GESCHIEDENIS VAN DEN EERSTEN CALENDER, DEN ZOON EENS KONINGS.

Om u te doen begrijpen, hoe ik mijn regter oog verloren, en waarom ik

het kleed van een' calender aangenomen heb, moet ik u vooraf zeggen, dat

ik van geboorte een konings zoon ben. De koning, mijn vader, had een'

broeder, die in eenen naburigen staat regeerde. Deze broeder had twee

kinderen, een' prins en eene prinses; de prins en ik waren bijna even

oud.

Jaarlijks ging ik mijn oom bezoeken, en dit gaf aanleiding, dat ik met

mijn' neef zeer gemeenzaam werd en wij eene innige vriendschap voor

elkander opvatten. De laatste maal, dat ik hem bezocht, ontving hij mij,

nog meer dan anders, met de innigste genegenheid, en mij op zekeren

dag bijzonder willende onthalen, maakte hij daartoe buitengewone

toebereidselen. Wij zaten lang aan tafel en na het gebruik van een'

uitgezochten avondmaaltijd, sprak hij mij aldus aan: „Waarde neef, ik

geloof, dat gij moeijelijk zult kunnen raden, waarmede ik mij, sedert

uw vorig bezoek hoofdzakelijk heb bezig gehouden. Ik laat mij een

onderaardsch paleis bouwen, dat misschien wel waardig is, door u bezien

te worden. Maar alvorens dit plaats hebbe, verlang ik van u, dat gij mij

getrouwheid en eene stipte geheimhouding zweren zult.” De vriendschap en

de gemeenzaamheid, die tusschen ons bestond, lieten mij geene vrijheid

hem iets te weigeren, en zonder aarzelen deed ik den gevorderden eed.

„Wacht mij hier,” sprak hij nu, „in een oogenblik ben ik weder bij u.”

Ik behoefde inderdaad niet lang te wachten, want kort daarop kwam hij

terug met eene vrouw, die zeer prachtig gekleed en buitengewoon schoon

was. Hij zeide mij niet wie zij was, en de wellevendheid verbood mij er

hem naar te vragen. Wij zetten ons andermaal aan tafel, en nu met de

dame. Wij dronken elkanders gezondheid, en onder vrolijke gesprekken

snelde de tijd voorbij. „Neef,” sprak nu de prins, plotseling opstaande,

„het is thans tijd. Doe mij het genoegen, deze dame met u te nemen, en

haar naar gindsche begraafplaats te begeleiden. Aldaar zult gij een

overwelfd graf vinden, waarvan de ingang open is. Treedt daar zamen

binnen, en wacht mij.”

Getrouw aan mijn' eed, wilde ik naar niets vragen, bood de dame mijne

hand, en door middel van de door den prins opgegeven kenteekenen,

slaagde ik er in, bij helder lichte maan, het graf te vinden.

Naauwelijks echter waren wij daar, of wij zagen den prins, die ons

bijna op den voet moet zijn gevolgd, aankomen, beladen met eene kruik

waters, een zakje met kalk of cement en eenen troffel.

De troffel diende hem, om eene in het midden van den grafkelder staande

doodskist te ontdoen van het zand en de steenen, waarmede zij bleek

gevuld te zijn, toen hij het deksel er afligtte. De steenen stapelde

hij in een' der hoeken op een, en nadat hij de doodkist van hare plaats

had geschoven, begon hij den zich daar onder bevindenden grond uit te

graven. Een valluik werd zigtbaar, en toen dit opgeligt was bespeurden

wij een' trap, die in de diepte afdaalde. „Mevrouw!” sprak thans mijn

neef tot zijne dame, „zie daar den weg, die ons op die plaats moet

brengen, waarvan ik gesproken heb.” De dame ging zonder aarzelen den

trap af. Toen de prins gereed stond haar te volgen, wendde hij zich

tot mij en zeide: „Neef, ik ben u zeer erkentelijk voor de mij bewezen

dienst, en zeg er u dank voor; wees gegroet.”—„Maar, lieve neef!” riep

ik ontsteld, „wat moet dit beteekenen; wilt gij u met deze dame levend

gaan begraven?”—„Bekommer u daar niet over,” was het antwoord, „en keer

langs den zelfden weg, dien gij gekomen zijt terug.”

