DE ZEESTERREN (Asteroidea).
De eenige Zeester, die geregeld aan onze kust voorkomt, is de Gewone
Vijfhoek (Astheracanthion rubens). Zij wordt op eene diepte van 0 à 50
vademen langs alle kusten van 't noordelijke deel van den Atlantischen
Oceaan gevonden. De beschouwing van dit dier is voldoende voor het
leeren kennen van de belangrijkste eigenaardigheden der klasse. Het
heeft de rugzijde roodachtig, soms min of meer paars, hooggeel,
bruin of zelfs zwartachtig; de buikzijde (kenbaar aan den in 't
midden aanwezigen mond) is geelachtig wit. Van 't middelstuk van 't
lichaam, de schijf, gaan straalsgewijs 5 driehoekige armen uit. Deze
nemen met haar basis den geheelen rand der schijf in beslag; de breede
interbrachiale ruimten, die aan den rand van de schijf der Slangsterren
overblijven, zijn bij de Zeesterren tot punten beperkt. Vóór een
van deze hoekpunten ziet men aan de bovenzijde van de schijf de
madreporenplaat: een wit, weinig uitpuilend knopje, dat met fijne,
straalsgewijs gerichte golflijnen versierd is. Dit hoekpunt is het
achtereind, de top van den tegenoverliggenden arm het vooreind van het
dier. Het verticale vlak, dat beide vereenigt, verdeelt het lichaam
in twee symmetrische helften. De oppervlakte is ruw door de nagenoeg
overal voorkomende, korte, verkalkte, kegelvormige stekels. Talrijk
zijn ook de kieuwtepeltjes: weeke, samentrekbare, holle, kegelvormige
knobbeltjes, die met de lichaamsholte in gemeenschap staan en,
evenals deze, vocht bevatten, dat door trilharen in beweging wordt
gehouden. Bij het gedroogde dier zijn deze tepeltjes verdwenen en door
fijne gaatjes vervangen. Aan de buikzijde ziet men 5 diepe en breede
ambulacraal-groeven, die zich van den mond tot aan den top der armen
uitstrekken; haar wand wordt gesteund door een soort van dak, gevormd
door twee overlangsche reeksen van kalkplaatjes, met tusschenruimten
voor het doorlaten van de ambulacraalpootjes, die in iedere groeve op
4 overlangsche reeksen geplaatst zijn. Aan weerszijden van de groeve
komen 2 of 3 reeksen van spitse stekels voor. Op het plaatje dat bij
den top van den arm de groeve afsluit, bevinden zich zintuigelijke
organen: een helderrood oog en een taster. In de omgeving van den mond
en aan de randen der ambulacraal-groeven komen weeke steeltjes voor,
die pedicellariën dragen met al of niet gekruiste wangen. De kalkplaten
van het huidskelet der Zeesterren zijn steeds beweegbaar verbonden
door zachtere deelen van de huid. De mondopening is vijfhoekig, doch
niet met een kauwtoestel gewapend; de slokdarm en een deel van de
maag kunnen naar buiten gestulpt worden en vormen dan een tamelijk
lange slurf. Op de maag, van welke 5 paar blindzakken in de armen
overgaan, volgt een korten, dunnen darm, die, even onder het midden
van de bovenzijde, in een zeer kleine aarsopening eindigt.
Het aantal bekende soorten van deze klasse bedraagt niet veel meer dan
500; toch behooren de Zeesterren tot de meest bekende kustdieren, omdat
van eenige soorten het aantal individuën verbazend groot is. Bovendien
trekken zij door haar eigenaardige gedaante spoedig de aandacht van
ieder, die slechts zelden de zeekust bezoekt. De visschers geven acht
op deze voor hen volkomen onbruikbare dieren, omdat zij ze hebben
leeren kennen als gevaarlijke vijanden van hun bedrijf, die de netten
plunderen, het aas van de vischlijnen afzuigen, allerlei voor ons
belangrijke Weekdieren verslinden en de oesterbanken met vernietiging
bedreigen. Naar het schijnt, weten zij door het uitwerpen van een
verdoovend vocht de spieren van het Weekdier buiten werking te stellen,
zoodat dit geen weerstand kan bieden aan de omarming van zijn vijand,
die de slurf in de nu geopende woning steekt en deze ledigt.
Een zeer merkwaardige groep van Zeesterren vormen de Brisingiden,
die door de kleinheid van de ronde schijf, welke duidelijk gescheiden
is van de meestal zeer talrijke, rolronde, spits eindigende armen,
op Slangsterren gelijken. Aan de onderzijde van iederen arm bevinden
zich twee reeksen van ambulacraalvoetjes in een groeve, die zich echter
niet tot aan den mond uitstrekt. De ontdekker van deze diergroep is
de Noordsche natuuronderzoeker en dichter Peter Kirsten Asbjörnson,
die van een diepte van 350 M. uit het wegens zijn natuurschoon
beroemde Hardanger-fjord een elfarmige soort (Brisinga endecacnemos)
opvischte. Dit prachtig roode dier heeft zeer buigzame armen van
30 cM., terwijl de middellijn van de schijf 2.8 cM. bedraagt. Men
kent thans een geheele reeks van soorten van deze en eenige verwante
geslachten; alle bewonen groote diepten en onderscheiden zich van de
overige Stekelhuidigen ook hierdoor, dat zij een verwonderlijk fraai
licht verbreiden.