VERVOLG DER GESCHIEDENIS VAN DEN VISSCHER EN DEN GEEST.

Zoodra de visscher de geschiedenis van den Griekschen koning en den

geneesheer Douban geeindigd had, maakte hij daarop de volgende

toepassing voor den geest, dien hij steeds in de vaas opgesloten hield.

„Indien de Grieksche koning,” zeide hij, „den arts in het leven had

gelaten, zou God hem ook het zijne hebben doen behouden; maar hij hoorde

niet naar zijne ootmoedigste smeekingen, en God heeft hem daarvoor

gestraft. Zoo is het ook met u, o geest! indien ik u had kunnen

vermurwen en de genade waarom ik u bad van u had kunnen verwerven, zou

ik thans medelijden hebben met den toestand waarin gij u bevindt; maar

dewijl gij, in weêrwil der zoo groote verpligting, welke gij jegens mij

hadt, omdat ik u in vrijheid had gesteld, toch in uw voornemen om mij te

dooden zijt blijven volharden, moet ik op mijne beurt onverbiddelijk

zijn. Ik zal, door u in deze vaas opgesloten te laten en u weder in zee

te werpen, u tot aan het einde der eeuwen van het gebruik des levens

berooven; ziedaar de wraak, die ik mij voorneem op u te nemen.”

„Visscher, mijn waarde vriend,” antwoordde de geest, „ik bezweer u

eene niet zoo wreede wraak op mij te nemen. Bedenk, dat alle wraak

hoogst liefdeloos is, en dat het integendeel zeer prijsselijk is, kwaad

met goed te vergelden; behandel mij niet gelijk Imma weleer Ateca

behandelde.” „En wat deed Imma met Ateca?” hernam de visscher. „Ja!”

antwoordde de geest, „indien gij die geschiedenis wenscht te hooren,

open dan vooraf deze vaas; meent gij dat ik zoo, in uwe gevangenis

opgesloten, lust heb u geschiedenissen te vertellen? Ik zal er u zoo

velen verhalen als gij maar wilt, wanneer gij mij eerst weder uit deze

vaas bevrijd hebt.” „Neen,” zeide de visscher; „ik zal u niet verlossen,

gij praat te vergeefs, ik zal u in het diepste der zee werpen.” „O

visscher,” riep de geest daarop uit, „ik beloof u, u volstrekt geen

kwaad te zullen doen, integendeel wil ik u een middel aan de hand geven

om verbazend rijk te worden.”

De hoop, om uit zijne armoede verlost te worden, deed den visscher van

gedachte veranderen. „Ik zou uw verzoek wel willen inwilligen,” zeide

hij, „indien ik op uw woord staat kon maken; zweer mij bij den grooten

naam van den almagtigen God, dat gij ter goeder trouw zult nakomen wat

gij belooft, dan zal ik de vaas weder openen. Ik vertrouw, dat gij niet

zoo goddeloos zult zijn eenen zoo vreeselijken eed te schenden.” De

geest lag den eed af en de visscher deed daarop dadelijk het deksel

van de vaas. Onmiddelijk steeg er damp uit op, en de geest hernam

langzamerhand zijne vorige gedaante. Het eerste wat hij vervolgens deed,

was de vaas met den voet in zee te stooten. Deze handelwijze deed den

visscher schrikken. „Geest,” zeide hij, „wat beteekent dit? Wilt gij den

eed, dien gij zoo juist gezworen hebt, schenden? en moet ik tot u zeggen

wat de geneesheer Douban tot den Griekschen koning zeide:” „Laat mij

leven, en God zal uwe dagen verlengen!” De vrees van den visscher deed

den geest lagchen, die hem antwoordde: „Neen visscher, stel u gerust; ik

heb de vaas tot mijn vermaak in het water geworpen, om te zien of gij er

ook door ontsteld zoudt worden, om u te overtuigen, dat ik mijn woord

gestand wil doen, neem uwe netten op en volg mij.” Deze woorden gezegd

hebbende, ging hij heen, den visscher vooruit, die, met zijne netten

beladen, hem met eenig wantrouwen volgde. Zij kwamen langs de stad, en

klommen boven op eenen hoogen berg, waarna zij in eene uitgestrekte

vlakte nederdaalden en bij eenen tusschen vier heuvelen gelegen vijver

kwamen.

