DERDE KLASSE.

DE STRAALPOLYPEN (Anthozoa).

Een liefelijk schouwspel levert het komen en gaan der Kwallen op den

door golving en strooming telkens veranderden spiegel der zee. Na een

kortstondig leven, welks duur waarschijnlijk een jaar overtreft, gaan

deze wezens te niet, keeren hunne bestanddeelen terug in den algemeenen

kringloop der stof en blijven van hun aanwezigheid geen andere sporen

over dan een talrijke, in wording verkeerende nakomelingschap. Ook

onder de Straalpolypen zijn er, welker generaties even spoorloos

verdwijnen als deze. Veel grooter is echter het aantal leden dezer

klasse, die sedert de eerste tijden van hun bestaan op aarde, door

alle geologische perioden heen gedenkteekenen hebben opgericht, zooveel

grootscher dan die, welke door menschenhanden zijn gebouwd, dat deze,

met hen vergeleken, geheel in 't niet verzinken. De vorming van een

groot deel der vaste aardkorst is een gevolg van de werkzaamheid der

hier bedoelde, nietig kleine dieren. Door de veranderingen, die in

't binnenste der aarde plaats grijpen en zich aan hare oppervlakte

openbaren, als opheffingen en inzinkingen, worden op de eene plaats

riffen en koraaleilanden boven den zeespiegel omhoog gestuwd, terwijl

zij elders in de diepte terugkeeren. Overal waar de Koraaldieren, de

belangrijkste van alle Straalpolypen, zich vertoonen, hebben werkingen

plaats, die door haar omvang en beteekenis bijna alles in de schaduw

stellen, wat overigens nog door het dierlijk leven tot stand wordt

gebracht. Nietig klein in den beginne, slechts door den microscoop

waarneembaar, wordt deze vestiging weldra het vereenigingspunt van

verbazend veelvormige levensverschijnselen, totdat de mensch als

't ware den hier verrichten arbeid bekroont, door den op deze wijze

gevormden bodem in bezit te nemen.

