„Mejufvrouw,” ving hij aan, „om aan uw bevel te gehoorzamen en u mede te
deelen door welk toeval ik mijn regteroog heb verloren, zal het noodig
zijn u mijne geheele levensgeschiedenis te verhalen.
Naauwelijks was ik de kindschheid ontwassen, of de koning, mijn vader,
want ook ik ben een prins van geboorte, bemerkende, dat ik goede
geestvermogens bezat, deed zijn uiterste best om mijn' aanleg te
ontwikkelen. Hij liet de geleerdste mannen en de grootste kunstenaars
uit geheel zijn rijk aan zijn hof komen, om mij te onderwijzen, en
mijn' geest door de mededeeling van hunne kennis te verrijken. Zoodra
ik kon lezen en schrijven, las en leerde ik den koran van buiten, dat
wonderschoone boek, dat de hoofdregels van onze godsdienst bevat. En
opdat mijne studie grondiger mogt zijn, las ik de werken der beroemdste
schrijvers, die door hunne aanteekeningen een groot licht over dat
verheven boek verspreid hebben. Te gelijkertijd zocht ik bekend te
worden met alles, wat door de beroemdste tijdgenooten van den Profeet
uit zijnen mond werd opgeteekend. Ik hield mij niet tevreden met alles
te onderzoeken, wat onze godsdienst betrof, maar legde mij tevens toe op
de geschiedenis en die fraaije letteren, waarbij de werken van onze
beste schrijvers en dichters mij tot gids dienden. Ook de aardrijks-,
natuur-, sterre- en tijdrekenkunde werden door mij bestudeerd. Boven
alles was het mijn streven mijne moedertaal zuiver te spreken, zonder
dat ik daarom eene dier andere oefeningen verzuimde, die aan een prins
voegen. Doch het meest legde ik er mij op toe, om de letters van onze
Arabische taal fraai en duidelijk te leeren schrijven, en hierin maakte
ik zulke verbazende vorderingen, dat de beste schrijfmeesters van ons
koningrijk, mannen, die zich daarmede veel roem verworven hadden, bij
mij moesten achter staan.
De faam verschafte mij nog meer eer dan ik verdiende. Zij vergenoegde
zich niet den roem mijner talenten in het koningrijk mijns vaders rond
te bazuinen, maar bragt den roep daarvan over tot aan het Indische hof,
welks magtige monarch, verlangend om mij te zien, een' ambassadeur,
met zeer rijke geschenken overzond, om van mijn' vader het daartoe
vereischte verlof te bekomen. Deze was om verschillende redenen met dit
gezantschap zeer ingenomen. Hij was van gevoelen, dat aan een' prins
van mijne jaren niets beter voegde, dan vreemde rijken en hoven te
bezoeken; daarbij stelde hij er hoogen prijs op, zich daardoor de
vriendschap van den sultan van Indië te verwerven. Ik vertrok dus met
den afgezant, doch uithoofde van den langen en moeijelijken weg, slechts
met een klein gevolg.
Wij waren reeds eene maand op reis, toen wij, bij het doortrekken van
eene woestijn, op een' verren afstand eene groote wolk van stof
ontdekten, waaruit weldra een veertigtal wel gewapende ruiters te
voorschijn kwamen. Het waren roovers, die in vollen galop op ons
inreden.
Mejufvrouw,” vervolgde de calender, altoos tot Zobeïde sprekende, „daar
tien onzer paarden zwaar beladen waren met de geschenken, welke ik,
uit naam van den koning mijn' vader, aan den sultan van Indië moest
overbrengen, en dewijl wij slechts een klein gevolg bij ons hadden,
was het waarschijnlijk, dat de roovers niet zouden aarzelen ons aan
te tasten. Daar wij niet in staat waren geweld met geweld te keeren,
riepen wij hun toe, dat wij gezanten waren van den sultan van Indië en
ons alzoo vleiden, dat zij ons, uit ontzag voor dien grooten monarch,
ongemoeid zouden laten trekken. Wij dachten daardoor onze bagage en ons
leven te zullen redden, maar de roovers antwoordden op stouten toon:
„Waarom wilt gij, dat wij den sultan uwen meester zullen eerbiedigen?
