„Hooggeëerde Dame,” zoo ving de calender aan, „hetgeen ik u heb mede te
deelen, is zeer verschillend van hetgeen gij tot dus verre hebt gehoord.
De twee prinsen, die vóór mij gesproken hebben, verloren elk hun regter
oog door een ongelukkig toeval. Van het mijne ware ik, zoo als uit mijne
geschiedenis zal blijken, door eigen schuld beroofd. Mijn naam is Agib,
ik ben de zoon eens konings genaamd Cassib. Na mijns vaders dood, kwam
ik in het bezit van al zijne staten. Ik hield mijne residentie in
dezelfde stad als hij, ofschoon er zich in mijn rijk andere steden
bevonden, die grooter en volkrijker waren. Doch deze stad lag aan zee,
en had eene zeer schoone en veilige haven, met een arsenaal, hetwelk
in zulk eene ruime mate voorzien was van alle scheepsmaterialen, dat
ik daarmede, des noods in zeer korten tijd, eene vloot van honderd
vijftig oorlogschepen kon uitrusten, niet mede gerekend de zeer schoone
koopvaardij-vloot en eene menigte pleizier-vaartuigen, die in de haven
lagen, of op verschillende reizen uit waren. Behalve vele groote en
ook rijke provinciën op het vasteland, bevonden zich onder mijn gebied
eene menigte eilanden, bijna allen in het gezigt van mijne hoofdstad
gelegen. Nadat ik mijne provinciën op het vasteland bezocht had, liet
ik eene vloot uitrusten en begaf mij naar mijne eilanden, om door mijne
tegenwoordigheid de liefde van mijne onderdanen te verwerven, of hen in
toom te houden. Dergelijke zeetogtjes maakte ik meermalen, en dit deed
mij zulk een' lust voor de zeevaart opvatten, dat ik besloot ook vreemde
staten te bezoeken. Ik liet tot dat einde tien schepen uitrusten, die
allen goed konden zeilen, zoodat wij zelfs van de stoutste zeeroovers
niets te vreezen hadden. Ik begaf mij aan boord van een der grootste
schepen en liet de koninklijke vlag hijschen, waarna wij onmiddelijk de
ankers ligtten en onder zeil gingen.
Gedurende de eerste dagen van onze zeereis hadden wij zeer schoon weder,
maar in den nacht van den veertigsten dag, kregen wij tegenwind, en zulk
een' hevigen orkaan, dat de kapitein, hoewel een stout zeeman, niet
anders dacht, of wij zouden met man en muis vergaan. Evenwel met het
aanbreken van den dag bedaarde de storm, de wolken verdeelden zich, en
toen de zon opging bevonden wij ons in de nabijheid van een eiland, dat,
ofschoon klein en weinig bevolkt, ons eene veilige haven aanbood. Wij
liepen binnen, en de meesten van ons gingen aan land, daar wij veel van
de zeeziekte te lijden hadden gehad. Hier vertoefde ik acht dagen, en na
eenige ververschingen ingenomen te hebben, gingen wij weder onder zeil;
doch dit maal met het doel om zoo spoedig mogelijk naar het vaderland
terug te keeren. De zware storm, dien wij hadden doorgestaan, deed
mij daartoe besluiten. Mijn lust voor de zeevaart was aanmerkelijk
verflaauwd, en ik begreep mijn leven, dat voor mijne onderdanen
zoo nuttig kon zijn, niet langer aan de wisselvalligheden van dit
bedriegelijke en gevaarvolle element te mogen blootstellen. De wind
was ons gunstig, er woei eene stevige koelte en op den dertigsten dag
begonnen wij hoop te voeden, weldra land te zullen zien. En waarlijk,
den volgenden morgen kort na de hondenwacht, riep de matroos, die in
den mast op den uitkijk zat: „Land, land voor den boeg!”
Op deze woorden verbleekte de stuurman, rukte met de eene hand zijn'
tulband af, wierp dien op het verdek, en sloeg zich, als een wanhopige,
met de andere hand in het aangezigt, uitroepende: „Ach, Sire! wij
zijn verloren! Niemand onzer kan aan het gevaar, waarin wij ons
bevinden, ontkomen, en met al mijne ervaring kan ik het niet afwenden.”
Hierop begon hij te weenen als iemand, die kleinmoedig wordt, bij het
vooruitzigt van een' wissen dood. Zijne woorden bragten schrik te weeg
bij al de scheepelingen, en ik zelf wist niet, wat te moeten denken. Ik
vroeg hem, welke reden hij had tot zulk eene uitzinnige handelwijze.
„Helaas! Sire!” antwoordde hij al zuchtende, „de storm, die wij hebben
doorgestaan, heeft ons zoo ver van onzen koers doen afdwalen, dat wij
morgen tegen den middag bij de zwarte plek zullen zijn, welke door den
matroos op den uitkijk voor land aangezien, en zoo blijde begroet is.
Wat hij echter gezien heeft, is de zwarte berg. Deze berg bestaat geheel
uit zeilsteen, van het allerkrachtigste gehalte. Reeds op dit oogenblik
wordt de vloot met onwederstaanbare kracht aangetrokken, uithoofde
van het ijzerwerk, dat zich aan de schepen bevindt. Indien wij nu,
dat morgen onvermijdelijk moet geschieden, den zwarten berg op zekeren
afstand genaderd zijn, zal de kracht van den zeilsteen zoo hevig werken,
dat al de spijkers uit de schepen zullen vliegen en zich als klissen
aan dien zwarten rotsmuur vasthechten; uwe schepen zullen dan gelijk
kaartenhuizen uit elkander vallen en wegzinken. Gelijk de zeilsteen
de kracht bezit het ijzer aan te trekken, en zijne aantrekkingskracht
toeneemt, naarmate hij meer te dragen heeft, even zoo deze berg. Aan de
zeekant geheel bedekt met het ijzerwerk van een aantal schepen, dien hij
heeft doen vergaan, blijft deze zeilsteenmijn steeds werkzaam en neemt
nog dagelijks in kracht toe.
Deze berg,” vervolgde de stuurman, „is zeer steil en op zijn' kruin
bevindt zich een koepel van het fijnste brons, ondersteund door kolommen
van hetzelfde metaal. Op het koepeldak staat een bronzen paard,
waarop een ruiter zit, met een looden borstharnas, op hetwelk eenige
tooverteekenen zijn ingesneden. De overlevering wil, Sire!” voegde hij
er bij, „dat dit ruiterstandbeeld de hoofdoorzaak is van den ondergang
van zoo vele schepen en van zoo vele menschen, die op deze plaats
verongelukt zijn. Het zal steeds verderfelijk blijven voor allen, die
het ongeluk hebben dit doodelijke oord te naderen, tot dat deze ruiter
zal zijn ter neêrgeworpen.”
De stuurman zijn verslag geëindigd hebbende, begon op nieuw te weenen,
hetgeen zoo aandoenlijk was, dat al het scheepsvolk tranen stortte.
Ook ik dacht niet anders, dan dat mijn laatste uur weldra slaan zou.
Nogtans was ieder op zijn behoud bedacht, en nam daartoe al de te zijner
beschikking staande maatregelen. In de onzekerheid, wie er het leven
zoude afbrengen, benoemden zij elkander wederkeerig tot erfgenaam; wat
aan goederen gered mogt worden, zou het eigendom zijn van hen, die er
het leven afbragten.
Den volgenden dag was de nevel, waarin de berg gehuld was, opgetrokken,
en deze laatste vertoonde zich aan ons in al zijne verschrikkelijkheid.
Tegen den middag kwamen wij in zijne nabijheid, en hetgeen de stuurman
ons voorspeld had, gebeurde. Wij zagen de spijkers en al het andere
ijzerwerk der schepen naar den berg vliegen, waar zij zich door de
verbazende aantrekkingskracht vastzetten, terwijl er zich een geluid
deed hooren, gelijk aan dat van duizenden hamerslagen. De schepen, van
hun ijzerwerk ontdaan, vielen uiteen en zonken in de diepte. De zee
was op deze plaats zoo diep, dat wij met het peillood geen' grond
konden vinden. Al mijne lieden verdronken: met mij evenwel had de hemel
mededoogen en liet toe, dat ik gered werd. Dit geschiedde, door dat ik
mij aan eene losgeslagen plank vasthield, welke door eene golf opgenomen
werd, die mij aan den voet van den berg op het drooge wierp.
Ik had,” vervolgde de calender, „niet het minste letsel gekregen, en
bevond mij in de nabijheid van een' in den steilen rotswand uitgehouwen
trap. De trap was steil, en de treden waren zoo smal, dat ik er
naauwelijks den voet op kon zetten. De minste windvlaag zou mij
onvermijdelijk omver hebben geworpen, en in zee doen vallen. Nogtans,
daar de berg overal elders, zoo ver ik zien kon, onbeklimbaar was, en
mijne voeten door de zee bespoeld werden, zoo dat ik (het was nu ebbe)
bij het opkomen van den vloed zeker zou hebben moeten verdrinken,
aarzelde ik niet lang den gevaarlijken togt te ondernemen, en door den
hemel geholpen, gelukte het mij, hoewel doodelijk afgemat, ongedeerd de
kruin des bergs te bereiken.
Mijne krachten waren bijna uitgeput. Ik bedankte Allah en den Profeet
voor mijne wonderbare redding, en legde mij onder het koepeldak neder.
Weldra sloten zich mijne oogen en in den slaap verscheen mij een
achtenswaardig grijsaard, die tot mij zeide: „Luister, Agib! Graaf,
zoodra gij ontwaakt, op de plaats, waar gij met uwe voeten hebt gelegen,
den grond om, en gij zult een' bronzen boog vinden, en drie loden
pijlen, die onder zeker gesterkte gemaakt zijn, om het menschelijk
geslacht van vele dreigende rampen te bevrijden. Schiet deze drie pijlen
tegen het standbeeld af, de ruiter zal ineenstorten, en het paard naar
uwen kant vallen. Dit moet gij begraven ter plaatse, waar gij den boog
en de pijlen hebt gevonden. Terstond daarop zal de zee zwellen en zich
verheffen tot aan de kruin des bergs, en den voet van den koepel,
die u tot wijkplaats verstrekt, bespoelen. Dit moet u echter niet
verontrusten; want kort daarop zult gij een bootje zien aankomen, dat
door één man met twee roeiriemen bestuurt wordt. Deze man bestaat uit
brons, maar verschilt van hem, dien gij van het paard hebt geworpen.
