Karel VI, de koning van Frankrijk, verkeerde gedurende de laatste jaren
van zijn leven meestal in een staat van krankzinnigheid, die hem voor
zijne taak ongeschikt maakte. Zijne vrouw, koningin Isabeau, hield
de teugels van het bewind in handen, maar maakte van hare macht een
schandelijk misbruik. Zij verried namelijk haar koninkrijk aan Hendrik
V, den koning van Engeland, die met hare dochter in het huwelijk trad,
en van haar het recht verkreeg, Karel VI bij diens dood als koning
van Frankrijk op te volgen.
Frankrijk was toen namelijk in oorlog met Engeland en Bourgondië, die
zich gezamenlijk van het grootste en voornaamste deel van Frankrijk
meester gemaakt en zelfs Parijs veroverd hadden.
Door deze schandelijke daad ontroofde zij de koninklijke waardigheid
aan haar eigen zoon, den dauphin, die met een legertje van 20000 man
den strijd tegen de Engelschen en Bourgondiërs volhield.
En wat deed het Fransche volk? Koos het de partij van den jeugdigen
kroonprins, en schaarde het zich onder diens vaandel, om onder zijn
bevel de Engelschen van den Franschen bodem te verjagen?
Geenszins. Reeds lange, lange jaren zuchtte Frankrijk onder de zware
belastingen, die de half of geheel krankzinnige koning Karel VI noodig
had gehad, om aan zijn zucht naar schitterende feesten te kunnen
voldoen. Bovendien was het van ganscher harte de onophoudelijke
oorlogen moede, die nu al sinds jaar en dag op den vaderlandschen
grond werden gevoerd.
Geheel het noordelijk deel van Frankrijk koos de Engelsche zijde in de
hoop, dat er eindelijk wat rust zou komen en dat aan den ondraaglijken
belastingdruk een einde zou worden gemaakt. Het parlement ging nog
verder. Het verklaarde den dauphin onwaardig de Fransche koningskroon
te dragen en verbande hem ten eeuwigen dage uit Frankrijk.
Slechts een klein gedeelte van zijn vaderland bleef hem getrouw,
waardoor hij in staat werd gesteld met een klein legertje den strijd
tegen de Engelschen en Bourgondiërs, en dus ook tegen zijn eigen
moeder, vol te houden. Maar zijne vijanden behaalden overwinning
op overwinning en dreven hem niet weinig in het nauw. Reeds hadden
zij geheel Frankrijk ten noorden van de Loire veroverd. Toen trof
hun echter een zware slag door het overlijden van den Engelschen
koning. Hendrik V stierf den 31 Augustus 1422, en slechts enkele weken
later, den 22en October, stierf ook de krankzinnige koning Karel VI.
Door het kleine gedeelte van Frankrijk, dat den Engelschen nog niet
onderworpen was, werd de dauphin thans onder den naam van Karel VII als
koning erkend. Hij liet zich te Poitiers de koninklijke kroon op het
hoofd plaatsen. Van oudsher was het gewoonte, dat deze plechtigheid te
Rheims geschiedde, en men achtte eene kroning op eene andere plaats
dan deze eigenlijk dien naam niet waardig, maar 't was thans eene
onmogelijkheid, daar Rheims zich in de macht der vijanden bevond.
Toch was de toestand voor den jongen koning thans betrekkelijk
niet ongunstig, want in Engeland werd Hendrik V opgevolgd door
een kindje, dat nog slechts enkele maanden oud was, zoodat er een
regentschap moest worden ingesteld, wat een verlammenden invloed
uitoefende op de ondernemingen der Engelschen in Frankrijk. Bovendien
hadden de Franschen gedurende de korte regeering van den Engelschen
koning reeds voldoende ondervonden, wat het zeggen wilde, door een
vreemden vorst te worden bestuurd. De belastingen waren vermeerderd
inplaats van verminderd, en zij werden met onverbiddelijke strengheid
ingevorderd. Eindelijk nog was Filips van Bourgondië ontevreden op
zijne Engelsche bondgenooten en trok zich uit den strijd terug.
Had Karel VII thans den oorlog met kracht voortgezet, ongetwijfeld
zouden de Engelschen het dan kwaad te verantwoorden gekregen hebben,
want het geheele Fransche volk zou hem daarbij hebben gesteund.
