„Weet, Heer,” ging hij voort, „dat mijn vader Mahmoud koning van dezen
staat was. Het is het koningrijk der Zwarte Eilanden, dat zijnen naam
ontleent aan de vier heuvels, waarvan gij mij gesproken hebt. Deze
heuvels waren vroeger eilanden, en de stad waar mijn vader zijn verblijf
hield stond op de plaats, waar zich thans de vijver bevindt, dien
gij gezien hebt. De oorzaak dezer veranderingen zult gij uit mijne
geschiedenis vernemen.
De koning, mijn vader, stierf op zeventigjarigen leeftijd. Ik had
naauwelijks den troon beklommen of ik trad in het huwelijk met een
mijner nichten. Zij gaf mij tallooze blijken harer liefde, en van mijnen
kant betoonde ik ook zooveel teedere genegenheid voor haar, dat er niets
aan ons huwelijksgeluk ontbrak. Dit duurde zoo vijf jaren, toen ik
bemerkte dat het hart der koningin had opgehouden voor mij te kloppen.
Eens, dat zij na den middag in het bad was, gevoelde ik lust tot slapen,
en ging op eene sofa liggen. Twee van hare vrouwen, die in mijne kamer
waren, zetten zich bij mij neder, de eene aan het hoofd, de andere aan
het voeteneinde, ieder met een' waaijer in de hand, zoowel om mij te
verfrisschen, als om de vliegen, die mij zouden kunnen verontrusten, te
verjagen. Zij waanden dat ik sliep, en spraken zeer zacht, doch ik
hield slechts mijne oogen gesloten, en verloor geen woord van hun
gesprek.
De eene dezer vrouwen zeide tot de andere: „Heeft de koningin niet groot
ongelijk, om eenen vorst, zoo beminnelijk als de onze, niet lief te
hebben?” „Zeker,” zeide de andere, „ik begrijp niet waarom zij elken
nacht uitgaat, en hem alleen laat. Hoe komt het dat hij er niets van
bemerkt?” „O,” hernam de eerste; „dat komt door dat zij iederen avond
zeker vocht in zijnen avonddrank mengt, waardoor hij in eenen diepen
slaap gedompeld wordt; alsdan heeft zij den tijd om te gaan waarheen zij
wil, en bij het aanbreken van den dag bij hem terug te komen. Vervolgens
wekt zij hem door een fleschje met zeker reukwater onder zijn' neus te
houden.”
Oordeel, Heer, over mijne verbazing en mijne gewaarwordingen, toen ik
dit hoorde. Evenwel bezat ik zelfbeheersching genoeg, om mij niet te
verraden; ik hield mij als of ik juist ontwaakte en niets gehoord had.
De koningin keerde uit het bad terug; wij gebruikten ons avondeten, en
vóór dat wij gingen slapen, bood zij mij zelve mijnen avonddrank aan.
In plaats van den beker evenwel leêg te drinken, wierp ik den inhoud
behendig buiten het venster, zoodat zij niets bemerkte. Ik gaf haar
vervolgens den beker terug, opdat zij er niet aan twijfelen zou, dat ik
hem geledigd had.
Wij gingen daarna te bed, en weldra stond zij, in de meening dat ik
sliep, met zoo weinig omzigtigheid op, dat zij hardop zeide: „Slaap,
en mogt gij nimmer meer ontwaken!” Zij kleedde zich spoedig aan en
verliet de kamer.—Onmiddelijk volgde ik haar voorbeeld, ik nam mijne
sabel, en volgde haar van zoo nabij, dat ik hare voetstappen konde
hooren. Zij ging door onderscheidene deuren, die zich openden op eenige
tooverwoorden, welke zij uitsprak. De laatste kwam uit in den tuin, dien
zij binnentrad. Ik wachtte een oogenblik bij deze deur, ten einde haar
eerst over eene opene plek te laten gaan, en volgde haar intusschen met
mijne oogen. Ik zag haar een boschje binnengaan, waarvan de paden door
zeer dik hekwerk waren afgesloten. Ik begaf mij langs eenen anderen weg
daarheen, en mij achter het latwerk van eene vrij lange laan
verbergende, zag ik haar met een' man wandelen.
Ik luisterde aandachtig naar hun gesprek, en zie hier wat ik hoorde:
„Ik verdien,” zeide de koningin tot haren minnaar, „uw verwijt
niet aangaande mijnen ijver! gij kent de reden, die mij in mijne
werkzaamheden hindert. Maar, indien de blijken mijner liefde, die ik
u tot nu toe gegeven heb, niet voldoende zijn om u van mijne opregte
genegenheid te overtuigen, dan zal ik u nog grootere bewijzen daarvan
geven; gij hebt slechts te gebieden, gij kent mijne magt. Ik zal, als
gij het verlangt, vóór den opgang der zon deze groote stad en dit
schoone paleis in puinhoopen, bevolkt met wolven, raven en uilen,
veranderen. Wilt gij, dat ik al de steenen dezer hecht gebouwde muren
naar gindsche zijde van den Kaukasus, buiten de grenzen der bewoonde
wereld, vervoer? Spreek slechts, en dit geheele oord verandert van
aanzien.”
Toen de koningin deze woorden voleindigd had, waren zij te zamen aan het
einde der laan gekomen, en gingen mij voorbij ten einde een ander pad in
te slaan. Ik had mijne sabel getrokken, en daar haar minnaar aan mijnen
kant was, gaf ik hem een' slag in den nek, zoodat hij ter aarde stortte.
Ik meende hem gedood te hebben, en ging dus haastig weg ten einde
onbekend te blijven aan de koningin, die ik wilde sparen omdat zij mijne
bloedverwante was.
Hoewel de toegebragte wonde doodelijk was, zoo behield zij haren minnaar
toch nog door hare toovermiddelen in het leven. Toen ik den tuin
doorging om in mijn paleis terug te keeren, hoorde ik de koningin hevige
kreten slaken, en daaruit hare bovenmatige smart opmakende, was ik
verheugd, dat ik haar had laten leven.
In mijn vertrek teruggekomen, legde ik mij weder te bed, en tevreden dat
ik mijn beleediger gestraft had, sliep ik in. 's Morgens ontwakende,
vond ik de koningin naast mij, maar zonder te onderzoeken of zij wakker
was of sliep, stond ik met alle mogelijke stilte op, en kleedde mij
aan. Vervolgens woonde ik de raadsvergadering bij, en vond bij mijne
terugkomst de koningin in diepen rouw, met loshangende haren. „Sire,”
zeide zij, „drie bedroevende tijdingen heb ik heden morgen ontvangen,
ziehier de reden van mijne smart waarvan gij slechts de zwakke
uiterlijke kenteekenen ziet.” „Welke zijn die tijdingen, mevrouw?”
vraagde ik. „Mijne moeder is gestorven; mijn vader is in een' veldslag
gesneuveld en mijn broeder is in een' afgrond gevallen,” hernam zij.
Ik nam er genoegen in, dat zij deze redenen als de oorzaak harer
droefheid voorwendde, en maakte er uit op, dat zij mij niet als de
moordenaar van haren minnaar herkend had. „Mevrouw,” zeide ik, „het zij
verre van mij uwe smart te laken, integendeel betuig ik u mijne opregte
deelneming in uw ongeluk. Ik zou zeer verwonderd geweest zijn, wanneer
gij ongevoelig waart over dit groote verlies. Stort vrij uwe tranen, zij
zijn het zekere bewijs van uw gevoelig hart. Ik hoop intusschen dat de
tijd uwe smarten zal lenigen.”
Zij sloot zich vervolgens in haar vertrek op, en bragt een geheel jaar
met weenen en in droefheid door. Daarna vraagde zij mij de toestemming,
om nabij mijn paleis, op de plaats waar eens haar graf zoude zijn,
eene woning te mogen bouwen, in welke zij dan tot aan haren dood
wilde vertoeven. Ik keurde dit goed, en een prachtig kasteel met een
koepeldak, dat gij van hier kunt zien, verrees. Zij noemde het, 't
Tranenpaleis.
Toen het voltooid was, bragt zij er haren minnaar, dien zij nog den
zelfden nacht, waarin ik hem gewond had, naar eene, volgens haar
oordeel, geschikte plaats had doen vervoeren. Zij had hem zoo lang in
het leven behouden door geneesmiddelen, die zij zelve had toebereid en
ging er mede voort, toen hij in het Tranenpaleis was, ze hem iederen dag
zelve te brengen.
Intusschen slaagde zij er toch niet in, om den ongelukkige geheel en
al te genezen. Niet alleen, dat hij niet loopen of staan kon, maar
zelfs zijn spreekvermogen had hij verloren, en slechts zijne blikken
verrieden, dat er nog leven in hem was. Ofschoon de koningin slechts het
genoegen en de troost had, van hem te kunnen zien en alles te kunnen
zeggen, wat hare dwaze liefde haar ingaf, zoo liet zij toch niet na, hem
iederen dag twee vrij lange bezoeken te brengen. Ik was van dit alles
naauwkeurig onderrigt, doch hield mij als of ik er niets van wist.
Eens ging ik uit nieuwsgierigheid naar het Tranenpaleis, ten einde de
verrigtingen der koningin aldaar gade te slaan. Ik verborg mij op eene
plaats, waar zij mij niet zien kon, en hoorde haar de volgende woorden
spreken: „Ik ben diep bedroefd over uwen toestand, niet minder dan gij
gevoel ik uw smartelijk lijden, maar geliefde, ik spreek altijd tot u,
en gij antwoordt mij nooit. Tot wanneer nog zult gij uw stilzwijgen
bewaren? Ik vraag slechts één enkel woord. Helaas! de gelukkigste
oogenblikken mijns levens zijn die, welke ik hier bij u doorbreng. Ik
kan niet leven zonder u, en het genoegen van u te zien ruilde ik niet
voor alle koningrijken der aarde.”
Op het hooren van dit gesprek, dikwerf door hare tranen en zuchten
afgebroken, verloor ik mijn geduld. Ik kwam uit mijn' schuilhoek te
voorschijn, en zeide tot haar: „Mevrouw gij hebt lang genoeg geweend,
het wordt tijd dat gij een einde maakt aan eene droefheid, die u beiden
onteert, gij vergeet u zelven en uwe verpligtingen jegens mij.” „Sire,”
gaf zij ten antwoord, „wanneer gij nog eenige liefde of genegenheid voor
mij gevoelt, zoo bid ik u, laat mij begaan. Sta toe, dat ik mij overgeef
aan mijn hevig verdriet; de tijd kan het niet verminderen.”
Zoodra ik zag, dat mijne woorden, in plaats van haar tot inkeer te
brengen, slechts hare gevoeligheid opwekten, vertrok ik. Zij ging voort
met alle dagen haren minnaar te bezoeken; en gaf zich nog twee geheele
jaren aan wanhoop over.
Toen ging ik voor de tweede maal naar het Tranenpaleis, op den tijd
dat zij er was. Ik verborg mij weder en hoorde haar tot haren minnaar
zeggen: „Sedert drie jaren is er nu geen woord over uwe lippen gekomen,
en beantwoordt gij niet aan de liefdeblijken, die ik u geef door mijne
woorden en mijne zuchten; is dit uit ongevoeligheid of uit verachting? O
graf! zoudt gij de liefde uitgedoofd hebben, die hij eertijds voor mij
gevoelde? Zoudt gij de oogen gesloten hebben, die mij vroeger zulke
teedere blikken toewierpen, en die mijne grootste vreugde waren? Neen,
neen, dat kan ik niet gelooven. Zeg liever door welk wonder, gij de
bezitter zijt geworden van de zeldzaamste schat, die ooit bestond?”