Scheep u bij hem in zonder den naam van Allah te noemen, en laat u
geleiden. Hij zal u binnen tien dagen in eene andere zee brengen, waar
gij een middel zult vinden, om gezond en ongedeerd in uwe staten terug
te keeren, mits, zoo als ik gezegd heb, gij u in acht neemt, Allah's
naam niet uit te spreken.”
Dus luidden de woorden van den grijsaard. Bij mijn ontwaken stond
ik op, zeer getroost door dit gezigt. Ik liet niet na te doen, wat
de grijsaard mij had bevolen. Ik groef den boog en de pijlen op de
aangeduide plaats op, en schoot de laatsten op den ruiter af. Met den
derden pijl deed ik hem in zee storten, en het paard viel neder naar
den kant, waar ik mij bevond, zonder mij echter te raken of te wonden.
Ik begroef het ter plaatse, waar de boog en de pijlen gelegen hadden.
Te gelijker tijd begon de zee zich te verheffen en klom tot aan den
voet des koepels en de kruin des bergs, terwijl ik in het verschiet
een bootje zag, dat snel naderde. Ik loofde Allah, toen ik bemerkte,
dat zich alles toedroeg, zooals mij in den droom door den grijsaard
voorspeld was; want nu twijfelde ik aan mijne redding niet meer.
Eindelijk legde de boot in mijne nabijheid aan, en ik zag den bronzen
man, juist zoo als hij mij was afgeschilderd, in elke hand een' roeiriem
hebbende. Ik scheepte mij in, en wachtte mij wel den naam van Allah
te noemen. Zelfs sprak ik uit voorzigtigheid geen enkel woord, en nam
zwijgend plaats op eene bank tegenover den bronzen man. Naauwelijks was
ik gezeten, of hij sloeg de riemen uit en wij verwijderden ons met spoed
van den zwarten berg, wiens aantrekkingskracht op de uit een' enkelen
boomstam gehakte boot geene kracht kon uitoefenen, daar, gelijk bekend
is, de zeilsteen alleen het ijzer aantrekt. De bronzen man scheen
onvermoeid te zijn. Gedurende negen etmalen roeide hij zonder ophouden
voort, en met den middag van den negenden dag zag ik voor het eerst
eenige eilanden, die wij voorbij voeren, en waarop ik van het strand ook
menschen ontdekte, die nieuwsgierig naar ons uitkeken. Mijne blijdschap,
daar ik nu meende weldra alle gevaar te boven te zullen zijn, was zoo
groot, dat ik daardoor het verbod van den grijsaard vergat, en met een
van dankbaarheid gloeijend hart luide uitriep: „Geloofd zij Allah! Allah
zij geloofd in eeuwigheid!”
Naauwelijks echter had ik deze woorden gesproken, of de boot en de
bronzen man zonken naar den bodem der zee. Ik dreef op het water, en een
goed zwemmer zijnde, spande ik al mijne krachten in, om het meest nabij
schijnende eiland te bereiken. Ik werd echter door den nacht overvallen;
het was zoo donker, dat ik niet meer wist welken koers ik moest nemen en
slechts op goed geluk voortzwom. Eindelijk echter waren mijne krachten
uitgeput, en ik begon reeds aan mijne redding te wanhopen, toen de
wind zich plotseling verhief, en eene hemelhooge golf mij opnam en aan
strand wierp, waar zij, terugkeerende, mij achter liet. Ik haastte mij
het strand hooger op te loopen, uit vrees van door eene tweede golf
bereikt en weder in zee geworpen te zullen worden. Zoodra ik mij nu op
het drooge en in veiligheid bevond, ontdeed ik mij van mijne natte
kleederen, wrong ze uit, en legde ze te droogen op het zand, dat nog
heet was van de hitte des daags. Den volgenden morgen had de zon ze
weldra geheel doen droogen; ik trok ze nu weder aan en klom tot op den
top van een' heuvel, om te zien, waar ik mij bevond.
Weldra kwam ik tot de overtuiging, dat ik op een klein en hoogst
waarschijnlijk onbewoond eiland was, want zoo ver mijn gezigt reikte,
zag ik geene menschelijke woning, maar wel groote bosschen van wilde
vruchtboomen en ander houtgewas. Tot mijne groote teleurstelling,
bespeurde ik tevens, dat dit eiland ver van het vasteland was
verwijderd, waardoor mijne vreugde over mijne wonderbare redding zeer
werd getemperd. Intusschen beval ik mij aan de hoede van Allah, en toen
ik mijn gebed had geëindigd en de oogen opsloeg, zag ik een scheepje,
dat van het vasteland kwam, met volle zeilen koers zetten naar het
eiland, waarvan ik tot dus verre de eenige bewoner was.
Ik had mij niet vergist; het scheepje kwam steeds nader en liep weldra
in eene kreek binnen, niet zeer ver van de plaats, waar ik mij bevond.
Onzeker of ik de bemanning als vrienden en redders beschouwen moest,
of hen als vijanden te vreezen en te ontwijken had, wilde ik mij niet
terstond aan hen vertoonen. Ik klom in een' boom, wiens bladrijke kruin
mij voor hun oog verborg, zonder mij te beletten, al hunne verrigtingen
gade te slaan. Het eerst zag ik tien zwarte slaven, die spaden en
ander gereedschap, geschikt om in den grond te graven, op de schouders
droegen. Zij gingen tot op het midden van het eiland, waar zij met ijver
aan het graven gingen en de aarde op hoopen wierpen. Tot wat einde dit
geschiedde, kon ik nog niet begrijpen. Weldra echter staakten zij hunnen
arbeid en keerden naar het schip terug. Nu zag ik, dat er huisraad en
verscheidene balen, pakken en manden werden ontscheept. Ieder der tien
slaven nam daarvan eene vracht op het hoofd, zoo zwaar als hij kon
dragen, en ging daarmede voort tot aan de plaats, waar zij de aarde
hadden weggegraven. Hier verdwenen zij als spoken onder den grond, en
kwamen na eenigen tijd zonder hunne vracht weder te voorschijn. Dit deed
mij vermoeden dat zich daar ter plaatse een onderaardsch gebouw moest
bevinden. In dat gevoelen werd ik versterkt, toen de slaven, weder aan
boord gegaan zijnde, andermaal met eene vracht terug kwamen, doch nu
vergezeld door een' grijsaard, aan wien zij allen eerbied betoonden, en
die dus waarschijnlijk hun meester was. Aan de hand van dezen grijsaard
ging een zeer schoon jongeling, die naar mijne gissing hoogstens
veertien of vijftien jaren kon bereikt hebben. Allen begaven zich naar
de genoemde plaats, en verdwenen ook onder den grond, waar zij echter
ditmaal een' geruime tijd vertoefden. Eindelijk zag ik hen weder te
voorschijn komen, en terwijl de grijsaard er bij stond, bragten de
slaven de uitgegraven aarde op hare oude plaats en alles in den staat,
zoo als zij het bij hunne komst gevonden hadden. Zij keerden nu, met den
grijsaard in hun midden, naar boord terug; maar wat mij bevreemdde, den
jongeling zag ik niet bij hen; hij moest dus zijn achtergebleven.
Wat hadden zij met den jongeling gedaan? Waarom hem, als 't ware, levend
begraven? Dit bleef mij een raadsel, maar ik vertrouwde deze lieden niet
veel, en hield mij alzoo verborgen, tot dat zij weder aan boord waren en
het scheepje, dat kort daarop uitzeilde, zoo ver in zee was, dat ik geen
gevaar meer liep, door het bootsvolk gezien te worden. Toen klom ik uit
den boom en spoedde mij naar de plaats, waar ik zoo veel had zien
gebeuren, dat mij onverklaarbaar was.
Mejufvrouw!” vervolgde de derde calender tegen Zobeïde, „ofschoon men
vooral aan het schoone geslacht nieuwsgierigheid ten laste legt, wil ik
niet ontveinzen, dat ik toen ook uiterst begeerig was, om iets naders
van eene voor mij zoo duistere zaak te vernemen.
Ik begaf mij dan,” zeide de calender, den draad zijner geschiedenis
weder opvattende, „naar het midden des eilands. Het koste mij niet veel
moeite de regte plaats te ontdekken; de nog losse en vochtige aarde
diende mij tot wegwijzer. Daar ik geen gereedschap had, ruimde ik met
mijn mes en met mijne handen het mulle zand weg, wierp dat ter zijde, en
ging hiermede voort, tot dat ik op een' harden grond stiet. Het was een
steen van drie à vier voet in het vierkant. Ik ligtte dien met mijn mes
op, en het gelukte mij, echter niet zonder groote krachtsinspanning, hem
weg te ruimen. Nu zag ik een' trap, klom dien af, en bevond mij toen in
een vrij ruim vertrek. Op den vloer lag een tapijt, en een ander van
zeer rijke stof vóór de sofa, waarop een jongeling op een prachtig
geborduurd kussen zat met over elkander gekruiste beenen, en een'
waaijer in de hand. Ik kon dit alles waarnemen bij het licht van twee
op een' zilveren kandelaar brandende waskaarsen; ook zag ik in zijne
nabijheid eene schaal met vruchten, en vazen waarin de fraaiste bloemen
prijkten.
De jongeling, mij zoo onverwachts voor zich ziende, verschrikte en
verbleekte, doch ik maakte eene beleefde buiging, en om hem volkomen
gerust te stellen, sprak ik hem terstond op minzamen toon aldus aan:
„Heer! wie gij ook zijn moogt, wees gerust, gij hebt van mij niets te
vreezen. Ik ben koning, en ook de zoon eens konings, en dus niet in
staat u de minste beleediging aan te doen. Integendeel hebt gij het
aan uw gelukkig gesternte te danken, dat ik mij hier bevind om u te
verlossen uit dit graf, waarin men u, naar het schijnt, levend heeft
begraven, om redenen, die mij onbekend zijn. Maar wat mij in verwarring
brengt en wat ik niet begrijp (want gij moet weten, dat ik ooggetuige
ben geweest van alles, wat sedert uwe komst op dit eiland heeft plaats
gehad), is, dat gij u, naar het mij toeschijnt, vrijwillig in deze
plaats hebt laten begraven.”
