Hiermede,” vervolgde de calender, „was mijn verhaal ten einde, en nu
trachtte ik den geest, den moordenaar van de prinses van het Ebbenhouten
eiland, op de toepassing opmerkzaam te maken. „O Geest,” zeide ik, „gij
ziet hoe de weldadige dervis, toen hij tot de hoogste magt verheven was,
in plaats van zich te wreken op den nijdigaard, die getracht had hem van
het leven te berooven, dezen met nieuwe en groote weldaden overlaadde.”
In één woord, Mejufvrouw,” vervolgde de calender tegen Zobeïde, „ik
gebruikte al mijne welsprekendheid, om den geest te bewegen zulk een
schoon voorbeeld te volgen, en mij te vergeven, wat hij meende, dat
ik tegen hem misdaan had. Maar eerder zou ik eene rots hebben kunnen
vermurven.
„Wat de dervis deed,” sprak hij, „gaat mij niet aan. Uit uw verhaal
blijkt mij alleen, dat het ongegunde brood het meest wordt gegeten.
Vlei er u intusschen niet mede, dat ik zijn voorbeeld zal volgen, ik
heb behoefte aan wraak, en ook daaraan, dat ik u mijne tooverkracht
doe ondervinden.” Toen greep hij mij bij de haren; het dak van het
onderaardsche paleis spleet op zijne tooverwoorden van een; hij voerde
mij zoo hoog in de lucht, dat de aarde mij toescheen niet grooter dan
een kaatsbal te zijn, en schoot toen met de snelheid des bliksems naar
de aarde terug, waar wij op den kruin van eenen hoogen berg nederkwamen.
Hier nam hij eene handvol aarde, sprak of liever prevelde daarover heen
gebogen zekere woorden, waarvan ik niets begreep, en ze op mij werpende,
sprak hij tot mij: „Leg de gestalte van een' mensch af, en neem die
van een' aap aan!” Terstond verdween de geest, en ik bleef alleen in
een geheel vreemd oord achter, herschapen in een' aap, overstelpt
van droefheid, en onbewust, of ik mij nabij of ver van de staten des
konings, mijn vader, bevond.
Den berg afgedaald zijnde, bevond ik mij in een vlak veld, waarop zoover
het oog reikte geene menschelijke woning te zien was. Eene geheele maand
had ik noodig om deze wildernis door te trekken; toen bevond ik mij aan
den oever der zee. De zee was op dat tijdstip zeer kalm en op eene halve
mijl afstands ontdekte ik een zeilend schip. Ten einde eene zoo schoone
gelegenheid, om weder onder menschen te komen, niet te verliezen, brak
ik van een' daar staanden ouden boom een' zeer dikken tak af, sleepte
dien met inspanning van al mijne krachten tot in zee en ging er
schrijdelings op zitten, terwijl ik in elke hand een stok hield, welke
mij tot riemen moesten dienen.
Op deze wijze trachtte ik al roeijende het schip te bereiken. Toen ik
zoo nabij gekomen was, dat men mij kon onderkennen, bood ik den matrozen
en passagiers, die zich op het dek bevonden, een zeer vreemd schouwspel
aan, en met de grootste verbazing zagen zij mij door de baren heen
worstelen. Inmiddels bereikte ik het schip, en een afhangend touw
grijpende, klauterde ik (dit zal na mijne herschepping niemand
bevreemden) zoo vlug als een aap daar tegen op, en in een oogwenk was
ik aan boord. Doch daar mij de spraak ontbrak, zag ik mij in groote
verlegenheid. En inderdaad, het gevaar, waarin ik mij nu bevond, was
niet minder groot, dan toen mijn leven van de genade van den wreeden
geest afhing.
De kooplieden, die zich op het schip bevonden, waren bijna allen
vreesachtig en bijgeloovig. Zij meenden, dat het hun ongeluk zou
aanbrengen, en dat zij eene ongelukkige reis zouden hebben, indien men
mij aan boord hield. Door deze bijgeloovige vrees beheerscht, riep de
een: „werp hem in zee!” Een ander, „doorschiet hem met een' pijl!”