Gij begrijpt Heer, hoe verontwaardigd ik over deze woorden was, want
die geliefde, die aangebeden sterveling, hij was niet zooals gij hem
u voorstelt; neen, het was een zwarte Indiër, een inboorling van dit
gewest. Mijne verbittering over dit gesprek, was dan ook zoo groot, dat
ik mij onverhoeds vertoonde, en hetzelfde graf aanroepende, uitriep: O
graf, verslind dit monster der natuur, of liever neem tot u en minnaar
en minnares!
Naauwelijks had ik deze woorden voleindigd, of de koningin, die naast de
zwarte gezeten was, stond op en werd bleek van woede. „O! wreedaard,”
zeide zij tot mij, „gij zijt de oorzaak mijner smarten. Meen niet, dat
uwe handelwijze mij onbekend is, ik heb langen tijd slechts geveinsd.
Uwe barbaarsche hand heeft mijnen minnaar in dezen beklagenswaardigen
toestand gebragt; en gij zijt wreed genoeg om mij, wanhopige, nog te
komen beleedigen.” „Ja, dat ben ik,” hernam ik vertoornd, „ik zelf heb
dit monster naar verdienste gestraft; met u had ik op de zelfde wijze
moeten handelen, reeds te lang maakt gij misbruik van mijne goedheid.”
Dit zeggende, trok ik mijne sabel, en hief mijne hand op om haar te
straffen. Zij zag evenwel mijne handelingen bedaard aan en zeide
spottende: „Matig uwe woede.” Ter zelfder tijd prevelde zij eenige
woorden, die ik niet verstond; en voegde mij vervolgens toe: „Door de
kracht van mijn tooverformulier gelast ik u onmiddelijk half mensch,
half marmer te worden.” Dadelijk werd ik, zoo als gij mij nu ziet, een
levende onder de dooden, en eene doode onder de levenden.
Nadat de wreede toovenares, den naam van koningin onwaardig, mij aldus
veranderd, en door een ander toovermiddel naar de zaal overgebragt had,
verwoestte zij mijne hoofdstad, die zeer bloeijend en sterk bevolkt was.
Zij vernietigde de huizen, pleinen en markten, en schiep in plaats
daarvan den vijver en de verlatene landstreek, die gij gezien hebt. De
visschen in den vijver zijn de inwoners der stad, die vier verschillende
godsdiensten beleden: de witte zijn Muzelmannen, de roode Perzen of
Zonaanbidders, de blaauwe Christenen en de gele Joden, de vier heuvelen
zijn de vier eilanden, waaraan het koningrijk zijn' naam ontleende. Ik
vernam dit alles van de toovenares, die, tot overmaat van ramp, zelve
deze gevolgen harer gramschap aan mij kwam mededeelen. Maar dit is nog
niet alles; het is haar niet genoeg mijn rijk verwoest en mijn ligchaam
veranderd te hebben, neen, iederen dag komt zij hier, om mij honderd
geeselslagen op mijne naakte schouders te geven, zoodat ik geheel en al
bebloed ben. Wanneer deze strafoefening afgeloopen is, bedekt zij mij
eerst met een ruw kleed van geitenhaar en hangt vervolgens daarover
dit zijden kleed, niet om mij eene eer aan te doen, maar om mij te
bespotten.”
Thans kon de jonge koning der Zwarte Eilanden zijne tranen niet langer
weêrhouden, en de sultan was zoo ter neergeslagen, dat hij geene woorden
kon vinden om hem te troosten. Spoedig daarop sloeg de jeugdige vorst
zijne blikken ten hemel, en riep uit: „Magtige Schepper van al wat
bestaat, ik onderwerp mij aan de besluiten van uwe Voorzienigheid, ik
lijd geduldig mijne smarten, dewijl dit uw wil is; maar ik hoop dat uwe
Oneindige Goedheid mij er voor zal beloonen.”
De sultan, bewogen door dit zoo vreemde verhaal, en begeerig om
den ongelukkigen vorst te wreken, zeide tot hem: „Zeg mij waar die
trouwelooze toovenares zich ophoudt, en waar zich haren minnaar bevindt,
die reeds vóór zijnen dood begraven is.” „Heer,” antwoordde hij, „de
minnaar is, zoo als ik u reeds gezegd heb, in het Tranenpaleis in
een koepelvormig graf, en dat paleis heeft ter zijde van de poort
gemeenschap met dit kasteel. Wat de toovenares aangaat, kan ik u niet
juist zeggen, waar zij haar verblijf houdt; maar iederen dag bij het
opgaan der zon, gaat zij haren minnaar bezoeken, na vooraf de bloedige
strafoefening op mij te hebben gehouden, waarvan ik u gesproken heb,
en waartegen ik mij niet verzetten kan. Zij brengt haren geliefde den
drank, waarmede zij hem tot nu toe in het leven gehouden heeft, terwijl
zij niet ophoudt met over zijn stilzwijgen te klagen.”
„Vorst, met wien men niet genoeg medelijden kan hebben,” hernam de
sultan, „niemand kan meer met uwen toestand begaan zijn, dan ik.
Nooit heeft iemand zulke zonderlinge lotgevallen gehad, en zij, die
uwe geschiedenis te boek stellen, zullen de voldoening hebben de
wonderlijkste zaken te kunnen beschrijven, die nooit zijn voorgevallen.
Slechts één ding ontbreekt er nog aan: het is de wraak, die over u
genomen moet worden, en tot welker voldoening ik alles, wat in mijn
vermogen is, in het werk zal stellen.”
Terwijl de sultan met den jongen vorst over dit onderwerp sprak en hem
medegedeeld had, wie hij was en waarom hij dit kasteel bezocht had, was
hem inderdaad een middel in de gedachte gekomen, hoe hij wraak kon
nemen, waarvan hij hem deelgenoot maakte. Zij overlegden zamen welke
maatregelen er genomen moesten worden, om dit ontwerp te doen gelukken,
welks uitvoering op den volgenden dag bepaald werd. Daar de avond
inmiddels reeds ver gevorderd was, nam de sultan eenige rust. Wat de
jeugdige vorst betreft, hij bragt den nacht, als naar gewoonte, in eene
voortdurende slapeloosheid door (want sedert hij betooverd was had hij
niet kunnen slapen), doch nu gesterkt door de flaauwe hoop weldra van
zijn lijden verlost te zullen worden.
Den volgenden morgen stond de sultan op zoodra de dag aanbrak. Dadelijk
met de uitvoering van zijn voornemen beginnende, verborg hij in een'
hoek zijn opperkleed, dat hem hinderlijk zou kunnen zijn, en ging naar
het Tranenpaleis. Hij vond het door eene ontelbare menigte flambouwen
van wit was verlicht, en bespeurde een' heerlijken geur, die uit een
aantal wierookvaten van het fijnste goud opsteeg; deze wierookvaten
waren bovendien buitengewoon kunstig en fraai bewerkt en in de schoonste
orde gerangschikt. Zoodra hij de legerstede ontdekte, waarop de zwarte
uitgestrekt lag, trok hij zijne sabel, benam den ellendeling, zonder
eenigen tegenstand, het leven, en sleepte vervolgens het ontzielde
ligchaam naar de binnenplaats van het kasteel, waar hij het in een' put
wierp. Vervolgens ging hij zelf in het bed van den zwarte liggen en
legde zijne sabel bij zich onder de dekens, om aldus zijn plan geheel te
kunnen volvoeren.
De toovenares kwam al spoedig opdagen. Zij begaf zich eerst naar de
kamer waar de koning der Zwarte Eilanden, haar echtgenoot, zich bevond,
ontblootte zijnen rug en gaf hem weder op de schouders met een' lederen
riem honderd geeselslagen, op eene zoo barbaarsche en wreede wijze, dat
er geen voorbeeld van was. Te vergeefs vervulde de ongelukkige vorst het
paleis met zijne jammerkreten, te vergeefs bad hij haar, medelijden met
hem te hebben; de onmeêdoogende vorstin hield niet op, vóór zij hem de
honderd slagen gegeven had. „Gij hebt geen medelijden met mijnen minnaar
gevoeld,” zeide zij tot hem, „verwacht dus ook geen medelijden van
mij.”—Nadat zij hem dus honderd geeselslagen gegeven had, hing zij hem
het ruwe haren kleed en daarover den zijden met goudstof doorweven
mantel weder om de leden, en begaf zich toen volgens hare gewoonte
naar het Tranenpaleis. Toen zij er binnengetreden was, begon zij hevig
te weenen en te weeklagen, en deed de lucht van hare klaagtoonen
weêrgalmen. Zich vervolgens naar het bed, waarop zij meende dat haar
minnaar lag, begevende, riep zij uit: „Welk eene wreedheid, om aldus de
grootste genoegens eener liefde, zoo teeder, zoo hartstogtelijk als de
mijne, te verwoesten! O gij, die mij verwijt dat ik onmenschelijk wreed
ben, wanneer ik u de gevolgen mijner gramschap doe ondervinden, wreede
vorst, overtreft uwe barbaarschheid niet verre de mijne? O, ellendeling!
hebt gij niet, toen gij naar het leven stond van hem, dien ik aanbid,
mij het mijne benomen? Helaas!” voegde zij er bij, het woord tot den
sultan rigtende, meenende dat zij tot den zwarte sprak, „mijn licht,
mijn leven, zult gij steeds blijven zwijgen? Hebt gij besloten mij te
laten sterven zonder mij den troost te schenken, mij ten minste nog
éénmaal te zeggen, dat gij mij bemint? Mijne ziel, mijn alles, spreek
nog eens een enkel woord tot mij, ik smeek het u.” De sultan veinsde
alsof hij uit eenen diepen slaap ontwaakte, en de stem van den zwarte
nabootsende, antwoordde hij de koningin op een' ernstigen toon: „Bij
den Almagtigen God is alleen kracht en magt.” De tooveres, die op geen
antwoord had durven rekenen, gaf op het hooren zijner stem een' kreet
van blijdschap. „Mijn dierbare meester,” riep zij uit, „bedrieg ik mij
niet, is het werkelijk waar, dat ik u hoor en dat gij tot mij spreekt?”
„Ongelukkige,” hernam de sultan, „zijt gij wel waard dat ik u antwoord?”
„En waardoor,” zeide de koningin, „heb ik dit verwijt verdiend?” „De
jammerkreten,” hernam hij, „het geween en het gekerm van uwen
echtgenoot, dien gij iederen dag zoo onverdiend en zoo wreed kastijdt,
houden mij dag en nacht uit den slaap. Ik zou reeds sedert lang genezen
zijn, en de stem terug ontvangen hebben, wanneer gij hem van zijne
betoovering verlost hadt; ziedaar de oorzaak der stilzwijgendheid
waarover gij zoo vreeselijk klaagt.” „Welnu!” antwoordde de tooveres,
„om u te bevredigen ben ik bereid alles te doen, wat gij mij gebiedt;
wilt gij dat ik hem zijne vroegere gedaante teruggeve?” „Ja,” zeide de
sultan, „haast u hem weder in vrijheid te stellen, opdat zijn weeklagen
mij niet meer hindere.”
De tooveres verliet oogenblikkelijk het Tranenpaleis, zij nam een' kop
met water, boog zich daarover heen, en sprak eenige woorden, die het
water deden koken alsof het op 't vuur stond. Zij ging vervolgens naar
de zaal, waarin zich de jonge koning haar gemaal bevond; besprenkelde
hem met dit water en sprak daarbij de woorden: „Indien de Schepper van
het Heelal u in uwen tegenwoordigen staat geschapen heeft, of indien
Hij vertoornd op u is, zoo verander niet; maar indien gij slechts in
dezen toestand zijt door de kracht mijner betoovering zoo herneem uwe
natuurlijke gedaante, en wordt gelijk gij vroeger waart.” Nauwelijks
had zij deze woorden gesproken, of de vorst gevoelde zich weder in
zijnen voormaligen toestand. Hij stond met eene blijdschap, die
niet te beschrijven is, naar goedvinden op, en dankte God voor zijne
herstelling. De tooveres sprak daarop verder tot hem: „Ga, verwijder u
uit dit kasteel, en zoo gij hier immer terugkomt, zal zulks u het leven
kosten.”