Wij zijn zijne onderdanen niet, en bevinden ons niet eens op zijn
grondgebied. Hij heerscht over Indië, wij zijn de gebieders in deze
woestijn!” Dit zeggende, omringden zij ons en vielen ons aan. Ik
verdedigde mij met leeuwenmoed, doch weldra voelde ik, dat ik gewond
was, en toen ik bemerkte, dat de afgezant en al de lieden van ons gevolg
reeds gedood of buiten gevecht gesteld waren, zag ik het nuttelooze van
langeren tegenstand in. Ik deed alzoo een' verwoeden aanval op mijne
bestrijders, die, bevreesd voor mijn snel treffend zwaard, voor een
oogenblik in verwarring weken of hunne vermetelheid met hun bloed
betaalden. Hierop plotseling den teugel wendende, reed ik op goed geluk
af in vollen galop van daar. In 't begin droeg mijn zwaar gewond paard
mij met verbazende snelheid voort, doch na een kwartier uurs rijdens
stortte het, door bloedverlies en vermoeidheid uitgeput, dood onder mij
neder. Ik had het geluk mij niet te bezeeren en sprong fluks weder op de
been. Bemerkende, dat ik niet werd vervolgd, maakte ik daaruit op, dat
de roovers niet hadden kunnen besluiten, zich van den gemaakten buit te
verwijderen, want ik had te goede gedachten van hunnen moed, en dacht
te nederig over mij zelven, om dit aan de vrees voor mijn zwaard toe
te schrijven. Zoo was ik dan gewond, van alle hulp verstoken, in een
mij geheel onbekend land alléén. Den grooten weg, die de woestijn
doorsnijdt, durfde ik niet volgen, daar ik dan groot gevaar liep, weder
in de handen der roovers te vallen. Na dus mijne wonde, welke gelukkig
niet gevaarlijk was, zoo goed de gelegenheid toeliet verbonden te
hebben, ging ik het overige van den dag langs ongebaande wegen voort.
Met het vallen van den avond kwam ik aan den voet van een' hoogen berg,
waarin ik eene grot ontdekte. Deze trad ik binnen, en na het nuttigen
van eenige vruchten, welke ik onder het gaan geplukt had, en die mij
zeer verkwikten, legde ik mij neder en bragt, door vermoeijenis afgemat,
den nacht vrij rustig door.
Den volgenden morgen en gedurende verscheidene dagen zette ik onvermoeid
mijne reis voort, zonder ergens eene bewoonde plaats aan te treffen.
Eerst na verloop van eene maand kwam ik in eene vruchtbare landstreek
aan, en zag eene groote en volkrijke stad vóór mij liggen. Hoe meer ik
de stad naderde, des te schooner werden de landerijen en wegen, welke
laatste allen met vruchtdragende boomen beplant waren, terwijl schoone
weilanden, van rivieren en beken doorsneden, met eene weelderige
bloemenpracht prijkten. Dit schoone natuurtooneel, dat zeer verschilde
met de woeste landstreken, die ik doorreisd had, stortte weder nieuwe
levensvreugde in mijn verslagen hart, en deed althans voor eenige
oogenblikken mijne diepe droefheid bedaren over den treurigen toestand,
waarin ik mij gebragt zag. Mijn gelaat, mijne handen en voeten waren
door de brandende zon der woestijn bruin geworden, mijn schoeisel was
door het lange gaan geheel versleten, zoodat ik gedwongen was barrevoets
te gaan; en mijne kleederen hingen mij als lompen bij het lijf. Ik had
geheel het voorkomen van een' bedelaar, en was inderdaad nog ellendiger
dan deze; niemand zou in mij den zoon eens magtigen konings erkend
hebben.
Ik trad de stad binnen, en bleef staan voor het huis van een'
kleermaker, die in zijn winkel zat te werken. De man had een vriendelijk
voorkomen, en ik vervoegde mij bij hem, om te vragen naar den naam van
de stad, waarin ik mij bevond. Hij deed mij naast zich nederzitten, en
vraagde mij, wie ik was, van waar ik kwam, en wat ik in deze stad wilde
uitrigten. Ik verzweeg hem niets van de rampen, die mij getroffen
hadden, en verborg zelfs mijne hooge afkomst niet.