Een derde wilde mij met eene handspaak te lijf. Om kort te gaan, mijn
leven hing aan een' zijden draad. In dit gevaar nam ik mijne toevlugt
tot den kapitein; ik maakte eene diepe buiging, en den zoom van zijn
kleed kussende, zag ik hem smeekend en met tranen in de oogen aan. Dit
maakte zijn mededoogen gaande, hij nam mij onder zijne bescherming, en
verklaarde met een' zeemansvloek, dat al wie het hart had mij eenig leed
te doen, met hem zou te maken hebben, waarna hij mij met liefkozingen
overlaadde. En wijl mij de spraak ontbrak, gaf ik hem door gebaren, zoo
goed mogelijk, mijne dankbaarheid te kennen.
Op de heerschende stilte volgde weldra eene frissche koelte; de wind was
ons gunstig, en na verloop van vijftig dagen lieten wij het anker vallen
op de reede van eene zeer schoone en volkrijke koopstad.
Weldra werd nu ons schip door eene menigte kleine vaartuigen omringd,
vol lieden, die hunne vrienden aan boord kwamen verwelkommen, of
nieuwsgierigen en belanghebbenden, die weten wilden van waar wij kwamen,
wat nieuws wij uit andere landen wisten, en welke koopwaren wij
aanbragten.
Onder deze bezoekers bevonden zich ook eenige officieren, die, uit naam
van den sultan, met de zich aan boord bevindende kooplieden verlangden
te spreken. De kooplieden kwamen te voorschijn en een der officieren het
woord voerende, zeide: „De Sultan, onzen heer, heeft ons gelast u zijne
vreugde te betuigen over uwe aankomst in de hoofdstad zijns rijks, en
tevens u te verzoeken, dat gij u de moeite gelieft te geven, ieder
eenige regels schrift op deze rol papier te schrijven. Opdat gij moogt
weten tot welk doel, zoo moet ik u zeggen, dat de groot-vizier, die,
bij andere uitstekende bekwaamheden, het schrijven in de hoogste
volmaaktheid verstond, vóór eenige dagen is overleden. De sultan is
daarover zeer bedroefd, en daar hij het schrift van den overledenen
vizier nooit heeft kunnen zien, zonder het te bewonderen, heeft hij
gezworen, diens plaats slechts te zullen geven aan hem, wiens schrift in
schoonheid aan het zijne gelijk zal zijn. Velen hebben hun schrift reeds
ingezonden, doch, hoewel onder hen goede schrijvers waren, heeft zich in
het geheele rijk nog niemand opgedaan, die waardig werd geoordeeld de
plaats van den vizier te vervangen.”
Die kooplieden, welke meenden fraai genoeg te kunnen schrijven, om
naar deze hooge waardigheid te dingen, schreven de een na den ander
eenige regels op de hun voorgelegde rol. Toen allen gedaan hadden,
trad ik plotseling toe, en ontnam door een' snellen greep de rol aan
den laatsten schrijver. Zij, die dit zagen, en vooral de kooplieden,
die hunne bekwaamheid in de schrijfkunst getoond hadden, hieven een
groot geschreeuw aan, in den waan dat ik de rol verscheuren of in zee
werpen zou, doch toen zij bemerkten, dat ik het papier zeer zindelijk
behandelde, en door gebaren te kennen gaf, ook daarop te willen
schrijven, ging hun schrik over in eene vrolijke verbazing. Daar zij
echter nooit een aap hadden gezien, die kon schrijven, en zich niet
konden voorstellen, dat ik daarin knapper zou zijn dan anderen van
mijne soort, wilden zij mij de rol weder ontnemen. De kapitein nam ook
ditmaal de partij voor mij op. „Laat hem begaan,” zeide hij, „laat
hem schrijven. Indien hij het papier bekladt of slechts bekrabbelt,
dan beloof ik u, dat ik hem onmiddelijk zal straffen; doch zoo hij
integendeel schrijven kan, gelijk ik vertrouw (want nooit heb ik zulk
een' handigen aap gezien en die zoo schrander is om alles te begrijpen),
zoo zweer ik, dat ik hem als zoon zal aannemen. Ik heb er een' gehad,
die in geestigheid en verstand bij dezen aap verre moest achterstaan.”
