DERDE ONDERKLASSE.

DE ECHTE KWALLEN (Acalephae).

Deze onderklasse bestaat uit wezens, die wegens hun overeenstemming met

de geslachtsdieren der beide vorige orden denzelfden naam verdienen

te dragen, doch een veel hoogeren trap van volkomenheid bereikt

hebben. Van de Hydroïd-kwallen onderscheiden zich de Acalephen

o.a. door het gemis van een randzoom; daarentegen is de rand van

haar scherm gewoonlijk door insnijdingen in lobben verdeeld. Daar

aan onze kust nooit Buidelkwallen of Diepzeekwallen en hoogst zelden

Bekerkwallen voorkomen, is het voldoende de orde der Schijfkwallen

(Discomedusae) te bespreken. Tot haar behooren ruim 150 van de

ruim 200 bekende soorten der onderklasse en tevens hare grootste

vertegenwoordigers. Zes daarvan bewonen in aanzienlijken getale de

zee langs onze kust. Meer dan andere Coelenteraten trekken zij de

aandacht, daar zij in 't gunstige seizoen tot in de onmiddellijke

nabijheid van den oever aan de oppervlakte zwemmen. Bij ruw weer

verongelukken vele exemplaren op het strand, waar deze groote, rood-

of blauwachtige, halfbolvormige geleiklompen spoedig door uitdroging

zoo goed als geheel verdwijnen. Hun lichaam, vooral dat van de

Aurelia's en Chrysaora's, heeft n.l. zulk een groot watergehalte

(95 à 96 percent), dat er van een middelmatig groot exemplaar, op

vloeipapier aan de zonnestralen blootgesteld, niets anders overblijft

dan een (door echte natuurzelfdruk gevormde) omtrekfiguur. Sommige

soorten ziet men nu en dan in grooten getale bijeen. Lang aanhoudende,

noordelijke windrichtingen vullen de havens van de westkust der Oostzee

soms met geheele banken van blauwe Kwallen (Aurelia aurita). In de

Middellandsche en de Adriatische Zee kan men zelden een uitstapje

maken, zonder eenige of zelfs vele exemplaren te ontmoeten van de

prachtige Longkwal (Rhizostoma pulmo), die nog iets grooter wordt

dan haar hierachter afgebeelde verwante. Beide worden echter in

dit opzicht ver overtroffen door Cyanea arctica, een bewoonster

van het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan, en zelfs door

Cyanea capillata, die aan onze kust veelvuldig voorkomt; bij deze

kan het scherm 1, bij gene 2 M. middellijn bereiken. Een andere in

't oog vallende eigenschap van vele Kwallen is het phosphoresceeren;

hieraan ontleent Pelagia noctiluca, die de Middellandsche Zee bewoont,

haar naam. Bovendien brengen vele soorten met hare netelorganen ook

op de huid van den mensch een pijnlijke ontsteking te weeg.

