GESCHIEDENIS VAN DEN NIJDIGAARD EN DEN BENIJDE.

In zeker dorp woonden twee mannen, beide ongehuwd, naast elkander.

De eene echter vatte een' zoo bitteren haat tegen den anderen op, dat

deze laatste, een braaf en vredelievend mensch, besloot van woning

te veranderen, daar hij meende, dat zijn buurman hem een kwaad hart

toedroeg, alleen omdat hij te digt bij hem woonde. Want ofschoon hij ook

aan dezen verscheidene diensten had bewezen, zoo kon hij wel bemerken,

dat hij hem daarom niet minder haatte. Uit dien hoofde verkocht hij

zijn huis, met het weinige goed, dat hij had, en begaf zich naar de

hoofdstad des rijks, in welker onmiddelijke nabijheid hij een klein

landgoed kocht. Bij zijne nieuwe, van alle gemakken voorziene woning was

een fraaije tuin en een ruim erf, in welks midden een oude put was,

welke sedert geruimen tijd niet meer gebruikt werd.

Begeerig naar een van het gewoel der wereld afgezonderd leven, nam hij

het Turksche monnikskleed aan, werd een dervis en liet aan zijne woning

verscheidene cellen bouwen, die weldra alle door Turksche monniken

bewoond werden. Zijne deugd en het vrome leven, dat hij met zijne

monniken leidde, deden hem weldra den roem van heiligheid verwerven,

en de toevloed van menschen, uit alle standen en zamenleving, die den

goeden dervis kwamen bezoeken of raadplegen, was spoedig zeer groot. Om

kort te gaan, hij werd van elk geëerd en geliefd. Men kwam van wijd en

zijd om zich in zijne voorbidding aan te bevelen. Zij, die de vervulling

hunner wenschen van den hemel verkregen, schreven zulks aan de gebeden

van den goeden dervis toe, en verbreidden het gerucht van zijne

vroomheid overal waar zij kwamen. Zoo drong de roem van zijne heiligheid

en deugd ook door tot het dorp, waar hij vroeger had gewoond. De nijdige

gewezen buurman gevoelde daarover zulk een groot verdriet, dat hij rust

noch duur had, en eindelijk zijn huis en zijne zaken verliet, met geen

ander doel, dan om den man, dien hij zonder eenige gegronde reden

haatte, in het verderf te storten. Tot dat einde begaf hij zich naar het

nieuwe klooster der dervissen, waarvan het hoofd, zijn gewezen buurman,

hem met alle teekenen van vriendschap ontving. De nijdigaard gaf voor,

dat hij was gekomen, om hem eene zaak mede te deelen van het hoogste

gewigt, waarover hij hem in 't geheim moest onderhouden. „Opdat wij nu,”

vervolgde hij, „in vrijheid kunnen spreken, zoo laat ons in den hof

gaan, en daar de nacht op handen is, kunt gij uwe monniken gelasten,

zich naar hunne cellen te begeven, dan kunnen wij zeker zijn, dat wij

door niemand beluisterd worden.” De goede dervis deed, zoo als van hem

verlangd werd.

Toen nu de nijdigaard zich met hem alleen bevond, en zij gearmd de

binnenplaats op en neder wandelden, vertelde hij den dervis een en ander

van weinig belang, tot dat zij in de nabijheid van den put gekomen

waren. Nu greep hij hem eensklaps om het lijf en wierp hem in den put,

die niet gesloten was. Na het bedrijven van deze snoode daad, haastte

hij zich het klooster te verlaten, en het gelukte hem, dit onopgemerkt

te doen. Te huis gekomen zijnde, was hij hoogst tevreden over zijne

reis, want hij hield zich overtuigd, dat het voorwerp van zijne afgunst

niet meer in het land der levenden was; doch hierin bedroog hij zich

zeer.