Bemerkende, dat niemand zich meer tegen mijn voornemen verzetten zou,
kreeg ik eene pen, en legde die niet weder neder, voor dat ik zesderlei
soort van Arabisch schrift op het papier had gezet, zoo dat elke soort
van schrift een lofdicht op den sultan bevatte. Mijn schrift overtrof
overigens in kunst, orde en schoonheid niet alleen dat van al de
kooplieden, die vóór mij geschreven hadden, ik durf zonder grootspraak
zeggen, dat men in dat land nog nooit iets zoo schoons gezien had. Toen
ik gedaan had, stelde ik de rol aan den officieren ter hand, die ze aan
den sultan overbragten. De sultan nam de rol in handen, hij sloeg niet
de minste acht op de andere geschriften, maar had alleen oogen voor het
mijne, hetgeen hem zoo zeer behaagde, dat hij tot zijne officieren
zeide: „Neemt uit mijn' stal het schoonste en rijkste opgetoomde paard,
neemt ook een' mantel van goudlaken om er den persoon mede te bekleeden,
van wien deze zes schriftsoorten zijn, en brengt hem hier bij mij.”
Op dit bevel van den sultan was het de officieren niet mogelijk zich
van lagchen te onthouden. De vorst, vertoornd over deze stoutheid, was
gereed hun zijne gramschap te doen gevoelen, toen zij tot hem zeiden:
„Sire! wij smeeken uwer Majesteit ons deze schijnbare oneerbiedigheid te
vergeven, het was ons niet mogelijk ernstig te blijven; het schrift, dat
uwe bewondering heeft weggedragen, is niet van een mensch, maar van een'
aap.” „Wat zegt gij!” riep de sultan, „dit wonderschoone schrift zou
niet door de hand eens menschen zijn voortgebragt!” „Neen, Sire,”
antwoordde een der officieren „wij kunnen uwe Majesteit verzekeren,
dat het door een' aap, en in onze tegenwoordigheid geschreven is.” De
sultan vond deze zaak te zonderling, om geene begeerte te gevoelen mij
te zien. „Doet,” zeide hij, „gelijk ik u bevolen heb. Haast u dien
kunstigen aap voor mij te brengen!”
De officieren aan het schip teruggekomen, maakten des sultans wil
bekend aan den kapitein, die tot hen zeide: „de sultan heeft slechts
te gebieden, doet zoo als u gelast is.” Dadelijk hingen zij mij nu den
mantel van goudlaken over de schouders, en toen zij mij aan wal gebragt
hadden, zetten zij mij op het paard van den sultan, die mij aan zijn
paleis opwachtte, omgeven door al de grooten des rijks, ten einde mij
eene nog hoogere eer te bewijzen.
De optogt nam een' aanvang. De havenkade, de straten en openbare
pleinen, de vensters en de platte daken der paleizen en huizen waren
opgepropt met eene onafzienbare menigte lieden van beider kunne en van
elken ouderdom, die, door nieuwsgierigheid gedreven, van alle kanten der
stad te zamen waren gevloeid om mij voorbij te zien trekken. Het gerucht
toch, dat de sultan een' aap tot zijnen vizier had verheven, had zich
reeds als een' loopend vuur door de stad verspreid. Na aan deze menigte
nieuwsgierigen een nooit gezien schouwspel te hebben opgeleverd, kwam
ik, onder het luid geschreeuw dezer verbaasde lieden, ten laatste aan
het paleis van den sultan.
Ik trof den vorst aan, gezeten op zijn' troon en omgeven door de grooten
van zijn hof. Toen hij mij wenkte nader te komen, boog ik mij driemaal
zeer diep, en wierp ik mij vervolgens voor den troon neder, kuste met
eerbied het tapijt, dat den sultan tot voetbank diende, en ging daarna,
op de wijze der apen, op mijne achterpooten zitten. Het gezelschap kon
niet ophouden mij te bewonderen, en niemand begreep, hoe het mogelijk
was, dat een aap zoo met de hofetiquette kon bekend zijn, en aan den
sultan de hem toekomende eer wist te bewijzen. De sultan zelf was
daarover niet minder verwonderd. Om kort te gaan, aan de plegtigheid der
audientie zou niets ontbroken hebben, indien ik bij mijne gebaren eene
toespraak had kunnen voegen. Doch apen spreken niet, en ofschoon ik
vroeger mensch geweest was, moest ik echter dat voorregt thans ontberen.
