DE HYDROÏDKWALLEN (Hydromedusae).
Om niet te uitvoerig te worden bepalen wij ons tot de beschrijving van
één in de Noordzee voorkomende soort van de orde der Tubulariën. In
vastzittenden toestand is zij bekend onder den naam van Knikkende
Bloempolyp (Corymorpha nutans); hare vrij levende Kwallen-generatie
heet Steenstrupia galanthus. De polyp is niet, gelijk de meeste
van hare orde-verwanten, vertakt, maar onverdeeld; ook hecht zij
zich niet, als deze, aan waterplanten, steenen en dergelijke stevige
voorwerpen vast, maar is gedeeltelijk weggedoken in het fijne zand van
den zeebodem. Van het op deze wijze verborgen kegelvormig uiteinde
van den steel gaan in alle richtingen draadvormige aanhangsels uit,
die aan het geheele lichaam voldoenden steun verschaffen. De gastrale
holte wordt niet, gelijk bij de Anthozoën, door straalsgewijze plooien
van den wand vernauwd; zij staat van boven direct met de buitenwereld
in gemeenschap door de mondopening. Deze is omgeven door een krans
van ongeveer 80 korte tentakels; een tweede krans van ongeveer 32
langere voelers omgeeft het middelste deel van de verwijding (maag),
die onder den mond gelegen is. Vooral op den cilindrischen, overlangs
gestreepten steel vormt het ectoderm een dun, op chitine gelijkend,
uitwendig skelet (periderma). Een verkalkt periderma vindt men bij
de op diepe zeebodems levende Hydroïd-koralen (Hydrocoralliae). Een
inwendig, door het mesoderm gevormd kalkskelet, zooals bij de
Anthozoën voorkomt, hebben de Hydrozoën niet. Onmiddellijk boven
den ondersten tentakelkrans ontspruiten de geslachtsknoppen, die
zich afscheiden, nadat zij zich ontwikkeld hebben tot Kwallen,
welker cilindrisch of vierzijdig prismatisch scherm 1.5 mM. breed
is en van boven eindigt in een kegelvormige spits. Van onderen is
het scherm, op een groote centrale opening na, afgesloten door een
randzoom (velum). Aan den rand hangen 4 holle, weeke, buigzame,
gele of roode tentakels, waarvan 3 zeer klein zijn; de vierde is
goed ontwikkeld en loopt uit in een buitengewoon lang, draadvormig
aanhangsel. Iedere tentakel is aan zijn basis voorzien van een rood
of geelbruin oog. Bij andere "Kwallen met randzoom" vindt men, in
plaats van oogen, "randblaasjes" (gehoororganen). Als een klepel in
een klok, hangt in het scherm een roode of geelbruine, kegelvormige,
holle, van onderen geopende "maagsteel" in gemeenschap staande met
een daarboven in het scherm aanwezige gastrale holte; de 4 van hier
naar de tentakels loopende radiale kanalen zijn door een in den rand
gelegen ringkanaal vereenigd. Aan de binnenste oppervlakte van dit
gastrovasculaire stelsel, dat voor het bereiden en verspreiden van
voedingsvocht dient, bevinden zich bij het eene individu mannelijke,
bij het andere vrouwelijke geslachtsorganen.
In hoofdzaken stemmen alle Hydroïdkwallen en Hydroïdpolypen met
de beschrevene overeen. Deze leven in den regel niet eenzaam,
maar zijn meestal tot boom- of korstvormige "polymorphe" stokken
vereenigd. Voorbeelden hiervan zijn hoornachtige Zeecypres (Sertularia
cupressina), die zoo dikwijls op het strand ligt en voor een plant
wordt aangezien, en de Ruwe Zeerasp (Hydractinia echinata), welker
overblijfsel niet zelden als een bruine korst de uit zee aanspoelende
Wulken en andere schelpen bedekt. De Hydroïdkwallen zijn in den
regel zeer klein; zelden bereiken zij een aanzienlijke grootte,
zooals Equorea Forskalea, die de Middellandsche Zee bewoont en een
scherm van 20 à 40 cM. middellijn heeft.
De eenige Zoetwater-hydrozoën zijn de Knodspolypen (Cordylophora)
en de Zoetwaterpolypen (Hydra). Cordylophora lacustris vormt 4 à 8
cM. hooge, sierlijk vertakte boompjes, die met op wortels gelijkende
draden vastgegroeid zijn aan steenen, hout, schelpen, enz. De geheele
stok is met een dunne chitinelaag (periderma) bekleed, behalve de
knotsvormige "kopjes", waaraan een slurfvormigen mond, omgeven door
onregelmatig verdeelde, draadvormige armen. Tot in het midden van
deze eeuw kende men deze soort slechts als een bewoner van het brak
water der Europeesche en Noord-Amerikaansche kusten. Toen vertoonde
zij zich in sommige gedeelten van den benedenloop van verscheidene
rivieren, Theems, Elbe, enz.; thans is zij zoowel in de Oude- als
in de Nieuwe Wereld ver in het binnenland doorgedrongen. In Hamburg
heeft zij zich in de buizen van de waterleiding gevestigd en zich er
zoo sterk vermenigvuldigd, dat de doorstrooming van het water hier
en daar verhinderd werd.
Meer algemeen bekend zijn de Hydra's, de Zoetwaterpolypen bij
uitnemendheid. Zij hebben een lichaamslengte van 1 à 2 cM. In den
regel zal men niet tevergeefs zoeken naar een van de drie inheemsche
soorten--de Groene, de Grijze en de Gewone Armpolyp (Hydra viridis,
H. grisea en H. vulgaris)--in het stilstaand water van met planten
begroeide poelen en plassen, wanneer men eenige van hier mede
genomen planten stil laat staan in een glas met water en ze dan
met een vergrootglas onderzoekt. Zoodra de Polypen tot rust gekomen
zijn, beginnen zij zich te strekken en hare 6 à 12 voelers tot fijne
draden te verlengen (die van de Gewone Armpolyp kunnen wel 40 cM. lang
worden; bij de overige soorten zijn zij korter of niet langer dan het
lichaam). Diertjes, die met de voelers in aanraking komen, blijven er,
als verlamd, aan hangen; door het inkrimpen van de vangtoestellen wordt
de buit naar den gretig geopenden, voor sterke uitzetting geschikten
mond gebracht. Van polymorphie is geen sprake, van blijvende koloniën
evenmin. Gewoonlijk vermenigvuldigen deze diertjes zich door knoppen,
die aan den romp ontspruiten. Dikwijls blijft de dochter zoolang
met de moeder vereenigd, totdat zij zelf ook eenige dochterknoppen
vertoont. In de laatste zomermaanden of in den herfst verschijnen
(in het ectoderm) dicht bij den tentakelkrans, 1 à 5 knobbels, die
zich langzamerhand boven de oppervlakte verheffen en eindelijk door
een opening aan den top talrijke spermatozoïden laten ontwijken;
ongeveer terzelfder tijd vormen zich aan een lager gedeelte van den
romp één of twee eizakjes, die ieder een ei voortbrengen. Nog in
't zelfde jaar of in de volgende lente verlaat het jonge dier de
eischaal; het heeft aanvankelijk slechts 4 beginsels van vangarmen,
doch wordt weldra aan zijne ouders gelijk.