De jeugdige koning, voor de noodzakelijkheid bukkende, verwijderde zich
van de tooveres zonder een enkel woord te spreken, en begaf zich naar
eene afgelegen plaats, waar hij met ongeduld op het verder welgelukken
der onderneming van den sultan wachtte.
Middelerwijl keerde de tooveres naar het Tranenpaleis terug. Aldaar
gekomen en steeds in den waan verkeerende, dat zij tot den zwarte sprak,
zeide zij: „Dierbare geliefde, ik heb gedaan wat gij mij bevolen hebt;
niets belet u thans van uwe legerstede op te staan, en mij daardoor een
genoegen te schenken, dat ik zoo lang heb moeten ontberen.”
De sultan evenwel ging voort de stem van den zwarte na te bootsen, en
antwoordde haar op een' norschen toon: „Hetgeen gij gedaan hebt, is
niet voldoende om mij te herstellen; gij hebt slechts een gedeelte der
kwaal weggenomen, doch zij moet met wortel en tak worden uitgeroeid.”
„Mijn lieve zwarte,” hernam zij, „wat meent gij met wortel en tak?”
„Ongelukkige,” antwoordde de sultan, „begrijpt gij niet dat ik die stad
met hare inwoners en de vier eilanden, welke gij door uwe betooveringen
allen verwoest hebt, bedoel? Iederen nacht ten twaalf ure steken die
visschen in den vijver de koppen boven water, en roepen wraak over mij
en over u. Dat is de eigentlijke oorzaak, waardoor ik niet herstellen
kan. Breng zoo spoedig mogelijk alles in zijnen vroegeren toestand
terug, en wanneer gij dan terugkomt, zal ik u de hand geven en zult gij
mij helpen om op te staan.”
De tooveres riep, bij het hooren dezer hoopvolle woorden, in groote
blijdschap uit: „Mijn leven, mijn alles, gij zult uwe gezondheid zeer
spoedig geheel terug hebben; want ik zal onmiddelijk doen wat gij mij
beveelt.” Zij vertrok dadelijk, en toen zij bij den vijver gekomen was,
nam zij eenige droppelen van het betooverde water, besprengde daarmede
de oppervlakte van de waterkom, en sprak een onttooverings-formulier
over de visschen en den vijver uit. Oogenblikkelijk herrees de vroegere
stad, de visschen werden mannen, vrouwen of kinderen, Mahomedanen,
Christenen, Perzen of Joden, vrijen of slaven, ieder herkreeg zijne
natuurlijke gedaante. De huizen en winkels hadden hunne vroegere
bewoners, die alles in denzelfden toestand en in dezelfde orde
wedervonden, als het was vóór de betoovering. Het talrijke gevolg van
den sultan, dat zich op het grootste plein der stad gelegerd zag, was
niet weinig verwonderd zich in één oogenblik te midden eener fraaie
groote en digt bevolkte stad te bevinden.
Zoodra de tooveres deze wonderbare verandering had te weeg gebragt,
spoedde zij zich naar het Tranenpaleis terug, om de vrucht harer
gehoorzaamheid te plukken. „Mijn dierbare heer,” zeide zij
binnentredende, „ik kom mij met u over het herstel uwer gezondheid
verheugen; ik heb alles gedaan wat gij mij bevolen hebt: sta dus op en
geef mij de hand.” „Kom bij mij,” zeide de sultan steeds met de stem
van den zwarte. Zij naderde hem. „Kom toch, kom nog digter bij mij,”
vervolgde hij. Zij voldeed aan zijn verzoek. Eensklaps sprong nu de
sultan op, vatte haar zoo onverwachts bij den arm, dat zij geen tijd had
van hare verbazing te bekomen en, met één slag van zijne sabel, scheidde
hij haar ligchaam in twee deelen, die het eene regts, het andere links
ter neder vielen. Dit verrigt hebbende, liet hij het lijk op de plek
zelve liggen, verliet het Tranenpaleis, en ging den jeugdigen vorst der
Zwarte Eilanden, die hem met ongeduld verbeidde, opzoeken. „Vorst,”
zeide hij, hem omhelzende, „verblijd u, gij hebt niets meer te vreezen,
uwe wreede vijandin leeft niet meer.”
De jonge vorst dankte den sultan op eene wijze zoo innig, zoo hartelijk,
dat daaruit bleek hoe gevoelig zijn hart was voor de schoone pligt der
erkentelijkheid. Hij besefte ten volle de gewigtige en groote dienst,
hem door den sultan bewezen; en wenschte hem uit de volheid des harten
een lang leven toe en alle mogelijke voorspoed en zegeningen. „Gij kunt
van nu af aan,” zeide hem de sultan, „rustig in uwe hoofdstad wonen;
tenzij dat gij in de mijne, die zoo digt bij is, wenscht te komen, ik
zal er u met opene armen ontvangen, en gij zult er niet minder geëerd
en geacht worden dan in uwe eigene stad.” „Magtig monarch, aan wien ik
alles verpligt ben,” antwoordde de koning, „meent gij dan zoo digt bij
uwe hoofdstad te zijn?” „Ja,” hernam de sultan, „ik meen zulks, de
afstand bedraagt slechts vier of vijf uren.” „Er is één jaar reizens
noodig om van hier in uw rijk te komen,” hernam de jonge vorst. „Ik kan
best begrijpen, dat gij in den korten tijd, welken gij opgeeft, uit uwe
hoofdstad hier zijt gekomen, maar zulks werd veroorzaakt omdat de mijne
toen betooverd was, maar sedert dat dit niet meer het geval is, zijn de
zaken geheel veranderd. Dat zal mij evenwel niet beletten u te volgen,
al ware het tot aan de uiterste einden der aarde. Gij zijt mijn redder,
en om u mijn gansche leven blijken mijner dankbaarheid te kunnen geven,
wensch ik u te vergezellen, en verlaat ik zonder leedwezen mijn
koningrijk.” De sultan was ten hoogste verwonderd te vernemen, dat hij
zich zoo ver van zijne staten verwijderd bevond, en begreep niet hoe
zulks mogelijk kon zijn. Maar de koning der Zwarte Eilanden gaf hem
zulke overtuigende bewijzen van de waarheid zijner woorden, dat hij er
ten laatste niet langer aan kon twijfelen. „Het doet er ook niets toe,”
hernam toen de sultan, „de moeite der terugreis naar mijn rijk weegt
lang niet op tegen het genoegen, dat ik gesmaakt heb, door u eene dienst
te bewijzen, en in uwen persoon een' zoon te hebben verkregen; want,
omdat gij mij de eer wilt aandoen mij te vergezellen, en omdat ik geene
kinderen heb, beschouw ik u als zoodanig. Ik benoem u van dezen stond
af aan tot mijnen erfgenaam en opvolger.”
Het gesprek tusschen den sultan en den koning der Zwarte Eilanden
eindigde met betuigingen der innigste vriendschap, waarna de jeugdige
vorst zich onledig hield met het maken der toebereidselen voor zijn
vertrek. Na drie weken was de koning gereed, tot groot leedwezen van het
geheele hof en van al zijne onderdanen, die uit zijne handen een zijner
naaste bloedverwanten tot koning ontvingen.
Eindelijk begaven dan de sultan en de jonge vorst zich op weg, gevolgd
door honderd kameelen, beladen met onmetelijke rijkdommen uit de
schatkamers van den jeugdigen koning, en vergezeld van vijftig ruiters,
allen schoone jongelingen, schitterend gekleed en op de prachtigste
paarden gezeten. Hunne reis was voorspoedig, en toen de sultan, die
koeriers vooruit had gezonden om zijnen onderdanen kennis te geven van
de vertraging zijner terugkomst en van de redenen, welke dit veroorzaakt
hadden, de hoofdstad zijns rijke naderde, kwamen de groot-officieren,
die hij er achtergelaten had, hem te gemoet met de verklaring dat zijne
lange afwezigheid geene enkele moeijelijkheid in het rijksbestuur
veroorzaakt had. Ook zijne onderdanen gingen hem in menigte te gemoet,
en ontvingen hem met groot gejuich en met de blijken der hartelijkste
vreugde en eerbied.
Den dag na zijne aankomst liet de sultan al zijne hovelingen bij zich
komen, en gaf hun een uitvoerig verslag der oorzaken, welke, tegen
zijne verwachting, zijne afwezendheid zoo lang hadden doen duren. Hij
verklaarde hun vervolgens zijn besluit tot aanneming van den koning
der Zwarte Eilanden als zijn zoon en opvolger, daar deze een magtig
koningrijk verlaten had om hem te vergezellen en met hem zamen te leven.
Om hen voor hunne getrouwheid te beloonen, gaf hij bovendien een ieder
naar zijnen rang groote en rijke geschenken.
Wat den visscher betreft, daar deze de eerste oorzaak was der
bevrijding van den jongen vorst, werd hij door den sultan met weldaden
overladen, en met zijn huisgezin, hun leven lang, hoogst gelukkig
gemaakt.
GESCHIEDENIS VAN DE DRIE CALENDERS[1], KONINGS-ZONEN EN VAN DE VIJF
DAMES VAN BAGDAD.
[1] Calender is een Turksche of Perzische monnik. De vertaler.
Onder de regering van den kalif Haroun-al-Raschid was er te Bagdad,
alwaar hij zijn verblijf hield, een sjouwer, die in weêrwil van zijn
zwaar en moeitevol bedrijf altijd even opgeruimd en geestig was. Eens
op een' morgen, dat hij als naar gewoonte met zijne opene mand bij zich
op een der pleinen van de stad stond te wachten, tot dat iemand zijne
diensten zou inroepen, kwam eene jonge dame van eene fraaije gestalte,
het gelaat met eenen grooten prachtigen sluijer bedekt, bij hem, en
zeide hem op vriendelijken toon: „Drager, neem uwe mand op en volg mij.”
De sjouwer, ingenomen door de innemende wijze waarop deze weinige
woorden werden uitgesproken, zette de mand op het hoofd en volgde de
dame, zeggende: „O dag van zegen! o dag van gelukkige ontmoeting!”
De dame hield eerst voor eene geslotene deur stil, en klopte aan. Een
Christen, door zijn' langen witten baard van een eerbiedwaardig aanzien,
opende de deur. Zij gaf hem eenig geld in de hand zonder een enkel woord
te spreken, maar de Christen, die wist wat dit beteekende, trad weder
in huis, en kwam kort daarop met eene groote kruik vol heerlijken wijn
terug. „Neem deze kruik,” zeide de dame tot den sjouwer, „en zet haar in
uwe mand.” Dit gedaan zijnde, beval zij hem met haar te gaan, en ging
verder, op den voet gevolgd door den sjouwer, die steeds herhaalde: „O
dag van heil! o dag van vreugde en van aangename verrassing!”
De dame hield bij den winkel van een' fruit- en bloemenverkooper stil,
waar zij allerlei soorten van appelen, abrikozen, perziken, peren,
meloenen, citroenen, oranjeappelen, mirt, basilikum, leliën, jasmijn en
ettelijke andere welriekende bloemen en planten uitzocht. Zij beval den
sjouwer dat alles in zijne mand te leggen en haar verder te volgen.
Voorbij de uitstalling van een' vleeschhouwer komende, liet zij zich
vijf en twintig ponden van het beste vleesch dat hij had afwegen,
hetwelk de drager, op haar verzoek, ook in zijne mand pakte.