De kleermaker hoorde met aandacht naar mij, doch toen ik had
uitgesproken, gaf hij mij, in plaats van troost, nieuwe reden tot
bezorgdheid. „Neem u wel in acht,” zeide hij, „dat gij aan niemand
anders toevertrouwt, wat gij mij daar hebt medegedeeld, want de hier
regerende vorst is de grootste vijand van den koning, uw' vader. Indien
hij verneemt, dat gij u in deze stad bevindt, hebt gij het ergste van
hem te vreezen.” Nadat de kleermaker mij den naam van den regerenden
vorst gezegd had, vond ik geene reden om de waarheid zijner woorden in
twijfel te trekken. Doch daar de vijandschap tusschen dezen vorst en
mijn' vader met mijne lotgevallen in geen naauw verband staat, zult gij
mij veroorloven, Mejufvrouw! dat ik hierover niet verder uitweide.
Ik bedankte den kleermaker voor zijne waarschuwing en betuigde hem, dat
ik mij geheel naar zijnen raad voegen en de mij bewezen dienst nimmer
vergeten zou. Daar de goede man inmiddels van oordeel was, dat het mij
niet aan eetlust zou ontbreken, liet hij mij te eten geven, en bood mij
zelfs huisvesting ten zijnent aan, hetgeen ik met blijdschap aannam.
Toen hij eenige dagen daarna bemerkte, dat ik van de vermoeijenissen
mijner lange en afmattende reis genoegzaam hersteld was, vraagde hij mij
(daar hij bekend was met het gebruik der prinsen van onze godsdienst, om
eenig beroep of handwerk te leeren, ten einde in tijd van nood daarmede
den kost te kunnen winnen), wat ik, om niet ten laste van anderen te
leven, bij de hand dacht te nemen. Ik antwoordde, dat ik de beide regten
had bestudeerd, dat ik de taal magtig en een goed dichter was, doch
bovenal het Arabisch zeer schoon kon schrijven. Dit perste hem echter
slechts een' glimlach af. „Met alles wat gij daar opnoemt,” zeide hij,
„kunt gij in dit land geen droog brood verdienen; al die kundigheden
brengen u hier geen nut aan. Wilt gij mijn' raad volgen,” ging hij
voort, „zoo schaf u een' kiel aan, en daar het mij toeschijnt, dat gij
een sterk en gezond gestel hebt, kunt gij niet beter doen dan in het
nabij gelegen bosch brandhout te gaan hakken en, dit ter markt te
brengen; ik verzeker u, dat gij daarmede genoeg verdienen kunt om,
zonder van iemand af te hangen, in uw onderhoud te voorzien. Zoo zult
gij geduldig kunnen wachten, tot dat de hemel u gunstig is, en de wolk
des ongeluks, die uw leven verduistert, zal zijn overgedreven. Ik zal u
een touw en een bijl bezorgen. Wat dunkt u?”—De noodzakelijkheid, om in
mijn levensonderhoud te voorzien, en de vrees van herkend te worden,
noopten mij dit voorstel aan te nemen, hoezeer ook dit nederig bedrijf
weinig met mijne hooge afkomst overeenkwam, en verbonden was met zwaren
handenarbeid.
Reeds den volgenden dag kocht de kleermaker voor mij een' kiel, eene
bijl en een touw. Tevens beval hij mij aan in de gunst van eenige arme
lieden uit de stad zijner inwoning, die op gelijke wijze hun brood
moesten verdienen. Deze namen mij met zich naar het bosch, onderrigtten
mij in al hetgeen ik voor mijn bedrijf moest weten, en reeds den eersten
dag kwam ik terug met een' zwaren bundel hout, dien ik voor een half
goudstuk, eene munt van dat land, verkocht; want, hoewel het bosch niet
ver van de stad lag, was echter het hout zeer duur, daar slechts weinige
en zeer arme lieden zich de moeite wilden geven om het te gaan hakken.
In zeer korten tijd won ik met dezen arbeid vrij veel geld, zoo dat ik
aan mijn' huisheer al zijne voor mij gedane voorschotten kon teruggeven.