Op deze toespraak liet de jongeling alle vrees varen, en verzocht mij,
met een lagchend gelaat, aan zijne zijde plaats te nemen. Zoodra ik zat,
zeide hij: „Prins, ik zal u eene zaak mededeelen, welke zoo zonderling
is, dat zij u zal verrassen. Mijn vader is een juwelier en heeft door
een' gelukkigen handel en de bekwaamheid, welke hij in zijn vak bezit,
een zeer groot vermogen verworven. Hij heeft een groot aantal slaven, en
nog meerdere reizigers, welke hij met zijne eigene schepen naar alle
oorden der wereld zendt, ten einde alzoo in aanraking te blijven met
de talrijke vorstenhoven, die hem met de levering van paarlen en
edelgesteenten begunstigen.
Hij had nog slechts één wensch: een' zoon en erfgenaam te bezitten, want
zijn echt was kinderloos gebleven. Hij deed gebeden en gaf aalmoezen,
om den hemel tot de vervulling van zijn' wensch te bewegen, en vond
eindelijk verhooring. Op zekeren nacht verscheen hem in den droom een
engel, die tot hem zeide: „Medmed Ali, uwe gebeden en uwe aalmoezen
zijn tot den troon van Allah opgestegen en verhoord; heden over een jaar
zal u een zoon geboren worden, doch hij zal op aarde slechts een kort
leven hebben.”
Deze droom werd, wat het eerste gedeelte betreft, letterlijk vervuld.
Een jaar na dien nacht, waarvan mijn vader aanteekening had gehouden,
kwam ik ter wereld.
Groot was de vreugde mijner ouders, maar deze werd verbitterd door het
tweede gedeelte van den droom, waarin voorspeld was, dat mijn leven niet
van langen duur zou zijn. Mijn vader, hierover zeer bezorgd zijnde, ging
bij de sterrekijkers, gaf den juisten dag van mijne geboorte op, en
verzocht hun de sterren over mijn noodlot te raadplegen. Dit deden zij,
en het antwoord luidde: „Uwen zoon zal tot zijn vijftiende jaar niet het
minste ongeval treffen. Maar op dien ouderdom zal zijn leven in groot
gevaar verkeeren, en hij daaraan met moeite ontsnappen. Indien hij
echter zoo gelukkig is dat gevaar te ontkomen, dan zal hij een lang
leven hebben. Op dien tijd namelijk zal het bronzen ruiterstandbeeld,
dat op de kruin van den zwarten berg staat, door Agib, zoon des konings
Cassib, in de zee worden geworpen, en de sterren voorspellen, dat
vijftig dagen daarna uw zoon door dezen prins zal worden gedood.”
Daar deze voorspelling, wat mijn kort leven betrof, met den droom mijns
vaders overeenkwam, werd hij er zeer door getroffen en ten hoogste
bedroefd. Intusschen droeg hij de grootste zorg voor mijne opvoeding tot
op dit jaar, zijnde het vijftiende mijns jeugdigen levens. Gisteren kwam
het hem ter oore, dat het bronzen ruiterbeeld tien dagen geleden door
gezegden prins Agib in de zee werd geworpen. Dit berigt beangstigde
mijn' vader zoo zeer, dat het verdriet hem bijna onkenbaar heeft
gemaakt.
Inmiddels,” vervolgde de zoon van den juwelier, „heeft mijn vader, op
de voorspelling der sterrekijkers acht gevende, reeds vóór geruimen
tijd maatregelen genomen, om zoo mogelijk mijne planeet leugenachtig
te maken, en mijn leven te behouden. Tot dat einde heeft hij op dit
onbewoonde eiland, met groote kosten en onder de grootste geheimhouding,
dit onderaardsche vertrek laten bouwen. Daar er nu reeds tien dagen zijn
verloopen sedert het ruiterbeeld in zee werd geworpen, heeft mijn vader
zich gehaast mij hier heen te brengen, met belofte dat hij over veertig
dagen terug zal komen om mij af te halen. Wat mij aangaat,” zoo besloot
de jongeling, „ik hoop het beste, en ik geloof niet, dat het den prins
Agib in de gedachten zal komen, mij hier, in den schoot der aarde en te
midden dezer wildernis, op te zoeken. Ziedaar wat ik meende u, als eene
zeer vreemde zaak, te moeten mededeelen.”
Terwijl den zoon van den juwelier mij zijne geschiedenis verhaalde,
kon ik mij niet onthouden in mij zelven te lagchen over de voorzegging
der sterrekijkers, die voorspeld hadden, dat ik dezen jongeling zoude
dooden. Mijne gedachten waren zoo verwijderd van het denkbeeld, om deze
voorspelling ooit tot eene waarheid te maken, dat ik, zoodra hij met
spreken had opgehouden, met geestdrift uitriep: „Mijn goede vriend, wees
volkomen gerust, zoo zeker als de zon aan den hemel staat, hebt gij
niets te vreezen! Ik ben thans blijde, dat ik schipbreuk heb geleden,
en dat mijn noodlot hier heen heeft gevoerd, om uw leven te kunnen
beschermen tegen een ieder, die daarop een' aanslag zou willen maken.
Ik zal gedurende de veertig dagen, dat de valsche voorspellingen der
sterrekijkers u gevaar voorzeggen, niet van uwe zijde wijken, en u alle
diensten bewijzen, welke in mijn vermogen zijn. Daarna zal het mij,
met toestemming van uw' vader en van u, aangenaam zijn van deze zoo
onverwachte gelegenheid gebruik te mogen maken, om naar het vasteland en
van daar naar mijn koningrijk terug te keeren. Deze aan mij te bewijzen
dienst zal ik nimmer vergeten, en op eene aan mijn' rang voegende wijs
weten te erkennen.”
Door deze woorden stelde ik den zoon van den juwelier volkomen gerust
en won zijn vertrouwen. Ik nam mij intusschen, uit vrees dat hij zich
noodeloos zou beangstigen, wel in acht niet te zeggen, dat ik zelf die
gevreesde Agib was. Wij onderhielden ons over verschillende zaken tot
den avondmaaltijd, en ik merkte daarbij op, dat het den jongeling niet
aan geestvermogens ontbrak. Wij aten te zamen van zijn' voorraad. Deze
was zoo groot, dat, al hadde hij buiten mij nog twee gasten gehad, er
na verloop der veertig dagen, nog zou zijn overgebleven. Na het souper,
praatten wij nog een uurtje, en wij begaven ons toen ter ruste.
Den volgenden morgen, toen hij opstond, bood ik hem de badkuip en het
water aan. Daarna bereidde ik het middagmaal, en diende dat ter zijner
tijd voor. Na het eten vond ik een spel uit, waarmede wij den tijd
verdreven. In één woord, ik maakte hem het leven zoo aangenaam mogelijk.
Dit vergold hij door mij zijne genegenheid te schenken, en ik vatte ook
eene warme vriendschap voor hem op.
Zoo ging de tijd snel en als ongemerkt voorbij, en de veertigste dag was
daar, vóór ik er aan dacht. Bij den jongeling was dit echter het geval
niet, want bij zijn ontwaken zeide hij met een gelaat, waarop vreugde te
lezen was: „Prins, die gevreesde veertigste dag is eindelijk daar, en
door de gunst van Allah en uwe goede diensten leef ik nog en ben gezond.
Mijn vader zal niet in gebreke blijven, u daarvoor zijne erkentelijkheid
te bewijzen, door u de middelen te verschaffen, om op de gemakkelijkste
wijze naar uw koningrijk terug te keeren. Doch in afwachting daarvan,”
voegde hij er met een' glimlach bij, „waag ik het nog eene laatste
dienst van mijn' koninglijken gast te vergen. Verpligt mij door deze
badkuip aan te schuiven en het water heet te maken, opdat ik mij bade
en van kleederen verwissele, ten einde mijn' vader waardiglijk te
ontvangen.”
Ik hing water over het vuur, en goot dit, toen het behoorlijk warm was,
in de badkuip. De jongeling zette zich in het bad, ik wiesch en wreef
hem, droogde hem af, en na dat hij zich weder op zijn rustbed had
nedergelegd, dekte ik hem toe, met eene zorg, als of het mijn broeder
ware. Ook zou ik dezen niet meer bemind hebben dan dezen jongeling. Hij
viel weldra in een' gerusten slaap; ik ging voor zijne sponde zitten, en
toen hij ontwaakte, zeide hij, mij de hand toestekende: „Waarde prins!
wat zijt gij toch goed, en wat ben ik veel aan uwe vriendschap verpligt.
Het bad en de slaap hebben mij zeer verkwikt, geef mij nu ook nog een
stukje van dien meloen, met een weinig suiker er over gestrooid.”
Ik stond dadelijk op, om zijn' wensch te bevredigen; doch geen mes bij
de hand hebbende, vraagde ik den jongeling, of hij niet wist, waar de
messen waren. „Gij behoeft niet ver te zoeken,” antwoordde hij, „in de
nis boven mijn hoofd zult gij er een vinden.” Ik ging op den rand van
zijn rustbed staan, en nam het mes, dat mij nu dadelijk in het oog viel,
in de hand; doch door den haast, dien ik maakte, gleed mijn voet uit.
Ik trachtte mij nog staande te houden, maar viel op den jongeling, met
dat ongelukkige gevolg, dat de punt van het mes hem in de borst trof,
en tot in het hart doordrong. Ik hoorde slechts een' diepen zucht, en
hij was dood. Op dit gezigt deed ik het onderaardsche gewelf van mijne
wanhoopskreten weêrgalmen. Ik sloeg mij met de vuisten voor het hoofd,
in het gelaat, op de borst; ik verscheurde mijne kleederen, geheel
verplet wierp ik mij op den grond en riep met een onbeschrijfelijk
smartgevoel uit: „Helaas! nog slechts weinige uren, en hij zou beveiligd
zijn geweest voor het gevaar, waartegen hij hier eene schuilplaats had
gezocht. Ook ik meende, dat alle gevaar voorbij was, en op dat zelfde
oogenblik wordt ik zijn moordenaar, en maak de voorspelling, die mij
toescheen ijdel te zijn, tot eene vreeselijke waarheid. O Allah!”
vervolgde ik, het hoofd en de handen hemelwaarts heffende, „vergeef mij
deze onwillekeurige daad; maar indien ik eenigzins schuldig ben aan den
dood van dezen jongeling, laat dan uw bliksem mij verpletteren!”