De prins liet nu het valluik weder vallen, en schoof er van binnen

de grendels voor. Ik keek eenige oogenblikken als versuft rond. Eene

poging, om het luik te openen, mislukte; mijn roepen bleef onbeantwoord,

en mijne zinnen, reeds door den wijn beneveld, raakten verward. Ik

keerde naar het paleis terug, en zonder bijna te weten, wat ik deed,

wierp ik mij, over deze zonderlinge gebeurtenis nadenkende, geheel

gekleed op mijn rustbed. Weldra viel ik in een diepen slaap; en des

morgens bij mijn ontwaken, stond mij het gebeurde van den vorigen avond

slechts flaauw voor den geest. Ik verbeeldde mij een' benaauwden droom

te hebben gehad, en dit wel zoo vast, dat ik, als naar gewoonte, iemand

naar den prins zond, om te vernemen, of hij reeds bij de hand was en mij

kon afwachten. Doch toen men mij berigtte, dat de prins dien nacht niet

ten zijnent had doorgebragt, keerde mijne ongerustheid terug. Ik kleedde

mij dadelijk, en begaf mij naar de algemeene begraafplaats, doch wat

moeite ik ook aanwendde, het was mij niet mogelijk, tusschen de vele

graven van gelijken vorm, het bedoelde graf te vinden. Gedurende vier

dagen herhaalde ik mijn onderzoek, doch steeds vruchteloos.

„Gij moet weten, Mejufvrouw!” vervolgde de calender, „dat de koning,

mijn oom, reeds sedert eenige dagen op de jagt was. De tijd zijner

terugkomst was onbepaald. Ik verveelde mij, verontschuldigde mij bij

zijne ministers, en keerde naar het hof van mijn vader terug, daar ik

niet gewoon was lang afwezig te blijven. Ik liet intusschen de ministers

van mijn' oom, den koning, in groote ongerustheid omtrent het lot van

den prins, van wiens zonderlinge verdwijning en voortdurende afwezigheid

zij zich geen denkbeeld konden maken. Doch door mijn' eed gebonden,

meende ik geene vrijheid te hebben, hun mede te deelen, wat mij daarvan

bekend was.

In de hoofdstad, waar de koning, mijn vader, zijn hof hield, aangekomen,

vond ik, tot mijne verbazing, aan de poort van het paleis eene sterke

wacht, welke mij, toen ik wilde binnen treden, omringde en aanhield. Ik

vraagde naar de reden van deze mij onverklaarbare handelwijze, en de

officier van de wacht het woord nemende, antwoordde: „Prins, het leger

heeft den groot-vizier, in plaats van uw' vader, die overleden is, tot

koning uitgeroepen, en op last van zijne majesteit, zie ik mij gedwongen

u te vatten en gevangen te nemen.” Op deze woorden maakte de wacht zich

van mij meester, ontwapende mij, en bragt mij voor den Tyran. Gij kunt

oordeelen, Mejufvrouw! hoe groot mijne verwondering en mijne smart

waren. Deze oproerige vizier had sedert lang een' grooten haat tegen

mij opgevat. Hoe onschuldig ook, de oorzaak er van, was niet ver te

zoeken. Van mijne kindschheid af, had ik eene groote voorliefde voor het

boogschieten. Toen ik mij daarmede eens op het plein vóór het paleis

vermaakte, zag ik een' vogel voorbij vliegen; ik mikte er op, maar

schoot mis, en het ongeluk wilde, dat de pijl den groot-vizier, die

zich op het plat van zijne woning bevond, in het regter oog trof en

dit weg nam. Toen mij zulks ter oore kwam, ging ik naar den vizier, en

betuigde hem mijn leedwezen over het ongeluk, waartoe ik onwillekeurig

aanleiding had gegeven. Van dien tijd af, droeg hij mij een kwaad hart

toe, en vond er vermaak in, mij op alle mogelijke wijzen te kwellen.

Hij werd toen echter uit ontzag voor den koning, mijn' vader, terug

gehouden, doch nu hij de magt in handen had, vierde hij zijn' haat den

vollen teugel, en wel op eene barbaarsche wijze. Zoodra hij mij zag,

liep hij als razend op mij toe, stak zijn' vinger in mijn rechteroog en

rukte dit uit. Zie daar, Mejufvrouw, de oorzaak mijner éénoogigheid.