Ruim een jaar lang had ik zoo voortgeleefd, toen ik op zekeren dag,
dieper dan gewoonlijk in het bosch gedrongen zijnde, een' zeer dikken
boom vond, dien ik wilde vellen. Toen ik een' dikken wortel had afgehakt
en de aarde weg geruimd, om beter bij den stam te kunnen komen, stiet
ik met mijne schop op een' ijzeren ring, welke aan een valluik van
hetzelfde metaal vast zat. Met eenige krachtsinspanning gelukte het mij
het valluik op te ligten, en nu bespeurde ik een' wenteltrap. Ik liep
met mijne bijl in de hand naar beneden, en na een vijftigtal treden te
zijn afgegaan, bevond ik mij, tot mijne groote verwondering, in het
voorhof van een onderaardsch paleis, waarin het even zoo licht was, als
boven den grond bij helderen zonneschijn. Ik ging verder door eene
gaanderij, waarvan het gewelf ondersteund werd door kolommen van jaspis,
met voetstukken en kapiteelen van massief goud. Doch al deze pracht
boeide mij niet langer en verdween als in het niet, bij de plotselinge
verschijning van eene jonge dame, zoo lieftallig en zoo uitstekend
schoon, dat ik alleen voor haar oogen had.
Om de schoone dame, vervolgde de calender, de moeite te besparen tot mij
te komen, haastte ik mij haar te gemoet te gaan, en terwijl ik haar met
eene hoffelijke buiging begroette, vraagde zij mij: „Wie zijt gij? Zijt
gij mensch of geest?”—„Mejufvrouw,” antwoordde ik, „ik ben een mensch,
en met geesten heb ik niets gemeen.”—„Door welk toeval dan,” hernam
zij, en loosde een' diepen zucht, „bevindt gij u in dit betooverde
paleis! Reeds twintig jaren ben ik hier opgesloten, en in al dien tijd
heb ik geen ander mensch aanschouwd dan u.”
Hare uitstekende schoonheid, hare droefheid en haar zachte blik gaven
mij de vrijmoedigheid tot haar te zeggen: „Mejufvrouw, veroorloof
mij, alvorens ik de eer zal hebben op uwe vraag te antwoorden, u de
verzekering te geven, dat ik het als mijn hoogste geluk beschouw u te
ontmoeten; en nog gelukkiger zal ik zijn, indien ik iets tot het uwe kan
bijdragen.” Ik verhaalde haar daarop, met alle opregtheid, door welken
zamenloop van rampen zij den zoon eens grooten konings voor zich zag, en
door welk toeval ik zoo gelukkig was geworden hare prachtige, maar toch
waarschijnlijk vervelende gevangenis te ontdekken.
„Helaas! prins,” sprak zij op nieuw zuchtende, „gij hebt gelijk; deze
gevangenis met al haren rijkdom en hare pracht, is voor mij een
vervelend verblijf, want het aangenaamste oord bevalt niet, indien men
er tegen zijn' wil moet blijven. Het is bijna niet te gelooven, dat gij
nooit hebt hooren spreken van den grooten Epitimarus, koning van het
Ebbenhouten eiland, dus genaamd naar de kostbare houtsoort, die aldaar
overvloedig gevonden wordt. Gij ziet in mij de prinses zijne dochter. De
koning mijn vader had voor mij een' prins tot mijn gemaal gekozen; die
prins was mijn neef. Doch in den eersten nacht van ons huwelijk, te
midden der hoffeesten, alvorens ik nog bij mijn' man was gebragt, werd
ik door een' geest geschaakt. Ik viel in zwijm, en toen ik weder tot mij
zelve kwam, bevond ik mij in dit paleis. Lang was ik ontroostbaar, maar
eindelijk was ik genoodzaakt mijn' schaker bij mij te dulden. Reeds
twintig jaar, zoo als ik u heb gezegd, bevind ik mij hier, en ik moet
bekennen, ik heb alles wat tot mijn onderhoud noodig is, en alles wat
eene prinses zou kunnen verlangen, wier hoogste geluk kostbare opschik
is.
Om de tien dagen,” vervolgde de prinses, „brengt de geest een' nacht bij
mij door. Hij verontschuldigt zijne lange afwezigheid daarmede, dat hij
nog eene andere vrouw heeft, die zeer jaloersch is, en het hem nimmer
zou vergeven, indien zij het minste vermoeden van zijne ontrouw had.