De sultan liet nu zijne hovelingen vertrekken en begaf zich uit de
audientie-zaal naar zijn vertrek, alleen vergezeld door den opperste der
gesnedenen, door een' kleinen nog zeer jongen slaaf en door mij. Kort
daarna werd op zijn bevel het eten opgedragen. Toen de sultan zich aan
tafel had gezet, gaf hij mij een teeken, dat ik nader moest komen en met
hem eten. Om hem mijne onderdanigheid te bewijzen, kuste ik den grond,
rigtte mij toen weder op en zette mij aan tafel. Ik at echter met veel
ingetogenheid en matigheid.
Vóór men de tafel afnam, zag ik in een ander gedeelte van 't vertrek
een kostbaar schrijftuig staan. Ik wenkte dat men liet mij zou brengen,
en schreef op een perkament eenige verzen, waarin ik den sultan mijne
dankbaarheid betuigde voor de onverdiende eer, die hij mij bewees, door
mij aan zijne tafel te doen spijzigen. Nadat de tafel afgenomen was,
bragt men den sultan in een' gouden beker een' zeer geurigen drank,
welke voor zijn bijzonder gebruik was toebereid; hij beval dat men er
ook mij van zou bedienen. Ik dronk, en schreef toen andermaal eenige
verzen om hem mijnen dank te betuigen. Hij las deze blijkbaar met groot
genoegen en zeide: „Indien zelfs een mensch in staat ware zulke verzen
te maken, hij zou mijn' hoogsten lof waardig zijn.”
Daarna liet de sultan zich een schaakbord brengen, en vraagde mij door
teekenen of ik dit spel verstond, en eene partij met hem wilde spelen.
Ik kuste den grond en mijn' poot op het hoofd leggende, gaf ik daarmede
te kennen, dat ik bereid was die hooge eer te genieten. De eerste partij
won de sultan, doch de tweede en derde verloor hij. Daar ik bemerkte,
dat hem dit niet aangenaam was, maakte ik, om hem over zijn verlies te
troosten, voor de vuist een gedicht, dat ik nederschreef en hem toen
aanbood. Ik sprak daarin van twee groote legers, die, na den geheelen
dag met gelijke dapperheid gevochten te hebben, des avonds vrede
maakten, en toen den nacht op het slagveld zeer rustig doorbragten.
Het kwam den sultan voor, dat hetgeen hij van mij zag zeer verre
alles overtrof, wat men nooit van de schranderheid en geestigheid der
apen gezien of gehoord had. Hij wilde niet de eenige getuige van
dit natuurwonder zijn. Hij bezat eene dochter, welke men Bloem van
schoonheid noemde. „Ga,” zeide hij tot den opperste der gesnedenen, die
aan de dienst der prinses was verbonden, „en laat uwe gebiedster hier
komen; het is mijne begeerte, dat ook zij in mijn genot deelen zal.”
De opperste der gesnedenen vertrok, en kwam weldra terug, vergezeld door
de prinses. Naauwelijks echter was zij binnengetreden, of zij liet haren
sluijer vallen en zeide tot den sultan: „Sire, het schijnt, dat uwe
majesteit zich zelve heeft vergeten. Ik ben zeer verwonderd, dat zij
mij laat ontbieden, om in het gezelschap van mannen te verschijnen.”
„Hoe, mijne dochter,” antwoordde de sultan, „ik geloof, dat gij zelve
dwaalt. Ik zie hier niemand, dan dezen kleinen slaaf, den gesnedene
uw gouverneur en mij zelven, die immers allen de vrijheid hebben, uw
gelaat te zien. Toch laat gij uwen sluijer vallen, en noemt het eene
misdaad, dat ik u hier heb laten komen.” „Sire,” hernam de prinses, „uwe
majesteit zal moeten erkennen, dat ik geen ongelijk heb. Die aap daar,
ofschoon hij de gestalte van een' aap heeft; is een jonge prins, de
zoon van een' magtigen koning. Hij is door betoovering in een' aap
herschapen. Een geest, de zoon van de dochter van Eblis, heeft hem,
nadat hij de prinses van het Ebbenhouten eiland, de dochter des konings
Epitimarus, wreedaardig om het leven heeft gebragt, in dezen treurigen
toestand herschapen.”