De Schijfkwallen zijn niet slechts de meest bekende, maar ook de

hoogst ontwikkelde leden van de geheele klasse. Het scherm, dat het

grootste deel van haar lichaam uitmaakt, heeft meestal den vorm van

een horlogeglas of van een halven bol, zelden dien van een klok. Door

aanhoudende, regelmatig opeenvolgende samentrekkingen van het scherm,

of liever van een zijn ondervlakte bedekkende laag van straals-

en kringswijs loopende spiervezels (den zoogenaamden "zwemzak"),

houden de Schijfkwallen zich bij den waterspiegel. Zoolang de nu en

dan voorkomende rustpauzen duren, zinkt het dier langzaam naar beneden,

waaruit blijkt, dat het iets zwaarder is dan het omringende water. Het

grootste deel van het scherm wordt gevormd door het geleiachtige,

met cellen doorgroeide "mesoderm", dat vezeltjes en veerkrachtige

draadnetten bevat en hierdoor betrekkelijk stevig is. De rand van het

scherm is op regelmatige wijze in 8 groepen van "lobben" verdeeld door

insnijdingen, waarin "randlichaampjes" voorkomen, die ieder een oog

en een gehoororgaan bevatten, beschut door een "ooglobje", aan welks

bovenzijde, bij den oorsprong, zich een reukgroefje bevindt. Bovendien

zijn hier (behalve bij de Rhizostomeën) holle voeldraden aanwezig, die

bij Aurelia en Chrysaora één reeks aan den rand, bij Cyanea 8 bundels

aan de ondervlakte van het scherm vormen. Aan 't middengedeelte hangt,

als de klepel van een klok, de eenigszins vierkantige "mondsteel"; bij

de 3 laatstgenoemde geslachten bevindt zich aan zijn vrije uiteinde

de mond, welks vier hoeken tot wimpelvormige "mondarmen" verlengd

zijn. Bij de Rhizostomeën echter is de opening tusschen de mondarmen

gesloten en zijn deze ieder in twee takken verdeeld; de gedeeltelijk

aaneengegroeide randen van elken tak vormen een buis, die een aantal

openingen overlaat, welke met gekroesde randlobben omgeven zijn en

voor het opzuigen van het voedsel dienen. De boven den mond gelegen

gastrale holte of "maag"--bij alle Aculephen voorzien van maagdraden,

die spijsverteringssappen afscheiden--staat buitenwaarts in gemeenschap

met 8 (of een veelvoud van 8) "maagzakken" en verder met "kanalen",

die zich straalsgewijs tot in den rand van het scherm uitstrekken

en hier dikwijls door een "ringkanaal" vereenigd zijn. Gezamenlijk

vormen al deze holten en kanalen het gastrovasculaire stelsel. De

schijfkwallen voeden zich hoofdzakelijk met kleine dieren, die zij

met de mondarmen vangen, waarbij de netelorganen goede diensten

bewijzen. De Rhizostomiden zuigen de prooi uit; de overige Kwallen

brengen haar onmiddellijk in de maag.

Bij verreweg de meeste Schijfkwallen zijn geslachtsorganen

over tweeërlei individuën verdeeld en is de ontwikkelingskring

samengesteld uit twee generatiën: Polypen, die zich door deeling

en knopvorming vermenigvuldigen, brengen de geslachtsdieren

voort. De geslachtsorganen, kenbaar aan hun teere kleur, puilen

uit in 4 ondiepe holten, die den mondsteel omgeven. Het bevruchte

ei doorloopt den gastrula-toestand, in het slijm van het ectoderm

tusschen de mondarmen en ontwikkelt zich hier tot een mondlooze,

aan de oppervlakte met trilharen begroeide larve, planula genaamd,

welke door haar plat-ovale gedaante aan een damesmedaillon herinnert

en een tijdlang vrij rondzwemt. Zij hecht zich vervolgens vast en

wordt peervormig. Tegenover het dunne, aan den bodem vastgehechte

uiteinde ontstaat een mond, die de gastrale holte opnieuw met

de buitenwereld in gemeenschap brengt, en omgeven wordt met 4

tentakels. Het nu polypvormige wezen heet Scyphistoma en vermeerdert

het aantal tentakels tot 16. Een aantal "dochter-polypen" kunnen uit

de basis van deze "moederpolyp" ontspruiten en zich, evenals deze,

door deeling vermenigvuldigen, n.l. door ringvormige insnoeringen,

die, steeds dieper wordend en naar onderen in aantal toenemend,

terwijl de Polyp zich verlengt, haar allengs het voorkomen geven van

een stapel tafelborden. Aan den scherpen rand van elk dezer deelen

ontwikkelen zich 8 korte, 3-deelige randlobben (uit het middelste deel

ontstaat een randlichaampje). In dezen toestand wordt de Polyp met een

sparrekegel vergeleken en Strobila genoemd. Door het steeds toenemen

van de diepte der insnoeringen geraken, te beginnen bij de bovenste,

die hare tentakels verliest, achtereenvolgens alle schijven los. Zij

draaien zich om en zwemmen als jonge Kwallen (zoogenaamde Ephyra's)

weg; elke randlob is vooraf uitgegroeid tot een langwerpig uitsteeksel

(met een diepe insnijding aan den top) waaronder het randlichaampje

verborgen is. Langzamerhand verkrijgt de Ephyra alle eigenschappen

van een Schijfkwal.

Het Leven der Dieren: Deel 3.8, De Stekelhuidigen, Plantdieren en Sponsen · 第 13 / 21 题