Heb ik evenwel iets noodig, 't zij dag of nacht, dan raak ik slechts
den talisman aan, die bij den ingang van mijne slaapkamer staat, en
bijna op hetzelfde oogenblik is hij bij mij. Vóór vier dagen heeft hij
mij bezocht, ik verwacht hem daarom eerst over zes dagen. Gij kunt
dus, indien het u behaagt, hier vijf dagen doorbrengen, prins, om mij
gezelschap te houden, en ik zal u volgens uw' stand en uwe verdiensten
onthalen.”
Ik zou mij zeer gelukkig hebben gerekend, als mij, op mijn verzoek,
deze gunst ware toegestaan; geen wonder dus dat ik, nu zij mij door
de schoone dame zelve werd aangeboden, aan geene weigering dacht. De
prinses deed mij nu in een bad gaan, zoo prachtig en van zoo veel
gemakken voorzien, als men zich slechts verbeelden kan. Toen ik daar
weder uit kwam, was mijn kiel verdwenen, en in plaats daarvan lag er een
zeer rijk kleed, dat ik aantrok, minder om zijne kostbaarheid, dan wel
om haar te behagen.
Wij gingen op eene sofa zitten, en spraken eenigen tijd zeer
vertrouwelijk met elkander, tot dat zij opstond om de tafel te bereiden,
waarop zij eene keur der fijnste spijzen plaatste. Wij aten te zamen en
bragten het overige van den dag zeer genoegelijk door. Nu wilde ik mij
naar huis begeven, doch zij zeide, dat het daartoe reeds te laat was,
en dus bleef ik ook dien nacht in het paleis. Den volgenden dag had ik
niet minder reden, om over mijne schoone gastvrouw tevreden te zijn.
Zij deed al wat in haar vermogen was, om mij het verblijf ten harent
aangenaam te maken. Het middagmaal was nog uitgezochter dan dat van
daags te voren, en na afloop daarvan, zette zij eene flesch rooden wijn
bij mij neder, heerlijker dan ik ze ooit gedronken had. Toen mij nu het
hoofd een weinig warm begon te worden, zeide ik: „Schoone prinses! reeds
veel te lang zijt gij hier als levend ingekerkerd. Ga met mij, en geniet
het zonlicht weder, waarvan gij sedert zoo vele jaren zijt verstoken.
Hier hebt gij slechts een kunstlicht, door tooverij voortgebragt,
hetgeen bij dat des hemels niet kan halen.”
„Prins,” antwoordde zij met een minnelijk lachje, „spreek aldus
niet; het schoonste daglicht is voor mij van geringe waarde, en dit
onderaardsche paleis zal voor mij geene gevangenis meer zijn, als gij
mij negen dagen van de tien uw bijzijn schenkt, en alleen den tienden
dag aan den geest afstaat.” „Prinses,” hernam ik, „alleen vrees voor den
geest doet u dus spreken. Ik voor mij, vrees hem echter zoo weinig, dat
ik den talisman met opschrift en al zal vergruizen. Laat hem maar komen,
ik zal hem afwachten. Hoe moedig en verschrikkelijk hij zijn moge, ik
zal hem de kracht van mijn' arm doen gevoelen. Ik zweer alle geesten,
die in de wereld zijn, te zullen vernietigen, en hem het eerste.”
De prinses, die er de gevolgen van inzag, bezwoer mij den talisman
onaangeroerd te laten. „Gij zult,” zeide zij, „u zelven en mij in
het verderf storten; ik ken de geesten beter dan gij.” Door den wijn
beneveld, was ik doof voor de verstandige waarschuwing van de prinses,
en sloeg hare bede in den wind. Ik gaf een' krachtigen schop tegen den
talisman, zoodat hij aan honderd stukken brak.
Naauwelijks was dit geschied, of het paleis schudde op zijne
grondvesten, en dreigde met een vreeselijk gekraak te zullen instorten.
Een geluid als van den rollenden donder, vermengd met bliksemstralen,
liet zich hooren en een dikke duisternis omgaf ons, zoodat het scheen of
de hel in beroering was gekomen. Dit verschrikkelijke gedruisch verdreef
in een oogenblik de dampen van den wijn, en deed mij, doch te laat,
mijne dwaasheid inzien. „Prinses!” riep ik, „wat beteekent dit?” Zij
antwoordde mij zeer verschrikt, en zonder aan haar zelve te denken: „Red
u spoedig, prins, of gij zijt verloren!”