De sultan ten hoogste verwonderd over deze taal van zijne dochter,
wendde zich, nu niet meer door teekens sprekende, tot mij en vraagde, of
het waarheid was, hetgeen zijne dochter gezegd had. Daar ik niet kon
spreken, legde ik mijn' poot op het hoofd, om hem te kennen te geven,
dat de prinses in alles de waarheid had gesproken. „Maar, dochter,”
hernam nu de sultan, „hoe weet gij dat deze prins door betoovering in
een' aap werd herschapen?” „Sire,” antwoordde Bloem van schoonheid, „uwe
majesteit zal zich welligt herinneren, dat mijne vroegere opvoeding was
toevertrouwd aan de zorg van eene hoog bejaarde dame. Deze was zeer
ervaren in de tooverkunst. Zij heeft mij zeventig grondregels, op deze
wetenschap toepasselijk, geleerd, door wier kracht ik in staat ben in
een' oogwenk uwe hoofdstad naar het midden der zee, of naar gene zijde
van den Kaukasus te verplaatsen. Door deze wetenschap kan ik, op het
eerste gezigt, alle personen kennen, die eene betoovering hebben
ondergaan; ik weet wie zij zijn, en ook door wie de betoovering
geschiedde. Het verwondere u alzoo niet, dat ik dezen prins terstond
herkend heb, niettegenstaande de betoovering, waarin hij gehouden wordt,
hem belet, zich aan u onder zijne natuurlijke gestalte te vertoonen.”
„Dochter,” hernam de sultan, „ik wist waarlijk niet, dat gij zoo bekwaam
waart.” „Sire,” antwoordde de prinses, „het is zeer goed en nuttig deze
dingen te kennen, doch het kwam mij voor, dat ik wel deed, mijne kennis
voor u te verbergen.” „Maar daar gij nu deze kennis bezit,” sprak de
sultan, „zijt gij mogelijk ook in staat, de betoovering van dezen prins
te doen ophouden?” „Ja, Sire,” antwoordde de prinses, „ik ben magtig
genoeg, hem zijne vorige gestalte terug te doen nemen.” „Geef ze hem dan
terug!” viel de sultan haar haastig in de rede, „gij kunt mij geen
grooter vermaak aandoen; want ik wil, dat hij mijn' groot-vizier zal
zijn, en dat hij u ten huwelijk zal nemen.” „Sire,” zeide Bloem van
schoonheid, „ik ben bereid u te gehoorzamen in alles, wat u zal behagen
mij te bevelen.”
De prinses begaf zich nu naar hare vertrekken, en haalde van daar een
mes, op welks lemmer eenige hebreeuwsche woorden gegraveerd waren. Zij
bragt ons, namelijk den sultan, den opperste der gesnedenen, den jongen
slaaf en mij, naar een afgezonderd gedeelte van het paleis, op een
plein, omgeven door eene galerij. Zij ging tot op het midden van het
plein, waar zij met het mes een' cirkel trok, en daarin verscheidene
woorden schreef met oude en nieuwe Arabische letters, genaamd de
karakters of tooverteekens van Cleopatra.
Toen zij hiermede gereed was, ging zij in het midden van den cirkel
staan, deed hare bezweringen en zeide eenige verzen op uit den koran.
Terstond daarop verduisterde de lucht; de dag scheen in den nacht te
veranderen en de galerij, waarop wij ons bevonden, schudde als bij een
aardbeving. Wij werden allen door schrik bevangen, en die schrik nam nog
toe, toen eensklaps de geest, de zoon der dochter van Eblis, verscheen
in de gestalte eens leeuws van verbazende grootte.
Zoodra de prinses dit monster gewaar werd, sprak zij op gramstorigen
toon: „Hond van een geest, in plaats van in eene onderworpen houding
voor mij te verschijnen, waagt gij het, u in deze verschrikkelijke
gedaante te vertoonen en gelooft mij vrees te kunnen aanjagen.” „En
gij,” antwoordde de leeuw, „schroomt gij niet inbreuk te maken op onze
door een' eed bevestigde overeenkomst, dat wij elkander nimmer zouden
hinderen of tegenwerken!” „Ha, ellendige,” hernam de prinses „het is aan
u, dat ik dit verwijt moet doen.” „Wien verwenscht gij!” viel de leeuw
brullend in, „maar gij zult uw loon hebben, omdat gij mij de moeite
hebt veroorzaakt hier te komen.” Dit zeggende, opende het monster zijn'
vreesselijken muil en trad toe, om haar te verslinden. Doch de prinses,
die op hare hoede was, deed een' sprong achterwaarts, waardoor zij
den tijd vond zich een haar uit te rukken, en daarover twee of
drie tooverwoorden uitsprekende, veranderde zij dit in een scherp
tweesnijdend zwaard, waarmede zij den leeuw door midden hieuw.