In een' anderen winkel kocht zij kappers, dragon, kleine komkommers en
andere soortgelijke groenten en kruiden, allen in azijn ingelegd; bij
een vierde voorzag zij zich van pimpernoten, okkernoten, hazelnoten,
amandelen en vele andere diergelijke vruchten; bij een vijfde kocht zij
allerhande soorten van amandeldeeg. Toen de lastdrager al deze waren in
zijne mand moest bergen, zoodat die vrij vol begon te worden, zeide hij
tot de dame: „Goede Dame, het doet mij leed dat gij mij niet vooraf
gezegd hebt, dat gij zooveel voorraad zoudt inkoopen, want dan had ik
een paard of nog liever een kameel genomen, en er dien mede belast.
Wanneer gij nog meer koopt, zal ik het alles niet kunnen dragen.” De
dame beschouwde dit als eene aardigheid van den sjouwer, lachte er om,
en beval hem op nieuw met haar te gaan.
Zij trad vervolgens nog bij een drogist binnen, waar zij zich van
allerhande soorten van reukwateren, kruidnagels, muskaatnoten, peper,
gember, een groot stuk bleekroode amber en van zeer vele andere Indische
specerijen voorzag; zoodat de mand van den drager geheel en al vol was
geworden. Zij zeide hem toen haar verder te volgen, tot dat zij bij een
prachtig en groot huis kwamen, waarvan de gevel met fraaije kolommen
versierd, en de groote ingangsdeur van ivoor was. Hier hielden zij stil
en de dame klopte zachtjes aan.
Terwijl zij op het openen der deur stonden te wachten, maakte de
sjouwer bij zich zelven duizenderlei opmerkingen. Het verwonderde hem,
dat eene dame, zooals deze, die hij voor zich zag, de betrekking van
proviantmeesteres vervulde, want hij veronderstelde met regt, dat zij
geene slavin zou zijn, haar voorkomen kwam hem te edel voor, dan dat
zij niet eene vrije, ja zelfs eene persoon uit de hoogere standen
zoude zijn. Hij zou haar wel gaarne inlichtingen aangaande haren stand
gevraagd hebben, maar op het oogenblik dat hij het zou wagen daarover
tot haar te spreken, werd de deur geopend door eene andere dame, die
hem zóó schoon voorkwam, dat hij er als betooverd door was, en de
mand met al wat er in was bijna had laten vallen, zoo zeer bragt deze
verschijning hem buiten zich zelven. Hij had nooit eene schoonheid
gezien, welke zelfs van verre haalde bij die, welke hij thans voor zich
zag.
De dame, met welke hij gekomen was, bespeurde de verwarring, die in
zijne ziel plaats had, en begreep zeer goed de oorzaak daarvan. Deze
ontdekking vermaakte haar, en het zien der linksche houding van den
drager was voor haar eene zoo groote bron van genoegen, dat zij daardoor
vergat, dat de voordeur open stond. „Kom toch binnen, mijne zuster,”
zeide de schoone portierster, „waar wacht gij naar? Ziet gij niet dat
deze arme man zoo zwaar beladen is, dat hij het bijna niet langer
volhouden kan!”
Toen zij daarop met den lastdrager naar binnen was gegaan, sloot de
dame, die de deur geopend had, haar weder, en alle drie kwamen, na een
fraai voorhuis te zijn doorgegaan, op eene zeer groote binnenplaats,
welke door eene opene galerij was omringd. Deze galerij verschafte den
toegang tot verschillende vertrekken gelijkvloers, allen uitermate
prachtig ingerigt. Achter op deze binnenplaats stond eene rijk
versierde sofa, met een' troonhemel van barnsteen in het midden, die
gedragen werd door vier ebbenhouten kolommen, en ingelegd was met
diamanten en paarlen met eene buitengewone grootte en dikte. De sofa was
bekleed met rood satijn, dat met Indisch gouden borduurwerk van eene
hoogst kostbare bewerking was opgelegd. In het midden der binnenplaats
bevond zich een ruim bekken, met wit marmeren rand, en gevuld met een
water zoo helder als kristal, dat er uit den muil van een' bronzen leeuw
inviel.
De sjouwer, hoe zwaar beladen hij ook was, moest evenwel de pracht en
weelde alsmede de sierlijke netheid van dit gansche huis bewonderen;
maar wat vooral zijne oogen boeide was eene derde dame, die hem nog
schooner toescheen dan de tweede, en die op de sofa onder den troonhemel
aan het einde van de binnenplaats gezeten was. Zoodra zij de twee eerste
dames zag, stond zij op en ging deze te gemoet.
Hij oordeelde, naar den eerbied, welke de beide anderen aan deze
derde dame bewezen, dat zij de hoofdpersoon was, waarin hij zich niet
vergiste. Deze dame heette Zobeïde; die welke de deur geopend had werd
Safie genoemd, en Amine was de naam van haar welke den voorraad
ingekocht had.
Toen Zobeïde bij de twee andere dames gekomen was, zeide zij: „Zusters,
ziet gij niet dat deze goede man bijna onder zijnen last bezwijkt? Waar
wacht gij naar om er hem van te bevrijden!” Daarop namen Safie en Amine,
de eene de mand van voren, de andere van achteren aan, Zobeïde hielp ook
een handje, en met haar drieën zetten zij haar op den grond. Zij pakten
alles uit, en toen de mand geheel ledig was, kreeg de vrolijke Amine
geld en betaalde met milde hand den drager zijn loon.
De lastdrager, zeer tevreden met het geld dat men hem gegeven had,
behoorde nu zijne mand weder op te nemen en zich te verwijderen; maar
hiertoe kon hij maar niet besluiten. Hij gevoelde zich als aan den grond
genageld door het genoegen van drie zulke buitengewone schoonheden te
zien, die hem allen even bekoorlijk toeschenen, want Amine had zich ook
van haren sluijer ontdaan, en hij vond haar nu niet minder schoon dan
de anderen. Hij kon maar niet begrijpen, dat hij geen man in dit huis
bespeurde, te meer daar het grootste gedeelte van den voorraad, dien hij
gedragen had, zooals de gedroogde vruchten, de verschillende soorten
van gebak en konfituren eigentlijk alleen voor zulke personen geschikt
waren, die wenschten te drinken en vrolijk te zijn.
Zobeïde meende eerst dat de drager met zijn vertrek draalde om wat uit
te rusten; maar ziende dat hij steeds bleef vertoeven, zeide zij tot
hem: „Waar wacht gij naar, zijt gij met uw loon niet tevreden? Zuster,”
voegde zij er bij, zich tot Amine wendende, „geef hem nog iets, opdat
hij vergenoegd van hier ga.” „Schoone dame,” antwoordde de sjouwer,
„dat is het niet wat mij hier doet blijven, ik ben voor mijne moeite
overvloedig beloond geworden. Ik zie wel, dat ik onbeleefd handel, door
hier langer te blijven dan noodig is, maar ik hoop dat gij zoo goed zult
zijn mij dit te vergeven. Mijne bevreemding, dat ik bij de drie dames
van eene zoo buitengewone schoonheid geen man zie, is er de oorzaak van.
Een gezelschap van vrouwen zonder mannen is dunkt mij al even vervelend
als een gezelschap van mannen zonder vrouwen.” Hierbij voegde hij nog
menigerlei aardigheid, ten einde daardoor te trachten zijne beweringen
meer ingang te doen vinden. Hij vergat bovendien niet het te Bagdad
bekende spreekwoord aan te halen; dat men niet genoegelijk aan tafel
zit, wanneer men niet met zijn vieren is, en hij eindigde met de
bemerking, dat dewijl zij met haar drieën waren, zij noodzakelijk een
vierde persoon behoefden.
De dames lachten om de redeneringen van den lastdrager. Daarop zeide
hem Zobeïde op ernstigen toon: „Vriend, gij drijft uwe vrijpostigheid
wat al te ver; maar, alhoewel gij niet verdient dat ik u eenige
ophelderingen geef, wil ik u toch wel mededeelen, dat wij drie zusters
zijn, die zoo stil leven dat niemand ons kent. Wij stellen er zeer groot
belang in dit niet aan onderscheiden personen bekend te maken, en een
kundig schrijver dien wij gelezen hebben, zegt: Bewaar uw geheim zelve
en deel het aan niemand mede; die het bekend maakt is er geen meester
meer van. Wanneer uw eigen tong uw geheim niet kan bewaren, hoe zou
dan de tong van hem aan wien gij het hebt toevertrouwd, het kunnen
verzwijgen.”
„Dames,” hernam de sjouwer, „het was alleen op uw uiterlijk, dat ik
onmiddelijk heb verondersteld, dat gij personen waart van zeldzame
verdienste; en ik bespeur dat ik mij niet vergist heb. Ofschoon de
fortuin mij niet genoeg middelen heeft geschonken, om mij boven
mijnen tegenwoordigen staat te verheffen, heb ik evenwel steeds
getracht mijnen geest zooveel mogelijk te beschaven, door het lezen van
wetenschappelijke en geschiedkundige boeken, en ik verzoek u vriendelijk
mij te veroorloven u te zeggen, dat ik ook van een beroemd schrijver
eenen anderen stelregel heb gelezen, dien ik altijd met groot genoegen
heb betracht: Wij moeten, zegt hij, onze geheimen alleen voor diegenen
verbergen, welke algemeen als onbedacht en praatachtig bekend zijn,
en alzoo van ons vertrouwen misbruik zouden maken; maar wij zien er
volstrekt geen bezwaar in het aan wijze en verstandige lieden mede te
deelen, omdat wij overtuigd zijn dat die het weten te bewaren.” „Bij
mij,” voegde hij er bij, „is een geheim even zeker bewaard, alsof het in
eene kast lag, welker deur gesloten en daarvan de sleutel verloren was.”
Zobeïde bespeurde dat de drager niet van vlugge geestvermogens
ontbloot was; en meende dat hij lust had om deelgenoot van den
feestelijken maaltijd te zijn, dien zij zouden houden, antwoordde zij
hem glimlagchende: „Gij weet dat wij ons zelven zullen onthalen; maar
gij weet evenzeer dat wij aanzienlijke kosten hebben gemaakt, en het zou
niet billijk zijn dat gij er deelgenoot van waart, zonder er uw aandeel
toe bij te dragen.” De schoone Safie ondersteunde de gezegden harer
zuster. „Mijn vriend,” zeide zij tot den drager, „hebt gij nooit het
algemeen bekende spreekwoord gehoord: Indien gij iets medebrengt, zult
gij iets met ons zijn, indien gij niets medebrengt, ga dan met niets
heen?”
In weerwil zijner redeneerkunde, zou de drager waarschijnlijk verpligt
zijn geweest met schaamte te vertrekken, indien Amine niet ernstig zijne
partij had gekozen. „Waarde zusters,” zeide zij, tot Zobeïde en Safie,
„ik verzoek u te willen toestaan dat hij bij ons blijft; ik behoef u
niet te zeggen, dat hij ons vermaken zal, gij ziet dat hij daartoe
geschikt is. Ik verzeker u, dat ik zonder zijnen goeden wil, zijne
vlugheid en volharding om mij op den voet te volgen, niet in staat zou
geweest zijn in zoo korten tijd zoovele inkoopen te doen. Wanneer ik u
bovendien al de aangenaamheden verhaalde, die hij mij onderweg gezegd
heeft, zoudt gij niet verwonderd zijn dat ik hem aldus in bescherming
neem.”
Op deze woorden van Amine viel de drager, opgetogen van blijdschap,
op zijne knieën aan hare voeten ter aarde, en weder opstaande, zeide
hij tot haar: „Beminnelijke Dame, door u is op dezen dag mijn geluk
begonnen; gij zet er de kroon op door eene zoo edelmoedige handelwijze,
ik kan u niet zeggen hoe dankbaar en hoe erkentelijke ik u ben.
