't Is in den morgen van Donderdag 21 Februari 1907, 's morgens om
vijf uur. Geen schemering kondigt nog den naderenden dag aan. Er
woedt een hevige orkaan uit het noordwesten, die de huizenhooge
golven der zee landwaarts jaagt. Met donderend geraas beuken zij de
pieren aan den Hoek van Holland, waar zij vruchteloos trachten de
zware bazaltsteenen uit hunne voegen te rukken. Het havenlicht, een
baken voor de zeelieden, beschijnt het kokende en bruisende element,
dat zich tegen de glooiïng te pletter loopt en zich in dolle woede
met zware gulpen over de pieren stort. 't Is of alle booze geesten
samenspannen, om schrik en ontsteltenis onder de menschenkinderen
te verspreiden. Hoor het loeien van den storm en het angstwekkend
gebruis van de branding, zie, hoe de zee woelt en kookt, en merk op,
hoe de sneeuwjacht u in het gelaat striemt en u de pijnlijke oogen
doet sluiten. 't Is koud, bitter koud.
Ginds, ver in zee, wordt een licht zichtbaar. 't Moet van een
groot stoomschip zijn, want het houdt koers naar de kust, midden
voor den waterweg. Een klein schip zou het niet wagen, thans in dit
noodweer binnen te komen. Immers, het zou als een notedop opgenomen en
tegen de zware steenen te pletter geslagen worden! 't Schip nadert,
ongetwijfeld bestuurd door bekwame handen. 't Bereikt den ingang
tusschen de beschermende pieren.
Opeens, o hemel,--'t zwenkt, 't verandert van koers! Dreigt er gevaar,
zelfs voor de reuzen onder de schepen? Schrikt het bij deze woeste zee
terug voor den nauwen doortocht tusschen de beide pieren, die slechts
350 Meter van elkander liggen, en wil het weer terugkeeren naar de
open zee, waar immers groote schepen bijna volkomen veilig zijn?
Zie, het drijft noordwaarts af en nadert het lichttorentje tot
op korten afstand,--en nu--neen, die beweging kan niet vrijwillig
zijn,--nu wordt het door een hooge golf opgenomen en op den bazaltmuur
van de pier gekwakt.....
't Schip is gestrand in de onmiddellijke nabijheid van de kust. Nog
enkele minuten, en 't ware in veiligheid geweest. De trein aan den
Hoek van Holland stond reeds gereed om de passagiers op te nemen en
in ijlende vaart naar de plaatsen hunner bestemming te voeren.
't Heeft niet zoo mogen zijn.
't Prachtige vaartuig, de trotsche Harwich-boot "Berlin", niet minder
dan 302 Engelsche voeten lang, 36 breed en 16 diep, is een prooi
geworden van het woedende element. De orkaan blijft voortwoeden
en werpt de vernielende golven op het schip, dat kraakt en knerpt
en langzaam maar zeker uit zijn verband wordt gerukt en vaneen
scheurt. Niet minder dan 160 menschen verkeeren in doodsgevaar. De
vreeselijke schok heeft hen uit den slaap gewekt. Half gekleed
ontvluchten zij hunne hutten en ijlen naar het dek. Radeloos van angst
wringen zij de handen en hun noodgeschrei stijgt ten hemel. Nog is
het donker, nog loeit de storm en jaagt hun de natte sneeuw in het
gelaat, nog woelt en kookt de zee, die hare golven over het dek werpt
en menig en schipbreukeling wegspoelt en meesleurt in de diepte.
De kapitein Precious bevindt zich op de brug, de loods Bronder, die
reeds zoo menig schip behouden binnenbracht, staat naast hem. Een
groote golf nadert, bonst tegen het schip en gulpt over het dek. Als
het water weggestroomd is, is de brug ledig. En de kapitein, èn de
loods zijn verdwenen.
't Schip kreunt onder den woesten aanval. Een onheilspellend gekraak
doemt van uit de diepte op; 't schip splijt steeds verder vaneen.
Jammerend, in radeloozen angst, ijlen de schipbreukelingen
dooreen. Krampachtig grijpen zij zich aan elkander vast, om niet van
het dek te worden gespoeld. Zij trachten zwemgordels te bemachtigen,
en binden zich die om het lichaam.
Er worden vuurpijlen afgeschoten, om te verkondigen, dat er een
schip in nood is. De noodkreten der ongelukkigen vermengen zich met
het loeien van den storm. De koude doet zich snerpend gevoelen en de
sneeuw- en hageljachten geeselen de half-gekleede ongelukkigen.