Toen zij aan den kant van den vijver gekomen waren, zeide de geest tot

den visscher: „Werp uwe netten uit en vang visch.” De visscher twijfelde

er niet aan eene groote menigte te zullen vangen, want hij zag den

vijver van visschen wemelen; maar wat hem in het bijzonder verwonderde

was, dat hij er zag die van vier verschillende kleuren waren: witte,

roode, blaauwe en gele. Hij wierp zijne netten in het water, en ving er

van ieder dezer kleuren één. Daar hij nimmer zulke visschen gezien had,

kon hij niet ophouden ze te bewonderen, en oordeelende, dat hij er eene

vrij aanzienlijke som voor zou kunnen krijgen, was hij over deze vangst

uitermate verblijd. „Neem deze visschen meê,” zeide hem de geest, „en

breng ze aan uwen sultan; hij zal er u meer geld voor geven, dan gij

uw gansch leven gehad hebt. Gij kunt elken dag in dezen vijver komen

visschen, maar ik waarschuw u, uwe netten iederen dag slechts éénmaal

uit te werpen, anders zal er u een groot ongeluk van overkomen; pas dus

op. Dit is de raad dien ik u geef: indien gij hem naauwkeurig opvolgt,

zult gij er u wel bij bevinden.” Dit gezegd hebbende, stampte hij met

den voet op de aarde, die zich opende en onmiddelijk weder sloot, nadat

de geest in haren schoot verdwenen was.

De visscher, die besloten had, om de raadgevingen van den geest

stiptelijk op te volgen, wachtte zich wel zijne netten voor den tweeden

keer uit te werpen. Zeer tevreden met zijne vangst, sloeg hij den weg

naar de stad weder in, over de vreemde gebeurtenis nadenkende, welke

hem bejegend was. Hij ging regelregt naar het paleis van den sultan,

om dezen zijne visschen aan te bieden. De sultan was ten hoogste

verwonderd op het zien dezer vier visschen, hij nam ze den een na

den ander op, en na ze langen tijd beschouwd te hebben, zeide hij

aan zijnen groot-vizier: „Neem deze visschen en breng ze aan de

bekwame hofmeesteres, mij door den koning van Griekenland gezonden, ik

veronderstel dat zij wel even lekker als schoon zullen zijn.” De vizier

bragt ze zelf naar de keukenmeesteres, en gaf ze haar eigenhandig over:

„Ziedaar,” zeide hij tot haar, „vier visschen die men aan den sultan

gebragt heeft, hij beveelt u, ze voor hem toe te bereiden.” Na aldus aan

het hem gegeven bevel te hebben voldaan, keerde hij naar den sultan

zijnen meester terug, die hem toen den last opdroeg, den visscher vier

honderd goudstukken uit zijne schatkamer ter hand te stellen, wat hij

terstond naauwkeurig deed. De visscher, die nimmer in eens eene zoo

belangrijke som bezeten had, kon zich van zijn geluk bijna geen begrip

vormen, het was hem alsof hij droomde. Maar hij ondervond weldra, dat

het geen droom was, toen hij het geld ging gebruiken om in de behoeften

van zijn huisgezin te voorzien.

De keukenmeesteres geraakte middelerwijl in de grootste verlegenheid.

Zoodra zij de visschen, welke de vizier haar gegeven had, schoon gemaakt

had, zette zij ze in eene pan met olie op het vuur, om ze te bakken.

Toen zij dacht, dat ze aan de eene zijde gaar genoeg zouden zijn, keerde

zij ze om. Maar, o ongehoord wonder! naauwelijks waren de visschen

omgekeerd, of de muur der keuken spleet van een en eene dame van eene

verwonderlijke schoonheid en een bevallig uiterlijk trad door de nieuwe

opening de keuken binnen. Zij was in een gebloemd satijnen kleed van

Egyptische snede gehuld, droeg groote oorbellen en een halssnoer van

schitterende parelen, gouden met robijnen bezette armbanden, en had een

myrten stokje in de hand. Tot groote verwondering van de hofmeesteres,

die van verbazing sprakeloos en als aan den grond vastgenageld stond,

trad de dame op de braadpan toe, en raakte een der visschen met

haar stokje aan: „Visch, visch,” sprak zij, „bewijst gij wel den

verschuldigden eerbied?” De visch niet antwoordende, herhaalde zij

de zelfde vraag, waarop de vier visschen allen te gelijk de koppen

ophieven, en haar duidelijk antwoordden: „Ja, ja, als gij telt, tellen

wij ook; als gij uwe schulden betaalt, betalen wij de onzen; als gij

vlugt, overwinnen wij en zijn wij tevreden.” Zoodra zij deze woorden

gesproken hadden, smeet de jonge dame de pan omver, en keerde in de

opening van de muur terug, welke zich achter haar sloot als of er nimmer

eenige opening of scheur geweest ware.