Ik volgde haren raad, en dit met zoo veel overhaasting, dat ik mijne
bijl en mijne overschoenen achterliet. Naauwelijks had ik den voet van
den trap bereikt, of het dak van het betooverde paleis opende zich, en
de geest schoot met de snelheid van den bliksem neder, en stond voor de
prinses. „Prinses! wat is u overkomen?” vraagde hij op gramstorigen
toon. „En waarom hebt gij mij geroepen?”—„Ik werd zoo wee om het hart,”
antwoordde de prinses, „en dacht eene teug wijns zal mij goed doen. Ik
kreeg deze flesch, dronk een paar teugen, deed een' misstap en viel op
den talisman, waardoor hij gebroken is; dit is de geheele zaak.”
Dit antwoord maakte den geest nog woedender. „Gij zijt,” sprak hij,
„een onbeschaamde leugenaarster. Zeg mij, hoe komen deze bijl en deze
overschoenen hier?”—„Ik zie ze nu voor het eerst,” hernam de prinses,
„misschien hebt gij zelf ze, zonder het te weten, in uwe haast
medegebragt.”
De geest antwoordde slechts met scheldwoorden en met slagen, waarvan de
doffe klank tot mij doordrong. Ik had den moed niet het klaaggeschrei
der prinses, welke op de wreedste wijze mishandeld werd, aan te hooren.
Met achterlating van mijn kostbaar gewaad ontvlugtte ik met mijn kiel
dien ik in der haast nog had mede genomen, over den arm, het betooverde
paleis langs denzelfden weg, maar met meer spoed, dan ik er was
ingekomen. Wat was er nu van den held geworden, die met zijn' arm
alle geesten der wereld verdelgen zou? Een bloode vlugteling. Ik
schaamde mij voor mij zelven en het smartte mij, dat ik, door mijne
zotte verwaandheid, de schoonste en beminnelijkste prinses der aarde
aan de wreedheid van den onverbiddelijken geest had prijs gegeven. Ik
beschouwde mij zelven als de misdadigste en ondankbaarste van alle
mannen. „Het is waar,” zeide ik tot mij zelven, „dat zij reeds twintig
jaren eene gevangene is, maar behalve de vrijheid bleef haar niets te
wenschen over, om gelukkig te zijn. Mijne oploopendheid heeft dat geluk
verwoest, en haar aan de mishandelingen van een' duivel blootgesteld.”
Met een' diepen zucht sloot ik het valluik achter mij digt, en keerde
naar de stad terug met eene lading hout, welke ik bijeenbragt, zonder
bijna te weten wat ik deed, zoo zeer waren mijne zinnen verward.
De kleermaker, mijn goede huisheer, was zeer verheugd, toen hij mij
terug zag. „Uwe afwezigheid,” zeide hij, „heeft mij zeer ongerust
gemaakt. Ik vreesde reeds, dat men, zelfs onder uwe vermomming van
houthakker, uwe hooge geboorte ontdekt, u herkend en naar de gevangenis
gebragt had. De Profeet zij geloofd, dat ik u in welstand terug zie.”
Ik bedankte hem voor zijne genegenheid, maar verhaalde hem niets van
mijn avontuur, dat zoo treurig was geëindigd, noch waarom ik mijne
bijl en mijne overschoenen niet had mede gebragt. Hij vraagde er mij
ook niet naar, en ik begaf mij naar mijne kamer, onder voorwendsel
dat ik vermoeid was, en een weinig rust wilde nemen. Hier, in mijne
eenzaamheid, deed ik wij zelven nog duizend verwijten over mijne
onvergeefelijke onvoorzigtigheid. „Niets,” zeide ik, „zou uw geluk en
dat van de prinses hebben geëvenaard, indien gij u zelven hadt weten
te beheerschen, en de dwaasheid niet had begaan, om den talisman te
verbreken.”