De Anthozoën zijn vastzittende, meestal tot stokken vereenigde

dieren; het gesloten uiteinde van haar cilindervormig lichaam heet

voet; in het midden van de hieraan tegenovergestelde, in den regel

uitpuilende mondschijf, die langs den rand één of meer kransen

van holle tentakels draagt, bevindt zich de meestal spleetvormige

mond. Deze staat niet, gelijk bij de Hydroïdpolypen, onmiddellijk,

maar door tusschenkomst van een buisvormigen (door instulping van

het ectoderm gevormden), in de gastrale holte hangenden "maagzak" met

genoemde holte in gemeenschap. Deze wordt in "kamers" verdeeld door

schotten (mesenteriaalplooien), die straalsgewijs van de binnenste

oppervlakte van den lichaamswand uitgaan, met de buitenste oppervlakte

van den "maagzak" verbonden zijn en zich van de mondschijf tot den

voet uitstrekken, maar niet tot aan de lichaamsas reiken, rondom deze

dus een centrale holte vrijlaten. Elke kamer zet zich naar boven voort

in de kegelvormige holte van een tentakel; zij bestaat verder uit een

kokervormig vak van de ringvormige ruimte tusschen den lichaamswand

en den maagzak en bovendien uit de hieronder gelegene, nisvormige,

aan de aszijde opene afdeeling van de gastrale holte. De lichaamswand

bestaat uit drie lagen: het met tallooze netelorganen gewapende

ectoderm, het hieruit secundair gevormde mesoderm, dat spieren bevat,

en het slijmerige entoderm, dat de geheele binnenste oppervlakte van

de gastrale holte bekleedt. Spieren komen zoowel in den buitenwand

als in de tentakels, den maagzak en de mesenteriaalplooien voor. Die

welke in overlangsche richting loopen, hebben de overhand; zij stellen

het dier in staat zich sterk te verkorten, het bovenste stuk van zijn

lichaam in het meestal door harde deelen gesteunde onderste stuk als

in een etui terug te trekken. Zintuigen komen bij de Anthozoën niet

voor; het ectoderm, vooral dat van de mondschijf en van de tentakels,

is echter zeer gevoelig en bevat talrijke zenuwvezels. Van den vrijen

rand der mesenteriaalplooien gaan gekronkelde of kluwenvormig opgerolde

"mesenteriaaldraden" uit, die in de gastrale holte uitpuilen (bij de

Actiniën ook wel door den mond of door huidporiën naar buiten gestoken

worden); zij zijn met netelorganen en kliercellen toegerust en schijnen

bij de spijsvertering een belangrijke rol te vervullen. Onder de plaats

waar deze draden ontspringen, komen aan de mesenteriaalplooien de

geslachtsorganen voor, bij ieder dier òf vrouwelijke, òf mannelijke,

zelden beide. De eieren ontwikkelen zich dikwijls in de gastrale

holte van de moeder en verlaten deze als eivormige, later wormvormige

planula's. Na eenigen tijd rondgezwommen te hebben, hechten zij zich

vast. Aan den top van het jonge dier ontstaat een diepe instulping (de

toekomstige "maagzak"), welker bodem vervolgens een opening verkrijgt,

waardoor de gemeenschap van de gastrale holte met de buitenwereld

(die sedert het einde van den gastrula-toestand was afgebroken)

hersteld wordt. Nadat nu eerst mesenteriaalplooien en later tentakels

gevormd zijn, gelijkt de jonge Polyp op hare ouders.

Een zeer belangrijke rol speelt bij de Anthozoën de ongeslachtelijke

vermenigvuldiging. Alle leden van één stok zijn langs dezen weg

ontstaan uit een aanvankelijk eenzaam levend dier, dat zich hier

als planula heeft vastgehecht. Al naar de stokvorming geschiedt door

onvolkomen deeling of door knopvorming, hetzij aan den voet of aan de

zijden van het lichaam (bij fossiele Koralen ook aan de mondschijf) en

al naar de diepte van de scheiding tusschen de hierdoor voortgebrachte

individuën, zal de stok massief zijn of vertakt, in 't laatstgenoemde

geval zodevormig, struikvormig, bladvormig, waaiervormig, enz.--De

scheiding kan zoo ver gaan, dat leden van een kolonie een geheel

zelfstandig leven leiden. Dikwijls echter blijven hunne gastrale

holten met elkander verbonden, daar alle Polypen aan den voet meer

of minder ver omgeven zijn door een gemeenschappelijke laag. Deze

levende massa, die "coenosark" heet, bevat een groot aantal kanalen,

waardoor het voedingsvocht van iedere Polyp aan alle leden der kolonie

ten goede kan komen en tevens dient voor het vormen en onderhouden van

het gemeenschappelijk eigendom van alle individuën, n.l. van den stam

en de takken van den stok.--Bij een aantal Anthozoën mist men ieder

spoor van vaste, tot steun geschikte deelen; meestal echter is hun

lichaam door een skelet gesteund, welks deelen soms geïsoleerd blijven,

in den regel echter een samenhangend geheel vormen. Bij eenige zijn

zij van hoornachtigen aard, bij de meeste echter grootendeels uit

koolzure kalk samengesteld.

Alle Anthozoën zijn zeebewoners; de grootste verscheidenheid van

vormen ontwikkelt deze klasse tusschen de keerkringen: in 't geheel

zijn ongeveer 1800 levende soorten bekend. Hun voedsel bestaat

hoofdzakelijk uit kleine dieren, die zij met de tentakels grijpen

en naar den mond brengen. Zij worden vooral naar het aantal stralen

en tentakels in twee orden verdeeld, waarvan de eerste ongeveer 1200

levende en nagenoeg alle (1700) fossiele soorten omvat.

Het Leven der Dieren: Deel 3.8, De Stekelhuidigen, Plantdieren en Sponsen · 第 14 / 21 题