Toen de over al deze wonderen verbaasde keukenmeesteres van haren schrik

eenigzins bekomen was, nam zij de visschen, die op de gloeiende kolen

gevallen waren, weder op; maar zij waren zoo zwart als steenkool

geworden, en konde den sultan onmogelijk zóó voorgezet worden. Zij

gevoelde er zeer groot leedwezen over, en begon bitter te weenen:

„Helaas!” zeide zij, „wat moet er van mij worden? Ik ben verzekerd, dat

wanneer ik aan den sultan vertel wat ik gezien heb, hij mij toch niet

zal gelooven; wat zal hij vreesselijk vertoornd op mij zijn!”

Terwijl zij dus bekommerd was, trad de grootvizier binnen en vraagde

haar of de visschen gereed waren. Zij verhaalde hem al wat er

voorgevallen was, en gelijk men kan begrijpen, verwonderde hem dit

verhaal in de hoogste mate; maar, zonder er iets van aan den sultan te

zeggen, verzon hij eene uitvlugt, welke den sultan tevreden stelde.

Intusschen liet de vizier den visscher onmiddelijk halen, en toen

deze gekomen was, zeide hij tot hem: „Visscher, breng mij vier andere

visschen, in alles gelijk aan die, welke gij reeds geleverd hebt, want

er is een ongeluk meê voorgevallen, dat oorzaak is, dat men ze den

sultan niet heeft kunnen voorzetten.” De visscher verhaalde hem niet,

waarvoor de geest hem gewaarschuwd had; maar om zich te ontslaan van het

verzoek, de visschen nog dien dag te leveren, verontschuldigde hij zich

door den verren afstand waar ze gevangen werden, doch beloofde ze den

volgenden morgen te zullen brengen.

De visscher begaf zich werkelijk den volgenden nacht naar den vijver.

Hij wierp zijne netten uit, en vond er, toen hij ze weder optrok, vier

visschen in, die gelijk de vorigen ieder van eene verschillende kleur

waren. Hij keerde oogenblikkelijk terug en bragt ze binnen den bepaalden

tijd aan den groot-vizier. Deze minister ging er zelf weder meê naar de

keuken, waar hij, toen hij zich met de keukenmeesteres alleen bevond,

de deur toegrendelde. De keukenmeesteres maakte de visschen in zijne

tegenwoordigheid dadelijk schoon, en zette ze toen op het vuur, gelijk

zij den vorigen dag met de vier anderen gedaan had. Toen zij aan de eene

zijde gaar waren, en zij ze omgekeerd had, opende zich wederom de muur

der keuken, dezelfde dame verscheen met haar stokje in de hand, naderde

de braadpan, raakte een der visschen aan, rigtte dezelfde woorden tot

hen, en allen gaven zij, de koppen opligtende, haar het zelfde antwoord.

De jonge dame smeet daarop met haar stokje de braadpan nogmaals omver en

verdween in den muur op de zelfde plek, waar zij er uit gekomen was.

Toen de groot-vizier dit een en ander zelf gezien en gehoord had, zeide

hij! „dit is te vreemd en te wonderbaar om er voor den sultan een geheim

van te maken; ik zal hem van dit wonder kennis geven.” Hij ging hem dan

ook terstond opzoeken, en deelde hem de gebeurtenis in zijn geheel

naauwkeurig mede.

Toen de sultan dit vernomen had, betoonde hij er de grootste

verwondering over, en stond er op, zelf het wonder bij te wonen. Hiertoe

moest de visscher bij hem komen. „Vriend,” zeide hij tot hem, „kunt

gij mij nog vier zulke visschen brengen?” De visscher gaf hierop een

bevestigend antwoord, mits men hem drie dagen tijd gaf, om zijne belofte

te vervullen. Toen de sultan hem dezen tijd toegestaan had, ging hij ten

derden male naar den vijver, en was weder even gelukkig als vroeger. Hij

bragt de vier visschen onmiddelijk bij den sultan, die er zeer verheugd

over was, te meer daar hij niet verwacht had ze reeds zoo spoedig te

zullen ontvangen; hij gaf den visscher weder vier honderd geldstukken.