Maar hierbij liet de wreede overweldiger het niet berusten. Hij deed mij

in eene ijzeren kooi opsluiten en beval den beul, mij ver buiten de stad

in de wildernis te voeren, mij daar te onthoofden, en mijn ligchaam aan

de roofvogels ten prooi te geven. De beul, van een' zijner handlangers

vergezeld, steeg te paard, belaadde zich met de kooi, die mij tot

gevangenis verstrekte, en voerde mij naar eene woestijn, om aldaar

zijn' last te volbrengen. Het gelukte mij om door tranen en gebeden het

mededoogen van dezen man, die minder wreed was dan zijn meester, op te

wekken. „Ga,” zeide hij, terwijl hij mij uit mijne gevangenis bevrijdde,

„verlaat dadelijk dit koningrijk en laat u er nimmer weêr zien, want dan

was uw dood zeker, en gij zoudt oorzaak zijn van mijn ongeluk.” Ik

bedankte hem in warme bewoordingen voor zijne goedheid, en naauwelijks

bevond ik mij alleen en in vrijheid, of ik troostte mij over het verlies

van mijn oog, daar ik bedacht aan hoeveel grooter gevaar ik thans, door

de gunst des hemels, was ontkomen.

In den zwakken toestand, waarin ik verkeerde, kon ik niet ver gaan; ook

moest ik, zoo lang ik mij op het grondgebied van mijn vijand bevond, de

grootste omzigtigheid in acht nemen. Des daags hield ik mij schuil in

de bosschen, des nachts vervolgde ik mijne reis, en ging zoo ver, als

mijne krachten toelieten. Eindelijk kwam ik in de staten van mijn' oom,

en begaf mij dadelijk naar de hoofdstad. Ik werd door mijn' oom, den

koning, met liefde ontvangen, en deed hem uitvoerig verslag van de

oorzaak mijner terugkomst aan zijn hof, en den droevigen toestand,

waarin ik mij bevond. „Helaas!” riep hij uit, „is het nog niet

genoeg, dat ik mijn' zoon verloren heb? Moet ik nu ook den dood

vernemen van een' geliefden broeder, en u, mijn' neef, in zulk

een' beklagenswaardigen toestand wederzien!” Hij gaf mij zijne

ongerustheid te kennen omtrent het lot van zijn' zoon, van wien hij nog

niets had vernomen, welke moeite hij zich ook had gegeven. Terwijl hij

mij dit mededeelde, stortte de ongelukkige vader heete tranen, en ik

werd hierdoor zoo bewogen, dat het mij onmogelijk was aan zijne diepe

droefheid weêrstand te bieden. Niettegenstaande den eed aan mijn' neef,

den prins, gedaan, was het mij niet mogelijk te zwijgen, en ik verhaalde

aan den koning, zijn' vader, alles wat mij bekend was. Dit scheen den

koning eenigszins te troosten. „Waarde neef!” zeide hij, „hetgeen gij

mij daar verhaalt, wekt mijne hoop weder op. Het was mij niet onbekend,

dat mijn zoon een graftombe liet bouwen, en ik weet ten naaste bij,

op welke plaats. Daarom vlei ik mij, dat wij, geholpen door de

herinneringen, die u daarvan zijn bijgebleven, die eindelijk zullen

vinden. Doch dewijl hij deze zaak in het geheim heeft behandeld, en ook

u het stilzwijgen heeft opgelegd, zal het, naar mijn inzien, raadzaam

zijn, wij slechts met ons beiden dit onderzoek doen, ten einde alle

opspraak te vermijden.” Hij had nog eene andere reden, die hij mij niet

zeide, om deze zaak voor ieder verborgen te houden, en wel eene zeer

gewigtige, gelijk uit het vervolg van mijn verhaal zal blijken. Wij

verkleedden ons om niet herkend te worden, en verlieten het paleis door

eene verborgen deur, die in het veld, dat achter aan den tuin grensde,

uitkwam. Wij waren ditmaal zoo gelukkig weldra te vinden, wat wij

zochten. Ik herkende de graftombe, en was daarover te meer verheugd,

omdat ik vroeger lang te vergeefs gezocht had. Wij gingen er in, en

vonden het valluik van binnen gesloten, doch door middel van een

breekijzer gelukte het ons dit te openen.