De bleeke zon beschijnt, als zij boven de kim verrijst, een waar
jammertooneel.
Maar Goddank,--aan de kust heeft men gezien, wat er gebeurd is,
en ginds nadert de hulp!
Ja, aan de kust had men de stranding gezien, maar men stond
machteloos. De zee was te woest. Toch waagde men een poging.
De stoomreddingboot "de President van Heel" nadert onder bevel van
den wakkeren kapitein Jansen het noodlijdende schip tot op korten
afstand. Zij zien, hoe het soms bijna onzichtbaar wordt van de zeeën,
die zich over het dek storten, en zij begrijpen, dat de grootste
voorzichtigheid in acht moet worden genomen, willen zij niet zelf
tegen de "Berlin" te pletter slaan.
't Bleek een onmogelijkheid, het schip te naderen. Daarom werd
besloten het anker te laten vallen en te trachten lijnen naar het
schip te schieten, ten einde zoo verbinding te krijgen.
Daar vliegt de eerste lijn,--maar treft geen doel. De tweede volgt,
alweer zonder succes, tot eindelijk de derde dwars over de "Berlin"
wordt geschoten. De verbinding is tot stand gekomen....
Maar op 't zelfde oogenblik nadert een vreeselijke zee, die "de
President van Heel" met onweerstaanbare kracht opneemt en achteruit
werpt. De zware ankertros is tegen die reuzenkracht niet bestand en
knapt af als een draadje, en de verbinding met het gestrande schip,
met zooveel moeite en gevaren tot stand gebracht, is weer verbroken. De
woedende zee verdedigt haar prooi, die haar dreigde te ontglippen!
De reddingboot is gedwongen naar de kust terug te keeren om een
nieuwen ankertros en schietlijnen te halen. En nog was zij niet
vandaar teruggekeerd, toen er iets ontzettends gebeurde.
De "Berlin" scheurde dwars doormidden en het voorschip, waarop
zich wel honderd menschen bevonden, zonk snel weg in de diepte. Een
ijselijke kreet ging op van het wrak, maar ook aan de kust heerschte
de diepste ontsteltenis.
Honderd menschen worstelden met den dood. Hunne lichamen werden door
de huizenhooge golven op- en neergeworpen, tegen wrakhout gesleurd,
langs de bazaltsteenen van de pieren geslingerd,--tot zij verminkt,
met gebroken ledematen aan wal spoelden.
IJlings spoedde zich de reddingboot naar de plaats des onheils,--maar
kon geen hulp bieden. Alleen lijken werden in ijlende vaart langs
hunne boorden gesleurd!
Doch hoor,--was dat geen menschelijke stem? Klonk daar geen noodkreet
boven het loeien van den storm uit?
Waarlijk, ginds, aan dat wrakhout, klemt zich een mensch vast. Voort,
voort, te hulp! Weldra heeft men hem bereikt, men pikt hem op,--is hij
dood? Of slechts bewusteloos? Neen, hij leeft! Behouden brengt men hem
aan land, waar honderd armen worden uitgestoken en een liefderijke
verpleging hem wacht. De geredde is Patrick Parkinson, een kapitein
die zijn schip "de Myrmidon" uit Amsterdam moest halen om het naar
Engeland te brengen.
Weldra spoelden de lijken aan strand, de meeste zwaar gewond. Dokter
Diamant en eenige anderen deden al het mogelijke, om de levensgeesten
weer op te wekken, maar hunne pogingen waren vergeefsch. De lijken
werden in de groote loods van de Holland-Amerika-lijn ondergebracht,
waar zij, in witte katoen gespeld, op britsen werden neergelegd. Ook
dat van een lief jongetje van een jaar of vijf.
Het achterschip zat intusschen nog op de pier vast, slechts een
twintig Meter van het lichttorentje verwijderd. Zouden zich ook daar
nog menschen op bevinden?
De bange Donderdag ging langzaam voorbij onder sneeuwjacht, hagelslag
en stormgeloei. De zee kookte en woelde zonder ophouden voort en maakte
het onmogelijk het wrak te naderen. De "President van Heel" had den
geheelen dag om het wrak gezworven, zonder het te kunnen bereiken.
