EERSTE ONDERKLASSE.

DE PIJPKWALLEN (Syphonophora).

Een voorbeeld van deze aan onze kust niet vertegenwoordigde diergroep,

levert de Tweezijdige Blaaskwal (Physophora disticha), die de

Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan bewoont. De centrale

as, die de "polypoïden" draagt, is buisvormig en loopt naar boven

uit in een met lucht gevulde fleschvormige blaas, die de geheele

kolonie drijvende houdt en haar een verticalen of hellenden stand

verschaft. Het geheele bovenste deel van de as wordt ingenomen door de

"zwemzuil", die uit 2 reeksen van "zwemklokken" bestaat. Deze voor de

beweging dienende polypoïden vertoonen een onmiskenbare overeenkomst

met Schijfkwallen: haar holte vult zich met water, dat vervolgens door

een plotselinge samentrekking uitgeworpen wordt. Onder de zwemzuil zet

de as zich uit tot een zak, waaraan bij den rand zeer beweeglijke, als

"tasters" aangeduide polypoïden gehecht zijn, die twee kransen vormen

en bij haar oorsprong ieder een lange "vangdraad" dragen. Verder naar

't midden vindt men de eveneens holle, maar bovendien aan 't vrije

uiteinde opene "voedings-" of "maagpolypoïden", die ieder zelfstandig

werken, het voedsel inslikken en verteren. De buit, die grootendeels

uit kleine Schaaldieren bestaat, wordt gegrepen en naar de "monden"

gevoerd, door de lange vangdraden, welker talrijke zijtakken met

knopvormige batterijen van netelcellen gewapend zijn. Het kleurlooze

voedingsvocht (bloed), dat door de maagpolypoïden bereid wordt,

komt aan alle leden van de kolonie ten goede; het wordt verspreid

door de buisvormige, centrale as. De "voortplantingspolypoïden" of

"medusoïden" zijn in de afbeelding niet voorgesteld; tot trossen

vereenigd, bevinden zij zich tusschen de tasters en de magen. De hier

als voorbeeld dienende soort heeft "éénhuizige" koloniën, die ieder

zoowel mannelijke als vrouwelijke medusoïden dragen: gene brengen

spermatozoïden, deze ieder één ei voort. De medusoïden, die zich bij

de Blaaskwal niet veel boven den rang van geslachtsorganen verheffen,

ontwikkelen zich bij andere soorten tot vrij zwemmende Kwallen. Het

duidelijkst geschiedt dit bij de Zeilkwallen (Velellidae), waar zij

lang voor de rijpheid der geslachtscellen zich afscheiden, als Kwallen

(Chrysomitra) rondzwemmen en zelfstandig voedsel opnemen.

Het valt niet te ontkennen, dat de Blaaskwal veel gelijkt op een

enkelvoudig dier. Tegen deze meening pleit echter de aanwezigheid van

verscheidene magen, die ieder een afzonderlijke mondopening hebben

en zelfstandig arbeiden. Neemt men voorts in aanmerking, dat bij

sommige soorten de medusoïden losgeraken en als zelfstandige wezens

voor de sexueele voortplanting zorgen, dan begrijpt men, waarom de

Syphonophoren door B. Leuckart polymorphe koloniën worden genoemd. De

deelen, waaruit zij samengesteld zijn, komen met deelen van een

organisme overeen, in zoo verre als zij ieder een afzonderlijken

arbeid verrichten, die voor het in stand houden van het geheel

noodzakelijk is. Met het oog hierop vormen zij in physiologischen

zin één geheel, behooren bij één leven. Toch zijn enkele van deze

organen zoo zelfstandig werkzaam, en die, welke later den vorm van

Kwallen aannemen, zoo hoog ontwikkeld, dat zij bijna op den rang

van enkelvoudige wezens, van individuën, aanspraak mogen maken. Dit

noopt ons de Pijpkwal te beschouwen als een "stok", samengesteld uit

onvolledige individuën, met verschil van vorm en van verrichting; deze

beteekenis moet men hechten aan de uitdrukking "polymorphe kolonie".

Tot de Siphonophoren behoort een van de fraaiste en merkwaardigste,

maar tevens een van de gevaarlijkste geslachten van Coelenteraten,

sedert lang aan de zeevarenden bekend onder de namen van Bezaantje,

Bij-den-wind-zeiler en Portugeesch oorlogschip (Physalia). Verscheidene

soorten van dit geslacht bewonen de warme zeeën, o.a. de Middellandsche

Zee en den Atlantischen Oceaan. Bij deze kolonie verwijdt de stam zich

van boven tot een groote blaas met een aanzienlijke luchtkamer, die

door een opening met de buitenwereld in gemeenschap staat. Onder aan

deze blaas hangen naast elkander voedingspolypoïden, tasters, waaraan

medusoïde knoppen tot ontwikkeling komen en zeer lange vangdraden.

De Bezaantjes prijken met prachtige kleuren: de luchtblaas en

haar kam zien er uit alsof zij van zilver zijn gedreven, versierd

met lichtblauw, violet en purper. Kleine verhevenheden aan de

kiel van den kam zijn helder karmijnrood; een verwonderlijk fraaie

ultramarijnblauwe kleur is eigen aan alle aanhangselen. Zelfs de ruwe

matrozen bewonderen deze prachtige schepsels, welker blaas de grootte

van een kinderhoofd kan bereiken en welker vangdraden diep in het

water hangen; hun bewondering gaat echter met een eerbiedig ontzag

gepaard. Meyen verhaalt dat bij de eerste reis om de wereld van de

"Princes Louise", een prachtige Physalia langs het schip dreef. Een

jonge, drieste matroos sprong in zee om het dier te vangen, haalde

het zwemmend in en vatte het aan. De Pijpkwal kronkelde de lange

vangdraden om haar roekeloozen tegenstander, die, door vreeselijke

pijn gekweld, vertwijfeld om hulp schreeuwde; met moeite gelukte het

hem naar het schip terug te keeren; hij moest zich aan boord laten

hijschen en leed ten gevolge van de ontsteking der huid aan zulke

hevige koortsen, dat men geruimen tijd voor zijn leven beducht was.

Het Leven der Dieren: Deel 3.8, De Stekelhuidigen, Plantdieren en Sponsen · 第 11 / 21 题