Helaas, Karel VII miste daartoe de noodige veerkracht. Hij was niet
gemakkelijk tot het nemen van een krachtig besluit over te halen en
bracht zijn tijd meestal in ledigheid door. Hoewel de Engelschen den
oorlog maar slap voortzetten, behaalden zij toch nog twee overwinningen
op hem, namelijk bij Crevans en Verneuil.
Eerst in 1428 werd de oorlog door de Engelschen met kracht hervat. De
bevelhebber Salisbury veroverde aan het hoofd van een leger van
15000 man verscheidene steden en sloeg eindelijk het beleg voor de
sterke stad Orleans. Ging ook deze plaats voor de Franschen verloren,
dan lag geheel Frankrijk bezuiden de Loire voor de Engelschen open,
dan was Karel VII niet langer in staat tegenweer te bieden, en bevond
Frankrijk zich geheel in de macht der vijanden.
De burgers van Orleans verdedigden zich met waren heldenmoed. Zoo
dikwijls waagden de Engelschen geen bestorming van de muren, of even
dikwijls werden zij afgeslagen. Maar eindelijk waren de levensmiddelen
in de stad zoo goed als verbruikt, en zou de dappere burgerij door
den honger gedwongen worden de schoone stad te moeten overgeven. En
wat deed intusschen koning Karel VII? Was hij ijverig in de weer,
om de vijanden het beleg moeilijk te maken, en trachtte hij met al de
middelen, waarover hij beschikken kon, de benarde vesting te ontzetten?
Neen, de zwakke koning hield zich bezig met allerlei beuzelarijen
en vermaken, en bleef werkeloos toezien, dat het laatste bolwerk van
zijn koninklijke macht op hem veroverd werd.
Eindelijk gelukte het zijne vrienden en bevelhebbers hem over te halen,
om de stad van nieuwe levensmiddelen te voorzien. En hij slaagde daarin
volkomen, zoodat de burgers van Orleans met nieuwen moed den strijd
konden voortzetten. Bij een tweede poging van Karel, den 12en Februari
1429, om nogmaals levensmiddelen in de stad te brengen, werden zijne
troepen verslagen. Toen gaf hij den moed geheel op. Hij begreep, dat
Orleans thans verloren was, en hijzelf evenzeer. Hij besloot dan ook,
Frankrijk te verlaten en zich elders in veiligheid te brengen. Maar
_besluiten_ en _doen_ was bij den zwakken koning niet hetzelfde. Ook
nu weer stelde hij zijn vertrek van den eenen dag naar den anderen
uit, en dat werd ditmaal zijn geluk. Want hoe hopeloos zijne zaak
er ook uitzag, hoe nabij hij was aan zijn algeheelen ondergang,
toch zou hij gered worden, ondanks zichzelven.
In Lotharingen, in het dorp Dom-Remy, woonde een jong landmeisje,
dat Jeanne d'Arc heette. Zij kon lezen noch schrijven, en bracht
den dag door met de eenvoudige bezigheden, die in eene boerenhoeve
gewoonlijk te doen zijn. Reeds als kind bezat zij de eigenaardigheid
visioenen te zien, die voor anderen geheel onzichtbaar bleven. Zij
had eene streng godsdienstige opvoeding ontvangen, die bij haar goede
vruchten gedragen had. Zij dacht veel na over hetgeen zij in de kerk en
van hare ouders had geleerd, en werd een innig vroom meisje. Toen zij
nog maar twaalf à dertien jaar was, verklaarde zij reeds meermalen,
dat haar in de eenzaamheid bovennatuurlijke wezens verschenen waren,
die haar vriendelijk hadden toegesproken. Zij leefde dan ook in de
stellige overtuiging, dat God en zijne heiligen zich meermalen aan de
kinderen dezer aarde vertoonden, om dezen hun wil te openbaren. Zoo
waren haar reeds de aartsengel Michaël en de heilige Margaretha
en Catharina verschenen, en nog na hunne verdwijning was het haar,
of zij de stemmen dezer heiligen in hare ooren hoorde weerklinken.