Terwijl ik mij met deze droevige gedachten bezig hield, trad mijn
huisheer binnen en zeide; „Een grijsaard, die mij geheel onbekend is,
brengt uwe bijl en uwe overschoenen terug, die hij zegt aan den weg
gevonden te hebben. Hij moet van de lieden, met welke gij dagelijks naar
het bosch gaat, vernomen hebben, waar gij woont. Ik wilde u niet storen,
maar hem met eene kleine belooning voor zijne moeite weg zenden, doch
hij weigerde, en verlangt u in persoon te spreken. Ga dus even bij hem.”
Op dit berigt veranderde ik van kleur en beefde over mijn geheele
ligchaam. De kleermaker vroeg mij naar de oorzaak mijner ontsteltenis,
doch op hetzelfde oogenblik spleet de vloer van mijne kamer met groot
gekraak van een, en de grijsaard, als kwam hij uit den schoot der aarde,
stond plotseling voor ons met mijne bijl en mijne schoenen in de hand.
Ik kon er niet meer aan twijfelen; het was de geest, de schaker der
schoone prinses van het Ebbenhouten eiland, die, na haar op de wreedste
wijze te hebben mishandeld, zich onder deze gedaante aan mij kwam
vertoonen. Zoo was het. „Ik ben een geest,” zeide hij tot ons, „zoon
van de dochter van Eblis, den vorst der geesten. Is dit niet uwe bijl.”
vervolgde hij zich tot mij wendende, „zijn dit uwe schoenen niet?”
Gij kunt u voorstellen, Mejufvrouw, vervolgde de calender steeds tot
Zobeïde sprekende, hoe ik te moede was; zonder een woord te spreken,
stond ik daar. Ook liet de geest mij den tijd niet om te antwoorden,
maar zijn' arm om mijne lendenen slaande, droeg hij mij de kamer en het
huis uit, en verhief zich, mij medevoerende, in de lucht zoo hoog, dat
wij de sterren zien konden, en deze aardbol mij toescheen slechts eene
stip te zijn. Met gelijke snelheid schoot hij weder naar beneden en
stampte met den voet. De aarde opende zich, wij zonken in de diepte,
en op hetzelfde oogenblik bevond ik mij in het betooverde paleis in
tegenwoordigheid van de schoone prinses van het Ebbenhouten eiland.
Maar, helaas! welk een schouwspel! Het hart brak mij. De prinses lag met
bloedende wonden, en meer dood dan levend op den grond uitgestrekt, en
hare verbleekte wangen waren nat van tranen.
„Ongetrouwe,” sprak de geest, mij aan haar voorstellende, „zeg mij, is
dit uw minnaar niet?” Zij rigtte de met tranen gevulde oogen op mij en
zeide op droevigen toon: „Ik ken dezen man niet; nooit heb ik hem te
voren gezien.” „Wat!” hernam de geest, „hij is de oorzaak van den
treurigen toestand, waartoe gij u door mijn' regtvaardigen toorn gebragt
ziet, en gij durft nog zeggen, dat gij hem niet kent?”—„Ik ken hem
niet,” herhaalde de prinses, „verlangt gij, dat ik eene leugen zal
zeggen, om hem aan uwe wraak prijs te geven?”—„Welnu,” sprak de geest
zijn zwaard trekkende, en dit de prinses aanbiedende, „indien hij u
vreemd is, neem dan dit zwaard en sla hem het hoofd af; dan wil ik u
gelooven”—„Helaas!” zeide de prinses, „hoe zou ik kunnen doen, hetgeen
gij van mij vordert. Mijne krachten zijn zoo uitgeput, dat ik buiten
staat ben mijne armen op te heffen; en, indien ik het al kon, hoe zou ik
dan den moed hebben een' onschuldige, die mij nooit leed heeft gedaan,
te dooden.”—„Uwe weigering,” sprak nu de geest tot de prinses, „getuigt
voor uwe schuld.” En zich daarop tot mij wendende, vraagde hij: „En gij,
kent gij haar ook niet?”
Ik zou de ondankbaarste en trouweloosste van alle mannen zijn geweest,
indien ik aan de prinses niet dezelfde getrouwheid had betoond, welke
zij voor mij, die de eenige oorzaak van haar ongeluk was, aan den dag
had gelegd.