De twee stukken van den leeuw verdwenen, en er bleef niets over dan de
kop, die in een' schorpioen veranderde. De prinses veranderde zich in
eene groote slang, en voerde een' harden strijd tegen den schorpioen.
Deze het te kwaad krijgende, nam de gedaante aan van een' arend, en
vloog weg. Maar de slang veranderde zich in eene gierarend, en vervolgde
den eersten. Weldra waren beide buiten ons gezigt.
Eenigen tijd daarna opende zich de grond voor onze voeten, en een zwarte
kater met witte vlekken en opstaande haren sprong daaruit te voorschijn,
en maauwde op eene verschrikkelijke wijze. Eene wolvin volgde hem op den
voet, en gaf hem geen' tijd tot verademing. De kater, geene uitkomst
meer ziende, veranderde zich in een wormpje, en zich in de nabijheid van
een' granaatappel bevindende, die daar bij toeval aanwezig was, boorde
het er een gat in en verborg zich. De granaat begon daarop uit te
zetten, werd zoo groot als eene pompoen, verhief zich tot op het afdak
boven de galerij, en rolde als een kegelbal van het eene naar het andere
einde. Eindelijk echter stortte hij van het dak op het plein en brak in
honderd stukken. De wolvin, die zich inmiddels in eene kip herschapen
had, wierp zich op de uitgestorte granaatkorrels, en pikte ze met
gretigheid op. Daarna liep zij al klokkend en met de vleugels slaande
naar ons toe, alsof zij vragen wilde: „ziet gij ook soms nog een'
korrel?” Werkelijk was er een op den kant der gracht, welke het paleis
omgaf, blijven liggen. De kip bespeurde dien in het terugkeeren, liep er
ijlings heen, maar juist toen zij hem in den bek wilde vatten, rolde de
korrel in het water, en veranderde in een vischje.
De kip sprong in de gracht, veranderde zich in een' snoek en vervolgde
het vischje. Beide bleven meer dan twee uur onder water, en wij
wisten niet wat er van hen geworden was, toen zich eensklaps zulk een
vreeselijk geschreeuw deed hooren, dat wij van schrik beefden. Kort
daarop zagen wij den geest en de prinses in de lucht in een hevig
gevecht. Zij spogen elkander zoo lang vlammen toe, tot zij eindelijk
handgemeen werden. De lucht, waarin zij streden, was geheel vuur, en
uit een' dikken rook schoten vlammen als bliksemstralen. Wij waren
niet zonder reden beducht, dat het paleis in brand zou geraken, want de
vonken vielen als stofregen neder, maar weldra zagen wij ons door een
nog grooter gevaar bedreigd. De geest, zich van de prinses ontslagen
hebbende, naderde de galerij, en blies ons geheele stroomen van helsch
vuur toe. Wij zouden verloren geweest zijn, zoo de prinses ons niet snel
te hulp ware gekomen, en hem door haar geschreeuw genoodzaakt had zich
te verwijderen, en op zelfverdediging bedacht te zijn. Doch, hoeveel
spoed zij ook maakte, zij kon niet beletten, dat het gelaat van den
sultan geschroeid en zijn baard verbrand, de opperste der gesnedenen
gestikt was, en ik door eene daar ingesprongen vonk mijn regter oog
verloor.
De sultan en ik dachten, dat ons einde was gekomen, toen wij op eenmaal
in de lucht hoorden roepen: „Overwinning! Overwinning!” en terstond
daarop zagen wij de prinses in hare natuurlijke gestalte verschijnen,
terwijl de geest in een' aschhoop veranderd was.
De prinses naderde ons, en om geen' tijd te verliezen gelastte zij den
jeugdigen slaaf, die van het vuur geen letsel had gekregen, eene kom met
water te brengen. Zij nam die aan, sprak daarover eenige woorden, wierp
het water op mij, en zeide: „Indien gij een aap zijt door betoovering,
verander van gestalte en herneem die van een mensch, welke gij te voren
had.” Naauwelijks had zij deze woorden gesproken, of ik herkreeg mijne
menschelijke gestalte, maar met één oog.