Mejufvrouw,” vervolgde de derde calender, diep zuchtende, tegen Zobeïde,
„na het ongeluk, dat mij was overkomen, zou ik den dood, indien hij zich
aan mij had voorgedaan, onbevreesd te gemoet zijn getreden; het leven
scheen mij toe geene waarde meer te hebben. Maar het kwade zoo wel als
het goede komt niet altoos, wanneer wij het wenschen. Wie naar den dood
verlangt, zal daarop dikwijls nog lang moeten wachten; wie hem het meest
vreest, heeft somtijds het eerst zijne komst te verwachten. Het zou ook
niet goed zijn, indien onze niet zelden dwaze wenschen vervuld werden;
menigeen zou daarover later berouw gevoelen, en wel willen ze niet
gedaan te hebben.
Dit was ook met mij het geval. Weldra keerde de liefde tot het leven,
welke ook den ongelukkigste bijblijft, terug. Ik overwoog, dat ik den
jongeling, door bij zijn lijk te weeklagen en te weenen, niet weder
in het leven kon roepen, en daar de veertigste dag weldra ten einde
spoedde, en ik dus door zijn' vader spoedig verrast kon worden, werd ik
bedacht op zelfbehoud. Ik verliet het onderaardsche verblijf, legde er
den steen weder op en bedekte dien met aarde.
Naauwelijks had ik dit gedaan, of zeewaarts ziende naar den kant van het
vaste land, zag ik het scheepje, dat den jongeling moest afhalen, met
volle zeilen naderen. Indien de grijsaard zag, dat zijn zoon gedood
was, en wanneer hij mij hier vond, was het te vreezen, dat hij, door
zijne diepe smart voor reden onvatbaar, mij, als een zoenoffer voor
den vermoorden jongeling, door zijne slaven zou laten slagten. De
voorzigtigheid raadde mij dus aan dat gevaar niet vermetel te gemoet
te gaan, maar het te ontvlugten, waartoe de gelegenheid voor mij open
stond.
In de nabijheid van het onderaardsche gebouw bevond zich een dikke
en hooge boom, wiens bladrijke kruin mij eene geschikte schuilplaats
aanbood. Ik klom daarin, en naauwelijks had ik mij zoo geplaatst, dat ik
niet het geringste gevaar liep van gezien te zullen worden, of ik zag
het scheepje de kreek binnen loopen.
De grijsaard en de slaven gingen weldra aan land, en sloegen den weg in
naar het onderaardsche gebouw. Het scheen mij toe, gelijk ik uit hunnen
gang en hunne gebaren kon opmaken, dat zij in het eerst goeden moed
hadden; doch toen zij op de plaats zelve kwamen, en de aarde versch
omgegraven vonden, verbleekte de grijsaard en begon te beven. De aarde
werd weggeruimd, de steen opgeligt, en de jongeling bij zijnen naam
geroepen. Geen antwoord krijgende, klom hunne ongerustheid. Eenige
slaven stegen af, en weldra kon ik de kreten dezer lieden, hun door
schrik afgeperst, hooren. Zij hadden den jongeling gevonden, op zijn
rustbed uitgestrekt, met het mes, dat ik den moed niet had gehad daaruit
te trekken, in het hart. De grijsaard stortte bewusteloos neder, de
slaven namen hem op, en legden hem op een tapijt onder den boom, waarin
ik mijne schuilplaats had.
Het is niet mogelijk u de wanhoop van den grijsaard, toen hij weder
tot bewustzijn kwam, te beschrijven, noch hetgeen ik daarbij leed. De
slaven groeven een graf, en legden er den jongeling in met zijne beste
kleederen aan. De grijsaard, ondersteund door twee zijner slaven en in
tranen badende, wierp er de eerste schop aarde op, waarna het graf door
de slaven werd digt gemaakt.
Dit gedaan zijnde, werden het huisraad en de nog overgebleven
levensmiddelen uit het onderaardsche gebouw gehaald, en weder aan boord
gebragt. Het laatst volgde de grijsaard, dien men op eenen draagbaar
naar het schip moest brengen. Zoodra allen aan boord waren, werden de
zeilen geheschen, en in korten tijd was het scheepje, dat den bedroefden
vader mede voerde, uit het gezigt verdwenen.
Ik bleef nu alleen op het eiland achter, en bragt den nacht in
het onderaardsche verblijf, dat men had opengelaten, in eene zeer
onaangename stemming door. In den droom verscheen mij de bloedige
jongeling met het mes nog in de borst, waarop hij wees, doch hij
stak mij tevens de hand toe, als wilde hij te kennen geven, dat hij
mij zijn' ongelukkigen dood niet toerekende, daar niet ik, maar het
onverbiddelijke noodlot, dat geen sterveling kan ontgaan, er de schuld
van droeg. Die hand, welke ik aangreep, was koud; ik werd met schrik
wakker, en nog wakende stond mij zijn beeld voor oogen. Er verliepen
eenige dagen, eer ik het uit mijne gedachten kon zetten.
Intusschen was mijn toestand op zich zelven reeds treurig genoeg. Men
had uit het onderaardsche verblijf alles mede genomen, wat vervoerbaar
was, en mij niets overgelaten dan een ledig hol, waarin ik bij nacht
en bij zware regens eene schuilplaats kon vinden. Ik moest mijn leven
onderhouden met de wilde vruchten, welke ik aan de boomen, en met
schelpvisschen, die ik aan het strand vond.
Elf maanden, die mij toeschenen eene eeuwigheid te zijn, had ik reeds op
dit eiland doorgebragt, toen ik, op een morgen naar het strand gaande om
schelpvisschen te verzamelen, bespeurde, dat het water een groot eind
was afgeloopen; slechts een smalle strook scheidde het eiland nog van
het vasteland, en ik bemerkte dat de zee zoo ondiep was, dat men ze
doorwaden kon.
Ik bedacht mij niet lang, om de gevaarlijke reis te ondernemen, en
na een' hoogst vermoeijenden togt van eenige uren nu eens tot aan de
knieën, dan tot aan de borst door het water gaande, dan weder zwemmende,
had ik het geluk den wal te bereiken. Ik bedankte Allah voor deze
onverwachte uitkomst, en ging, na eenige oogenblikken rust, bemoedigd
dieper het land in. Ik had reeds lang geloopen, zonder eene menschelijke
woning te ontdekken, toen ik in de verte een groot vuur zag. „Ha,” dacht
ik, „dat vuur kan zich niet van zelven hebben ontstoken, daar moeten
menschen zijn.”
Doch toen ik naderbij kwam, ontdekte ik dat, hetgeen ik had aangezien
voor een groot vuur, een paleis van rood koper was, hetwelk, door de
stralen der ondergaande zon beschenen, zich op een' afstand als een
vuurgloed vertoonde.
Ik zette mij in de nabijheid van dit paleis onder een' boom neder, om
een weinig van mijne vermoeijenis te bekomen, en de schoonheid van dit
gebouw te bewonderen. Ik kon er mijne oogen niet aan verzadigen, en
werd als verblind door den glans van het koper, waarop ik staarde, toen
eensklaps tien jongelieden, allen prachtig gekleed, al wandelende naar
mij toekwamen. Zij werden vergezeld door een' eerwaardig grijsaard, die
door zijne lange gestalte boven allen uitstak, niettegenstaande hij in
eene eenigzins gebogen houding ging. Doch wat mij het vreemdste voorkwam
was, dat die jonge lieden, welgemaakt van lijf en leden, allen blind
waren aan het regter oog.
Ik was ten hoogste verwonderd zoo vele éénoogigen te ontmoeten. Terwijl
ik er over nadacht door welken zonderlingen zamenloop van omstandigheden
deze bij elkander kwamen, waren zij mij genaderd, en betuigden hunne
vreugde, mij daar te zien. Na afloop der wederzijdsche pligtplegingen,
vraagden zij, door wat toeval ik mij daar bevond. Ik antwoordde hun, dat
mijne geschiedenis vrij lang was, doch indien zij geduld hadden om die
aan te hooren, ik bereid was aan hun verlangen te voldoen. Zij zetten
zich bij mij neder, en ik verhaalde hun al wat mij was overkomen,
sedert ik mijn koningrijk had verlaten, hetgeen hunne verwondering in
hooge mate opwekte.
Zoodra ik het verhaal van mijne zonderlinge lotgevallen had geëindigd,
stonden de jongelieden op, en noodigden mij uit hen naar het koperen
paleis, waar zij hun verblijf hielden, te vergezellen. Ik nam dit
gastvrije aanbod met vreugde aan, want niets was mij op dien oogenblik
meer welkom. Wij gingen het paleis door eene breede poort binnen, en het
voorplein overgegaan zijnde, kwamen wij door eene tweede poort in eene
lange reeks van vertrekken, allen prachtig gemeubeld. Ook deze gingen
wij door, tot dat wij in eene groote zaal kwamen van koepelvormige
gedaante, waarin tien sofa's stonden, die te zamen een' kring vormden,
en zoo waren ingerigt, dat zij tot zit- en slaapplaats tevens konden
dienen. In het midden van dezen kring bevond zich eene elfde sofa, in
alles aan de anderen gelijk, maar minder verheven, waarop de grijsaard
plaats nam, terwijl de jongelieden elk op eene der in het rond staande
sofa's gingen zitten.
Daar elke sofa slechts voor één persoon geschikt was, zeide een der
jongelieden tot mij: „Daar er geene andere plaats meer open is, zoo zet
u op het tapijt midden in de zaal, en bemoei u niet met hetgeen ons
aangaat, vraagt zelfs niet naar de oorzaak, waarom wij allen blind zijn
aan het regter oog. Vergenoeg u met te zien wat hier geschiedt, zonder
uwe nieuwsgierigheid verder uit te strekken. Deze raad geef ik u tot uw
eigen welzijn.”
De grijsaard bleef niet lang zitten, hij stond op en verliet de zaal.
Niet lang daarna kwam hij terug met het avondmaal voor de tien heeren,
waarvan hij aan ieder in het bijzonder zijne portie gaf. Ook ik kreeg
een gelijk gedeelte; en toen wij met eten gedaan hadden, bood de
grijsaard ons elk een' beker wijn aan.