Daarom gaf ik den geest ten antwoord: „Hoe kan ik deze dame kennen,
daar het heden voor de eerste maal is, dat ik haar voor mijne oogen
zie.”—„Als dat zoo is,” hernam de geest koelbloedig, „neem gij dan het
zwaard en sla haar het hoofd af. Op deze voorwaarde alleen geef ik u
uwe vrijheid weder, en zal ik gelooven, dat gij haar nooit te voren
gezien en gesproken hebt.”—„Zeer gaarne,” zeide ik, en nam het zwaard
uit zijne hand aan.
Geloof intusschen niet, Mejufvrouw,” vervolgde de calender, „dat ik
de schoone prinses van het Ebbenhouten eiland naderde, om het wreede
bevel van den geest te volvoeren. Ik had daarmede een ander doel; ik gaf
de prinses, zoo veel doenlijk, door mijne gebaren te kennen, dat, even
als zij den' moed had gehad zich uit liefde voor mij op te offeren, ook
ik uit liefde voor haar mijn leven veil had. De prinses begreep mij,
wierp mij een' dankbaren blik toe, en deed mij verstaan, dat zij nu
tevreden was, en den dood niet meer vreesde. Toen trad ik eensklaps
terug, en het zwaard van mij werpende, zeide ik tot den geest: „Neem
dit zwaard terug; ik zou mij zelven moeten verachten, indien ik mij
bezoedelde met het bloed dezer dame, die mij onbekend en onder uwe
martelingen reeds bijna bezweken is. Ik ben in uwe magt, doe met mij wat
gij wilt, maar uw wreed bevel gehoorzamen kan of wil ik niet.” „Ha!”
riep de geest, „gij beide hebt er het op toegelegd mij te trotseren,
maar gij zult ondervinden, waartoe ik, beleedigd zijnde, in staat ben.”
Dit zeggende, nam hij het zwaard op en hieuw de prinses de regterhand
af. Reeds afgemarteld door de ondergane mishandelingen, waarbij het nu
sterke bloedverlies kwam, kon zij mij naauwelijks een' afscheidsblik
toewerpen, vóór hare schoone oogen zich voor altoos sloten. Zij slaakte
een' zwaren zucht, het was haar laatste. Dit vreeselijke schouwspel trof
mij zoo zeer, dat ik in zwijm viel.
Toen ik weder tot bewustheid kwam, vraagde ik den geest, waarom hij aan
mijn leven nog geen einde had gemaakt, en mij zoo lang op den dood liet
wachten.—„Sla toe,” riep ik, „zie mij gereed den doodelijken slag te
ontvangen; ik verwacht dien van uwe hand als de grootste gunst, welke
gij mij kunt bewijzen!” Maar in plaats van aan mijn verzoek te voldoen,
wees de wreedaard mij op het lijk der ongelukkige prinses. „Zie,” zeide
hij, „op deze wijze straffen de geesten hunne vrouwen, als zij zich van
ontrouw verdacht hebben gemaakt. Zij heeft u hier ontvangen, en zoo ik
zekerheid had, dat zij mij een' grooter hoon had aangedaan, zoudt ook
gij, zonder genade, den dood van mijne hand ontvangen. Maar hiervan wil
ik het beste denken, en mij vergenoegen u in een' hond, een' aap, een'
leeuw of een' vogel te veranderen. Wat wilt gij het liefst, gij zijt
vrij in uwe keus.” Toen ik mijn leven buiten gevaar zag, kwam de hoop in
mij op, dat hij zich welligt zou laten verbidden. „O Geest,” zeide ik,
„matig uwen toorn; wilt gij mij het leven niet benemen, zoo schenk mij
dit op eene grootmoedige wijze. Steeds zal ik mij uwe edelmoedigheid
herinneren, indien gij vergeven wilt, gelijk een zeker braaf man
dit zijn' nijdigen buurman deed, die hem een' onverzoenlijken haat
toedroeg.” De geest vraagde mij, wat er tusschen deze beide buren
was voorgevallen, en zeide, dat hij geduldig deze geschiedenis zou
aanhooren. Ik verhaalde ze hem op de volgende wijze, en ik vlei mij,
Mejufvrouw,” vervolgde de calender tegen Zobeïde, „dat gij het niet
kwalijk zult nemen, indien ik ze ook aan u vertel.