Jeanne d'Arc was, toen zij ouder werd, een trouw aanhangster van
Karel VII, den eenigen man, dien zij waardig keurde den Franschen
troon te bestijgen en te Rheims tot koning te worden gekroond. De
kroning te Poitiers had ook voor haar geen waarde. En zij droeg een
diepen haat toe aan de Engelschen en Bourgondiërs, die haar schoon
vaderland overweldigden en onderdrukten.
Met diepe smart volgde zij de gebeurtenissen, die in haar vaderland
plaats vonden, en zij stortte tranen bij het vernemen van het beleg
van Orleans en van den tegenspoed van Karel VII, haar beminden en
vereerden koning.
Zeker, zij was het volkomen eens met hare dorpsgenooten, die meenden,
dat alleen een wonder haar vaderland zou kunnen redden. Eindelijk
bereikte haar de mare, dat volgens eene voorspelling, die door de
lagere volksklassen algemeen geloofd werd, Frankrijk door een vrome
jonkvrouw zou worden gered.
Van dit oogenblik af vatte de gedachte post in hare ziel, dat zij
zelve de uitverkoren maagd was, die Frankrijk voor een algeheelen
ondergang zou behoeden, en die gedachte liet haar niet meer los.
Eindelijk, in de eenzaamheid, terwijl zij dacht aan haar arm vaderland
en aan haar koning, kreeg zij weer een visioen. Zij hoorde wederom de
stemmen van heiligen, die haar toeriepen, dat zij de uitverkorene was,
die Frankrijk zou redden, dat zij geroepen was om Orleans te ontzetten
en den koning naar Rheims te geleiden om gekroond te worden.
Het dappere meisje, dat geen oogenblik aan de waarachtigheid van die
stemmen twijfelde, besloot de haar gegeven bevelen op te volgen. Zonder
er hare ouders over te spreken, begaf zij zich naar haar oom, Durant
Laxart, die in een naburig dorp woonde, en deelde hem mede, dat zij
zich naar den dauphin wilde begeven. Zij noemde hem nog dauphin in
plaats van koning, omdat hij nog niet te Rheims gekroond was. Zij
moest zich door het met vijanden bezette land begeven om den koning
te bereiken, en daarom verzocht zij haar oom, voor haar aan den
bevelhebber van Vaucolours, Robert van Baudricourt, een vrijgeleide
te vragen.
Haar oom had er niet veel lust in, maar zij bleef zoo dringend
aanhouden, dat hij eindelijk toegaf en zich naar den bevelhebber
begaf. Deze lachte hem echter uit, en zei:
"Geef haar een pak slaag, dan zullen die hersenschimmen wel uit haar
hoofd verdwijnen."
Jeanne d'Arc liet zich door deze weigering niet afschrikken, maar
begaf zich in persoon naar den bevelhebber. Zij verhaalde hem van
de verschijningen, die zij gezien, had en smeekte hem, haar een
vrijgeleide te geven.
De bevelhebber bleef weigeren, maar Jeanne hield vol. Zij richtte
zich nogmaals en nogmaals tot Heer Robert, tot hij eindelijk voor
hare smeekingen bezweek en haar het gevraagde vrijgeleide verschafte.
Eindelijk dus had zij haar doel bereikt en vol vreugde maakte zij
zich gereed, om zich naar den koning te begeven. 't Was echter
een gevaarlijke tocht, inzonderheid voor een jong meisje, want hij
voerde door streken, welke door tallooze ruwe vijanden bezet waren,
die zeker met hare visioenen den spot zouden drijven en haar smadelijk
zouden behandelen.
Daarom vermomde zij zich in mansgevvaad, en aanvaardde zoo in
gezelschap van haar broeder, twee edelen en nog twee andere personen,
den gevaarvollen tocht.
Den 24en Februari kwam zij ongedeerd te Chinon aan, waar Karel VII
verblijf hield.
Dadelijk stelde Jeanne zich in verbinding met hofbeambten. Zij
verhaalde hen van de verschijningen, die zij gezien had, van de
stemmen der heiligen, die haar geboden hadden zich naar den koning
te begeven en van hare roeping om hem en het vaderland te redden.