Mijne geschiedenis was aan mijne gastheeren zoo buitengewoon
voorgekomen, dat ik na afloop van den maaltijd ze nog eens moest
herhalen. Zij leverde stof op voor een onderhoud, dat tot laat in den
nacht duurde. Een der heeren, bemerkende dat het tijd werd om te gaan
slapen, zeide nu tegen den grijsaard: „Gij ziet, dat het tijd is om
ter ruste te gaan, en gij hebt verzuimd om te brengen, wat wij noodig
hebben, om den op ons rustenden pligt te vervullen. Haast u dus!” De
grijsaard stond op, begaf zich in een aan de zaal grenzend vertrek, en
bragt achtereenvolgens op zijn hoofd tien waschbekkens aan, allen bedekt
met een stuk blaauwe stof. Voor ieder der heeren zette hij een der
bekkens neder, en plaatste daarbij een ontstoken flambouw.
Zij dekten de bekkens open, waarin zich asch, houtskool en nog een ander
zwart poeder bevond. Dit alles mengden zij met water dooreen, en vingen
aan er zich het gelaat mede in te vrijven, zoodat zij weldra op Mooren
geleken, en er afschuwelijk uitzagen. Na zich dus zwart gemaakt te
hebben, begonnen zij te huilen en te kermen, sloegen zich met de vuisten
voor het hoofd en op de borst, en riepen al weêklagende uit; „Zie daar
de vrucht van onze ledigheid en van ons losbandig leven!”
Zij bragten een groot gedeelte van den nacht met deze vreemde bezigheid
door. Als zij eindelijk daarmede ophielden, bragt de grijsaard andere
bekkens met schoon water aan; de heeren wieschen zich het aangezigt en
de handen zoo lang, tot dat zij weder een menschelijk aanzien kregen.
Daarop verwisselden zij van kleederen, zoodat er weldra geen spoor
meer achter bleef van de vreemde en morsige verrigting, waarvan ik de
zwijgende ooggetuige was geweest.
Gedurende al dien tijd stond ik honderde malen op het punt het hooren,
zien en zwijgen, mij door die heeren opgelegd, te vergeten en hen met
mijne vragen te bestormen. Zoo zeer waren mijne gedachten er mede
bezig, dat ik dien nacht geen oog kon sluiten.
Den volgenden morgen, zoodra wij waren opgestaan, gingen wij naar buiten
om een luchtje te scheppen, en deze gelegenheid aangrijpende, zeide ik
tegen hen: „Mijne goede heeren! gij moogt het mij kwalijk duiden of
niet, maar ik moet u openhartig verklaren, dat ik den raad, mij gisteren
door u gegeven, niet langer wil in acht nemen, om de eenvoudige reden,
dat het mij onmogelijk is. Ik heb u in dezen korten tijd leeren kennen,
als mannen van een gezond verstand, die zelfs in geestontwikkeling
uitmunten; doch niettegenstaande dit heb ik u dingen zien doen, waartoe
alleen dwazen en gekken in staat zijn. Wat daarvan dan ook voor mij de
gevolgen mogen zijn, ik kan mij niet langer bedwingen, en moet u vragen,
om welke reden gij uw gelaat met asch, houtskool en nog een ander zwart
poeder, waarvan mij de naam onbekend is, hebt besmeerd, en eindelijk hoe
het komt, dat gij allen slechts één oog hebt? Het kan niet anders of
dit moet eene zeer bijzondere oorzaak hebben; daarom bezweer ik u,
mijne nieuwsgierigheid te bevredigen.” Op dit alles, hoe sterk ik ook
aandrong, kreeg ik slechts tot antwoord, dat dit zaken waren die mij
niet aangingen, en waarbij ik niet het minste belang kon hebben, terwijl
ik wel zou doen mij daarmede tevreden te stellen.
Ik onderwierp mij aan de noodzakelijkheid, en wij onderhielden ons
dien dag slechts over onverschillige zaken. Overigens bragten wij den
dag gelijk den voorgaanden door, en toen des avonds het souper was
afgeloopen, bragt de grijsaard andermaal de met blaauw laken overdekte
bekkens aan; de jongelieden besmeerden zich, weenden, sloegen zich met
vuisten en jammerden: „Zie daar de vrucht van onze ledigheid en van ons
losbandig leven!” Dit zelfde schouwspel had elken nacht plaats.
Ten laatste kon ik aan mijne nieuwsgierigheid geen weêrstand meer
bieden, en bad hen op het ernstigste deze te bevredigen, of mij aan te
wijzen, langs welken weg ik naar mijn koningrijk kon wederkeeren; want
ik zeide hun, dat het mij niet mogelijk was langer in hun gezelschap te
blijven, en elken nacht van zulk een vreemd schouwspel getuige te zijn,
zonder dat het mij was geoorloofd daarvan de oorzaak te weten.
Een der heeren voor allen het woord opnemende, antwoordde mij:
„Verwonder u niet over ons gedrag tegenover u; indien wij tot nu toe
aan uwe bede geen gehoor gaven, is dit alleen geschied uit zuivere
vriendschap, en om u het verdriet te besparen in dienzelfden toestand te
worden gebragt. Hebt gij echter lust ons ongelukkig lot te deelen, gij
hebt slechts te spreken, en wij zullen aan uw verlangen voldoen.” Ik
verklaarde op alles, zelf op het ergste, voorbereid te zijn. „Luister
nogmaals naar mij,” hernam dezelfde heer, „wij raden u ten sterkste aan,
dat gij uwe nieuwsgierigheid overwint; want het verlies van uw regteroog
staat er bij op het spel.” „Dat zij zoo!” riep ik, „ik betuig u plegtig,
dat indien dat ongeluk mij mogt overkomen, gij er niet schuldig aan
zult zijn, en ik dit alleen aan mij zelven zal te wijten hebben.” Hij
hield mij nog voor, dat ik, na mijn oog verloren te hebben, niet in
hun gezelschap zou kunnen blijven, want dat zij voltallig waren, en
hun getal niet vermeerderd mogt worden. Ik antwoordde, dat het mij
ongetwijfeld hoogst aangenaam zou zijn, altoos in hun gezelschap te
mogen blijven, doch mogt dit niet geschieden, ik dan gereed was mij aan
de noodzakelijkheid te onderwerpen, daar ik, tot welken prijs ook, mijne
nieuwsgierigheid bevredigd wenschte te zien.
Toen de tien heeren zagen, dat ik van mijn besluit niet was af te
brengen, namen zij een schaap, dat zij slagtten, en waarvan zij het vel
aftrokken. Zij boden mij het mes aan, waarvan zij zich hadden bediend,
en zeiden tot mij: „Neem dit mes, gij zult, gelijk wij u aanstonds
zullen zeggen, in de gelegenheid komen, om er gebruik van te maken.
Het is noodig, dat gij u in dit schaapsvel wikkelt, wij zullen het
dan toenaaijen, en u, terwijl wij ons verwijderen, op deze plaats
achterlaten. Alsdan zal een vogel van monsterachtige grootte, Rok
genaamd, zich in de lucht vertoonen, en u voor een schaap aanziende, op
u nederschieten, in zijne klaauwen opnemen, en zich tot in de wolken
verheffen. Dit doe u niet schrikken. Hij zal zijne vlugt weder naar de
aarde nemen en u op de kruin van een' berg nederleggen. Zoodra gij den
grond voelt, zoo bedien u van het mes om het vel open te snijden, en er
u van te ontdoen. Wanneer de Rok u ziet zal hij, door een' plotselingen
schrik aangegrepen, weg vliegen en u in vrijheid laten. Houd u echter
op die plaats niet op, maar daal den berg af, en ga voort, tot dat gij
aan een kasteel komt van ontzettende grootte, geheel bedekt met gouden
platen, en schitterend van edelgesteenten. Nader de poort, die ten allen
tijde geopend is, en treed binnen. Ook wij allen zijn in dat kasteel
geweest. Wij zeggen u niets van hetgeen wij daar gezien hebben, noch
wat ons is overkomen, gij zult dit zelf ondervinden. Wat wij u echter
zeggen kunnen is, dat het aan elk onzer het regteroog heeft gekost; de
boetedoening, welke gij ons hebt zien verrigten, is ons mede opgelegd,
als eene niet te ontduiken verpligting, omdat wij daar zijn geweest. De
geschiedenis van ieder onzer in het bijzonder gaat van de wonderlijkste
ontmoetingen gepaard, en men zou er een dik boek van kunnen schrijven,
maar u meer daarvan te zeggen, is ons verboden.”
Mejufvrouw,” vervolgde de derde calender tot Zobeïde, „toen de éénoogige
heer de woorden had gezegd, die ik de eer heb gehad u mede te deelen,
wikkelde ik mij in het schaapsvel, voorzien van het mes, dat hij mij had
ter hand gesteld, en nadat de jongelieden zich de moeite hadden gegeven
mij daarin te naaijen, lieten zij mij op die plaats achter, en keerden
naar hun paleis terug. De Rok, waarvan men mij gesproken had, vertoonde
zich spoedig, pijlsnel schoot hij neder, nam mij, meenende een schaap
voor zich te hebben, in zijne klaauwen, en bragt mij op de kruin van
een' berg. Zoodra ik grond voelde, verzuimde ik niet mij van het mes te
bedienen, ik sneed het vel door, ontdeed er mij van, en vertoonde mij
aan den Rok, die, zoodra hij mij zag, zijne vleugelen uitspreidde en
wegvloog. Deze Rok, Mejufvrouw, is een witte vogel van monsterachtige
grootte en dikte. Hij is zoo sterk, dat hij een' olifant van de aarde
opnemen, en naar den top van het gebergte voeren kan, waar hij hem doodt
en verslindt.
De reis in eene zoo benaauwde gevangenis was mij niet bevallen; ik
was blijde er uit ontslagen te zijn, en daarbij vertrouwde ik ook den
vogel Rok niet al te zeer. Hij mogt, van den schrik bekomen, die mijne
plotselinge verschijning hem veroorzaakte, eens in den zin krijgen om
terug te keeren, en uit wraak wegens de hem gespeelde poets mij, in
plaats van het gedachte schaap, voor een ontbijt oppeuzelen; redenen
genoeg om zoo kort mogelijk op den berg te vertoeven, al ware ook mijn
verlangen om op het kasteel te komen, waarvan men mij zoo vele wonderen
had verhaald, minder groot geweest. Ik daalde alzoo zonder tijdverlies
den berg af, en stapte, den weg inslaande, die men mij had aangeduid,
zoo stevig door, dat ik reeds op den middag het kasteel voor mij zag
liggen in al zijne pracht van goud en kostbare edelgesteenten, die
als sterren van verschillenden gloed en kleuren op dien gouden grond
schitterden. Ik werd er als door verblind, en moest bij mij zelven
bekennen, dat men er mij bij de beschrijving nog veel te weinig van
gezegd had, daar deze verre beneden de werkelijkheid bleef.
