EERSTE KLASSE.

DE KALKSPONSEN (Caleispongiae).

Deze afdeeling heeft haren naam ontvangen naar de eigenschap, dat

in alle soorten microscopische of ook met het bloote oog zichtbare

kalkafzettingen afgescheiden worden, welke het lichaam als een soort

van skelet dienen, terwijl zij nu eens onregelmatig door het weefsel

verstrooid, dan weder sierlijk bundelsgewijs en op rijen geordend

zijn. Deze kalkafscheidingen hebben den vorm van staafjes of naalden

of van drie- en vierstralige sterren. Zij vullen de Spons gewoonlijk

in zoo'n mate (terwijl de weeke bestanddeelen bovendien zeer gering

zijn), dat bij het indrogen de gedaante en de omvang van het lichaam

onveranderd blijft en dat de meeste Kalksponsen levend of dood een

krijtachtig of gipsachtig voorkomen hebben.

Wij onderscheiden drie hoofdfamiliën:

De Zak-kalksponsen of Ascones zijn eenvoudige of vertakte, gesloten of

open cilinders met dunne wanden. Zij zijn dikwijls van zulke zachte

en fijne wanden omgeven, dat zij in het water nauwelijks te bemerken

zijn en zich alleen door een witachtige schemering verraden. Zeer

dikwijls echter vertoonen zij de gedaante van vastere voorwerpen,

welke de grootte van een noot of zelfs van een vuist bereiken en dan

vallen zij natuurlijk als witte of geelachtige gewassen in het oog. Dit

is b.v. het geval met de fraaie Ascelta clothius, bij Napels in de

grotten van Posilipp en het eiland Nicita menigvuldig voorkomende.

De Knollen-kalksponsen (Leucones) omvatten die vormen, bij welke zich

de wanden der onregelmatig vertakte kanalen onder eene sterke ophooping

van kalknaalden verdikken, zoodat er min of meer onregelmatige

vormen te voorschijn komen, knollen en kogels, maar ook flesschen

en bekers. Tot de sierlijkste en grootere soorten behoort Leucandra

penicillata van Groenland.

De schoonste en hoogst ontwikkelden zijn de Cellen-kalksponsen

(Sycones). De grondvorm van het enkele dier is een lange beker of

een meestal op een steel zittende cilinder, welks dikkere wanden

regelmatige kringen van diepe, van de groote centrale holten uitgaande

bochten vertoont. De mondopening is nu eens naakt, evenals bij

Leucandra, dan weder met een krans van fijne naalden omzet.

Alle Kalksponsen leven in zee. De meeste houden van de duisternis en

schuwen het licht. Slechts weinige soorten groeien op plaatsen, die

sterker verlicht zijn. De soorten, die zich het liefst vastzetten

op rotsen en steenen, vindt men bij voorkeur in holen en grotten

aan de zeekust, in rotsspleten en onder steenen. Deze voorliefde

voor de duisternis noopt ook vele Kalksponsen zich te vestigen in

het binnenste van ledige dierlijke woningen zooals mosselschelpen,

slakkenhuisjes, schalen van Zeeëgels, wormkokers enz.

De meeste Kalksponsen behooren thuis in de strandzone tot 2 vademen

diepte. Van daar tot eene diepte van 10 vademen is hunne vermindering

reeds opvallend; op verdere diepte behooren zij tot de zeldzame

verschijningen.

Het Leven der Dieren: Deel 3.8, De Stekelhuidigen, Plantdieren en Sponsen · 第 17 / 21 题