Mijn oom, de koning, ging het eerst den trap af. Ik volgde hem. Wij

moesten omtrent vijftig treden naar beneden. Aan den voet van den trap

gekomen, bevonden wij ons in een soort van vóórvertrek, dat geheel

vervuld was met een' dikken en onaangenamen walm, zoodat het licht,

van eene aan de zoldering hangende zilveren lamp, daardoor verduisterd

werd. Uit dit vóórvertrek kwamen wij in eene groote zaal, waarvan het

gewelf op zware kolommen rustte, en die door kristallen kroonen, waarop

waskaarsen brandden, helder verlicht was. In het midden der zaal bevond

zich eene marmeren kom, met eene springende fontein, waaruit het

helderste water in sierlijke bogen sprong. In een' der hoeken stond een

groot buffet, rijkelijk voorzien van konfituren en allerlei uitgelezene

spijzen. Bij al dezen voorraad, die van levende wezens getuigde, waren

wij dus zeer verwonderd niemand aan te treffen. De sofa was ledig,

doch daartegenover stond op eene estrade, waartoe ons eenige trappen

geleidden, een groot ledekant, waarvan de kostbare gordijnen digt

toegehaald waren. De koning besteeg de estrade en de gordijnen

openrukkende, zag hij den prins zijn' zoon en de dame bewegingloos

liggen, niet slapende, maar geheel verkoold, alsof men hen in een groot

vuur had geworpen en daaruit weder te voorschijn gehaald, vóór dat zij

door de vlammen verteerd waren. Wat mij echter het meest verbaasde was,

dat de koning, mijn oom, in plaats van wanhoop of smart aan den dag te

leggen, toen hij zijn' zoon in zulk een' afschuwelijken toestand vond,

hem in het aangezigt spoog, en, met een van verontwaardiging gloeijend

gelaat, tot den doode zeide: „Dit is uwe straf voor deze wereld, maar

hier namaals zal zij eeuwig zijn.” Na het uiten van deze woorden,

ontschoeide hij zich, en gaf zijn' zoon met zijn schoeisel een' harden

slag op den wang.

„Ik kan u niet zeggen, Mejufvrouw!” vervolgde de calender, „hoe verbaasd

ik was, toen ik zag, dat de koning, mijn oom, den prins, zijn' zoon, nog

na zijn' dood zoo mishandelde.” „Sire!” zeide ik, „hoe groot ook mijne

droefheid is over zulk een treffend ongeval, kan ik mij echter niet

weêrhouden u te vragen, aan welke misdaad de prins, mijn neef, zich

heeft schuldig gemaakt, en waardoor hij verdiende, dat gij met zijn lijk

op zulk een wijze handelt?” „Neef!” antwoordde de koning, „hij is niet

waard mijn zoon genoemd te worden, want hij heeft oneer en schande over

zijn geslacht gebragt, en zou mijn' vloek verdienen, indien niet 's

hemels toorn mij reeds was voorgekomen, en hem op eene voorbeeldige

wijze gestraft had. De dame, aan wie hij zijne liefde heeft toegewijd,

is zijne eigene zuster. Hij heeft mij trachten te misleiden, door zich

in den schoot der aarde te verbergen, maar gelijk gij ziet, de wraak des

hemels heeft hij niet kunnen ontvlieden.” Dit zeggende werd het hart des

konings week, hij stortte heete tranen, en ik schreide met hem.

Na eenige oogenblikken van diepe droefheid, sloeg de koning de oogen op

mij, en mij omhelzende, riep hij uit: „Ik heb een' onwaardigen zoon

verloren, maar de hemel heeft mij u toegezonden, opdat gij zijne

plaats in mijn hart en op mijn' troon zoudt innemen!” Nogtans deed de

herinnering aan het droevig lot van den prins en de prinses ons op nieuw

tranen storten.

Wij haasten ons deze plaats des ongeluks te verlaten; vooral sloot

echter de koning het valluik zorgvuldig, en wij bedekten het met zand,

opdat de aldaar bedreven misdaad en de daarop gevolgde wraak des hemels

mogten verborgen blijven in den schoot der aarde.

Wij waren nog niet lang in het paleis teruggekeerd, waar men van onze

afwezigheid niet het minste had bemerkt, of een verward geluid van

trompetten, rinkelbommen, trommen en andere krijgsmuziek trok onze

aandacht. Een digte stofwolk, waardoor de lucht als verduisterd werd,

zeide ons weldra wat dit had te beduiden, en verkondigde ons dat een

geducht leger in aantocht was. Het was dezelfde vizier, die mijn' vader

onttroond en van het leven beroofd had, en die thans met eene sterke

krijgsmagt was uitgetrokken, om ook de staten van mijn oom' te

veroveren.

Deze aanval had plaats zonder voorafgaande oorlogsverklaring. Het

was dus den koning, mijn' oom, die slechts over zijne lijfwacht kon

beschikken, niet mogelijk zulk een' magtigen vijand ernstigen wederstand

te bieden. De stad te verdedigen, daaraan viel niet te denken; om

van plundering bevrijd te blijven, opende het volk de poorten, en

weldra werd ook het paleis omringd en aangevallen. Mijn oom, die zijne

getrouwen rondom zich verzameld had, bood een' wanhopigen tegenstand,

doch werd, na zijn leven zoo duur mogelijk verkocht te hebben, in den

strijd gedood. Ook ik had mede gevochten, doch wel inziende, dat wij

voor de overmagt zouden moeten bukken, besloot ik, toen ik mijn' oom zag

vallen, terug te trekken, en ik had het geluk door eene geheime deur uit

het paleis te ontsnappen, en bij een' officier des konings, die niet ver

van daar zijne woning had, en op wiens trouw ik mij kon verlaten, eene

schuilplaats te vinden.