Ik vond, gelijk mij gezegd was, de poort open. Het voorhof, dat ik nu
betrad, was vierkant en zoo uitgestrekt, dat ik, rond ziende, negen en
negentig deuren telde, allen van sandel- en aloëhout. De honderdste
deur was van goud; terwijl prachtige trappen naar de bovenvertrekken
geleidden. Deze honderd deuren verleenden den toegang tot even zoo vele
prachtige tuinen of magazijnen, opgevuld met waren van eene onschatbare
waarde. Het geheel was zoo prachtig en rijk, dat ik nooit zoo iets
gezien had, terwijl het paleis in de hoofdstad van mijn koningrijk,
hoewel waardig een' magtigen koning tot verblijf te verstrekken, er
slechts een kippenhok bij geleek.
Ik aarzelde intusschen niet eene der deuren, welke zich regt tegenover
mij bevonden, binnen te treden. Eensklaps bevond ik mij in eene groote
zaal tegenover veertig jonge dames van zulk eene alles overtreffende
schoonheid, dat zelfs de verbeelding ook niets volmaakter zou kunnen
voorstellen. Allen waren op het prachtigst gekleed. Zoodra zij mij
zagen, kwamen zij, zonder zelfs mijnen groet af te wachten, met alle
teekenen van blijdschap naar mij toe, uitroepende: „Bravo ridder,
wees ons duizendmaal welkom!” Een van haar, nu het woord voor allen
opvattende, vervolgde: „Reeds lang wachten wij op de komst van een'
ridder gelijk gij. Uw uiterlijk teekent al die goede hoedanigheden,
welke wij zouden kunnen wenschen, en wij vleijen ons, dat ook gij ons
gezelschap niet onaangenaam of uwer onwaardig zult vinden.”
Hoezeer ik mij daartegen ook verzette, zij dwongen mij op een' zetel
plaats te nemen, die eenigzins hooger was dan de anderen, waarop zij
zelve bij mijne komst zaten. Toen ik betuigde, dat dit te veel eer
voor mij was, zeiden zij: „Dat is de plaats, die u toekomt: van dezen
oogenblik af, zijt gij onze heer, onze meester en onze regter; wij uwe
slavinnen, bereid om uwe bevelen te ontvangen.”
Niets ter wereld verwonderde mij zoo zeer dan de ijver, die deze
schoone dames aan den dag legden, om mij alle mogelijke diensten te
bewijzen. De eene bragt warm water aan, en waschte mij de voeten. Eene
andere goot welriekend water over mijne handen, weder anderen bragten
alles aan, wat noodig was om mij van kleeding te doen verwisselen; nog
anderen droegen een keurig collation op, terwijl eindelijk de overigen
zich met een glas en eene karaf in de hand achter mij plaatsten en
mij, zoo dikwijls ik daartoe lust gevoelde, van den geurigsten wijn
inschonken. Dit alles geschiedde zonder de minste wanorde, en met zulk
eene bevalligheid, dat ik er geheel van opgetogen werd. Nadat ik mijn'
maaltijd had geëindigd, zetten al de dames zich in een' kring om mij
neder en verzochten mij, of ik de goedheid wilde hebben haar mijne reis
te verhalen. Ik vertelde haar mijne zonderlinge lotgevallen en de
rampspoeden, waarmede ik te kampen had gehad. Ik kon zien, dat zij
daaraan hartelijk deelnamen. Zij wenschten mij geluk, dat het noodlot
mij in dit kasteel had gevoerd, daar nu voor haar en, zoo zij hoopten,
ook voor mij een tijd van ongestoord geluk zou aanbreken.
Toen ik,” vervolgde de calender, „mijne geschiedenis aan de veertig
dames had verhaald, begon het donker te worden, en terwijl eenigen
bleven om mij gezelschap te houden, verwijderden anderen zich om
waskaarsen te halen. Zij bragten er eene groote menigte mede, wier licht
dat van den dag zoo volkomen geleek, dat ik niet kon nalaten, er haar
mijne verwondering over te betuigen.
Andere dames hielden zich inmiddels bezig met de tafel te voorzien van
gedroogde vruchten, confituren en andere tot drinken opwekkende spijzen,
ten einde de fijne wijnen en likeuren, welke in kristallen karaffen op
het buffet in koelbakken geplaatst werden, te meer aftrek mogten vinden.
Alles gereed zijnde, deed men mij aan het boveneinde der tafel plaats
nemen; de dames zetten zich mede aan, en al etende en drinkende ging de
tijd voorbij, terwijl de krachtige wijn onze harten tot vrolijkheid
stemde. Eenige dames stonden nu van tafel op, en haalden hare
muzijkinstrumenten, waarvan zij de heerlijkste toonen ontlokten, en
waarbij zij met eene liefelijke stem zongen. Andere voerden eene soort
van dans uit, en kwamen zoo bij paren voor mij, waarbij zij zoo veel
vlugheid en bevalligheid ten toon spreidden, dat, zoo ik uitspraak had
moeten doen, ik in verlegenheid zou zijn geweest, aan wie den eerepalm
te moeten toekennen, aan die bekoorlijke zangsters, of aan die schoone
danseressen; beide bragten mij in verrukking.
Het was reeds laat in den nacht, eer wij er aan dachten, dat ook de
god des slaaps zijne regten heeft, die men hem niet straffeloos kan
onthouden, en wij begaven ons ter ruste nog onverzadigd van de genoten
genoegens, maar met de troostvolle gedachte! dat de volgende dag ons
weder een gelijk genot zou opleveren.
En waarlijk, naauwelijks had ik mij aangekleed, of de dames kwamen reeds
weder tot mij, allen anders en nog veel kostbaarder gekleed dan den
vorigen dag. Zij wenschten mij goeden morgen, en vraagden met de meeste
belangstelling naar mijne gezondheid. Ik verzekerde haar, dat deze niets
te wenschen overliet en dat zelfs een zieke, in zulk een aangenaam
gezelschap als het hare, zonder de hulp van geneesmeester of medicijnen,
zeer zeker gezond zou worden. De dames namen mij vervolgens in haar
midden en voerden mij als in triomf naar de groote zaal, waar een
uitgezocht ontbijt mij wachtte. Wij bragten dien dag op nieuw met lekker
eten en drinken en met allerlei vermakelijkheden door, de tijd vloog om,
en het was weder nacht voor wij het wisten.
Zoo ging,” vervolgde de derde calender, „de eene dag gelijk de andere
voorbij, en dit vrolijke en weelderige leven, duurde een vol jaar,
zonder door iets gestoord te worden. Gij kunt u dus voorstellen,
Mejufvrouw, hoe verwonderd ik was, toen, op den eersten dag van het
nieuw ingetreden jaar, de veertig dames, in plaats van mij vrolijk te
komen geluk wenschen, in tranen badende binnentraden, mij elk op hare
beurt omhelsden, en daarbij al snikkende zeiden: „Vaarwel, waarde prins!
vaarwel; wij moeten u verlaten.” Hare tranen en hare smart troffen mij.
Ik smeekte haar mij te zeggen: wat aanleiding kon hebben gegeven tot
deze droefheid en tot de scheiding, waarvan zij mij spraken. „In naam
van den grooten Profeet, mijne schoone dames,” voegde ik er nog bij,
„zegt mij, of het in mijne magt is u te troosten, en of mijne hulp
u van dienst kan zijn?” In plaats van hierop een afdoend antwoord te
geven, riepen zij uit: „Ach prins! Gave de hemel, dat wij u nooit
gezien of gehoord hadden! Vele ridders schonken ons, vóór u, de eer
van hun bezoek; maar niet een van hen kon aanspraak maken op die losse
bevalligheid, die zachtheid van inborst, dat vrolijke humeur en andere
hoedanigheden, welke wij bij u hebben aangetroffen. Wij weten niet hoe
wij, van u verwijderd, zullen kunnen leven!” Bij het eindigen dezer
woorden begonnen zij op nieuw bitter te weenen. „Mijne beminnelijke
dames,” hernam ik, „ik bid u, mij niet langer in onzekerheid te laten;
zegt mij onbewimpeld, wat de oorzaak van uwe droefheid is, misschien
weet ik dan een middel, om ze te doen ophouden of te lenigen.” „Helaas!”
antwoordden zij, „wat anders, prins! zou ons zoo diep kunnen bedroeven,
dan de treurige noodzakelijkheid, waarin wij verkeeren om u te moeten
verlaten. Misschien zien wij u nimmer terug! Indien gij dit echter
wilt en daartoe genoeg heerschappij over u zelven bezit, zoo is onze
hereeniging niet onmogelijk.”—„Dames!” antwoordde ik hierop, „ik
begrijp niets van hetgeen gij daar zegt; hebt de goedheid u duidelijker
te verklaren.” „Het zij dan zoo!” sprak eene van haar, „ook hierin,
prins, zullen wij u genoegen geven. Weet dan, in de eerste plaats, dat
wij allen prinsessen, allen koningskinderen zijn. Wij leiden hier te
zamen dat genoegelijke leven, waarvan gij getuige zijt geweest en
waaraan gij deel hebt genomen; maar aan het einde van elk jaar zijn wij
gedwongen ons voor veertig dagen naar elders te begeven, ten einde een'
op ons rustenden pligt, waarvan niets ons kan verschoonen, te vervullen.