Het eenige gevolg was, dat zij geducht werd uitgelachen, en het ontbrak
niet aan wreeden spot. Maar het dappere, vrome meisje liet zich niet
ontmoedigen. Zij hield vol met hare smeekingen, om tot den koning te
worden toegelaten, totdat deze eindelijk van hare komst vernam. Maar
ook hij dreef niet weinig den spot met haar.
Toch gelukte het haar eindelijk, toegang tot hem te verkrijgen.
Onverschrokken naderde zij den koning, die haar ontving in een hel
verlichte burchtzaal, te midden van een schitterenden stoet van
hovelingen. Hijzelf zag er eenvoudig uit, maar Jeanne vergiste zich
geen oogenblik in zijn persoon. Zij groette hem met den diepsten
eerbied, en verhaalde hem, dat God haar uitverkoren had, om Orleans
te ontzetten en den koning naar Rheims te geleiden om gekroond te
worden. En zij smeekte den vorst, dat hij haar aan het hoofd van zijn
leger zou plaatsen, want zij wist, dat God en Zijne heiligen haar de
overwinning zouden geven.
't Was intusschen ruchtbaar geworden, dat een eenvoudig boerenmeisje
verklaarde door God gezonden te zijn, om Frankrijk en den koning
te redden. En zie, meer en meer begon men geloof aan hare goddelijke
roeping te slaan, en met eerbied zagen de krijgslieden tot haar op. Ha,
zou dan eindelijk God zelf met hen strijden en hun de overwinning
geven? Zou dan aan de veelvuldige nederlagen een einde komen?
Een geest van groote blijdschap vervulde het kleine leger, dat den
koning nog trouw gebleven was. Een nieuw vuur doorstroomde hunne
aderen en zij hunkerden weldra naar den strijd. Vanwaar zou dit
eenvoudige meisje den moed hebben, om het leger tegen den machtigen
vijand aan te voeren, als zij niet van God gezonden was? O zeker, zij
twijfelden niet, of Gods heiligen waren haar verschenen, en dit meisje
handelde op Gods bevel. Vol geestdrift grepen zij naar de wapenen,
om onder haar leiding ten strijde te trekken. Zij wachtten slechts
op het bevel des konings.
En dat bevel werd eindelijk gegeven, echter niet, dan nadat Jeanne
aan een langdurige proef onderworpen en als een braaf en eerlijk
meisje erkend was.
De koning verklaarde aan hare goddelijke zending te gelooven en
vertrouwde haar het opperbevel toe over eene krijgsbende, die bestemd
was om eene bezending levensmiddelen en oorlogsbehoeften naar Orleans
te brengen.
Jeanne ontving eene wapenrusting, wapens en paarden. Bovendien gaf
de koning haar, zooals aan andere bevelhebbers, schildknapen, jagers,
herauten en een veldkapelaan. Zij voerde een prachtige banier, geheel
wit, met een gouden lelie bestikt. Op die banier was de Heiland
voorgesteld, gezeten tusschen heiligen, en zij droeg de woorden:
"Jezus, Maria."
Toen zij door de straten der stad reed op haar witte paard, het
schitterende kuras om de slanke leden, haar gelaat door donkere lokken
omringd, de oogen tintelende van het vuur der geestdrift, het zwaard in
de tengere vuist, toen zij daar reed omringd door hare fakkeldragers,
maakte zij op allen, die haar zagen, een overweldigenden indruk,
en twijfelden er maar weinigen meer aan hare goddelijke roeping.
Allen werden met den diepsten eerbied voor haar vervuld, en de
krijgslieden, wier gelederen zij langs reed, waren er heilig van
overtuigd, dat dit schoone, vrome meisje hen ter overwinning zou
voeren.
Den 27en April 1429 stelde zij zich aan het hoofd van haar leger,
dat 6000 à 7000 man telde, en rukte naar Orleans op. Tot dusver
was het leger steeds vergezeld geweest van allerlei gespuis, dat
op kosten der soldaten teerde, maar Jeanne had hen allen uit haar
leger doen verwijderen. Zij verbood op strenge straffen het spelen en
vloeken en handhaafde een zeer strenge tucht. Niemand mocht zonder
toestemming de gelederen verlaten om zooals vroeger te rooven en
te plunderen. Als dienaren Gods moesten zij strijden en bidden;
zij moesten het vaderland verlossen, boeren en burgers beschermen,
en mochten niemand overlast aandoen.