Bovendien, Dames,” voegde hij er bij, zich tot de drie zusters
gezamentlijk wendende, „meen niet dat ik, daar gij mij eene zoo groote
eer bewijst, er misbruik van zal maken, of dat ik mij zelven zal
beschouwen als iemand die ze verdient; neen, ik zal mij ten allen tijde
als de onderdanigste uwer slaven beschouwen.” Toen hij deze woorden
gezegd had, wilde hij het ontvangen geld teruggeven, maar de ernstige
Zobeïde beval hem het te behouden. „Hetgeen eenmaal door onze handen is
gegeven,” zeide zij, „aan diegenen welke ons diensten bewezen hebben,
keert niet tot ons terug, en wanneer wij er in toestemmen dat gij bij
ons blijft, waarschuw ik u dat het niet alleen is op voorwaarde dat
gij het u door ons toevertrouwde geheim heilig bewaart, maar eischen
wij bovendien dat gij de regels der welvoegelijkheid stiptelijk in
acht neemt.” Terwijl zij dit den drager plegtig deed beloven, had de
bekoorlijke Amine haar opperkleed voor een meer huisselijk gewaad
verwisseld, ten einde zich gemakkelijker te kunnen bewegen. Zij dekte de
tafel, zette verschillende soorten van spijzen op, en plaatste op eene
schenktafel flesschen wijn en gouden bekers. Vervolgens zetten zich de
dames aan tafel, en lieten den drager nevens haar plaats nemen. Deze was
onuitsprekelijk gelukkig zich met drie personen van zoo buitengewone
schoonheid aan tafel te bevinden.
Na een weinig gegeten te hebben, nam Amine, die digt bij de schenktafel
zat, eene flesch en een' beker, schonk in en dronk het eerst, volgens
het gebruik der Arabieren. Daarop schonk zij hare zusters in, die de
eene na de andere den beker ledigden. Eindelijk kwam de beurt aan den
drager, die, terwijl hij de bokaal aannam, de hand van Amine kuste. Vóór
te drinken zong hij een lied, welks inhoud daarop nederkwam dat, even
als de wind de geur van welriekende plaatsen met zich medevoert, zoo
ook de wijn, dien hij ging drinken, een' heerlijkeren geur en smaak
dan gewoonlijk ontving, door de hand die ze hem overreikte. Dit lied
was aan de dames hoogst welgevallig, en ook zij zongen op hare beurt.
Het gezelschap was verder gedurende den ganschen maaltijd in eene zeer
vrolijke stemming, het feest duurde langen tijd en ging van alles, wat
het aangenaam kon maken, vergezeld.
De tijd vloog spoedig voorbij, en toen de avond begon te naderen, zeide
Safie uit naam harer zusters tot den drager; „Sta op en ga heen, het
is tijd om te vertrekken.” De drager intusschen, die maar niet kon
besluiten om haar te verlaten, antwoordde: „Ach! Dames, waar wilt gij
dat ik henen ga in den staat waarin ik mij bevind? Door u te zien en
door den wijn ben ik buiten mij zelven geraakt, ik zal den weg naar mijn
huis niet kunnen vinden. Sta mij toe dezen nacht hier te blijven, ik
zal dien doorbrengen in welk vertrek gij maar bevelen zult; maar ik heb
dien tijd wel noodig om weder in dezelfde gemoedstemming te geraken,
waarin ik was toen ik bij u kwam, en dan nog geloof ik dat ik het beste
gedeelte van mijn eigen ik, hier zal achterlaten.”
Amine trok voor de tweede maal partij voor den drager. „Zusters,” zeide
zij, „hij heeft gelijk, ik ben hem dankbaar voor het verzoek dat hij ons
deed. Hij heeft ons veel genoegen verschaft, en indien gij naar mijn'
wensch wilt handelen, en mij zoo liefhebt, als ik vastelijk geloof dat
het geval is, zullen wij hem hier laten blijven om den avond met ons
door te brengen.” „Zuster,” antwoordde Zobeïde, „wij kunnen uwe bede
niet weigeren. Drager,” vervolgde zij, zich tot dezen wendende, „wij
zullen nogmaals dit uw verzoek toestaan; maar onder eene nieuwe
voorwaarde. Wat wij ook in uwe tegenwoordigheid zullen doen, hetzij met
betrekking tot ons zelve, hetzij tot iets anders, wacht u wel er zelfs
den mond over te openen, of ons naar de reden te vragen; want, wanneer
gij ons vragen doet over zaken, welke u niet aangaan, zoudt gij dingen
kunnen vernemen die u niet aangenaam zouden zijn. Pas dus op, en wees
gewaarschuwd niet nieuwsgierig de redenen onzer handelingen te willen
navorschen en doorgronden.”
„Dame,” hernam de drager, „ik beloof u, deze voorwaarde zoo naauwgezet
te zullen nakomen, dat gij geene aanleiding zult hebben, om mij een
verwijt te doen van dit uw gebod overtreden te hebben, en nog minder,
mij voor mijne onbescheidenheid te straffen. Van daag zal mijne tong
onbewegelijk zijn en mijne oogen zullen zijn als een spiegel, die niets
bewaart van alles wat zich in hem vertoont.” „Om u te doen zien,” hernam
Zobeïde op een' hoogst ernstigen toon, „dat hetgeen wij van u eischen
geene nieuwe instelling onder ons is, zoo sta op en lees wat van binnen
boven onze voordeur geschreven is.”
De drager begaf zich derwaarts, en las deze woorden, die er in groote
gouden letters geschreven stonden: „Die over zaken spreekt, welke hem
niet aangaan, verneemt wat hem niet aangenaam is.” Hij kwam daarop bij
de drie zusters terug, en zeide tot haar: „Dames, ik zweer u dat geen
woord over mijne lippen zal komen betrekkelijk eenige zaak, die mij niet
aangaat en waarin gij belang zoudt kunnen hebben.”
Deze overeenkomst getroffen zijnde, bragt Amine het avondmaal op,
en toen zij de zaal schitterend verlicht had door het aansteken
van een zeer groot aantal kaarsen van aloëhout en bleek rooden
amber vervaardigd, die een' heerlijken geur door het geheele vertrek
verspreidden, zette zij zich met hare zusters en den drager aan tafel.
Zij begonnen op nieuw te eten, te drinken, te zingen en verzen op te
zeggen. De dames schepten er vermaak in den drager te bedwelmen, onder
voorwendsel van hem op hare gezondheid te laten drinken. Allerlei
aardigheden en kwinkslagen kruidden de gesprekken, en allen waren in
de best mogelijke en vrolijkste stemming, toen zij aan de deur hoorden
kloppen. Zoodra de dames dit hoorden, stonden zij alle drie te gelijker
tijd op, om te gaan openen, maar Safie, aan wie dit in het bijzonder
scheen opgedragen, was het eerst bij de deur; terwijl de twee anderen
bleven afwachten van haar te vernemen, wie zoo laat nog haar iets kon
te zeggen hebben. Safie kwam spoedig terug. „Zusters,” zeide zij,
„daar doet zich eene goede gelegenheid op, van een groot gedeelte van
den avond hoogst aangenaam door te brengen, en indien gij van het
zelfde gevoelen zijt als ik, moeten wij de gelegenheid niet ongebruikt
voorbij laten gaan. Er staan voor onze deur drie calenders, ten einde
naar hunne kleeding te oordeelen; en, wat u ongetwijfeld ten hoogste
zal verwonderen, alle drie zijn aan het regter oog blind, hebben
kaalgeschoren hoofden, en baard noch wenkbraauwen. Zij zeggen dat zij
zoo juist te Bagdad zijn aangekomen, waar zij nog nooit geweest zijn,
en daar zij niet weten, waar met den avond onder dak te zullen komen,
hebben zij bij toeval aan onze deur geklopt, ons dringend verzoekende,
hen om der wille Gods in huis te willen nemen. De plek waar wij hen
zullen brengen is hen vrij onverschillig; en wanneer zij maar een dak
boven hunne hoofden hebben, zouden zij zelfs met een verblijf in den
stal tevreden zijn. Zij zijn jong en overigens nog al welgemaakt, en
schijnen ook vlug en geestig te zijn; maar ik kan zonder lagchen niet
denken aan hun zot en geheel gelijkvormig voorkomen.” Toen Safie zoo ver
met haar berigt gekomen was, kon zij niet meer, maar begon zoo hartelijk
te lagchen, dat de beide andere dames en de drager moesten medelagchen.
„Waarde zusters,” sprak zij eindelijk verder, „vindt gij het ook goed,
dat wij hen laten binnenkomen? Het is toch zeker, dat wij met menschen,
gelijk ik u zoo juist beschreven heb, den dag nog genoegelijker zullen
eindigen, dan wij dien begonnen hebben. Zij zullen ons wel goed vermaken
en niet tot last zijn, daar zij ons alleen voor dezen nacht een
toevlugtsoord vragen, en het hunne bedoeling is om zoodra de dag
aanbreekt weder te vertrekken.”
Zobeïde en Amine vonden er groote zwarigheid in, het verzoek van Safie
in te willigen. Safie kende de oorzaak hiervan zeer goed; maar zij
betoonde een zoo groot verlangen om haren wensch vervuld te zien, dat
hare zusters het haar ten laatste niet langer konden weigeren. „Ga,”
zeide Zobeïde tot haar, „laat ze dan binnenkomen; maar vergeet niet hun
duidelijk te kennen te geven, om niet te spreken over hetgeen wat hen
niet aangaat, en hen te laten lezen wat boven de deur geschreven staat.”
Op deze woorden ging Safie dadelijk met blijdschap de deur openen, en
kwam weinige oogenblikken daarna terug, door de drie calenders
vergezeld.
De drie calenders maakten binnenkomende eene diepe buiging voor de
dames, die opgestaan waren om hen te ontvangen, en die hen op een'
hoogst beleefden toon welkom heetten. Zij betuigden dat het haar zeer
aangenaam was, in de gelegenheid te zijn hun eene dienst te bewijzen, en
er toe te kunnen bijdragen dat zij eenigermate van de vermoeijenissen
der reis konden uitrusten. Vervolgens noodigden zij hen uit naast haar
plaats te nemen. De pracht, die in de kamer heerschte en de beleefdheid
der dames deed den calenders een hoog denkbeeld van hunne schoone
gastvrouwen opvatten. Voor zij zich nederzetten, sloegen zij bij toeval
de oogen op den drager, en ziende dat hij bijna eveneens gekleed was
als andere calenders, met wie zij in verschil waren over verschillende
punten van een' gestrengen levenswandel, en die zich de baard en de
wenkbraauwen niet afschoren, nam een hunner het woord, en zeide:
„Ziedaar waarschijnlijk een onzer zich tegen onze gebruiken verzettende
Arabische broeders.”
De drager, half sluimerende en het hoofd verhit door den wijn dien hij
gedronken had, gevoelde zich door deze woorden beleedigd, en zonder van
zijne plaats op te staan, antwoordde hij den calenders, hun gebiedend
aanziende: „Gaat zitten en bemoei u met uw eigen zaken. Hebt gij niet
gelezen, wat boven de deur geschreven staat? Meen niet, dat gij iedereen
tot uwe wijze van leven zult overhalen. Handel gij liever gelijk wij
doen.”
„Goede man,” hernam de calender die reeds gesproken had, „word niet
boos; dit is onze bedoeling niet en het zou ons leed doen u daartoe
slechts de minste aanleiding gegeven te hebben, integendeel wij zijn
bereid te doen wat u welgevallig is.” De twist had evenwel nog al hoog
kunnen loopen, doch de dames bemoeiden er zich mede, en wisten hun allen
te bevredigen.
