VIJFDE KLASSE.

DE ZEELELIËN (Crinoidea).

De Zeeleliën behooren tot de oudste van alle bekende levende

wezens. Duidelijke bewijzen van het bestaan dezer klasse vindt men

reeds in de oudste Silurische gesteenten (in die van de Cambrische

formatie). Hare vertegenwoordigers waren in de primaire en de

secundaire periode zoo talrijk, dat zij belangrijke bijdragen hebben

geleverd tot de destijds gevormde aardlagen. De Crinoideënkalk bestaat

grootendeels uit steel-leden van Zeeleliën.

Voor 25 jaren waren slechts weinige soorten van levende Crinoideën

bekend; haar aantal is vooral door het onderzoeken van diepe zeebodems,

waarmede verscheidene wetenschappelijke expedities zich in de laatste

jaren hebben bezig gehouden, tot ongeveer 500 geklommen. Toch is

het gering in verhouding tot dat der fossiele vormen, waarvan men

er ongeveer 1800 onderscheiden heeft. De Buidelsterren (Lystidea),

Pantserzeeleliën (Palaeocrinoïdea) en Knopsterren (Blastoïdea)

waren reeds kort na de steenkolenperiode uitgestorven. Alleen van

de orde der Gelede Zeeleliën Neocrinoïdea zijn, nevens fossiele, nog

hedendaagsche vertegenwoordigers bekend. Zij behooren tot 5 familiën,

waarvan men 4 kan samenvatten onder den naam van Echte Zeeleliën,

daar zij levenslang (meestal door tusschenkomst van een langen,

verkalkten, uit talrijke leden samengestelden, buigzamen steel) aan den

zeebodem blijven. De reeds in 1755 door Guetterd onder den naam van

"Palmier marin" beschreven soort, leeft bij de Antillen op diepten

van 80 à 320 vademen. De Zeeleliën hebben een kelkvormig lichaam,

dat betrekkelijk zeer klein is in verhouding tot de 5 meestal zeer

lange en zeer dunne, gelede armen, die van den rand der bovenvlakte

(of schijf) uitstralen. De armen zijn niet zelden eenmaal of meermalen

gaffelsgewijs vertakt en zeer dikwijls, afwisselend rechts en links,

met eveneens vertakte ranken (pinnulae) bezet. De schijf stelt de

buikzijde van het dier voor, daar zij den mond bevat, die er meestal

het middelpunt van inneemt; zij bestaat soms uit een gedeeltelijk

zachte, soms uit een dicht met beweeglijke kalkplaatjes bezette

huid. Van den mond stralen 5 ambulacraalgroeven uit, die zich op de

armen en hunne ranken voortzetten. Aan weerszijden van deze groeven

bevinden zich huidlobjes en kleine tentakels, die door hun bouw

aan de ambulacraalpootjes der overige Stekelhuidigen herinneren. De

trilharen in de groeven zijn bestemd om door haar beweging de tot

voedsel dienende kleine diertjes naar den mond te voeren. Op het

midden van de uit kalkplaatjes samengestelde onderzijde (rugzijde)

van de kelk is de steel bevestigd. De aarsopening bevindt zich op

korten afstand van den mond aan de buikzijde in de ruimte tusschen

2 ambulacraalgroeven.

Van het geslacht Pentacrinus zijn thans een tiental soorten bekend,

die op vele plaatsen in den Atlantischen en den Stillen Oceaan op

diepten van 80 à 1300 vademen leven en dus niet meer zoo zeldzaam zijn

als in het jaar 1876, toen voor een exemplaar van het Medusahoofd f

132 betaald werd.