Zoo kwam de nacht. Enkele schepen waren binnengekomen en hadden
bericht, dat zij nog menschen op het wrak hadden gezien. Zouden
dezen de zon nog weer zien opkomen? Zouden zij niet weggesleurd
worden door de zeeën, die over het wrak spoelden, of omkomen van
koude en ellende? Immers, de aangespoelde lijken waren slechts half
of bijna geheel niet gekleed, wel een bewijs, dat de schipbreuk de
opvarenden in den slaap had overvallen. Men kon dus aannemen, dat ook
de achtergeblevenen slechts zeer onvoldoende gekleed en derhalve niet
tegen de felle koude bestand zouden zijn.
's Avonds om elf uur voer de reddingboot nog eenmaal uit, om nogmaals
te trachten het wrak te bereiken. Maar onverrichterzake moest zij na
middernacht terugkeeren.
't Werd Vrijdag. Al vroeg brachten de treinen honderden menschen
aan, die weldra tot duizenden groeiden, om de plaats des onheils
in oogenschouw te nemen. 't Zag aan het strand al spoedig zwart van
de menschen.
Maar redding kon niemand brengen. De reddingboot was den geheelen nacht
in de weer geweest, en ook 's morgens vroeg al weer uitgevaren, doch
de zee was nog hol. 't Was nog onmogelijk, het wrak te bereiken. Wel
woedde de storm zoo fel niet meer als den vorigen dag, maar toch was
het nog noodweer.
Opeens verbreidde zich het gerucht onder de menigte:
"De Prins is gekomen! Prins Hendrik is hier!"
't Was zoo. Prins Hendrik der Nederlanden had aan de stem van zijn
hart geen weerstand kunnen bieden en was in gezelschap van zijn
adjudant per auto naar den Hoek van Holland gesneld.
Dadelijk bezocht hij den geredden kapitein Parkinson, die zich vrij
wel bevond, om hem geluk te wenschen met zijn redding. En toen spoedde
hij zich naar de haven, om zich onmiddellijk aan boord te begeven
van den stoom-loodsboot de "Hellevoetsluis". Deze stond onder bevel
van kapitein Berkhout. Met spanning werd het geschiktste oogenblik
afgewacht, om nogmaals een poging tot redding te doen.
Om 1 uur ging men van wal. Voorop voer de reddingboot de "President
van Heel", daarachter volgde de "Hellevoetsluis" met den Prins aan
boord, en dan nog enkele sleepbooten. Hoe meer men de open zee naderde,
hoe woester het water werd. Onverschrokken stond de Prins op het dek,
het oog gericht op het wrak, dat nog kostbare menschenlevens bevatte,
die gered moesten worden. O, welk een diepe eerbied maakte zich
van onze zeerobben meester voor den dapperen Prins der Nederlanden,
die metterdaad toonde, dat hij zijn leven in de waagschaal durfde
stellen om dat van zijn evenmensch te redden.
En waar de Prins zijn leven durfde geven, daar zouden onze zeelieden
niet achterblijven. Zijn moed deed de geestdrift der eenvoudige mannen
oplaaien, en zoo er gered kòn worden, zou dit thans ook gebeuren.
De reddingboot had een sloep op sleeptouw, die vier jonge mannen
bevatte. Deze vier helden waren besloten alles op het spel te zetten,
om ditmaal te slagen.
Aan het einde van den waterweg gekomen, werden de vaartuigen op
eene rij zoo dicht mogelijk bij de pier gebracht en de ankers
uitgeworpen. Tusschen de rij vaartuigen en de pier was nu een
betrekkelijk stil water. De jol werd van de reddingboot losgemaakt
en zoo dicht mogelijk tot bij de pier gebracht. 't Was een angstig
oogenblik, want ook dat zoogenaamde stille water was nog angstwekkend
wild en woest, zoodat de jol elk oogenblik kon omslaan. En de pier
was niet zichtbaar. Men zag alleen een heuvel van water en schuim,
want zonder ophouden gulpten de golven over de pier.
't Heldenstuk werd gelukkig volbracht, en Klaas Ree was de eerste,
die overboord sprong en zich naar de pier begaf. Tot aan zijn hals
toe ging hij in het water, maar daaraan stoorde hij zich niet. Hij
kwam op de plaats, waar hij wezen wilde, en klauterde tegen de steenen
op. Toen volgden zijne kameraden: Van Duyn, Jansen en Schoonbeek. Met
hun vieren klommen zij voort over de pier. Stevig hielden zij elkander
vast, om krachtiger weerstand te kunnen bieden aan de golven. Zoo
bereikten zij den lichtopstand, waaraan zij de lijn bevestigden,
die hen met de sloep verbond.
Een allerakeligst jammergeschrei, dat hun met ontzetting vervulde,
drong van het wrak tot hen door. Maar van de kleine vloot werd een
luid gejuich hoorbaar over den moed, door het dappere viertal betoond.