Toen de calenders aan tafel plaats genomen hadden, begonnen de dames hun
het eten voor te dienen, en de vrolijke Safie droeg in het bijzonder
zorg hunne bekers steeds te vullen. Nadat zij dusdoende naar genoegen
gedronken en gegeten hadden, betuigden zij aan de dames, dat het hun een
waar genoegen zou zijn, als zij haar een concert mogten geven. De dames
namen dit aanbod met blijdschap aan, en de schoone Safie stond op om
muzijkinstrumenten te halen. Een oogenblik daarna kwam zij terug, en
bood aan ieder der calenders eene in het land gebruikelijke fluit, eene
Perzische fluit en een rinkelbom aan. Ieder calender ontving uit hare
hand dat speeltuig waarop zich zijne keus bepaalde, en nadat zij hunne
instrumenten gestemd hadden, speelden zij eene vrolijke aria. De dames,
de woorden daarvan kennende, accompagneerden hen met hunne stemmen, welk
gezang echter nu en dan door een luid gelach, over de daarin voorkomende
koddige voorstellingen, werd afgebroken. Terwijl men nu midden in de
vrolijkheid was, werd er herhaaldelijk aan de voordeur geklopt, en Safie
met zingen ophoudende, ging naar voren om te zien, wie hen in dit late
avonduur in hunne vrolijkheid kwam storen.
De kalif Haroun-al-Raschid had tot eene loffelijke gewoonte dikwijls
des nachts incognito uit te gaan, ten einde zich met eigen oogen
te overtuigen of alles in de stad rustig toeging, en of er geene
ongeregeldheden plaats hadden. Dezen nacht nu was de kalif reeds met
het invallen van den donker uitgegaan, vergezeld door Giafar, zijn'
groot-vizier, en door Masrour, den opperste der gesnedenen, allen als
eenvoudige kooplieden verkleed. Toen zij door de straat gingen, waar de
drie dames hare woning hadden, en de muzijk en het gelach hoorden, zeide
de vorst tot den vizier: „Klop hier aan, ik wil weten wat de reden van
dit nachtelijk gerucht is.” „Sire,” antwoordde de vizier, „zoo ver mij
bekend is, wordt dit huis bewoond door drie dames, van eenen stillen en
onbesproken levenswandel. Waarschijnlijk wordt hier heden een feest
gevierd, en zullen de hoofden door den wijn verhit zijn, zoodat wij,
door de gasten in hun geoorloofd vermaak te storen, ons aan een niet
heusch onthaal blootstellen, want nog is het uur niet geslagen, waarop
deze luidruchtigheid bij de wet verboden is.”—„Dat doet er niet toe,”
hernam de kalif, „klop aan, ik beveel het u.”
Het was dus de groot-vizier Giafar, die op last van den kalif aan de
deur van het huis der dames klopte. Safie deed open. Zij hield eene
flambouw in de hand, en de groot-vizier, eene dame van zoo uitstekende
schoonheid voor zich ziende, wier kleeding bovendien van haren hoogen
rang getuigde, maakte eene diepe buiging en zeide op eerbiedigen toon:
„Edele Dame, vergeef ons de vrijheid, dat wij ons op dit late uur ten
uwent vervoegen. Wij zijn kooplieden van Moussoel en eerst sedert
tien dagen hier te Bagdad aangekomen, alwaar wij onzen intrek in eene
karavanserij genomen en ons magazijn daar opgeslagen hebben. Heden zijn
wij bij eenen koopman te dezer stede te gast geweest. De wijn maakte ons
vrolijk, en eenige danseressen vermeerderden onze opgewondenheid. Onder
muzijk en dans ging de tijd snel voorbij, en werden wij allen steeds
luidruchtiger, zelfs zoo dat dit de opmerkzaamheid der wacht trok, die
zich de deur deed openen, en eenigen van het gezelschap in arrest nam.
Wat ons betreft, wij waren zoo gelukkig over den tuinmuur te ontkomen.
Maar,” vervolgde de vizier, „daar wij vreemdelingen, door den wijn een
weinig verhit, en niet digt bij onze karavanserij zijn, die aan het
andere einde der stad ligt, loopen wij gevaar door de wacht ontmoet en
aangehouden te worden. Ook is het te vreezen, dat wij ons logement op
dit uur gesloten zullen vinden. Het is daarom, schoone Dame, dat wij,
in het voorbijgaan muzijk en zang vernemende, ons verstout hebben aan
te kloppen, om u te smeeken ons tot het aanbreken van den dag eene
schuilplaats te verleenen. Indien gij daarin toestemt en wij aan uw
feest mogen deelnemen, zullen wij trachten het onze tot verhooging
der hier heerschende vrolijkheid bij te dragen, ten einde aldus de
veroorzaakte stoornis te doen vergeten. Zoo niet, sta ons dan toe den
nacht in deze vestibule te mogen doorbrengen.”
Gedurende dit gesprek van Giafar had de schoone Safie gelegenheid om hem
en zijne beide medgezellen in oogenschouw te nemen. Uit hun voorkomen
maakte zij op, dat deze lieden tot den beschaafden stand behoorden; zij
zeide hun daarom, hier de meesteres niet te zijn, doch dat, indien zij
een oogenblik geduld wilden hebben, zij hun verzoek voordragen en daarop
antwoord brengen zou.
Safie deelde nu aan hare zusters het verzoek der drie kooplieden van
Moussoul mede. Zij schenen aanvankelijk niet tot een besluit te kunnen
komen, doch goedhartig als zij waren, en in overweging nemende dat zij
aan drie calenders de zelfde gunst hadden toegestaan, gaven zij ten
slotte hunne toestemming, om ook deze vreemdelingen in hun gezelschap
toe te laten.
De kalif, zijn groot-vizier en de opperste der gesnedenen, door de
schoone Safie binnengeleid, groetten de dames en de drie calenders op
de meest hoffelijke wijze, en werden ook even zoo ontvangen. „Mijne
Heeren,” sprak nu Zobeïde met een streng en ernstig gelaat, dat haar zoo
wel afging als ware zij tot vorstin geboren, „gij zijt ons welkom, maar
vóór alles heb ik eene gunst van u te verzoeken.” „En welke gunst mag
dat zijn, Dame?” sprak de vizier zich buigende op beleefden toon. „Is
er iets ter wereld dat men aan zulke schoone dames zou kunnen weigeren?”
„Wat ik van u verzoeken moet,” hernam Zobeïde, „is: oogen te hebben en
geene tong, dat wil zeggen, om ons geene vragen te doen, over hetgeen
gij zult zien gebeuren en dat u zeker vreemd zal toeschijnen maar dat u
niet aangaat. Dus hooren, zien en zwijgen, Mijne Heeren, opdat u niet
welligt iets overkome, dat u minder aangenaam zou zijn.” „Gij zult
gehoorzaamd worden, Dame,” sprak nog eens de vizier, „wij zijn niet
onbescheiden, noch nieuwsgierig of onbeleefd, en wij hebben genoeg te
letten op hetgeen ons zelven aangaat, zonder ons met de zaken van
anderen te bemoeijen.” Daarop zetten allen zich neder, het gesprek werd
algemeen, en men dronk vrolijk op het welzijn der nieuw aangekomenen,
hetgeen door deze met een' toast op de dames en de overige aanwezigen
werd beantwoord.
Terwijl nu de vizier Giafar zich met de dames onderhield, kon de kalif
zich niet genoeg verwonderen over hare zeldzame schoonheid, bevallige
manieren, opgeruimd humeur en geestigheid, welke in alle gesprekken
uitblonk. Niets kwam hem ook vreemder voor, dan de drie calenders, die
tot zijne verbazing allen éénoogig en aan het zelfde oog blind waren.
Hij zou gaarne de oorzaak van deze zonderlinge omstandigheid vernomen
hebben, maar de hem en zijnen medegezellen opgelegde voorwaarde
weerhield den vorst daaromtrent vragen te doen. Ook getuigden de
meubelen en alles wat hij hier zag van zulk eenen rijkdom, dat de
beheerscher der geloovigen, hoewel gewoon aan pracht en weelde, meende
zich in een betooverd paleis te bevinden. Toen het onderhoud over de
vermaken van dien tijd liep, stonden de calenders op, en voerden, met
verlof van het overige gezelschap, op hunne wijze eenen dans uit, met
zoo veel losse bevalligheid, dat de dames er door opgetogen, en in haar
reeds gunstig gevoelen omtrent deze hunne gasten bevestigd werden. Ook
de kalif schepte er een groot behagen in. Nadat de drie calenders hunnen
dans geeindigd hadden, rigtte Zobeïde zich op, nam hare zuster Amine bij
de hand en zeide tot haar: „Zuster sta op! Het gezelschap zal er niet
tegen hebben, dat wij ons niet generen, maar handelen zoo als wij dit
gewoon zijn, zonder ons door de tegenwoordigheid van onze gasten daarvan
te laten afhouden.” Amine, wetende wat hare zuster verlangde, stond op,
nam de borden en flesschen van de tafel, benevens de muzijkinstrumenten,
waarop de calenders gespeeld hadden, en ging de zaal uit. Safie bragt
inmiddels den tijd niet ledig door, zij ruimde de zaal op, zette alles
weder op zijne plaats, bragt de waslichten in orde, en stak nog anderen
aan van aloëhout en van amber, die eenen welriekenden geur verspreidden.
Vervolgens verzocht zij aan de drie calenders op de eene zijde der sofa
plaats te nemen, en den kalif zich met zijne makkers aan den anderen
kant neder te zetten. Den drager beval zij op te staan en zich voor te
bereiden, om haar de behulpzame hand te bieden, bij hetgeen zij ging
verrigten. „Iemand gelijk gij,” vervolgde zij, „die als het ware tot de
huisgenooten behoort, moet den tijd niet in werkeloosheid doorbrengen.”
De drager, door den wijn, een' voor hem ongewonen drank, eenigzins
opgewonden, stond haastig op, schortte zijne kiel op en zeide: „Ik ben
gereed, wat valt er te doen?” „Het begin is goed,” antwoordde Safie,
„wacht onze bevelen af, gij zult niet lang met de armen over elkander
behoeven te staan.” Kort daarop zag men Amine terugkomen, met eenen
zetel van vreemdsoortig maaksel, welke zij in het midden der zaal
plaatste.
Vervolgens ging zij naar een kabinet of zijvertrek, opende eene in het
behangsel verborgen deur en gaf den drager eenen wenk, dat hij nader
zou komen. „Kom,” sprak zij, „en help mij.” Hij gehoorzaamde op staande
voet, en ging met haar het kabinet binnen. Een oogenblik later kwam hij
terug, gevolgd door twee zwarte honden, welke hij elk aan eene ketting
hield en die men het kon aanzien, dat zij door felle zweepslagen
mishandeld waren. Hij bragt ze tot midden in de zaal.
Toen rigtte Zobeïde, welke tusschen de calenders en den kalif gezeten
was, zich op, en ging met afgemeten schreden naar de plaats waar de
drager stond. „Het zij zoo,” sprak zij, eenen diepen zucht slakende,
„laat ons onzen pligt vervullen.” Zij ontblootte den regter arm tot aan
den elleboog, nam de zweep, die Safie haar aanbood, en sprak: „Drager,
geef de eene hond aan mijne zuster Amine, en treed met de andere nader.”
De drager deed wat hem gezegd werd, doch toen hij Zobeïde naderde, begon
de hond, die hij aan de ketting hield, op eene klagelijke wijze te
huilen en zag haar smeekend aan. Maar Zobeïde, zonder op de demoedige
houding van de hond of op haar smartelijk gehuil acht te geven, sloeg er
met de zweep onmeêdoogend op los, tot zoo lang zij er geheel vermoeid
van was. Toen wierp zij de zweep van zich, nam de hond van den drager
over, hief haar bij de voorpooten op, en terwijl zij elkander dus in de
oogen zagen, begonnen beide om het hardst te weenen. Ten laatste nam
Zobeïde haren zakdoek, wischte daarmede de hond de tranen af, kuste
haar, gaf de ketting weder aan den drager over en zeide op hoogst
ontroerden toon tot hem: „Ga: breng deze van waar gij haar gehaald hebt,
en komt met de andere hond voor!”
