DE STRAALPOLYPEN (Anthozoa).
Een liefelijk schouwspel levert het komen en gaan der Kwallen op den
door golving en strooming telkens veranderden spiegel der zee. Na een
kortstondig leven, welks duur waarschijnlijk een jaar overtreft, gaan
deze wezens te niet, keeren hunne bestanddeelen terug in den algemeenen
kringloop der stof en blijven van hun aanwezigheid geen andere sporen
over dan een talrijke, in wording verkeerende nakomelingschap. Ook
onder de Straalpolypen zijn er, welker generaties even spoorloos
verdwijnen als deze. Veel grooter is echter het aantal leden dezer
klasse, die sedert de eerste tijden van hun bestaan op aarde, door
alle geologische perioden heen gedenkteekenen hebben opgericht, zooveel
grootscher dan die, welke door menschenhanden zijn gebouwd, dat deze,
met hen vergeleken, geheel in 't niet verzinken. De vorming van een
groot deel der vaste aardkorst is een gevolg van de werkzaamheid der
hier bedoelde, nietig kleine dieren. Door de veranderingen, die in
't binnenste der aarde plaats grijpen en zich aan hare oppervlakte
openbaren, als opheffingen en inzinkingen, worden op de eene plaats
riffen en koraaleilanden boven den zeespiegel omhoog gestuwd, terwijl
zij elders in de diepte terugkeeren. Overal waar de Koraaldieren, de
belangrijkste van alle Straalpolypen, zich vertoonen, hebben werkingen
plaats, die door haar omvang en beteekenis bijna alles in de schaduw
stellen, wat overigens nog door het dierlijk leven tot stand wordt
gebracht. Nietig klein in den beginne, slechts door den microscoop
waarneembaar, wordt deze vestiging weldra het vereenigingspunt van
verbazend veelvormige levensverschijnselen, totdat de mensch als
't ware den hier verrichten arbeid bekroont, door den op deze wijze
gevormden bodem in bezit te nemen.
De Anthozoën zijn vastzittende, meestal tot stokken vereenigde
dieren; het gesloten uiteinde van haar cilindervormig lichaam heet
voet; in het midden van de hieraan tegenovergestelde, in den regel
uitpuilende mondschijf, die langs den rand één of meer kransen
van holle tentakels draagt, bevindt zich de meestal spleetvormige
mond. Deze staat niet, gelijk bij de Hydroïdpolypen, onmiddellijk,
maar door tusschenkomst van een buisvormigen (door instulping van
het ectoderm gevormden), in de gastrale holte hangenden "maagzak" met
genoemde holte in gemeenschap. Deze wordt in "kamers" verdeeld door
schotten (mesenteriaalplooien), die straalsgewijs van de binnenste
oppervlakte van den lichaamswand uitgaan, met de buitenste oppervlakte
van den "maagzak" verbonden zijn en zich van de mondschijf tot den
voet uitstrekken, maar niet tot aan de lichaamsas reiken, rondom deze
dus een centrale holte vrijlaten. Elke kamer zet zich naar boven voort
in de kegelvormige holte van een tentakel; zij bestaat verder uit een
kokervormig vak van de ringvormige ruimte tusschen den lichaamswand
en den maagzak en bovendien uit de hieronder gelegene, nisvormige,
aan de aszijde opene afdeeling van de gastrale holte. De lichaamswand
bestaat uit drie lagen: het met tallooze netelorganen gewapende
ectoderm, het hieruit secundair gevormde mesoderm, dat spieren bevat,
en het slijmerige entoderm, dat de geheele binnenste oppervlakte van
de gastrale holte bekleedt. Spieren komen zoowel in den buitenwand
als in de tentakels, den maagzak en de mesenteriaalplooien voor. Die
welke in overlangsche richting loopen, hebben de overhand; zij stellen
het dier in staat zich sterk te verkorten, het bovenste stuk van zijn
lichaam in het meestal door harde deelen gesteunde onderste stuk als
in een etui terug te trekken. Zintuigen komen bij de Anthozoën niet
voor; het ectoderm, vooral dat van de mondschijf en van de tentakels,
is echter zeer gevoelig en bevat talrijke zenuwvezels. Van den vrijen
rand der mesenteriaalplooien gaan gekronkelde of kluwenvormig opgerolde
"mesenteriaaldraden" uit, die in de gastrale holte uitpuilen (bij de
Actiniën ook wel door den mond of door huidporiën naar buiten gestoken
worden); zij zijn met netelorganen en kliercellen toegerust en schijnen
bij de spijsvertering een belangrijke rol te vervullen. Onder de plaats
waar deze draden ontspringen, komen aan de mesenteriaalplooien de
geslachtsorganen voor, bij ieder dier òf vrouwelijke, òf mannelijke,
zelden beide. De eieren ontwikkelen zich dikwijls in de gastrale
holte van de moeder en verlaten deze als eivormige, later wormvormige
planula's. Na eenigen tijd rondgezwommen te hebben, hechten zij zich
vast. Aan den top van het jonge dier ontstaat een diepe instulping (de
toekomstige "maagzak"), welker bodem vervolgens een opening verkrijgt,
waardoor de gemeenschap van de gastrale holte met de buitenwereld
(die sedert het einde van den gastrula-toestand was afgebroken)
hersteld wordt. Nadat nu eerst mesenteriaalplooien en later tentakels
gevormd zijn, gelijkt de jonge Polyp op hare ouders.
Een zeer belangrijke rol speelt bij de Anthozoën de ongeslachtelijke
vermenigvuldiging. Alle leden van één stok zijn langs dezen weg
ontstaan uit een aanvankelijk eenzaam levend dier, dat zich hier
als planula heeft vastgehecht. Al naar de stokvorming geschiedt door
onvolkomen deeling of door knopvorming, hetzij aan den voet of aan de
zijden van het lichaam (bij fossiele Koralen ook aan de mondschijf) en
al naar de diepte van de scheiding tusschen de hierdoor voortgebrachte
individuën, zal de stok massief zijn of vertakt, in 't laatstgenoemde
geval zodevormig, struikvormig, bladvormig, waaiervormig, enz.--De
scheiding kan zoo ver gaan, dat leden van een kolonie een geheel
zelfstandig leven leiden. Dikwijls echter blijven hunne gastrale
holten met elkander verbonden, daar alle Polypen aan den voet meer
of minder ver omgeven zijn door een gemeenschappelijke laag. Deze
levende massa, die "coenosark" heet, bevat een groot aantal kanalen,
waardoor het voedingsvocht van iedere Polyp aan alle leden der kolonie
ten goede kan komen en tevens dient voor het vormen en onderhouden van
het gemeenschappelijk eigendom van alle individuën, n.l. van den stam
en de takken van den stok.--Bij een aantal Anthozoën mist men ieder
spoor van vaste, tot steun geschikte deelen; meestal echter is hun
lichaam door een skelet gesteund, welks deelen soms geïsoleerd blijven,
in den regel echter een samenhangend geheel vormen. Bij eenige zijn
zij van hoornachtigen aard, bij de meeste echter grootendeels uit
koolzure kalk samengesteld.
Alle Anthozoën zijn zeebewoners; de grootste verscheidenheid van
vormen ontwikkelt deze klasse tusschen de keerkringen: in 't geheel
zijn ongeveer 1800 levende soorten bekend. Hun voedsel bestaat
hoofdzakelijk uit kleine dieren, die zij met de tentakels grijpen
en naar den mond brengen. Zij worden vooral naar het aantal stralen
en tentakels in twee orden verdeeld, waarvan de eerste ongeveer 1200
levende en nagenoeg alle (1700) fossiele soorten omvat.