Van de "Hellevoetsluis" stak een tweede jol af, bemand met de Gorter,
van der Meulen, Braam en de Geus. 't Waren vrijwilligers, die zich
op de eerste uitnoodiging aanboden zich ook naar de pier te begeven,
om de vier wakkere matrozen bij te staan in de zware taak, die zij
op zich genomen hadden. En ook hun mocht het gelukken de pier te
bereiken, waar zij zich bij de anderen voegden. Met hun achten konden
zij zich beter tegen de woedende elementen verdedigen. Zij bevonden
zich thans aan het uiteinde van het hoofd, vlak bij het wrak. De
arme schipbreukelingen, schier krankzinnig van angst en ellende,
maar thans ook van blijdschap over de naderende redding, strekten de
armen naar hen uit en smeekten om hulp.
De acht redders, die zich niet dan met de grootste moeite staande
konden houden en telkens weer door het ijskoude water overstroomd
werden, draalden geen oogenblik.
Zij grepen een touw, dat van het wrak neerhing, en bonden er eene
lijn aan vast, waarvan zij het andere einde bevestigden aan een paal
op de pier. Zoo was de verbinding tusschen het wrak en de pier tot
stand gebracht.
De schipbreukelingen begrepen de bedoeling hunner redders. Met een
lijn om het middel gebonden, gleden zij met de handen langs het touw
naar beneden, waar de acht redders hen zoover mogelijk in de branding
tegemoet liepen, om hen op te vangen. Eerst waagde een stoker den
tocht, daarna nog een stoker, toen de hofmeester, daarna twee vrouwen,
in het geheel tien menschen. Een voor een werden zij zoover mogelijk
op de pier gebracht, waar zij aan den lichtopstand vastgesjord moesten
worden, omdat zij te uitgeput waren, om zich staande te houden. De
arme ongelukkigen waren meer dood dan levend.
Eindelijk nam weer een schipbreukelinge op den rand van het wrak
plaats, om langs de lijn naar beneden te glijden. Doch de moed, of
misschien wel de kracht ontbrak haar, om zich te laten gaan. Meermalen
greep zij het ijskoude touw met de verkleumde vingers aan, maar even
dikwijls liet zij het weer los. Zij dùrfde niet, of kòn niet. De
redders riepen haar woorden van moed toe, maar het baatte niet. Tot
opeens de arme vrouw zich liet vallen en in de golven terecht kwam. De
matrozen sprongen toe en, wat wel een wonder mag heeten,--een golf
spoelde de ongelukkige tot dicht in hunne nabijheid, zoodat zij
gelegenheid kregen haar te grijpen en op de pier te brengen.
Nu waren er nog drie vrouwen op het wrak over, maar dezen waren
onmachtig om zich op te richten. Haar angstgeschrei en smeekbeden
drongen de dappere matrozen tot diep in de ziel,--maar zij konden haar
niet helpen. Ze moesten terugkeeren, om de geredden naar de stoombooten
te brengen. Eerst werden zij naar de jol overgebracht en toen naar
de reddingboot gevoerd. Maar in dat open vaartuig konden zij geen
voldoende beschutting vinden, zoodat zij op voorstel van den Prins
naar de "Hellevoetsluis" werden overgebracht. Daar wachtten hun de
teederste zorgen. De Prins hielp zelf mee om hun van de druipnatte
kleêren te ontdoen en droge aan te trekken. Daarna werden zij met
warme kruiken in de kooien gelegd.
't Is niet doenlijk, de dankbaarheid der geredden te
beschrijven. Tranen liepen hun langs de wangen en zij kusten de handen
der wakkere mannen, die hen van den dood hadden gered.
Zoo snel mogelijk werd thans koers gezet naar de kust, waar reeds
automobielen gereed stonden, om de geredden naar het hôtel "Américain"
te brengen. En dáár wachtte hun de meest liefderijke behandeling.
Met donderend gejuich werden de matrozen door de duizenden menschen
aan het strand begroet, en de koninklijke Prins, de gemaal onzer
Koningin, deelde die eer met deze eenvoudige helden der zee. Als met
een tooverslag had bij de liefde van zijn volk gewonnen.