De drager bragt de afgestrafte hond in het kabinet terug, nam vervolgens
de andere van Amine over, en bragt haar bij Zobeïde. „Houd haar vast als
de vorige!” sprak zij tot hem, en de zweep weder opnemende, mishandelde
zij de hond op gelijke wijze. Daarop weende zij met haar, droogde hare
tranen af, kuste ze en stelde haar weder aan den drager ter hand, aan
wien echter de beminnelijke Amine ditmaal de moeite bespaarde, haar
naar het kabinet terug te brengen, daar zij zelve zich met deze taak
belastte.
Intusschen verwonderden de drie calenders, de kalif en zijne
medegezellen zich niet weinig over dit zonderlinge strafgerigt, waarvan
zij de zwijgende oor- en ooggetuigen geweest waren. Zij konden zich
volstrekt geen begrip vormen waarom Zobeïde, na de beide honden dus
met zweepslagen mishandeld te hebben, eindigde met deze volgens het
Muzelmansche geloof voor onrein gehouden dieren te liefkozen en te
kussen. Zij waren er bij zich zelven over verontwaardigd. De ongeduldige
kalif brandde van verlangen naar de oplossing van dit voor allen
onverklaarbaar raadsel, en wenkte gedurig zijnen vizier om er naar te
vragen. Doch Giafar wendde het hoofd af en hield zich of hij den kalif
niet begreep, tot dat deze, door herhaalde teekenen, hem dwong op
gelijke wijze te antwoorden, daardoor te kennen gevende, dat het thans
de plaats en de tijd niet was, om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen.
Zobeïde bleef nog eenige oogenblikken in het midden der zaal staan,
als of zij zich van hare vermoeijenis en hare aandoeningen trachtte te
herstellen, alvorens zich bij het gezelschap te voegen. „Lieve zuster!”
sprak thans Safie, „wilt gij uwe vorige plaats niet weder innemen, opdat
ik mij op mijne beurt van mijne taak moge kwijten?”—„Gij herinnert mij
daaraan ter juister tijd,” antwoordde Zobeïde, en nam plaats op de sofa,
met den kalif, Giafar en Masrour aan hare regter- en de drie calenders,
benevens den drager aan hare linkerhand.
Toen Zobeïde hare plaats hernomen had, heerschte er gedurende eenige
oogenblikken eene algemeene stilte, de vorige vrolijkheid scheen geheel
geweken. Safie, op den zetel, die in het midden der zaal stond, plaats
nemende, brak het eerst dit stilzwijgen af. „Zuster,” sprak zij tot
Amine, „ik bid u, sta op; wat ik daarmede bedoel, is u bekend.” Amine
stond op, en begaf zich naar een ander vertrek dan dat, waarin zich de
beide zwarte honden bevonden. Zij kwam weldra terug met een' koker in
de hand en gekleed in geel satijn, rijk gegarneerd met goud en groene
zijde. Zij ging naar hare zuster, opende den koker en nam daaruit eene
zeer fraaije luit, welke zij haar aanbood. Safie nam de luit aan, en, na
die gestemd te hebben, begon zij de snaren te tokkelen en daarbij te
zingen. Het lied, dat zij voordroeg, was zoo treffend, en zij speelde en
zong met zulk een diep gevoel, dat de kalif en alle aanwezigen er door
verrukt werden. Gaarne had men haar nog langer gehoord, doch zij had
zich te zeer ingespannen en was te vermoeid, om aan den niet onduidelijk
uitgedrukten wensch van het gezelschap te kunnen voldoen. „Zuster!”
zeide zij tot de bevallige Amine, „ik kan niet langer, de stem ontbreekt
mij, voldoe gij het gezelschap, door in mijne plaats te spelen en te
zingen.” „Met het grootste genoegen,” antwoordde Amine, terwijl zij naar
Safie ging, die haar de luit ter hand stelde en hare plaats inruimde.
Na eenige preludiums, om te beproeven of het instrument goed gestemd
was, speelde en zong Amine het zelfde lied, dat hare zuster gezongen
had, doch met zooveel gevoel en aandoening, dat zij zigtbaar moeite had
zich tot het einde toe goed te houden. Zij had intusschen zich zelve
overtroffen, en Zobeïde liet niet na, hare tevredenheid over deze zoo
schoone uitvoering te doen blijken. „Zuster,” zeide zij, „gij hebt
heden wonderen verrigt; men kan wel zien, dat gij de schoonheid van
het heerlijke lied, met even veel levendigheid als waarheid zoo even
voorgedragen, diep gevoelt.” Amine was te zeer geroerd om op deze
beleefdheid te antwoorden; haar hart was zoo ter neder gedrukt, dat
zij meende te stikken. Op niets anders bedacht, dan om zich lucht te
verschaffen, en zonder op het haar omgevend gezelschap te letten, rukte
zij haren halsdoek af en ontblootte daardoor een' hals en een' boezem,
niet blank gelijk albast, zoo als men dit bij eene zoo schoone vrouw zou
verwacht hebben, maar geheel bedekt met zulke diepe naden en lidteekens,
dat zij den aanschouwers afschrik moesten inboezemen. Doch ook deze
wanhopige poging om zich lucht te verschaffen baatte niet; zij viel in
zwijm.
Terwijl Zobeïde en Safie zich beijverden om hare zuster de noodige hulp
toe te brengen, kon een der calenders niet nalaten te zeggen: „Indien ik
had kunnen vermoeden, dergelijke tooneelen te moeten bijwonen, zou ik
liever den nacht onder den blooten hemel hebben doorgebragt, dan hier
mijn' intrek te nemen.” Toen de kalif dit hoorde, naderde hij de drie
calenders, en zich tot hen wendende, sprak hij: „Zegt mij, wat beteekent
toch dit alles?” „Heer,” zeide een der calenders, „wij weten er niet
meer van dan gij.” „Wat!” hernam de kalif, „behoort gij dan hier niet te
huis? Kunt gij ons niets mededeelen, aangaande de beide zwarte honden
en deze bezwijmde en zoo vreesselijk mishandelde jonge vrouw?” „Heer!”
gaven de calenders ten antwoord, „het was heden voor het eerst dat wij
deze woning binnentraden, en wij zijn hier slechts weinige minuten vóór
u gekomen.”
Dit deed de verbazing van den kalif nog hooger klimmen. „Misschien,”
hernam hij, op den drager wijzende, „zal deze man er ons iets meer van
kunnen zeggen.” „Het is mogelijk,” zeide een der calenders, den drager
een' wenk gevende om naderbij te komen. Hij vraagde hem, of hij niet
zeggen kon, waarom de zwarte honden zoovele zweepslagen hadden
ontvangen, en wat aanleiding had gegeven dat Amine's hals en boezem met
lidteekens als overdekt waren. „Heer,” sprak de drager, „als ik het
wist, zou ik het u zeggen, maar ik zweer u bij den baard van den grooten
profeet, dat ik er evenmin als gij een woord van kan vertellen, en wij
op dit punt elkander niets te verwijten hebben en dus even wijs zijn.
Het is waar, ik woon in deze stad en heb de dertig reeds achter den rug,
doch vóór dezen dag heb ik nooit een' voet in dit huis gezet, en zoo
_gij_ verwonderd zijt er _mij_ aan te treffen, _ik_ ben het niet minder
van mij met _u_ in gezelschap te bevinden. En wat mij nog vreemder
voorkomt,” aldus eindigde hij, „is, dat deze vrouwen hier schijnen huis
te houden, zonder een' enkelen manspersoon over den vloer te hebben,
niettegenstaande zij wel van de gezelligheid en van een vrolijk leven
schijnen te houden.”
De kalif, zijne medgezellen en de drie calenders hadden tot dus verre in
den waan verkeerd, dat de drager tot de huisgenooten behoorde en hij hen
dus de gewenschte inlichtingen zoude kunnen geven; hierin teleurgesteld,
besloot nogtans de kalif zijne nieuwsgierigheid tot elken prijs te
bevredigen. „Hoort,” zeide hij tot de andere mannen, „wij zijn hier met
ons zevenen tegenover deze drie vrouwen: het is dus in onze magt haar te
noodzaken ons de verlangde inlichtingen te geven. Zoo zij niet genegen
zijn, dit goedwillig te doen, zijn wij genoegzaam in staat er haar toe
te noodzaken.” De groot-vizier Giafar kon zich met dit plan van zijnen
gebieder niet vereenigen, en besloot echter zonder zijnen rang te
ontdekken, hem de gevolgen van zulk eene onheusche handelwijze voor
oogen te houden.—„Heer,” zeide hij, hem in zijn incognito als koopman
toesprekende, „neem, als ik u bidden mag, in aanmerking, dat wij hier
onzen goeden naam hebben op te houden. Het is u bekend, op welke
voorwaarden deze vrouwen ons in haar gezelschap hebben toegelaten, wij
namen er genoegen in. Wat zou men dus niet van ons zeggen, indien wij
in strijd handelden met de door ons vrijwillig afgelegde belofte. En
nog belagchelijker zouden wij ons maken, indien ons daardoor eenig
kwaad overkwam. Oogenschijnlijk zijn deze vrouwen tegenover ons geheel
weêrloos, doch het komt mij voor, dat zij zulke bedreigingen niet
zouden gedaan hebben, indien haar volstrekt de magt ontbrak, daaraan zoo
noodig gevolg te kunnen geven.”
Hier nam de vizier den kalif ter zijde, en zacht sprekende, zoodat zij
door de anderen niet konden worden verstaan, vervolgde hij: „De nacht
spoedt bijna ten einde. Uwe majesteit behoeft dus nog slechts een weinig
geduld te hebben. Zoodra het genoegzaam dag is, zal ik als vizier naar
deze woning terugkeeren en de vrouwen voor uwen troon brengen. Gij zult
alzoo met eere, en zonder eenig gevaar te loopen, alles van haar te
weten kunnen komen, wat gij verlangt. Hetgeen men den kooplieden van
Moussoul, en te regt, welligt niet zou willen zeggen, en wat men _hun_
hoogst kwalijk zou nemen, zal men den Gebieder der Geloovigen niet
kunnen of durven weigeren noch euvel duiden.”—Hoe gegrond en welgemeend
deze raad ook was, gaf toch de kalif, die slechts naar zijn ongeduld
luisterde, er geen gehoor aan. Hij legde den vizier het zwijgen op,
en verklaarde, dat het zijn bepaalde wil was, nog op dezen zelfden
oogenblik, de door hem verlangde inlichtingen te bekomen.
Aan dit bevel van zijnen heer moest de groot-vizier Giafar zich
onderwerpen. Het kwam er dus nu nog maar op aan, wie het woord zoude
doen, en alzoo de kat de bel aanbinden, of de kastanjes uit het vuur
halen. De kalif trachtte er de calenders toe te bewegen, doch deze
verontschuldigden zich, ieder voor zich, op de beleefdste wijze. De eene
was niet wel bespraakt, de andere achtte zich te zeer door de afgelegde
belofte gebonden, en de derde kwam er rond voor uit, dat hij op de eer,
om hier als woordvoerder op te treden, niet gesteld was, en daarvoor
zijne bijzondere redenen had. Eindelijk echter werden allen het eens;
de arme drager zou als woordvoerder optreden. De eenvoudige man, wiens
hersenen nog door de dampen van den krachtigen wijn verhit waren, liep
als een blind paard in den hem gespannen strik. Hij was immers gewoon
anderen ten dienste te staan, wel is waar alleen met zijne gespierde
armen, nu echter was hij even bereid dit ook met den mond te doen.