Al deze maatregelen bezielden de Fransche krijgslieden met een nieuwen
geest. Zij voelden zich strijders voor een heilige zaak en kregen
het zelfvertrouwen, dat zij reeds sedert lang verloren hadden, terug.
Zoo bereikte Jeanne de bedreigde stad, waar zij onder eene
onbeschrijfelijke geestdrift haar intocht deed. De burgers van Orleans
zagen in Jeanne d'Arc eene heilige, en volgden hare bevelen met de
meeste stiptheid op.
Maar de Engelschen, die van haar komst vernamen, beschouwden haar
als eene heks, die zoo spoedig mogelijk op den brandstapel gebracht
moest worden.
Onder de leiding van het dappere meisje werden thans dagelijks
uitvallen gedaan, en hare volgelingen streden dan met weergaloozen
moed. Zij wisten immers, dat God mèt hen streed, dat zij de overwinning
mòèsten behalen? Hunne aanvallen waren onweerstaanbaar, en telkens
werden de Engelschen tot wijken gedwongen. Dezen waren woedend op het
schoone meisje, en beweerden, dat zij een verbond met den duivel had
gesloten en door dien boozen geest in den strijd geholpen werd. En toen
de Engelschen eenmaal tot wijken gedwongen waren, werden de Franschen
onoverwinnelijk. Jeanne d'Arc was steeds de voorste in het gevecht,
de laatste bij den terugtocht. Het zwaard, dat volgens haar gewijd
was, omdat het achter een altaar gevonden was, had zij gedurende
het gevecht opgeheven, maar nooit streed zij er mede. Alleen als zij
persoonlijk aangevallen werd, gebruikte zij het ter zelfverdediging.
Al spoedig waren de Engelschen zoo ontmoedigd, dat zij besloten het
beleg op te breken, wat reeds den 3en Mei geschiedde. Groote vreugde
heerschte er toen in de bevrijde veste en men koesterde den diepsten
eerbied voor het dappere boerenmeisje, dat verricht had, wat niemand
verrichten kon. Sedert dien tijd noemde men haar de Maagd van Orleans.
Het eerste gedeelte van hare taak had Jeanne thans ten uitvoer
gebracht. Nu was de kroning te Rheims aan de beurt, maar de weg naar
deze plaats voerde door een landstreek, welker steden en kasteelen
door de Bourgondiërs bezet waren.
Toen Jeanne met haar leger van Orleans te Tours terug kwam, waar de
koning verblijf hield, werd zij met groote eerbewijzen ontvangen. Het
volk zag in haar eene heilige en de menschen verdrongen elkander,
om haar kleed of hare wapenen te kussen. Men bracht zelfs de zieken
tot haar, en smeekte haar dezen te genezen.
Jeanne d'Arc zeide echter tot allen, die haar naderden, dat zij
slechts een eenvoudig landmeisje was en geen wonderen kon doen. Maar
men geloofde haar niet.
Zij drong er bij den koning op aan, dat deze thans den tocht naar
Rheims zou ondernemen, maar Karel VII voelde zich daartoe nog niet
machtig genoeg, hoewel zijn aanhangers bij den dag vermeerderden en
men zich vol geestdrift onder de vanen der Maagd van Orleans schaarde.
Jeanne zette den strijd tegen de Engelschen met kracht voort, bleef
overwinnaar in verscheidene gevechten en veroverde tal van steden en
burchten. Eindelijk gelukte het haar zelfs, in een treffen bij Patay,
het Engelsche leger te verslaan en den beroemden veldheer Talbot
krijgsgevangen te maken.
Door zooveel succes aangemoedigd, besloot Karel VII eindelijk den tocht
naar Rheims te aanvaarden. Tegen het einde van Mei brak hij met zijn
leger van 12000 man op, en zie, de Engelschen waren door de laatste
nederlagen zoo ontmoedigd, en zij koesterden zooveel vrees voor de
booze heks, die het leger van den koning aanvoerde, dat zij bijna geen
tegenstand boden en op de vlucht sloegen. De steden openden vrijwillig
hunne poorten en lieten den koning binnen. Tegen de wonderbaarlijke
kracht van Jeanne d'Arc durfde men den strijd niet aanbinden.