Het is ons niet geoorloofd u het geheim, dat daaraan verbonden is, te
openbaren; maar na die veertig dagen hebben wij vrijheid naar dit
kasteel terug te keeren. Het nieuwe jaar is heden ingegaan, en nog
dezen dag moeten wij ons op reis begeven en u achterlaten. Ziedaar de
oorzaak van onze droefheid. Vóór ons vertrek echter zullen wij u alle
sleutels ter hand stellen en, in de eerste plaats, die van de honderd
poorten. Gij zult daar veel zien en vinden, dat de nieuwsgierigheid
kan bevredigen en u de eenzaamheid, gedurende ons afzijn, zal kunnen
verkorten en veraangenamen. Maar voor uw eigen en niet minder voor ons
geluk, moeten wij u aanbevelen, u te onthouden van het openen der gouden
poort. Zoo gij deze opent, zullen wij u nimmer wederzien, en de vrees
daarvoor vergroot onze droefheid. Doch wij willen hopen, dat gij met den
raad, dien wij u geven, uw voordeel zult doen. Het geldt hier uwe rust
en het geluk van uw leven: neem dit wel in acht. Indien gij aan eene
onbetamelijke nieuwsgierigheid toegeeft, zult gij u een groot ongeluk op
den hals halen. Wij bezweren u dus in uw en in ons belang, dat gij u
voor deze zwakheid wacht, en ons alzoo den troost schenkt u na veertig
dagen hier weder te zullen ontmoeten. Wij zouden den sleutel van de
gouden poort wel kunnen medenemen, maar het zou eene beleediging zijn
voor een' prins van uwe deugden, als wij zoo weinig zielskracht en zulk
een gebrek aan zelfbeheersching bij u veronderstelden.”
Ik betuigde aan de dames mijn leedwezen over onze ophanden zijnde
scheiding, die mij niet minder zwaar zou vallen dan haar. Tevens
trachtte ik haar te troosten door de verzekering, dat ik den raad, om
die gouden poort niet te openen, getrouw zou in acht nemen, niet zoo
zeer uit vrees voor hetgeen mij zou kunnen overkomen, dan wel om zeker
te zijn, dat ik haar na verloop van veertig dagen zoude wederzien;
een geluk door mij zoo hooggeschat, dat ik er mijn leven voor in de
waagschaal zou willen stellen, en dus zeker eene nieuwsgierigheid
bedwingen, die in dit geval zeer onbescheiden, ja eene strafbare
dwaasheid zijn zou.
Ik zeide dit uit volle overtuiging, en zulks scheen op de prinsessen
een' goeden indruk te maken. Dat onze scheiding niet voor altoos, maar
slechts van korten duur zou zijn, goot een' verzachtenden balsem in hare
diep gewonde harten. Het oogenblik des afscheids werd daardoor minder
bitter, ik omhelsde haar, de eene na de andere, en eenigszins getroost
verlieten zij het kasteel, waarin ik alleen achterbleef.
De genoegens van het aangename gezelschap, de goede sier die wij
maakten, de concerten en andere vermaken hadden mij gedurende dit jaar
zoo zeer bezig gehouden, dat het mij aan tijd en lust had ontbroken,
al de wonderen te bezien, waarvan dit betooverde paleis zulk eene
onuitputtelijke menigte bezat. Zelfs de duizend en één wonderen,
welke ik dagelijks voor oogen had, waren niet in staat geweest mijne
aandacht te boeijen, zoo zeer werd ik bekoord door de onvergelijkelijke
schoonheid der prinsessen, die slechts over eene zaak bezorgd
waren, namelijk om mij genoegen te doen en te behagen. Haar vertrek
veroorzaakte mij dus eene groote droefheid, en ofschoon haar afzijn
slechts veertig dagen zou duren, scheen mij dit echter toe eene
eeuwigheid te zijn.
Ik had stellig voorgenomen den gewigtigen raad, om de gouden of
honderdste poort niet te openen, te zullen opvolgen, doch daar het mij
geoorloofd was mijne nieuwsgierigheid ten aanzien van de negen en
negentig overigen te bevredigen, zoo aarzelde ik niet de eerste poort
te ontsluiten.
Door deze poort, Mejufvrouw,” vervolgde de calender, „kwam ik in een'
boomgaard of fruittuin, wiens weêrgade ik niet geloof, dat op de wereld
bestaat. Die van het paradijs, ons door onze godsdienst beloofd, kan
hem niet overtreffen. Orde, netheid en bevallige rangschikking van de
duizenderlei fruitboomen, sommige nog in vollen bloei, andere prijkende
en als overladen met de heerlijkste vruchten, bekoorden het gezigt. Zeer
kunstig aangebragte waterleidingen kronkelden als slingerende beekjes
door den geheelen hof, en bevochtigden de wortels der boomen, op zulk
eene wijze, dat iedere boomsoort naar mate van hare behoefte, iedere
vrucht naar gelang van hare ontwikkeling, het noodige water ontving,
hetgeen tengevolge had, dat bomen en vruchten er allen even bloeijend en
frisch uitzagen en de laatste zoo buitengewoon groot, kleurig en geurig
waren. Ik zou in dezen schoonen tuin den ganschen dag, ja, dagen hebben
kunnen doorbrengen, zonder mij een oogenblik te vervelen; maar juist het
schoone dat ik hier zag, was een' prikkel voor mijne nieuwsgierigheid,
welke mij weldra dit aardsche paradijs deed verlaten en de tweede poort
openen.
Wat ik daar zag, was geen fruit- maar een bloemtuin, niet minder
verwonderlijk in zijne soort dan de vorige. De geheele hof, op gelijke
wijze kunstmatig besproeid, scheen mij toe slechts een groot en eenig
bloemperk uit te maken, want, waar ik ook de oogen wendde, ik zag
overal alleen bloemen. De roos, de jasmijn, de angelier, de violier,
de narcis, de hyacint, de anemoon, de tulp, de ranonkel, de lelie en
een onnoemelijk aantal andere bloemen, die elders op onderscheidene
tijden bloeijen, tot zelfs de aloë, die anders slechts elke honderd jaar
zijne prachtige bloem vertoont, stonden hier te gelijk in vollen bloei,
leverden de schoonste verscheidenheid van kleuren op, en vervulden de
lucht met welriekende geuren.
Toen ik dezen lusthof verliet en de derde poort ontsloot, deed zich
een nieuw wonder aan mij voor. Ik bevond mij in eene volière van
een' verbazenden omvang. De vloer bestond uit marmeren platen van
verschillende kleur. De kooi was van sandel- en aloëhout, doorvlochten
met goud- en zilverdraad, en ik zag er alle mogelijke vogelen, welke
door schoonheid van gevederte het oog bekoren, of door hun liefelijk
gezang het gehoor streelen. De voeder- en waterbakken waren van jaspis
en van agaatsteen. Overigens was deze volière zoo rein, dat ik nergens
de minste smet of onzindelijkheid zag, zoodat, hare uitgestrektheid en
de menigte der gevleugelde bewoners in aanmerking genomen, er naar mijn
oordeel wel honderd oppassers noodig waren om ze in dezen staat te
houden, en echter bespeurde ik noch hier, noch in de tuinen, die ik
bezocht had, een enkel mensch. De gedachte kwam dus bij mij op, dat dit
het werk van een' magtigen geest of van eene toovernimf zijn moest;
menschelijk vermogen schoot hier te kort.
De zon was inmiddels ondergegaan, en de duizenden bewoners dezer
volière, de nachtegaal uitgezonderd welke nu zijn liefelijk gezang liet
hooren, zwegen en zochten eene schuilplaats onder het loof der altoos
groenende boomen, tot hun gebruik aldaar geplant, om er den nacht in
zoete rust door te brengen, want voor geene op prooi loerende nacht- of
roofvogels hadden zij te vreezen. Ik volgde aldra hun voorbeeld, begaf
mij naar de zaal, gebruikte mijn avondmaal, en daar ik het aangename
gezelschap der prinsessen miste, zocht ik, vroeger dan anders, mijn
slaapvertrek op.
Den volgenden morgen bleef ik niet in gebreke de vierde poort te openen.
Zoo, hetgeen ik den vorigen dag had gezien mijne verwondering in hooge
mate had opgewekt, wat ik thans zag, deed mijne verbazing ten toppunt
stijgen. Ik bevond mij op een groot plein, in welks midden een prachtig
gebouw stond, hebbende veertig poorten, die alle open waren en mij het
vrije gezigt gaven op even zoo vele schatkamers, waarvan eene enkele
meer rijkdommen bevatte, dan ik mijn geheele koningrijk waard schatte.
In de eerste lagen geheele hoopen paarlen van het helderste water, en,
wat alle geloof te boven gaat, grooter dan duiveneijeren. In de tweede
waren diamanten en robijnen, in de derde smaragden, in de vierde
goudstaven, die tot aan de zoldering lagen opgehoopt: in de beide
volgende gemunt goud en zilver, in zulk eene menigte, dat men met het
goud alleen een groot schip zou hebben kunnen bevrachten. De andere
schatkamers waren opgevuld met ametisten, chrysolieten, topazen,
opaalsteenen, turkooizen en andere bekende fijne edelgesteenten, zonder
nog te spreken van den agaat, den jaspis, den cornalijn en bloedkoraal,
waarvan ik geheele magazijnen vol aantrof.
Op het zien van zoo vele rijkdommen, ging mijne verwondering tot
geestvervoering over, en ik riep uit: „Neen, al kon men ook al de
schatkameren van alle koningen der aarde bijeenbrengen, zij zouden bij
deze rijkdommen niet in vergelijking komen. Hoe gelukkig ben ik dan de
eenige en geruste bezitter te zijn van al deze goederen, met zoo vele
beminnelijke prinsessen!”
Ik zal mij niet ophouden, Mejufvrouw, om u eene omschrijving te geven
van al de vreemde zaken en kostbaarheden, die ik op de volgende dagen
nog zag. Ik zal u alleen zeggen, dat ik niet minder dan negen en dertig
dagen behoefde, om de negen en negentig poorten te openen, en te
bewonderen wat zich daarbij aan mijn oog vertoonde. Alleen de honderdste
poort bleef nog over, die, zoo als gij u zult herinneren, het mij
verboden was te openen.”
„En die gij dus wijselijk gesloten liet,” riep de drager, die niet
langer zwijgen kon, „of het is eene leugen, dat de vrouwen alleen
nieuwsgierig zijn.”
Zobeïde kon bij dezen uitroep van den drager een' glimlach niet
onderdrukken, doch terstond haren ernst hernemende, wierp zij hem zulk
een' gestrengen en bestraffende blik toe, dat deze alleen genoegzaam zou
zijn geweest, hem het zwijgen op te leggen. Tegelijk maakte de zwarte
slaaf, die steeds achter hem stond, eene dreigende beweging, waardoor de
drager tot het besef werd teruggebragt, dat hij zich niet meer als gast
aldaar bevond, maar slechts vergunning had om toe te luisteren, en niet
om ongeroepen met zijne opmerkingen tusschen beide te komen.
