerkringszeeën. De kelken zijn

direct of door hunne ribben, niet door tusschenkomst van coenenchym,

verbonden.--Tot dezelfde familie behooren de Hersenkoralen of

Maeandrinen, waarvan een soort is afgebeeld. Bij hen komt een zeer

eigenaardige wijze van vermenigvuldiging door deeling voor. Evenals

bij andere Koraaldieren worden de mondopening en de mondschijf, na

het verdubbelen van het aantal tentakels, langwerpig en naderen de

randen van de mondspleet elkander in 't midden, totdat er twee ronde

openingen zijn ontstaan. Bij de Hersenkoralen wordt dit verschijnsel

echter niet gevolgd door de verdeeling van de mondschijf en blijft ook

de splitsing van de kelk achterwege. De geheele verandering neemt een

einde na de allereerste toebereidselen. In verband met de vermeerdering

van het aantal tentakels, verlengt de mondschijf zich aanhoudend;

telkens ontstaan er nieuwe mondopeningen, zonder dat de verdeeling

verder gaat. De mondschijven breiden zich uit tot lange strooken,

die sterk gekronkeld zijn, omdat zij van de aanvankelijk gevolgde

richting afwijken, zoodra zij elkander ontmoeten. De donkere lijnen

in afbeelding A stellen de reeksen van tentakels voor: zij bedekken

de ineenvloeiende muren, die in afbeelding B als witte lijnen tusschen

de donkerder getinte straalschotten zichtbaar zijn.

Over 't algemeen groeien de Steenkoralen niet snel, hoewel het eene

geslacht in dit opzicht van het andere verschilt. Sommige levende

stokken bij de Bermudas-eilanden zijn sedert eeuwen nagenoeg niet van

gedaante veranderd; van eenige riffen in de Roode Zee is gedurende een

halve eeuw de aanwas niet merkbaar geweest. Daarentegen vond Wellstead

een gezonken schip in de Perzische Golf reeds na 20 maanden met een 2

voet dikke korst van Koraaldieren bedekt, en heeft de Torrezstraat,

die bij haar ontdekking 25 koraaleilanden bevatte, er thans reeds

meer dan 150, waartusschen slechts smalle vaargeulen overblijven. In

sommige gedeelten van de Stille Zuidzee komen riffen voor, waarvan

de dikte op 2000 voet wordt geschat.

De hedendaagsche Madreporariën kunnen naar hun levenswijze en

geographische verbreiding in twee groepen worden verdeeld. De

eene omvat de zoogenaamde Diepzeekoralen, die een uitgestrekt

gebied bewonen, waar het klimaat, de temperatuur van het water en de

aardrijkskundige ligging zeer uiteenloopen. De meeste worden op diepten

van 50 à 300 en zelfs van 1500 vademen gevonden, vele echter ook in

ondiep water in de nabijheid van den oever. Voor 't meerendeel hebben

zij enkelvoudige polypariën of vertakte, struikvormige en kruipende

stokken zonder coenenchym; in den regel vindt men ze geïsoleerd,

nooit tot groote massa's vereenigd. Dit geldt o.a. van de Oog- en

Tolkoralen, van de Eupsammiden en van eenige Zwamkoralen.

Verreweg de meeste Madreporariën, vooral die, welke stokken met veel

coenenchym vormen, behooren echter tot de Rifkoralen. Vele daarvan

bereiken een aanzienlijke grootte en kenmerken zich door snellen

groei. Daar zij alleen kunnen leven in water, welks temperatuur

minstens 18 of 20° C. bedraagt, is hun verbreiding tegenwoordig

beperkt tot den gordel tusschen 30° NB. en 30° ZB., en wel tot die

gedeelten, waar de gesteldheid van den bodem en de temperatuur van

het water (dat niet onzuiver of met zoetwater vermengd mag zijn)

aan de eischen voldoen. Bovendien is de diepte, waarop zij zich

vestigen, gemiddeld niet grooter dan 20 vademen (30 à 35 M.). Aan de

hedendaagsche koraalriffen arbeiden vooral leden van de geslachten

Porites, Madrepora, Turbinaria, Areopora, Poecilopora, vele Astraeiden

(o.a. Macandrina en Heliastraea) en een aantal samengestelde en

enkelvoudige Zwamkoralen (Fungidae). Behalve deze Madreporariën spelen

ook sommige Alcyonariën (Heliopora), Hydromedusen (Milleporidae)

en Kalkalgen (Nulliporidae) bij de vorming van de koraalriffen geen

onbelangrijke rol.