Den 7en Juli deed Karel VII zijn intocht in Rheims, waar nu de
plechtigheid der kroning volgens de aloude gebruiken plaats vond. Toen
Karel voor het altaar knielde, om de kroon op het hoofd te ontvangen,
stond Jeanne in volle wapenrusting en met haar banier in de hand,
in zijne nabijheid. En haar lippen prevelden een dankgebed tot God,
die haar het voorrecht geschonken had, hare taak tot het einde toe
te kunnen volbrengen.
Zij had zich op eene schitterende wijze van hare opdracht gekweten
en smeekte den koning thans, haar naar haar dorpje te laten
terugkeeren. Maar daarvan wilde Karel niet hooren. Nòg bevonden de
Engelschen zich op den Franschen bodem en hij wilde haar niet ontslaan,
voordat Frankrijk geheel van hen verlaten was.
Jeanne bleef dus en zette den strijd voort. En het gelukte haar
een tal van steden tot de overgave te dwingen. Overal, waar zij
verscheen, leken de vijanden wel krachteloos. Alleen Parijs hield de
poorten voor haar gesloten. De Parijzenaars waren niet zoo overtuigd
van hare goddelijke zending als het overige Frankrijk en verdedigden
zich dapper. Jeanne waagde eene bestorming van de muren, maar deze
werd afgeslagen en zij zelve gewond. Tevergeefs riep zij de hulp
in van den koning, die met zijn leger op korten afstand vertoefde,
n.l. te St. Denis, maar de zwakke vorst was het oorlogvoeren al lang
moede en gaf zich liever aan zijne vermaken over. Hij liet Jeanne aan
haar lot over, zoodat zij zich gedwongen zag het beleg op te breken.
Alle pogingen, die zij deed, om den koning tot eene krachtige
voortzetting van den strijd te bewegen, leden schipbreuk. Hij betrok
zijn winterverblijf te Chinon, en verviel daar in zijn gewonen toestand
van trage rust.
Ook Jeanne was gedwongen daarin te deelen, en langzamerhand begon zij
haar grooten invloed op het leger en hare omgeving te verliezen. De
hofdames keken met minachting op het eenvoudige landmeisje neer, en
in het leger verslapte de krijgstucht. Bovendien meenden de jaloersche
bevelhebbers van het leger de hulp van Jeanne nu wel te kunnen missen.
Eerst in de lente van het jaar 1429 kon zij den strijd hervatten. Het
gelukte haar de bezetting van de stad Compiègne, welke belegerd werd,
te versterken met de troepen, aan wier hoofd ze stond. Dit was het
laatste voordeel, dat zij op den vijand behaalde. Korten tijd later
waagde zij een uitval, maar het bleek al spoedig, dat zij tegen eene
groote overmacht te strijden had. Volgens hare gewoonte bevond zij
zich steeds in het heetst van het gevecht. Zij werd tot den terugtocht
gedwongen, maar bleef nu in de achterste gelederen. Toen zij eindelijk
voor de poort van de stad genaderd was, vond zij deze reeds gesloten,
naar men zegt, tengevolge van verraad. Van alle kanten kwamen de
vijanden op haar aan, en zij verdedigde zich dapper, maar eindelijk
gelukte het een Picardier haar aan te grijpen en van het paard te
rukken. Zij werd krijgsgevangen gemaakt en geraakte in de macht der
Bourgondiërs, die zich opnieuw met de Engelschen verbonden hadden.
Zij werd door de Bourgondiërs met de meeste onderscheiding behandeld,
want dezen haatten haar lang niet zoo als de Engelschen, die haar
voor een heks hielden in dienst van den Satan.
Karel VII had haar ongetwijfeld voor een flink losgeld in vrijheid
kunnen doen stellen, maar hij getroostte zich daar in het geheel
geen moeite toe. Niet alzoo de Engelschen. Zij eischten dat Jeanne
d'Arc niet als krijgsgevangene, doch als tooveres behandeld zou
worden. Jeanne vreesde hun haat en deed eene poging om te ontvluchten,
welke echter mislukte. Eindelijk leverden de Bourgondiërs haar voor een
groot losgeld aan de Engelschen uit. Zij werd nu naar Rouaan gebracht,
waar het vonnis over haar geveld zou worden.