De oude put, zoo vervolgde de calender zijne geschiedenis, werd

door geesten en tooverheksen bewoond. Zij waren daar juist van

pas tegenwoordig, vingen den goeden dervis in hunne armen op, en

ondersteunden hem tot op den bodem van den put, waar hij nederviel

zonder eenig letsel te ondervinden. Hij bemerkte wel, dat hier iets

buitengewoons had plaats gehad, daar anders de val in den zeer diepen

put noodwendig voor hem doodelijke gevolgen had moeten hebben. Maar hoe

hij zoo bewaard was gebleven, was hem onverklaarbaar, want hij had niets

gevoeld en ook niets gezien. Evenwel hoorde hij kort daarop eene stem,

welke zeide: „weet gij wel, aan wien wij heden zulk eene dienst bewezen

hebben.” „Neen!” antwoordden verscheidene andere stemmen, waarop de

eerste hervatte: „Dan zal ik het u zeggen. Deze man, die bezield is met

de grootste menschlievendheid, heeft het dorp, waar hij geboren is,

verlaten, en is zich hier met der woon komen vestigen, met geen ander

doel, dan om een nijdigen buurman, die hem zonder reden en alleen uit

afgunst haatte, daardoor zoo mogelijk van zijnen nijd te genezen. Hij

heeft zich hier de algemeene achting verworven. Daar de nijdigaard dit

niet kon uitstaan, is hij hier gekomen om hem te verderven, en zonder

onze tijdige hulp, zou hij zijn boos opzet volvoerd en den goeden

man gedood hebben, wiens roem zoo groot is, dat de sultan, die in de

naburige stad zijn hof houdt, morgen hier wil komen, om de prinses,

zijne dochter, in zijne gebeden aan te bevelen.”

Eene andere stem vraagde, om welke reden de prinses behoefte had aan de

gebeden van den dervis, waarop de eerste antwoordde: „Weet gij nog niet,

dat de prinses bezeten is van den geest Maimoun, den zoon van Dimdim,

die op haar verliefd is geraakt. Ik weet intusschen wel, hoe de goede

opperste der dervissen haar genezen en van dezen boozen geest verlossen

kan. De zaak is zeer gemakkelijk en ik zal u zeggen, hoe hij het moet

aanleggen. In het klooster is eene zwarte kat, met een wit vlekje op

haren staart, niet grooter dan een klein stuk geld. Hij behoeft slechts

uit dit witte plekje zeven haartjes te trekken, deze op eene gloeijende

kool te leggen en er het hoofd van de prinses mede te berooken.

Oogenblikkelijk zal zij genezen en zoo geheel van Maimoun, den zoon van

Dimdim, verlost zijn, dat hij het nimmer wagen zal weder tot haar terug

te keeren.”

Het hoofd der dervissen verloor geen enkel woord van deze zamenspraak

tusschen de tooverheksen en geesten, die, na dit gesprek, gedurende het

overige van den nacht, een diep stilzwijgen bewaarden. Den volgenden

morgen, zoodra hij met het aanbreken van den dag de voorwerpen kon

onderscheiden, ontdekte de dervis, daar de put op verscheidene plaatsen

was ingestort, eene plek, waar het hem niet moeijelijk viel naar boven

te klauteren, en zich alzoo uit zijne niet zeer aangename gevangenis te

bevrijden. De dervissen, die hunnen opperste reeds gezocht hadden, waren

zeer verblijd hem terug te zien. Hij verhaalde hun in weinige woorden

de verraderlijke en snoode handelwijze van den gast, die hij den vorigen

dag met zoo veel liefde ontvangen en zoo treffelijk onthaald had. Hierop

begaf hij zich naar zijne cel. De zwarte kat, waarvan de heksen en

geesten, welke den put bewoonden, dien nacht gesproken hadden, kwam

weldra, volgens hare gewoonte, bij den dervis, om hem te streelen.

Hij streelt haar over den rug, en trok, zonder dat zij daarvan iets

gevoelde, zeven haren uit het witte plekje, dat zij aan de punt van den

staart had, en legde deze ter zijde, om er zich ter geschikter tijd van

te kunnen bedienen.

De zon was nog niet lang opgegaan, toen de sultan, die niets wilde

verzuimen van hetgeen hij oordeelde, dat tot genezing van de prinses

zijne dochter zou kunnen strekken, met een talrijk gevolg voor de

kloosterpoort verscheen. Hij beval zijne lijfwacht aldaar post te vatten

en trad binnen, alleen vergezeld door zijne stafofficieren. De dervissen

ontvingen hem met den diepsten eerbied.