Van de meeste familiën van Zeeleliën, waarvan nog vertegenwoordigers

leven, is de bloeitijd sinds lang voorbij; slechts één onderscheidt

zich ook thans nog door een grooten rijkdom van vormen, n.l. de familie

der Haarsterren (Comatulidae). Alleen door de Challenger-expeditie

(21 Dec. 1872 tot 24 Mei 1876) werden niet minder dan 111 soorten

van Haarsterren uit nagenoeg alle zeeën verzameld; de meeste leven

op diepten van 30 à 200 vademen, sommigen werden echter van 1000

à 2900 vademen diepte opgehaald. Deze dieren hebben zich als 't

ware gemoderniseerd. Hun lichaamsbouw stemt nagenoeg geheel met

dien van Pentacrimus overeen; ter plaatse waar bij dezen de steel

is vastgehecht, heeft de Haarster een knop, omgeven door een krans

van fijne ranken, die ieder in een verkalkte klauw eindigen. Bij 't

nagaan van de levenswijze van het dier blijkt, dat de klauwdragende

ranken de rol spelen van pooten en hechtorganen. Slechts zelden maakt

het echter gebruik van zijn geschiktheid tot zwemmen of klimmen,

nadat het eens een gemakkelijke plaats heeft gevonden, waar het met

zijwaarts of bovenwaarts gerichte mondvlakte en flauw gekromde armen

zijn voedsel afwacht.

Iedere Comatula doorloopt een ontwikkelingsstadium, overeenkomend met

den toestand, waarin Pentacrinus levenslang verkeert; hieruit blijkt,

dat zij afstamt van vormen, die nooit los geraken; voordat zij zich

afscheidt van haar steel om voortaan een vrij leven te leiden,

ontspruiten aan haar rug de met een klauw uitgeruste ranken. De

meest gewone soort is Comatula (Antedon) rosacea, die gemiddeld 15

cM. middellijn heeft. Men vindt haar in de Middellandsche Zee en aan

de Atlantische kusten van Europa zeer veelvuldig op polypenstokken.

DE PLANTDIEREN (Coelenterata).

Slechts weinige uitverkorenen hebben zich kunnen verlustigen aan de

liefelijke pracht van de eilanden der Groote Zuidzee, die door de

levenswerkzaamheid der Koraaldieren in ontzaglijke tijdruimten zijn

opgebouwd of vervormd, en welker stille lagunen een onvergetelijken

indruk wekken door den overvloed en de schitterende kleuren van hare

bewoners. Zulke heerlijke tafereelen verschaffen de Bloemdieren in de

Europeesche zeeën niet, hoewel ons ook hier door sommige van hunne

verwanten een verrukkelijk schouwspel wordt bereid. Op kunstwerken

van lichtpaars, rooskleurig of geelachtig glas gelijken de scherm-

of klokvormige Kwallen, die met guirlandes en lange franje getooid,

bij stil weer om de langzaam voortdrijvende boot zweven, waarbij zij

beurtelings haar schijf uitzetten en samentrekken om in de nabijheid

van den waterspiegel te blijven. Menigeen heeft op een zeebadplaats

van een nadere kennismaking met deze Sirenen een minder aangename

herinnering behouden. Met hare netelorganen, die een brandende

gewaarwording veroorzaken, beantwoorden zij de belangstelling van

ieder, die, door de prachtige kleuren dezer levende juweelen verlokt,

het waagde ze aan te raken. Velen, die niet in de gelegenheid waren om

in de zee het fraaie schouwspel te genieten, dat de Plantdieren kunnen

opleveren, hebben dit natuurtafereel op kleinere schaal nagebootst

gezien in een aquarium. Een der schoonste sieraden voor deze kooien

met zeebewoners, welker verzorging zooveel moeite vereischt, zijn de

Actiniën of Zee-anemonen. Evenals de houwmeesters der koraalriffen

behooren zij tot de Polypen. Deze vormen met de Kwallen de groep

der Neteldieren (Cnidaria), die met de Ribkwallen (Ctenophora) en de

Sponzen (Spongiae) de hoofdafdeeling der Coelenteraten uitmaken.