Daar de meeste Rifkoralen op geen grootere diepte dan 20

vademen (ongeveer 30 M.) leven, moet het water op de plaatsen,

waar nu koraalriffen gevonden worden, oorspronkelijk ondiep zijn

geweest. In den regel is dit alleen op geringen afstand van de kust

het geval. Bij Mauritius, Madagaskar, Florida, in de Roode zee,

enz. waar de temperatuur van het zeewater en de bodemgesteldheid voor

het gedijen van de Steenkoralen gunstig zijn, is de kust overal of

op sommige plaatsen omzoomd door een vlak terras van koralenkalk,

waarop bij eb gemiddeld slechts 1 of 2 voet water staat. Overal

waar de zeebodem dieper dan 20 vademen begint te worden, houdt

het koraalrif plotseling op en helt steil naar de zeezijde af;

zijn bovenrand hangt een weinig over; aan den voet van de steilte

is de bodem bedekt met doode stukken koraal, die er door de golven

bijeengespoeld zijn. Het bovenste deel van den buitenrand van zulk een

"zoomrif", dat het meest aan den schok der golven is blootgesteld,

wordt vooral bewoond door Koraaldieren met veel coenenchym en zeer

kleine kelken (Porites). en door Kalkalgen (Nulliporen); iets verder

naar onderen begint de gordel van de Astraeïden en Milleporiden, nog

verder benedenwaarts komen uitsluitend doode polypenstokken voor. Het

terras tusschen de kust en den buitenrand van het rif is weelderig

begroeid met allerlei, ten deele zeer teer gebouwde Koralen (Fungidae,

Astraeidae, Madreporidae); zij rusten op een uit doode brokstukken

van Koralen en slib bestaanden bodem, die na iederen storm door het

aangespoelde gruis een weinig opgehoogd wordt.

Koraalriffen van geheel andere gedaante vindt men aan de noordoostzijde

van Australië of ten westen van Nieuw-Caledonië. Langs de kust

strekken zich hier, op een afstand van 20 à 60 zeemijlen, damvormige,

uit koralen samengestelde, onderzeesche bergruggen uit. De buitenrand

van deze barrière- of walriffen, welker lengte soms 400 à 1000 mijlen

bedraagt, helt aan de open zeezijde steil af; op weinige honderden

meters afstand buiten het rif wijst het dieplood afgronden van meer

dan 1000 vademen diepte aan, terwijl tusschen het rif en de kust

een kanaal ligt, dat slechts 10 à 30 vademen water bevat. Naar deze

zijde keert het rif zijn zacht glooiende, door tallooze levende wezens

bewoonde oppervlakte.

Nog merkwaardiger zijn de atollen of lagune-eilanden, die vooral

over de Zuidzee verstrooid zijn. Ringvormige, naar buiten steil

afhellende riffen, verheffen zich te midden van den oceaan, meestal

op onderzeesche vulkanen, en begrenzen een ondiepe lagune met een of

meer kanaalvormige toegangsopeningen aan de benedenwindzijde. Boven

den breeden, ringvormigen dam, die slechts weinige voeten onder

de oppervlakte der zee gelegen is, rijst dikwijls een eiland van

soortgelijke gedaante, dat uit opeengehoopte stukken koraal en slib

bestaat, boven den waterspiegel op; reeds kort na zijn ontstaan

is het begroeid met kokospalmen en een weelderig, doch eenvormig

plantenkleed. Op het door water bedekte terras tusschen het eiland en

den steilen rand van het rif vindt men uitgestrekte, met Koraaldieren

begroeide vlakten; andere zijn bedekt met een Nulliporen-korst van

verscheidene voeten dikte. Een weelderig dierlijk leven openbaart zich

in het ondiepe water van de lagune; hier houden zich de fraaiste en

teerste Koraaldieren op.

Het Leven der Dieren: Deel 3.8, De Stekelhuidigen, Plantdieren en Sponsen · 第 15 / 21 题