Men wierp haar in een ellendigen kerker, waar zij bewaakt werd
door ruwe krijgslieden, die haar op allerlei wijzen beschimpten
en beleedigden. En er werd een rechtsgeding tegen haar geopend,
waarbij men van de schandelijkste middelen gebruik maakte, om haar de
bekentenis te ontlokken, dat zij eene tooveres was en in dienst van den
duivel stond. Als loon daarvoor zou de Booze haar geholpen hebben in
den strijd tegen de Engelschen, die het maar niet verkroppen konden,
dat een eenvoudig boerenmeisje hen overwonnen had.
Op de meest verraderlijke wijze werd het geheele proces gevoerd. De
griffier teekende alleen de antwoorden op, die haar bezwaren konden,
doch hare woorden van vroomheid en godsvrucht liet hij onvermeld. Zij
gedroeg zich bij elk verhoor ernstig en waardig, en verklaarde,
dat men haar het geloof aan hare verschijningen niet ontnemen kon,
en dat zelfs nu nog in den kerker de heiligen haar nabij waren,
om haar te troosten en te bemoedigen.
Eindelijk werden er 12 artikelen opgesteld, die voor de
bekentenissen van Jeanne moesten doorgaan, doch die schandelijk waren
vervalscht. Daarin werd verklaard, dat Jeanne's openbaringen door
booze geesten ingegeven waren, dat zij God gelasterd en zich aan
de goddelijke wet vergrepen had; dat zij eene bedriegster was, die
schaamteloos manskleeren gedragen had, en dat zij zich schuldig gemaakt
had aan ongehoorzaamheid jegens hare ouders en aan bloedvergieten.
Ten slotte raakte de moed van het ongelukkige meisje aan het wankelen,
vooral toen men haar bedreigde met den beul, die gereed stond, haar
op zijne kar naar den brandstapel te brengen. Daarom verklaarde zij,
dat zij bereid was de rechters te gehoorzamen en dat zij dus niet
meer aan hare gezichten en openbaringen zou gelooven.
Van deze verklaring werd een geschrift opgemaakt, maar men voegde
er aan toe, dat Jeanne bekend had aan een aantal verschrikkelijke
misdaden schuldig te zijn.
Men gebood Jeanne dit stuk met een kruisje te onderteekenen, en daar
zij niet lezen kon en dus ook niet wist, welk een afschuwelijk bedrog
er plaats had, voldeed zij aan het bevel. Zij werd toen veroordeeld,
om levenslang hare zonden te beweenen en in den kerker het brood der
smarte en het water der benauwdheid te nuttigen.
Men gaf haar vrouwenkleederen en gebood haar, nooit meer hare
manskleeren aan te trekken, welke echter in een zak gepakt in hare
gevangenis bleven liggen.
Deze veroordeeling van de Maagd van Orleans was niet naar den zin der
Engelschen, die niet rustten, eer zij op den brandstapel gestorven
was. Kon men haar bewegen tegen het vonnis te handelen, dan was zij
des doods schuldig, dat wisten zij.
De soldaten, die haar bewaken moesten, werden overgehaald, terwijl zij
sliep, haar vrouwenkleederen weg te halen. Toen Jeanne nu ontwaakte en
zag, dat haar kleederen verdwenen waren, trok zij de manskleeren aan,
om niet door de soldaten bespot te worden. En daar was het juist om
te doen geweest.
De rechters ontvingen dadelijk bericht van het gebeurde, en reeds
den volgenden dag werd zij veroordeeld tot den dood door de vlammen.
Den 30en Mei 1431, 's morgens om 9 uur, werd Jeanne d'Arc naar de
oude markt te Rouaan, de gewone gerechtsplaats, gevoerd.
Enkele oogenblikken later stierf zij den marteldood op den
brandstapel. Het laatste woord, dat over hare lippen kwam, was de
naam Jezus.
Haar dood was een onuitwischbare schande voor hare rechters, maar
niet minder voor den ondankbaren Karel VII, die kroon en scepter aan
haar verschuldigd was, en ongeveer niets deed om haar te redden.