De sultan nam den opperste ter zijde, en zeide tot hem: „Goede

scheik, misschien zult gij met de reden van mijne komst reeds bekend

zijn.”—„Ja, Sire,” antwoordde de dervis nederig, „indien ik mij niet

bedrieg, is het de ziekte van de prinses, die mij eene eer verschaft,

welke ik onwaardig ben.” „Dat is het juist,” hervatte de sultan, „en

gij zoudt mij het levensgeluk wedergeven indien gij, zoo als ik durf

hopen, door uwe gebeden van den hemel de genezing mijner dochter kondet

verwerven.”—„Sire,” antwoordde de dervis, „indien het uwer Majesteit

kan behagen de prinses hier te doen brengen, zoo hoop ik, dat zij, door

de hulp en de gunst des hemels, in volmaakte gezondheid van hier zal

terugkeeren.”

De sultan, van vreugde buiten zich zelven, zond terstond een' zijner

hoofdofficieren naar de residentie om zijne dochter te halen. Spoedig

daarna kwam de prinses aan, vergezeld van een groot gevolg van

slavinnen en gesnedenen. Het hoofd der dervissen deed een komfoor met

glimmende kolen boven het hoofd der prinses houden, en naauwelijks had

hij de zeven haartjes op het vuur geworpen, of de geest Maimoun, zoon

van Dimdim, verliet onder luid en pijnlijk geschreeuw de prinses, zonder

dat daarvan iets zigtbaar was.

Zij bragt terstond de hand aan het hoofd, sloeg den sluijer op,

welke haar gelaat bedekte, stond op, en zag met verbaasdheid rond,

uitroepende: „Waar ben ik? waarheen heeft men mij gebragt?” „Gij zijt

bij uw' vader!” riep de sultan buiten zich zelven van vreugde, terwijl

hij zijne dochter omhelsde en haar op de oogen kuste. Daarna den

opperste der dervissen bij de hand vattende, zeide hij tot de omringende

officieren: „Welke belooning is deze man waardig, die mijne geliefde

dochter heeft genezen?” „Hij verdient,” luidde het eenstemmig antwoord,

„de prinses tot zijne gemalin te hebben.”—„Dat was ook mijne gedachte,”

hernam de sultan, „en van dezen oogenblik af beschouw ik hem als mijn

schoonzoon.”

Korten tijd na de voltrekking van dit huwelijk overleed de groot-vizier.

Terstond stelde de sultan den dervis in zijne plaats aan, en toen ook

de sultan zelf een jaar daarna door den dood werd weggenomen, zonder

een' zoon na te laten, werd zijn schoonzoon, door den raad en door de

geestelijke standen, met algemeene stemmen tot sultan verkozen en

uitgeroepen.

Toen nu de goede dervis den troon van zijn' schoonvader beklommen had,

gebeurde het, dat hij met groot en schitterend gevolg door de stad

reed, en onder de van alle zijden toegevloeide en juichende menigte den

nijdigaard gewaar werd. „Ga,” sprak hij tot een' zijner viziers, die aan

zijne zijde reed, „en breng dien man hier, maar neem u in acht hem geen

schrik aan te jagen.” Als nu de nijdigaard in zijne tegenwoordigheid

werd gebragt en voor hem verscheen, stak de sultan hem de hand toe,

en zeide op minzamen toon: „Vriend, ik ben zeer verheugd u te zien!”

En zich daarop tot zijnen groot-vizier wendende, zeide hij: „Ik wil,

dat men aan dezen man, zonder uitstel, duizend goudstukken uit mijne

schatkist zal toetellen. Ook beveel ik, dat men hem uit mijne magazijnen

twintig wagenvrachten van de allerkostbaarste koopmansgoederen zal

geven, en dat eene eskorte van mijne lijfwacht hem, met zijnen schat,

in veiligheid naar zijne woning zal begeleiden.” Nadat hij deze bevelen

gegeven had, wierp hij den nijdigaard een' handgroet toe, en zette zijn'

intogt voort.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel · 第 25 / 29 题