Zoodra de sultan de visschen in zijn bezit had, liet hij ze in zijn

vertrek brengen met al het noodige om ze te doen braden. Vervolgens

sloot hij zich met den groot-vizier in zijne kamer op, waarna deze

laatste de visschen toebereidde en in eene pan op het vuur zette. Toen

ze aan de eene zijde gaar waren, keerde hij ze om; dan, onmiddelijk

opende zich de muur, doch in plaats van de jonge dame, trad een

zwarte uit de opening te voorschijn. Hij was als slaaf gekleed, van

reusachtigen ligchaamsbouw, en had een' grooten groenen stok in zijne

hand. Hij ging naar de pan, en met zijnen stok een der visschen

aanrakende, sprak hij met eene bulderende stem: „Visch, visch, bewijst

gij wel den verschuldigden eerbied?”

Op deze vraag hieven de visschen hunne koppen op, en antwoordden: „Ja,

ja, wij bewijzen ze; als gij telt, tellen wij ook; als gij uwe schulden

betaalt, betalen wij de onzen; als gij vlugt, overwinnen wij en zijn wij

tevreden.”

Naauwelijks hadden zij deze woorden uitgesproken of de zwarte wierp

de pan omver, midden in het vertrek, en veranderde de visschen in

steenkolen. Daarna keerde hij trotsch in de opening terug, die zich

onmiddelijk achter hem weder sloot, zoodat er niets meer van te zien

was. „Wat ik thans gezien heb,” sprak de sultan tot den groot-vizier,

„veroorzaakt mij de grootste onrust. Aan deze visschen is zeker iets

geheimzinnigs en bijzonders verbonden, dat ik opgehelderd wil hebben.”

Hij deed dadelijk den visscher voor zich verschijnen, en zeide tot hem:

„Uwe visschen verontrusten mij zeer, waar hebt gij ze gevangen?” „Sire,”

was zijn antwoord, „ik heb ze uit eenen vijver, die aan gene zijde van

gindschen berg tusschen vier heuvelen gelegen is.” „Kent gij dien

vijver, groot-vizier?” vraagde de sultan. „Neen Sire,” hernam deze, „ik

heb hem nooit hooren noemen, niettegenstaande ik zestig jaren lang in

dien omtrek jaag.” De sultan aan den visscher naar den afstand van den

vijver tot aan het paleis vragende, vernam van dezen, dat het slechts

drie uren gaans waren. Daar er dus, vóór het vallen van den avond, nog

tijd genoeg was om den vijver te bezoeken, deed de sultan zijn gevolg te

paard stijgen, terwijl de visscher hen tot gids diende.

Zij beklommen den berg en bemerkten, bij het afdalen, tot hunne groote

verwondering, eene uitgebreide vlakte, die tot nog toe aan niemand

hunner bekend was geweest. Vervolgens bereikten zij den vijver, die

werkelijk tusschen vier heuvels gelegen was, gelijk de visscher dit

verhaald had. Het water was zoo helder en doorschijnend, dat zij er

duidelijk eene menigte visschen in bespeurden, gelijk aan die, welke de

visscher aan het paleis gebragt had.

De sultan hield stil aan den kant des vijvers; en na eenigen tijd de

visschen bewonderd te hebben, vraagde hij aan zijne hovelingen, hoe het

mogelijk was, dat zij dezen vijver, die toch zoo digt bij de stad was,

nooit gezien hadden? Zij antwoordden, dat zij er nooit iets van gehoord

hadden. „Omdat gij allen met dit antwoord instemt, en ik, niet minder

dan gij, over deze zaak verwonderd ben,” sprak de sultan, „zoo heb ik

besloten, niet naar mijn paleis terug te keeren, vóór dat ik weet, hoe

het komt, dat deze vijver zich nu hier bevindt, en dat er slechts

visschen van vier verschillende kleuren in zijn.” Vervolgens gaf hij

bevel, onmiddelijk een kamp bij den vijver op te slaan.

