DE RIBKWALLEN (Ctenophora).
Het geleiachtig, min of meer doorzichtig lichaam van de Rib- of
Kamkwallen is verschillend van vorm; het gelijkt op een bol bij
Cydippe, op een Perzische muts bij Beroe, op een lint bij Cestus,
enz. Het is tweestralig en niet bilateraal symmetrisch, daar het op
twee wijze door een vlak, dat de lichaamsas bevat, in twee gelijke
helften kan worden verdeeld. De beide bedoelde vlakken snijden elkander
rechthoekig volgens de as. In dit geval kan dus evenmin van rugzijde en
buikzijde sprake zijn als bij een regelmatige vaas met twee ooren. Aan
de lichaamsas onderscheidt men de mond- en de tegenmondpool (orale
en aborale pool). Deze dieren zwemmen in de open zee, maar worden
niet zelden door wind of stroom naar de kust gedreven: bij de onze
vertoont zich niet zelden de 13 mM. lange Kogelronde Cydippe [Cydippe
(Pleurobrachia) pileus], nu en dan ook de 16 mM. lange Kleine Eivormige
Beroë (Beroë roseola). Gewoonlijk nemen zij in 't water een nagenoeg
vertikalen stand aan met naar beneden gerichte mondopening. Door deze
komt het voedsel in een afgeplat buisvormigen (bij de Beroïden sterk
verwijden) zoogenaamden "maagzak" (door instulping van het ectoderm
gevormd en dus niet voor de spijsvertering bestemd). De meer of
minder wijde (door het entoderm begrensde) gastrovasculaire ruimte,
die den "maagzak" omgeeft en waarmede zijn achterste uiteinde, dat
door spieren gesloten kan worden, in gemeenschap staat, wordt wegens
haar vorm trechter genoemd en strekt zich uit tot in de nabijheid van
de aborale pool. Twee hier aanwezige, kleine openingen stellen het
dier in staat tot het opnemen van water in of tot het verwijderen
van vocht uit den trechter. De inhoud van deze holte bestaat
grootendeels uit water, dat echter gemengd is met bloed en deeltjes
spijsbrij. Door trilharen wordt dit vocht in beweging gehouden in den
trechter en het van hier uitgaande gastrovasculaire kanalenstelsel,
welks hoofdstammen dicht onder de oppervlakte langs loopen, daar
waar zich van buiten de zoogenaamde ribben bevinden. Meestal zijn
(soms 4 korte en 4 lange) ribben aanwezig; zij reiken van de eene
pool tot de andere of nemen een deel van deze meridianen in. Elke
rib wordt gevormd door een reeks van kammen of zwemplaatjes: korte
dwarsreeksen van lange trilharen, die aan den oorsprong met elkander
vergroeid zijn. Gewoonlijk trillen deze zwemplaatjes in geregelde
volgorde heen en weer, waardoor een golvende beweging van de geheele
reeks ontstaat. Het dier kan naar verkiezing sommige ribben of alle
te gelijk laten werken, in 't laatstgenoemde geval verplaatst het zich
langzaam in de richting van de trechterpool. Draaiingen en afwijkingen
van de oorspronkelijk gevolgde richting komen dikwijls voor; zij
geschieden vlug, zonder merkbare inspanning en op sierlijke wijze
onder medewerking van de overige lichaamsaanhangsels: mondlobben,
oortjes (tongvormige lobjes aan de lichaamsoppervlakte) en vangarmen
(gewoonlijk 2, meestal dicht bij de trechterpool aan weerszijden
van het lichaam geplaatst, dikwijls zeer lang, met fijne draden en
talrijke, tot knopjes vereenigde kleefcellen bezet, te voorschijn
komend uit scheeden, waarin zij teruggetrokken kunnen worden). Bij
de afgebeelde soort komen alleen de laatstgenoemde aanhangsels voor.
De Ribkwallen hebben, evenals vele andere pelagische (in de open zee
levende) dieren, de gewoonte om 's nachts in de bovenste waterlaag
te zwemmen en zich over dag in de diepte te verbergen; zij voeden
zich met allerlei diertjes, vooral met kleine Crustaceën, die zij
met de armen vangen. De Beroïden echter zijn vraatzuchtige roovers
en verzwelgen dikwijls dieren, die hen in grootte evenaren, hiertoe
in staat gesteld door een zeer grooten bek en wijden maagzak; hun
in dwarse richting ovaal lichaam mist de vangarmen en kenmerkt zich
door de fijne zijtakken, die, van de 8 meridiaansgewijs verloopende
hoofdkanalen uitgaande, in het geleiachtige weefsel mazen vormen,
waardoor het (meestal teer rozerood gekleurde) lichaam als 't
ware gemarmerd is. De grootste soort is Beroë Forskalii, die in de
Middellandsche Zee groote scholen vormt en 20 cM. lang wordt.
De prachtigste Ribkwal is de 1.5 M. lange, 8 cM. hooge Venusgordel
(Cestum Veneris), die de Middellandsche Zee, den Atlantischen
en den Grooten Oceaan bewoont. De schoonheid van zijn sierlijk,
doorzichtig, het zonlicht in alle kleuren weerkaatsend lichaam wordt
nog verhoogd door zijne vlugge, elegante bewegingen, waarbij het
allerlei gracieuse krommingen vertoont. Evenals al zijne verwanten
is de Venusgordel phosphoresceerend; de zetel van dit tot na den
dood voortdurend vermogen is de wand der meridiaansgewijs loopende
kanalen. Het lichten der zee wordt dikwijls voor een groot deel door
leden dezer klasse veroorzaakt. De Ribkwallen zijn tweeslachtig; de
jongen ondergaan een meer of minder samengestelde gedaantewisseling
en verschijnen in den herfst als volwassen dieren aan de oppervlakte.
In de huishouding der natuur speelt deze ongeveer 50 soorten omvattende
klasse een ondergeschikte rol. Hare leden bekoren het oog van den
mensch, leven van roof en vallen zelf ten buit aan Schermkwallen
en Zee-anemonen.