Ik wilde de prinses mijn' dank betuigen, maar zij gaf er mij den tijd
niet toe. „Sire,” sprak zij, zich tot den sultan haar' vader wendende,
„ik heb, zoo als uwe majesteit gezien heeft, den geest overwonnen, maar
die overwinning is mij duur te staan gekomen. Er blijven mij slechts
weinige oogenblikken te leven over, en gij zult het genoegen moeten
derven, om het door u begeerde huwelijk voltrokken te zien. In den
laatsten vreeselijken strijd met den geest, is mij een stroom van het
helsche vuur, waarmede wij streden, in de keel gevlogen, en ik gevoel,
dat het mijne ingewanden heeft aangetast en mij langzaam verteert.
Dit zou niet geschied zijn, zoo ik den overgebleven korrel van den
granaatappel (de laatste toevlugt van den geest) opgepikt, en met de
overigen verslonden had, toen ik mij in eene kip had veranderd. Ik zou
dan de overwinning behaald hebben, zonder dat ik daarbij eenig gevaar
had geloopen. Door dit verzuim werd ik echter verpligt mijne toevlugt
tot het vuur te nemen, en met dit magtige wapen in de lucht, tusschen
hemel en aarde, in uwe tegenwoordigheid te strijden. Niettegenstaande de
magt van zijne verschrikkelijke tooverkunsten, heb ik echter den geest
het bewijs geleverd, dat ik daarvan meer kennis had dan hij. Ik heb hem
overwonnen en tot asch verbrand; maar ook ik kan den dood, die reeds in
mijne leden omwoelt, niet ontkomen.”
Mejufvrouw,” vervolgde de calender, altoos tot Zobeïde sprekende, „de
sultan liet de prinses, Bloem van schoonheid, het verhaal van haar
gevecht met den geest voleindigen, doch toen het woord opvattende,
zeide hij op een' toon, die van zijne diepe droefheid getuigde: „Lieve
dochter! gij ziet in welken toestand uw vader gebragt is. Dat mijn
gelaat geblakerd, mijn baard verbrand werd beteekent niet veel; het
verwonderd mij zelfs, dat ik nog leef. De opperste der gesnedenen, uw
gouverneur, heeft het met den dood bekocht en deze prins, dien gij van
zijne betoovering verlost hebt, heeft er een oog bij verloren. Is dit
niet reeds ongeluks genoeg. Moet ik nu nog vreezen, ook u, mijn veel
geliefd kind, te zullen zien sterven! O Allah! O Mahomet, groote
profeet! Zou mij nog zwaarder ramp kunnen treffen!” Hij kon niet verder
spreken, tranen verstikten zijne stem, de woorden bleven hem in de keel
zitten. Wij deden, wat wij konden, om hem te troosten; zijne dochter en
ik, wij weenden met hem.
Maar helaas! te midden van deze algemeene droefheid, begon de prinses
op hartverscheurenden toon te roepen: „Ik brand! Ik brand!” Het helsche
vuur, dat zij had ingekregen, verteerde hare ingewanden en tastte haar
geheele ligchaam aan; de smarten, die zij leed, waren ondragelijk, zij
hield niet op met uit te roepen: „ik brand!” tot dat de dood aan haar
lijden een einde maakte, en ook zij, even als de geest, tot asch was
verteerd.
Ik zal u niet behoeven te zeggen, Mejufvrouw, hoe ik te moede was bij
dit vreeselijk schouwspel. Hadde het aan mij gestaan, liever zou ik mijn
leven lang een aap, ja een hond zijn gebleven, dan mijne weldoenster dus
ellendig te moeten zien omkomen. Wat den sultan haar vader aangaat, hij
was radeloos en deed het paleis van zijn wanhopig klagen weêrgalmen,
tot dat hij bewusteloos in mijne armen zonk en ik voor zijn leven
vreesde. Inmiddels waren op dit gekerm van den sultan zijne officieren
en gesnedenen toegeschoten, die veel moeite hadden, om hem weder tot
bewustzijn te brengen. De vorst en ik hadden geen lang verhaal noodig,
om hen met het ongeluk bekend te maken; de twee aschhoopen, waartoe
de prinses en de geest verteerd waren, lagen nog daar, om er hun een
denkbeeld van te geven. Daar de sultan zich naauwelijks op de beenen
kon houden, moest hij door de gesnedenen naar zijne vertrekken worden
gedragen.