Na het ondergaan der zon, riep de sultan den groot-vizier afzonderlijk

bij zich in zijne tent, en zeide tot hem: „Deze vijver alhier, de

zwarte, die ons in mijn paleis is verschenen, en de visschen, die wij

hebben hooren spreken, wekken mijne nieuwsgierigheid zoo zeer op, dat

ik mijne begeerte om ze te bevredigen niet langer kan weêrstaan. Tot

het bereiken van dit doel, heb ik een middel uitgedacht, waarbij ik mij

evenwel alleen buiten het kamp moet begeven. Ik beveel u dus, om mijne

afwezigheid geheim te houden. Blijf in mijne tent en wanneer morgen

ochtend mijne emirs en hovelingen zich hier vertokken, zeg hun dan, dat

ik, ten gevolge van eene ligte ongesteldheid, verlang alleen te zijn.

Dit herhaalt gij iederen morgen tot aan mijne terugkomst.”

De groot-vizier deed zijn best, om den sultan van dit voornemen af

te brengen. Hij stelde hem het gevaar voor oogen, waaraan hij zich

blootstelde, maar te vergeefs was al zijne welsprekendheid; de sultan

volhardde in zijn voornemen, en maakte zich tot de uitvoering er van

gereed. Hij koos zich een ligte kleeding uit, ten einde meer gemak in

het loopen te hebben, hij voorzag zich van eene sabel, en toen alles in

zijn kamp in diepen slaap gedompeld was, vertrok hij onvergezeld.

Hij ging zonder groote moeite over een' der heuvels, en liep vervolgens

door tot aan zonsopgang. Toen ontdekte hij in de verte een groot gebouw,

waarover hij zeer verheugd was, dewijl hij aldaar de oplossing van het

raadsel hoopte te vinden. Toen hij er digt bij was, bemerkte hij, dat

het een schoon paleis, of liever een zeer sterk kasteel was, gebouwd van

schoon gepolijst zwart marmer, gedekt met geslepen staal en glad gelijk

een spiegel. Verblijd dat hij niet lang had behoeven te zoeken, alvorens

iets te vinden dat zijn onderzoek waardig was, hield hij stil bij den

voorgevel van het kasteel, en beschouwde dezen met groote aandacht.

Vervolgens ging hij naar de poort met eene dubbele deur, waarvan de eene

helft geopend was. Ofschoon de ingang geheel vrij was, zoo meende hij

toch eerst te moeten aankloppen. Hij liet den klopper vrij zacht vallen,

maar niemand ziende komen, dacht hij, dat men het niet gehoord had, en

klopte voor de tweede maal harder; niemand verscheen. Hij herhaalde zijn

kloppen nogmaals, doch zonder gevolg. Dit verwonderde hem uitermate,

daar hij niet kon denken, dat een zoo goed onderhouden gebouw onbewoond

zoude zijn. „Intusschen,” zeide hij bij zich zelven, „indien er niemand

is, heb ik niets te vreezen, en is er iemand, welnu, dan heb ik wapens

om mij te verdedigen.”

De sultan trad dus het voorportaal binnen, uitroepende: „Is hier

niemand, om een' vreemdeling te ontvangen, die behoefte heeft aan

verfrissching en lafenis?” Hij herhaalde deze vraag twee of drie malen,

maar niettegenstaande hij zeer luide riep, ontving hij toch geen

antwoord. Dit stilzwijgen vermeerderde zijne verbazing. Hij betrad

vervolgens eene ruime binnenplaats, en zag naar alle zijden rond of hij

niet iemand ontdekken kon. Dan, geen levend wezen deed zich aan zijne

oogen op, hij ging dus verder en kwam in groote zalen, waarin zijden

vloerkleeden lagen, waar de sofa's en zitbanken met in Mekka vervaardigd

tapisseriewerk bekleed, en waar de gordijnen van kostbare Indische

stoffen, met goud en zilver doorweven waren.

Hij trad vervolgens een wonderlijk vertrek binnen, in het midden waarvan

zich eene groote waterkom bevond; op iederen hoek versierd met een'

gouden leeuw. Het water vloeide uit den muil van ieder der vier leeuwen,

en deze waterdroppels die waren als diamanten en paarlen, vormden een

schoon geheel met de fontein, welke zich in het midden van het bekken

bevond, en die haar water tot bijna tegen de op Arabische wijze

beschilderde zoldering opwierp.

Het kasteel was aan drie zijden omgeven door schoone tuinen, voorzien

van watervallen, bloem- en heesterperken, kleine boschjes en duizend

andere verfraaijingen. Bovendien werd het aangename dezer bekoorlijke

plek nog verhoogd door eene menigte vogels, die de lucht met hun

welluidend gezang vervulden, en die hier gevangen werden gehouden door

een net, dat over het paleis en de toppen der boomen was uitgespreid.

