VIERDE KLASSE.

DE SLANGSTERREN (Ophiuroidea).

Ook bij deze dieren is het lichaam uit een schijf en armen

samengesteld. De buitengewoon slanke en lenige armen vertoonen

zich niet als onmiddellijke voortzettingen van de schijf, maar als

aanhangsels van haar onderzijde, die er als 't ware ingevoegd of

aangezet zijn. De schijf heeft in 't midden van de buikzijde een

stervormige mondopening, welker stralen zich tot aan den oorsprong

der armen, maar niet in den vorm van groeven hierover uitstrekken. De

armen zijn bekleed met reeksen van naar achteren gerichte schubben,

die elkander dakpansgewijs bedekken. De zeer eenvoudig ingerichte

ambulacraalpootjes hebben aan 't einde geen hechtschijfje en worden

aan weerszijden van de onparige reeks van buikschubben, tusschen deze

en de meestal stekeldragende zijschubben uitgestoken. De aarsopening

ontbreekt; de madreporenplaat ligt aan de buikzijde van de schijf

bij de mondopening, in welker omgeving men ook 10 (zelden 20) voor

de ademhaling dienende spleetvormige openingen aantreft.

Van de klasse der Slangsterren zijn niet minder dan 700 levende,

daarentegen slechts een 50-tal fossiele soorten bekend; zij is

dus rijker aan hedendaagsche vormen dan alle overige klassen van

Stekelhuidigen. Het talrijkst zijn zij op rotsachtige kusten met

weligen plantengroei; het is echter niet gemakkelijk ze hier te

vinden daar zij sluw en vreesachtig zijn en zich zeer behendig door

rotsspleten, tusschen takken van polypenstokken, kokers van Wormen en

wortels, kortom langs de minst gebaande paden weten te bewegen. Hierbij

vervullen de ambulacraalpootjes een ondergeschikte rol; de armen

daarentegen kronkelen zich als slingerstaarten om allerlei dikke en

dunne voorwerpen. Allerlei lagere dieren, vooral Polypen, worden als

voedsel gebruikt; de mondhoeken doen als kaken dienst.

Verreweg de meeste soorten (650) behooren tot de orde der Echte

Slangsterren (Ophiurae), die zich kenmerkt door enkelvoudige

(onvertakte) armen en in alle zeeën, op alle diepten vertegenwoordigd

is, door een drietal soorten, ook bij de kusten van Nederland. Bij

de meeste Medusasterren (Euryalae) daarentegen vertakken de armen

zich hetzij aan hun einde of reeds dicht bij hun oorsprong en

hebben tevens het vermogen om zich naar de mondzijde op te rollen;

vermoedelijk dienen zij niet slechts als bewegings- en grijporganen,

maar brengen ook den buit naar den mond. Zonder uitzondering bewonen

zij groote diepten.

Het Leven der Dieren: Deel 3.8, De Stekelhuidigen, Plantdieren en Sponsen · 第 7 / 21 题