Zoodra het gerucht van dit treurig voorval zich in het paleis en door
de stad verspreid, werd het ongeluk van de schoone prinses algemeen
betreurd, en een ieder nam deel in de regtmatige droefheid van den
sultan. Men nam, zoowel aan het hof als door de geheele stad, gedurende
zeven dagen den zwaren rouw aan, en alle vermakelijkheden stonden stil;
bij rijk en arm, bij jong en oud, zag men slechts aangezigten, waarop
droefheid en deelneming te lezen stonden. De asch van den geest werd
in den wind verstrooid, doch die der prinses in eene gouden vaas
bijeengebragt, en een prachtige grafnaald opgerigt ter plaatse, waar
zij zulk een' treurigen dood had gevonden.
De droefheid van den sultan over het verlies van zijne dochter stortte
hem in eene ziekte, welke hem gedurende eene geheele maand aan zijne
legerstede kluisterde. Hij was nog niet geheel hersteld, toen hij mij
bij zich liet ontbieden. „Prins,” zeide hij, „hoor, wat ik u te bevelen
heb, want uw leven is er mede gemoeid, zoo gij daaraan niet voldoet.”
Ik verzekerde hem, dat zijne bevelen voor mij steeds heilige wetten
zouden zijn. Daarna weder het woord opvattende, vervolgde hij: „Tot op
uwe komst mogt ik een ongestoord geluk genieten, zoo als dit aan slechts
weinige vorsten ten deel valt; er bleef mij niets te wenschen over, om
zoo gelukkig te zijn, als een sterveling maar wezen kan. Doch wat is
hier thans van geworden, leeft er wel op den geheelen aardbol een vorst
ellendiger en meer te beklagen dan ik? Mijne dochter is dood, haar
leermeester is omgekomen, en dat ik nog leef is een wonder. Gij,
prins, gij alleen zijt oorzaak van al deze ongelukken, waarover ik
mij nimmer zal kunnen troosten. Daarom ga in vrede van hier, maar doe
dit op staanden voet; zoo gij één dag, één uur slechts langer hier
bleeft, zou ook ik het leven verliezen, want ik ben overtuigd dat uwe
tegenwoordigheid ongeluk aanbrengt. Ziedaar alles wat ik u te zeggen
heb. Vertrek, en wacht u, immer weder binnen mijn rijksgebied te komen,
niets zou mij dan weêrhouden, u dit te doen berouwen.” Ik wilde nog iets
zeggen, doch hij sloot mij den mond met woorden zoo vol toorn, dat ik
begreep mijn leven in gevaar te zullen brengen, indien ik mij niet
onmiddelijk verwijderde en zijn bevel nakwam.
Verstooten en verjaagd door den vorst, die mij aanvankelijk zoo veel
genegenheid had toegedragen, door ieder verlaten en niet wetende, wat er
van mij moest worden, ging ik, alvorens de stad te verlaten, in een
badhuis, liet mij den baard en de wenkbraauwen afscheren en nam het
gewaad eens calenders aan. Daarop begaf ik mij op weg, en beweende niet
zoo zeer mijn eigen ongeluk, als wel dat der schoone prinsessen, van
wier rampvollen dood ik mij zelven beschuldigde. Ik heb verscheidene
landen doorgetrokken, en ben eindelijk te Bagdad gekomen in de hoop, dat
ik gelegenheid zou vinden, mij aan den beheerscher der geloovigen te
doen voorstellen, en door eene geschiedenis zoo rijk aan ongelukken en
vreemde gebeurtenissen, zijn mededoogen op te wekken. Toen ik dezen
avond in de stad kwam, was de eerste, dien ik ontmoette, den calender,
die vóór mij de eer genoot, u zijne lotgevallen mede te deelen. Het
overige, Mejufvrouw, en waaraan ik het geluk te danken heb in uwe woning
gastvrij te worden opgenomen, is u bekend.”
Toen de tweede calender zijne geschiedenis geëindigd had, zeide
Zobeïde: „Ik ben voldaan, en geef u vrijheid te gaan, waarheen het u zal
behagen.” Doch in plaats van zich te verwijderen, smeekte ook hij zijne
gastvrouw hem eene gelijke gunst te verleenen, als zij aan den eersten
calender had toegestaan, in wiens nabijheid hij zich toen nederzette.
Op een wenk van Zobeïde, stond nu de derde calender op, boog zich, en
ving aldus aan.