Hunne zeer eenvoudige organen, die, evenals bij alle overige Metazoën,

opgebouwd zijn uit talrijke cellen, welker verschillende aard in

verband staat met het door haar verrichte deel van den levensarbeid,

vertoonen een geheel andere wijze van rangschikking. De Coelenteraten

zijn echte Straaldieren en niet, zooals de Stekelhuidigen, aanvankelijk

en ook later bilateraal symmetrisch. Bij deze bedraagt het aantal der

(op lateren leeftijd optredende) stralen in den regel 5, bij gene

daarentegen 2, 4 of 6 of een veelvoud van 4 of 6, en vertoonen zij

zich onmiddellijk nadat de moerbeivormige opeenhooping van cellen,

welke door dooierklieving ontstond, door indeuking aan den top een

bekervormige darmlarve of gastrula geworden is. Alleen de Sponzen

verheffen zich weinig boven den laatstgenoemden oertoestand. Ook

bij vele andere Plantdieren is echter, evenals bij de gastrulen, de

lichaamswand uit slechts twee lagen--een buitenste (het ectoderm) en

een binnenste (het entoderm) samengesteld; het bij alle hoogere dieren

optredende mesoderm (middelste laag) ontbreekt, of staat, zoo het

aanwezig is, tot de beide andere lagen in zeer nauwe betrekking. De

huid, die bij de leden der vorige afdeeling lederachtig verdikt

is en skeletdeelen vormt, wordt hier slechts bij uitzondering aan

leder gelijk. Bij vele Coelenteraten (b.v. bij de Ribkwallen en de

Echte Kwallen) ontwikkelen zich in 't geheel geen harde deelen; deze

vertoonen zich bij de meeste Polypen en Sponzen aan de oppervlakte van

het ectoderm of in het mesoderm als uitscheidingen van het chitine,

koolzure kalk of kiezelzuur.

Aan hun belangrijkste kenmerk danken de Coelenteraten dezen naam,

die "Darmholte-dieren" beteekent. De lichaamswand omsluit bij

hen slechts één holte, die zoowel voor het verteren van de spijs,

als voor de verspreiding van voedsel en zuurstof door het geheele

lichaam dient; de eindproducten van de stofwisseling (bij de hoogst

ontwikkelde Plantdieren ook de voortbrengselen der geslachtsorganen)

worden door één zoowel voor mond als voor aars bestemde opening

verwijderd. Bloedvaten en uitscheidingsorganen ontbreken.

Het opperhuid (soms ook het entoderm) van de Neteldieren bevat

netelcellen, cellen van verschillende grootte, doch steeds

microscopisch klein, welker tamelijk stevige wand een doorschijnend

blaasje omsluit, dat een spiraalswijs gewonden, draadvormig buisje

bevat; deze draad is meer dan 20-maal zoo lang als het blaasje, loopt

aan 't vrije einde spits uit en is tot dicht bij deze plaats met een

of 2 spiraalvormige reeksen van fijne weerhaakjes voorzien. Iedere

aanraking of andere wijze van prikkeling van de netelcel veroorzaakt

het plotseling naar buiten schieten en gelijktijdig omstulpen van den

draad en geeft dus aanleiding tot verwonding van den aanraker. Naar

het schijnt, is de draad met een vergiftige stof gevuld, die na het

omstulpen haar oppervlakte bedekt en met de scherpe punt van den draad

in de wonde doordringend, op de huid van den mensch een soortgelijke

werking teweeg brengt als de brandharen der brandnetels. Zeer dikwijls

zijn de netelcellen tot groepen vereenigd, die men netelknoppen

of netelbatterijen noemt. Elke netelcel wordt, nadat zij slechts

éénmaal dienst gedaan heeft, vervangen door een andere, die zich er

onder bevindt.

De Gewone Roode Zeeanemone (Actinia mesembryanthemum) van de Noordzee,

die men b.v. onder steenen aan den voet van den zeedijk bij laag

water aantreft, heeft in een vangarm van gemiddelde grootte meer dan

4 millioen rijpe netelcellen; in hare gezamenlijke vangarmen minstens

500 millioen. Een vangarm van de prachtige, fluweelglanzig groene

Anthea cereus bevat meer dan 43 millioen netelcellen; een exemplaar

met 150 tentakels heeft dus 6450 millioen wapens in voorraad.

Tot dusver heeft men slechts bij één soort van Ribkwallen (en bij

deze in geringen getale) netelcellen gevonden; bij de overige leden

dezer klasse zijn zij vervangen door "grijpcellen", halfbolvormige

uitsteekseltjes van de vangdraden, die een veerkrachtige, spiraalswijs

opgerolde draad, doch geen gif bevatten.

Het Leven der Dieren: Deel 3.8, De Stekelhuidigen, Plantdieren en Sponsen · 第 8 / 21 题