De sultan wandelde langen tijd door vertrekken en zalen, waarvan de eene

hem al kostbaarder toescheen dan de andere. Toen hij moede was, zette

hij zich neder in eene opene kamer, dat het uitzigt in den tuin had, en

daar, verrukt over al het prachtige dat hij gezien had en nog rondom

zich zag, begon hij over zijne verschillende ontmoetingen na te denken,

toen eensklaps klaag- en jammertoonen tot zijne ooren doordrongen. Hij

luisterde aandachtig toe, en onderscheidde duidelijk deze droevige

woorden: „O, Fortuin, gij, die mij slechts korten tijd geluk hebt

geschonken, en mij toen tot den rampzaligsten aller menschen hebt

gemaakt, o, staak uwe vervolging, en maak, door een spoedigen dood, een

einde aan mijne ellende! Helaas! hoe is het mogelijk, dat ik, na zooveel

lijden, nog leef?”

De sultan, door deze weeklagten bewogen, stond op, om zich naar die

zijde van het vertrek te begeven, van waar zij kwamen. Toen hij de deur

van eene groote zaal bereikt had, ligtte hij de gordijn op, en zag een

schoon welgemaakt jongeling, zeer rijk gekleed, en gezeten op eenen, een

weinig boven den grond verheven troon. De droefheid sprak uit al zijne

gelaatstrekken. De sultan ging tot hem en groette. De jongeling, zonder

van zijnen zetel op te staan, boog zich zeer diep voor den sultan, en

zeide tot hem: „Heer, ik acht het mijn pligt, dat ik voor u opsta en u

de vereischte beleefdheid bewijze, maar duid het mij niet ten kwade,

eene bijzondere reden verhindert mij daarin.”

„Heer,” antwoordde de sultan, „ik zeg u mijnen dank voor uwe

hoogachting, en welke uwe verontschuldiging omtrent uwe zittende

houding ook moge zijn, ik zal dit niet euvel opnemen. Ik betuig u mijne

deelneming in uw lijden, en bied u mijne hulp aan. Gave God, dat het van

mij afhing, om u verligting van smart te geven; ik zou er mijn uiterste

best toe doen. Ik vlei mij met de hoop, dat gij mij uwe geschiedenis wel

zult willen verhalen; maar wees zoo goed en zeg mij vooraf, welke vijver

het is, die zich hier in de nabijheid bevindt, waarin men visschen van

vier verschillende kleuren ziet; wat dit kasteel is; waarom gij er u in

bevindt, en hoe het komt dat gij alleen zijt?” In plaats van op deze

vragen te antwoorden, begon de jongeling bitter te weenen. „Wat is de

Fortuin toch veranderlijk!” riep hij uit, „zij schept er behagen in om

diegenen weder te verlagen, welke zij eerst verhoogd heeft. Waar leeft

de mensch, die een' voortdurenden voorspoed geniet, en wiens levensdagen

altijd helder en gelukkig zijn?”

De sultan, getroffen over zijnen treurigen toestand, vraagde hem

dringend naar de oorzaak dier groote droefenis. „Helaas! Heer,” hernam

de jongeling „weet gij dan een middel om mijne smarten te lenigen, en

mijne tranen op te droogen?” Te gelijker tijd ligtte hij zijn opperkleed

op, en deed aan den sultan zien, dat hij slechts mensch was tot aan de

middel, en dat de andere helft van zijn ligchaam uit zwart marmer

bestond.

De sultan was ten hoogste verwonderd over den jammervollen toestand

van den jongeling. „Wat gij mij daareven deed zien,” riep hij,

„verhoogt mijne nieuwsgierigheid nog meer; ik brand van ongeduld om uwe

geschiedenis te vernemen, die ongetwijfeld hoogst wonderlijk moet zijn,

en ik ben overtuigd, dat zij in verband staat met den vijver en zijne

bewoners. Verhaal ze mij dus; gij zult er waarschijnlijk verligting door

vinden, daar het voor ongelukkigen toch altijd troostvol is, wanneer zij

iemand hunne rampen kunnen mededeelen.” „Ik wil het u niet weigeren,”

hernam de ongelukkige, „ofschoon ik daardoor mijne smarten slechts

vernieuw: maar bereid er u op voor om gebeurtenissen te vernemen, zoo

wonderbaar als uwe verbeelding ze zich slechts kan voorstellen.”

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel · 第 21 / 29 题