Reeds bereidde hij zich voor, zoo als zijn mond die zich in allerlei
scheve plooijen trok het uitwees, om de noodlottige vraag te doen, toen
Zobeïde, daar Amine weder tot bewustheid was gekomen, zich bij het
gezelschap voegde, met de vraag, wat de heeren, die zij luid en driftig
had hooren twisten, zoo zeer in vuur had gebracht.
De drager nam nu terstond het woord. „Dame,” zeide hij, „deze heeren
verzoeken u hen wel te willen verklaren, waarom gij, na de beide honden
mishandeld te hebben, met haar zamen weent, en wat de oorzaak is dat de
schoone jonge vrouw, die zoo even in zwijm viel, den boezem zoo vol
lidteekens heeft, als of zij met het mes van den vilder in aanraking
ware gekomen. Zie daar, Dame! wat mij ten naasten bij, door hen gelast
is u te vragen.”
Op deze vraag betrok het gelaat van Zobeïde, en zich met fierheid tot
den kalif en de overigen wendende, zeide zij: „Is het waar, Mijne
Heeren, dat gij dezen man gelast hebt, mij zulke vragen te doen?” Allen,
uitgenomen de vizier Giafar, stemden zulks toe. Na deze bekentenis zeide
Zobeïde, op eenen toon, die bewees, hoe diep zij zich beleedigd achtte:
„Daar wij slechts vrouwen zijn, en alle mogelijke onaangenaamheid
wenschen te vermijden, hebben wij, eer wij u de gunst, waarom gij
verzocht, toestonden, u de voorwaarden gezegd, op welke wij u in ons
gezelschap konden en wilden toelaten. Gij hebt beloofd die te zullen
nakomen, en u niet te bemoeijen met zaken, welke u niet aangaan. Wij
hebben u onthaald naar ons beste vermogen, en dit vergeldt gij ons,
met uwe belofte te schenden. Gij schijnt zelfs met mijne bedreiging,
dat, zoo gij uw woord verbreekt, zulks voor u onaangename gevolgen
zou kunnen hebben, den spot te drijven, wanende dat gij van weêrlooze
vrouwen niets hebt te vreezen, en haar ongestraft kunt beleedigen. Ik
zal u echter toonen, mijne Heeren! dat ik, hoewel eene vrouw, de magt
bezit mijne bedreigingen tegenover zulke ondankbare gasten, als gij
blijkt te zijn, ook ten uitvoer te brengen.” Dit zeggende, stampte
Zobeïde driemaal op den vloer, en klapte in de handen. „Komt spoedig!”
riep zij luid en toornig. Eene achter het behangsel verborgen deur vloog
open, en zeven zwarten slaven van reusachtige gestalte stormden met
ontbloote zwaarden in de hand de zaal binnen.
Deze zwarte duivels wierpen zich als getergde leeuwen op de doodelijk
verschrikte gasten, en zich elk van een' hunner meester makende, wierpen
zij hen tegen den grond, sleurden ze naar het midden der zaal, en
maakten zich gereed hen het hoofd af te slaan.
Men kan zich ligt voorstellen, hoe verschrikt de kalif was. Thans
berouwde het hem, maar te laat, dat hij den verstandigen raad van zijnen
vizier niet had opgevolgd. Intusschen zag hij zich in gevaar, zijne
onbescheidene nieuwsgierigheid met zijn leven te boeten. De overigen,
zelfs Giafar, ofschoon onschuldig in deze zaak, wachtten hetzelfde
lot. Reeds hadden hunne beulen het zwaard opgeheven, doch eer zij
toesloegen, zeide een der zwarten tot Zobeïde en hare zusters:
„Verhevene, zeer magtige en geëerde meesteressen, is het uw welbehagen,
dat wij hun het hoofd afslaan?” „Wacht nog een weinig,” antwoordde
Zobeïde, „opdat ik eerst hunne verdediging aanhoore.” „Edele Dame,” viel
de verschrikte drager haar thans snel in de rede, „ik bezweer u bij den
grooten profeet, doe mij niet dooden voor de misdaad van anderen. Ik ben
onschuldig; zij zijn schuldig. Helaas!” vervolgde hij snikkende, „wij
bragten te zamen den tijd zoo genoegelijk door! Deze éénoogige
calenders zijn oorzaak van het ongeluk, dat ons treft. Wacht u voor
de geteekenden; wee het huis, waar de zulken hunne voeten onder de
tafel steken! De stad waar zulke lieden wonen, moet vergaan en tot een'
puinhoop vervallen. Waarde gastvrouw, ik smeek u, de goeden niet met de
kwaden te verwisselen, en over den zelfden kam te scheren; denk er toch
aan, dat het schooner is te vergeven, dan een' ellendige gelijk ik, die
zich van alle hulp verstoken ziet, met uwe alles vermogende magt te
verpletteren en hem aan uwen toorn ten offer te brengen!”
Hoe groot ook haar toorn was, kon Zobeïde zich niet onthouden in zich
zelven te lagchen over deze klagten van den drager. Maar zonder zich
met hem op te houden, rigtte zij nogmaals het woord tot de anderen:
„Antwoordt mij,” sprak zij, „en zegt mij, wie gij zijt, zonder dit hebt
gij geene minuut langer te leven. Ik kan niet gelooven, dat gij eerlijke
lieden zijt, noch mannen van gezag of aanzien, in het land dat u heeft
zien geboren worden. Want indien dit zoo ware, zoudt gij jegens ons meer
hoffelijkheid hebben aan den dag gelegd.”
De kalif, ongeduldig van aard, leed oneindig meer dan de anderen,
niet zoo zeer uit vrees voor den dood, dan wel omdat hij zijn leven
afhankelijk zag van het bevel eener beleedigde en met regt vertoornde
vrouw. Toen echter Zobeïde naar den stand van hare gasten vraagde, begon
hij weder hoop te koesteren, dat deze zaak een minder treurig einde zou
nemen, dan het zich aanvankelijk liet aanzien; want hij twijfelde er
niet aan, of hij behoefde zich slechts bekend te maken, om zijn leven
te redden. Daarom beval hij fluisterend aan zijnen vizier, die zich in
zijne nabijheid bevond, om het incognito niet langer te bewaren, maar de
vrouwen onmiddelijk met zijnen hoogen rang bekend te maken. Doch Giafar,
een voorzigtig en verstandig man, die de eer van zijnen meester wilde
ophouden, en niet kon dulden dat de vernedering, die hij ondergaan
had, bekend zou worden, haalde de schouders op, en zeide alleen: „Ons
overkomt slechts, hetgeen wij verdiend hebben.” Maar al had hij ook,
om aan den kalif te gehoorzamen, willen spreken, Zobeïde zou er hem
den tijd niet toe hebben gegeven. Zij had zich reeds tot de calenders
gewend, en ziende dat zij alle drie éénoogig waren, vraagde zij, of zij
bloedverwanten waren.—„Neen Dame,” zeide een der calenders, die voor
allen het woord voerde, „wij bestaan elkander niet in den bloede, maar
wij zijn broeders in onze betrekking van calender; dat wil zeggen, wij
volgen allen denzelfden leefregel.”—„En,” hernam Zobeïde, „zijt gij
éénoogig van uw geboorte af.”—„Neen, Mejufvrouw,” antwoordde hij, „eene
zonderlinge gebeurtenis, wel waardig om tot waarschuwing van velen
beschreven te worden, is daarvan de oorzaak. Na mijn ongeluk liet ik
mij den baard en de wenkbraauwen afscheren, en heb ik het kleed eens
calenders aangenomen.”
Zobeïde deed nu de zelfde vraag aan de beide andere calenders, die even
zoo antwoordden als de eerste gedaan had. Doch de laatste voegde er bij:
„Opdat gij moogt weten, Mejufvrouw, dat wij niet tot den lagen stand
behooren, en opdat gij ons met verschooning zult behandelen, zoo zij het
u bekend, dat wij alle drie konings-zonen zijn. Ofschoon wij elkander
dezen avond voor het eerst ontmoet hebben, heeft het ons echter niet aan
den tijd ontbroken, om met elkanders lotgevallen bekend te worden, en ik
durf u de verzekering geven, dat de koningen, aan wie wij het leven te
danken hebben, eenigen naam in de wereld hebben gemaakt.”
Op deze toespraak bedaarde Zobeïde's toorn, en zij zeide tot de slaven:
„Geeft hun een weinig meer vrijheid, maar blijft hier, en weest gereed
om mijne bevelen uit te voeren. Doet geen leed aan hen, die ons hunne
geschiedenis en de oorzaak van hunne aanwezigheid in onze woning met
opregtheid zullen verhalen; laat hen gaan, waarheen het hun zal
goeddunken; maar zij die weigerachtig zijn, om ons deze voldoening te
geven, spaart ze niet, hun bloed kome op hun hoofd.”
De drie calenders, de kalif, de groot-vizier, de opperste der gesnedenen
en de drager waren allen op een tapijt in het midden der zaal gezeten,
in tegenwoordigheid der drie dames, welke op de sofa hadden plaats
genomen, en van de zeven zwarte slaven, die gereed waren de bevelen
van hunne meesteressen zonder tegenspraak uit te voeren.
Toen de drager vernam, dat hij, om uit zulk een groot gevaar verlost
te worden, slechts zijne geschiedenis behoefde te verhalen, voelde
hij zijn' moed herleven, en vatte dadelijk het woord op. „Mijne
geschiedenis,” zeide hij, zich tot Zobeïde rigtende, „en de oorzaak,
waarom ik hier ben, zijn u reeds bekend. Wat ik u dus heb te verhalen,
laat zich in weinige woorden zeggen. Deze dame—hier wees hij op
Amine—, uwe zuster, heeft mij dezen morgen op de markt, waar ik als
drager stond te wachten, of het iemand zou behagen mij een stuk brood te
laten verdienen, in hare dienst genomen. Ik ben met haar gegaan naar
een' wijnkooper en naar een' fruitwinkel, waar men oranjeappelen,
limoenen en citroenen verkocht; van daar gingen wij naar een' ander, die
amandelen, noten en dergelijke waar te koop had. Vervolgens bezochten
wij een' banketbakker en confiturier, van waar wij eindelijk naar een
droogist stapten, terwijl ik mijne mand op het hoofd droeg, en ik lieg
niet, als ik zeg, Mejufvrouw, dat deze goed beladen was, en dat ik er
eene zware vracht aan had. Dat begreep Mejufvrouw uwe zuster zeker ook,
althans, zij staakte hare inkoopen, en beval mij, haar naar deze hare
woning te volgen, waar gij de goedheid hebt gehad, mij tot heden te
dulden, eene gunst, Mejufvrouw, die ik, al word ik honderd jaar oud, mij
steeds met dankbaarheid zal herinneren! Ziedaar mijne geschiedenis.”
Hier zweeg de drager, en Zobeïde, daarmede voldaan, zeide: „Ik schenk u
het leven, ga en bevrijd ons van uw gezelschap.” „Edele Dame,” hernam de
drager, „ik smeek u nog te mogen blijven, tot dat ook deze heeren hunne
lotgevallen zullen hebben verhaald. Het zou onbillijk zijn, dat ik, na
hun het vermaak te hebben gegeven mijne geschiedenis aan te hooren,
er nu van verstoken zou zijn, ook de hunne te vernemen.” Dit gezegd
hebbende, zette hij zich, zonder verder te spreken aan het benedeneinde
der sofa neder, even alsof er niets gebeurd was, en zeer verheugd aan
een gevaar te zijn ontsnapt, dat hem zoo zeer beangst had. Na hem nam
een der calenders het woord, en zich tot Zobeïde wendende, welke hij als
de meesteres des huizes aanmerkte, ving hij zijn verhaal op de volgende
wijze aan.