De calender vergenoegde zich, den drager met zijn linker oog schuins
aan te zien en, gehoorzaam aan den wenk van Zobeïde, vervolgde na eene
hoofdbuiging, die van zijne onderworpenheid moest getuigen, aldus: „Het
was de veertigste dag, Mejufvrouw, sedert het vertrek der bekoorlijke
prinsessen. Indien ik op dien dag slechts de zelfsbeheersching hadde
bezeten, die ik behoorde te hebben, ik zou thans de gelukkigste van
alle menschen zijn, terwijl ik nu zeer ongelukkig ben. Den volgenden
dag zouden zij terugkomen, en het vooruitzigt haar weldra te zullen
wederzien, had voor mijne nieuwsgierigheid een' breidel te meer moeten
zijn. Maar door eene zwakheid, die mij altoos zal berouwen, bezweek ik
voor de verzoekingen van den duivel der nieuwsgierigheid, die mij geene
rust liet, vóór dat ik mij de straf op den hals haalde, welke ik te regt
dragen moet.
Ik opende de noodlottige poort, welke ik beloofd had niet te zullen
ontsluiten, en nog had ik den voet niet binnen gezet, toen een wel niet
onaangename, maar toch met mijn gestel strijdige reuk mij in flauwte
deed vallen. Ik kwam weder tot mij zelven, en in plaats van mij deze
waarschuwing ten nutte te maken de poort weder te sluiten en voor altijd
den lust te verliezen om aan mijne dwaze nieuwsgierigheid toe te geven,
trad ik binnen.
De versche lucht, welke gedurende mijne bezwijming was binnen gedrongen,
had de kracht van de mij bedwelmende dampen getemperd, althans zij
hinderden mij niet meer. Ik bevond mij in een ruim gebouw, welks
geplaveide vloer met saffraan was bestrooid. Eene menigte waskaarsen, op
kandelabers van massief goud geplaatst, verspreidden een helder licht,
dat nog verhoogd werd, door verscheidene aan de zoldering hangende
gouden en zilveren lampen, welke met eene welriekende olie gevuld waren.
Onder vele andere voorwerpen, die mijne aandacht trokken, merkte ik een
zwart paard op, zoo schoon en zoo edel van vorm; dat ik er de oogen niet
van kon afhouden. Ik trad toe om het van naderbij te bezien, en bemerkte
nu dat het een' zadel droeg van massief goud, en een gebit in den bek
had van hetzelfde metaal, beide op het kunstigst bewerkt. Zijn voederbak
van wit marmer was in het midden afgeschoten, aan de eene zijde gevuld
met haverkorrels, zwaarder dan die der beste tarwe, en aan den anderen
kant met rozenwater. Ik nam het dier bij den toom, en leidde het naar
buiten, om het bij het daglicht te bezien. Ik wilde beproeven, of de
deugd van dit paard zijne schoonheid evenaarde, zette mij in den zadel,
en daar het zich niet bewoog, gaf ik het dier een' klap met het gouden
zweepje, dat ik in zijn' prachtigen stal had gevonden. Naauwelijks
echter had ik het met de zweep aangeraakt, of het paard begon
afgrijselijk te hinneken, en daarna zijne vleugels, die ik niet had
opgemerkt, uitspreidende, verhief het zich pijlsnel met mij in de lucht.
Bij dit gevaar was ik op niets anders bedacht, dan vast in den zadel
te blijven, en hoezeer ook vol schrik hield ik mij ferm. Na tot in de
wolken te zijn opgestegen, schoot het paard even snel naar de aarde,
en daalde op het platte dak van een kasteel neder, waar het, zonder mij
den tijd tot afstijgen te laten, op zijne achterpooten ging staan, mij
met een' hevigen schok achterwaarts uit den zadel wierp, en met de punt
van zijn' staart het regteroog uitstak.
Zoo, Mejufvrouw, werd ik éénoogig, en te gelijk herinnerd aan hetgeen
mij door de tien jonge mannen voorspeld was. Het paard hernam zijne
vlugt en verdween weldra uit het gezigt. Ik rigtte mij op; zeer bedroefd
over de ramp, die ik mij zelven op den hals had gehaald. Zonder bijna te
weten, wat ik deed, liep ik op het dak heen en weder, met de hand voor
het regteroog, die mij eene hevige pijn veroorzaakte. Eindelijk ontdekte
ik een trap, en dien afklimmende, kwam ik in de zaal van hetzelfde
koperen paleis, waar ik mij bevond, toen de Rok mij van daar wegvoerde.
Ik herkende deze zaal terstond aan de tien in het rond staande sofa's,
en de elfde minder verhevene in het midden.
De tien éénoogige heeren waren op dat tijdstip niet in de zaal.
Ik wachtte er hunne terugkomst af, en het duurde niet lang, of zij
traden door den grijsaard vergezeld binnen. Zij schenen volstrekt niet
verwonderd, toen zij mij daar zagen, en ook niet over het verlies van
mijn oog. „Het is ons leed,” zeiden zij, „u niet met uwe terugkomst te
kunnen gelukwenschen, zoo als wij gaarne zouden doen; maar uw ongeluk
is u buiten ons toedoen overkomen.” „Het zou onregtvaardig zijn, mijne
heeren!” antwoordde ik, „u daarvan te beschuldigen, niemand dan ik is
er de oorzaak van, ik alleen heb mij deze ramp op den hals gehaald.”
„Indien er voor ongelukkigen troost is in de zekerheid,” hernamen zij,
„dit niet alleen te zijn, zoo kan onze toestand u daartoe dienen. Alles
wat u is overkomen, is ook met ons gebeurd. Een geheel jaar hebben wij
in het genot van allerlei vermaken doorgebracht, en wij zouden daarmede
hebben kunnen voortgaan, indien wij ons hadden onthouden van gedurende
de afwezigheid der prinsessen, de gouden poort te openen. Gij, vriend!
zijt niet wijzer geweest dan wij, en hebt dezelfde straf moeten
ondergaan. Wij zouden u wel in ons gezelschap kunnen opnemen, waardoor
gij onderworpen zoudt zijn aan de zelfde boetedoeningen, die gij ons
hebt zien verrigten, maar wij hebben u vooraf de redenen gezegd, die ons
dit beletten. Daarom ga van hier, en begeef u naar het hof van Bagdad;
daar zult gij hem vinden, wien het is gegeven, over uw verder levenslot
te beslissen.”
Zij wezen mij den weg aan, dien ik te volgen had, en ik nam afscheid van
hen. Op mijne reis liet ik mij den baard en de wenkbraauwen afscheren en
nam het calenderkleed aan. Na eene zeer lange reis ben ik heden tegen
het vallen van den avond in deze stad aangekomen. Bij de poort ontmoette
ik deze beide calenders, die, even als ik, hier vreemdelingen zijn. Wij
waren alleen verwonderd, juist aan het zelfde oog blind te zijn, doch de
tijd heeft ons ontbroken, elkander breedvoerig over die ons gemeene ramp
te onderhouden. Wij hadden slechts tijd, Mejufvrouw, om uwe gastvrijheid
in te roepen, welke gij ons zoo edelmoedig hebt verleend.”
Zoodra de derde calender zijne geschiedenis aldus had geëindigd,
nam Zobeïde het woord, en zich tot hem en zijne beide makkers
keerende, zeide zij: „Gij drieën zijt vrij, gaat heen, werwaarts u zal
goeddunken.” Doch een van hen antwoordde hierop: „Mejufvrouw! wij bidden
u, ons onze nieuwsgierigheid te vergeven en toe te staan de geschiedenis
van deze heeren, die nog niet hebben gesproken, te mogen aanhooren,
gelijk ook zij de onze hebben aangehoord.” Zobeïde, zich hierop tot
den kalif, tot den vizier Giafar en tot Masrour wendende, met wier
rang zij niet bekend was, zeide tot hen: „Het is thans aan u, mij uwe
geschiedenis te verhalen; ik wil het zoo, spreek.”
De grootvizier, wederom als vroeger het woord opvattende, antwoordde:
„Mejufvrouw, wij kunnen u slechts herhalen, hetgeen ik u bij onze
komst mededeelde. Dit is alles wat wij tot onze verantwoording kunnen
aanvoeren.”
Zobeïde scheen hier maar half tevreden, en niet dan nadat de calenders
haar daartoe dringend hadden verzocht, zeide zij tot dezen: „Welnu uw
verzoek voor deze heeren zij u toegestaan. Ik wil dat gij allen eene
gelijke verpligting aan mij zult hebben, en schenk ook hun vergiffenis,
onder voorwaarde echter, dat gij onmiddelijk mijne woning verlaat.”
Buiten gekomen nam de kalif zijnen vizier ter zijde, gelastte hem de
drie calenders voor dien nacht als gasten bij zich te huisvesten. De
drager zocht zijne woning weêr op, en de kalif, door Masrour vergezeld,
keerde naar zijn paleis terug. Van nieuwsgierigheid brandende, deed de
Beheerscher der geloovigen dien nacht geen oog toe, en gelastte den
volgenden morgen aan zijnen vizier, om de drie calenders en de drie
dames met de beide zwarte honden voor hem te brengen. Naauwelijks had de
vizier dit bevel volbragt, of de kalif nam het woord op, en sprak: „Door
u te zeggen, dames, dat ik me dezen nacht, als koopman vermomd ten uwent
bevond, zal ik u zonder twijfel doen ontstellen, want gij zult vreezen,
dat ik u hier heb ontboden, om u deswege mijne ontevredenheid te doen
ondervinden. Ik betuig u echter dat ik wenschte, dat al de Bagdadsche
dames u in wijsheid evenaarden, en nimmer zal ik uwe gematigdheid, na
onze onbeleefdheid, vergeten. Toen echter,” vervolgde de sultan, „was
ik een koopman van Moussoul, nu ben ik Haroun-al-Raschid vijfde kalif
uit het beroemde huis van Abbas, de plaatsvervanger van onzen grooten
profeet. Ik heb u alleen hier ontboden om te weten, wie gij zijt, en
wat de oorzaak is, dat eene van u, na de beide zwarte honden mishandeld
te hebben, met haar weende. Ook ben ik begeerig te vernemen, door welk
toeval eene andere onder u den boezem zoo vol lidteekens heeft.”
Zobeïde door deze woorden gerustgesteld, haastte zich aan den
Beheerscher der geloovigen de voldoening te geven, welke zij gemeend had
aan den koopman van Moussoul en hare andere gasten te moeten weigeren.”