Door het ongeluk vervolgd, van droefheid overstelpt en mij ook hier

niet veilig achtende, nam ik, om mijn leven te redden, mijne toevlugt

tot eene list. Ik liet mij den baard en de wenkbraauwen afscheren,

en nadat ik het kleed van een' calender aangetrokken had, verliet ik

de stad, zonder door iemand herkend te worden. Daarna viel het mij,

onder begunstiging van deze vermomming, gemakkelijk het koningrijk te

verlaten, waartoe ik de minst bezochte wegen insloeg. Ik liet de steden

en dorpen ter zijde liggen, tot dat ik over de grenzen gekomen was, en

het grondgebied bereikte van den magtigen beheerscher der geloovigen,

den wereldberoemden kalif, Haroun-al-Raschid, waarna ik niets meer te

vreezen had. Nu met mij zelven raadplegende, wat mij verder te doen

stond, nam ik het besluit naar Bagdad te gaan en mij aan de voeten van

dezen grooten Monarch te werpen, wiens regtvaardigheid en edelmoedigheid

alom geroemd worden. „Ik zal,” zeide ik tot mij zelven, „dien vorst,

door een getrouw verhaal van mijne rampen treffen, hij zal ongetwijfeld

mededoogen hebben met een' prins, die zoo diep ongelukkig is, en niet te

vergeefs zal ik zijne hulp inroepen.”

Eindelijk, na eene reis van eenige maanden, ben ik heden tegen het

vallen van den avond vóór deze stad aangekomen. Bij de poort hield

ik mij eenige oogenblikken op, om te overwegen naar welk gedeelte

dezer uitgestrekte plaats ik mijne schreden zoude rigten, toen ik den

calender, die hier naast mij zit, en die ook op reis was, ontmoette. Hij

groette mij, en nadat ik zijnen groet beantwoord had, zeide ik: „Naar ik

het u kan aanzien, zijt gij mede een vreemdeling alhier.” Hij antwoordde

toestemmend, en terwijl hij dit deed, voegde deze derde calender zich

bij ons. Wij groetten elkander, en ook deze laatste maakte zich aan ons

als een vreemdeling in Bagdad bekend. Wij sloten ons nu als broeders

aanéén, en vonden goed niet weder te scheiden, te meer daar ook onze

lotgevallen, die wij elkander in weinig woorden mededeelden, hoe

verschillend ook, in vele opzigten overeenkomen. Ook hebben wij dit

gemeen, dat wij alle drie koningszonen en aan het regter oog blind zijn.

Inmiddels was het reeds laat geworden, en wij wisten niet, waar wij in

deze ons geheel vreemde stad een onderkomen zouden vinden. Terwijl wij

hiernaar omzagen, voerde het goed geluk ons uw huis voorbij. Wij namen

de vrijheid aan te kloppen, en gij hebt ons met zoo veel goedheid

ontvangen en onthaald, dat wij er nooit dankbaar genoeg voor zullen

kunnen zijn. Nu heb ik u, Mejufvrouw!” zoo besloot hij zijn verhaal, „op

uw bevel medegedeeld, waardoor ik mijn regteroog mis, waarom ik zonder

baard en wenkbraauwen ben, en wat de oorzaak is, dat ik mij heden ten

uwent bevind.”—„Het is wel,” zeide Zobeïde, „wij zijn voldaan en gij

kunt gaan, werwaarts het u zal believen.” De calender verontschuldigde

zich echter en verzocht de dame hem toe te staan, te blijven, tot dat

ook zijne makkers, van wie hij niet gaarne wilde scheiden, en ook de

drie andere heeren, hunne geschiedenis verhaald zouden hebben.

Het geheele gezelschap vond de geschiedenis van den eersten calender

hoogst merkwaardig. Vooral was dit het geval bij den kalif. De

tegenwoordigheid der zwarte slaven, met hunne zwaarden in de hand,

kon hem niet weerhouden zacht tot zijn vizier te zeggen: „Vele

geschiedenissen heb ik gedurende mijn leven hooren verhalen, maar nog

nooit eene, welke met die van dezen calender te vergelijken is.” Terwijl

hij aldus sprak, vatte de tweede calender het woord op, en wendde zich

tot Zobeïde.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel · 第 23 / 29 题