Maar nog was het reddingswerk niet volbracht, nòg bevonden zich drie
vrouwen op het wrak, die te zwak waren om zich op te richten. In den
verschrikkelijksten toestand gingen zij den tweeden nacht vol dreigend
doodsgevaar tegemoet. Haar gehuil ging in den loeien den wind verloren,
en werd slechts gehoord door de zeelieden, die het wrak voorbijvoeren
en onmachtig waren iets ter redding te ondernemen. Daar lagen zij op
het dek te midden van de lijken van hen, die van koude en ontzetting
reeds omgekomen waren. Haar gezwollen voeten weigerden allen dienst,
de verkleumde handen konden niets meer vasthouden.
Maar ook voor deze ongelukkigen zou het uur der redding aanbreken. 't
Was in het hartje van den nacht, toen de "Wodan", eene groote sleepboot
van de firma L. Smit & Co., onder stoom ging, onder leiding van
kapitein J. van Rees uit Maassluis. De bemanning bestond uit kloeke
mannen, die het uiterste wilden wagen, om de vrouwen van het wrak te
halen. De nacht was stormachtig en er ging eene wilde sneeuwjacht. De
zee stond hol. De sterke boot schommelde zoo hevig, dat de opvarenden
moeite hadden om staande te blijven. Eindelijk zagen zij op eenigen
afstand het zwarte wrak omhoog steken en klonk hun het aangrijpend
gehuil der vrouwen in de ooren. De bemanning schreeuwde zoo luid
mogelijk terug, om het loeien van den storm en het bruisen van de
zee te overstemmen, zoodat hun geluid tot de vrouwen kon doordringen.
De "Wodan" naderde behoedzaam tot op 50 Meter afstand den
lichttoren. De vlet, die de boot volgde, werd opzij gehaald, en binnen
enkele seconden zitten vijf dappere mannen op de riemen. Zij zijn van
zwemgordels voorzien, want zij weten, dat de vlet elk oogenblik kan
omslaan. Maar zij aarzelen niet. Zij roeien naar de pier, de kabel
wordt vastgelegd aan een der palen, en de vlet keert terug, om nog
meer mannen te halen. Zeven mannen bevinden zich weldra op de pier,
en twee van hen, Marten Sparling en zijn neef Cornelis Sparling,
beiden uit Dordrecht, wagen zich voetje voor voetje verder, tot zij
eindelijk, trots de bijna onoverkomelijke gevaren, het lichttorentje
bereikt hebben. Daar aangekomen wierp Marten Sparling een touw naar
boven, naar het wrak, waar het door een der vrouwen aan een bank werd
bevestigd. Het andere einde werd door zijn neef stevig vastgehouden,
terwijl deze zich krampachtig aan den lichttoren klemde. Toch werd hij
er tot driemaal toe bijna door de woeste golven afgeslagen. Marten
Sparling klom, wat nog niemand anders had kunnen doen, langs het
touw naar boven, en bereikte de vrouwen, die hem met hare zwakke
krachten voorttrokken naar de plaats der verschrikking, waar zij zulke
ontzettend bange uren hadden doorgebracht. De ongelukkige schepsels
leefden daar te midden van de dooden....
Haar jammergeschrei sneed hem door de ziel, en het kostte hem moeite,
zich van haar los te maken. Hij moest daartoe zelfs geweld gebruiken,
want er mocht geen minuut ongebruikt verloren gaan. Hij greep een van
de vrouwen aan, om haar langs het touw naar beneden te laten glijden,
maar het dappere meisje, Mina Ripler geheeten, weigerde het wrak te
verlaten vóór haar meesteres gered was. Welk een bewonderenswaardige
trouw bij een zestienjarig meisje.
Het gelukte den kranigen Sparling de vrouwen alle drie langs de
lijn te laten afglijden, de brave Mina Ripler op haar uitdrukkelijk
verlangen het laatst. En zijn even kranige neef ving ze in zijne
armen op. Daarna werden zij over een afstand van 30 Meter over de
pier gedragen, waarbij de anderen dapper medehielpen, tot de vlet
bereikt was. En toen was het grootste gevaar voorbij.
Een kwartier later waren allen aan boord van de "Wodan" in veiligheid,
en deed iedereen zijn best om de smarten der geredden te lenigen. Men
trok haar droge kleeren aan en verkwikte haar met opwekkende dranken.
Het wrak bevatte thans nog alleen dooden.
Om vier uur 's nachts was men aan de kust teruggekeerd en werden ook
deze geredden per automobiel naar het Américain-hotel gebracht, waar
dokter Diamant en zijne helpers de zorg voor de ongelukkigen overnamen.
De redding was volbracht! Eere den dapperen helden der Hollandsche
kust, eere den dapperen Prins Hendrik der Nederlanden!