GESCHIEDENIS VAN DEN GESTRAFTEN VIZIER.

Er leefde eertijds een koning, die een' zoon had, welke een

hartstogtelijk liefhebber van de jagt was. De koning, zijn vader,

vergunde hem gaarne dit vorstelijk vermaak, doch hij gaf aan zijn'

grootvizier last, hem steeds te vergezellen en nimmer uit het oog te

verliezen. Op zekeren dag, dat de jagers een groot en schoon hert hadden

opgedreven, zette de prins, niet anders denkende of de vizier zou hem op

den voet volgen, het hert na. Zich door zijne drift latende vervoeren,

bevond hij zich weldra op grooten afstand van het jagtgezelschap en

geheel alleen te midden van eene hem onbekende wildernis. Hij wilde nu

op zijnen weg terug keeren, om zich weder bij den vizier te voegen, die

verzuimd had hem te volgen, maar bemerkte weldra dat hij verdwaald was.

Terwijl hij nu, in het onzekere waarheen hij zijne rigting zou nemen,

dan dit, dan weder een ander pad opreed, ontmoette hij, op eene plaats

waar de weg een' driesprong vormde, eene dame, schoon van aangezigt,

doch bitter schreijende. De jonge prins hield de teugels van zijn paard

in, en vroeg aan de dame wie zij was, wat zij alleen in dit eenzame oord

zocht, en of hij haar ook welligt van dienst kon zijn? „Zie in mij,”

antwoordde zij, „de dochter van eenen Indischen koning. Terwijl ik in

het open veld een' rid te paard maakte, overviel mij de slaap, en viel

ik uit den zadel. Mijn paard is doorgegaan, en ik weet niet wat daarvan

geworden is.” De prins had medelijden met de prinses, en deed het

voorstel haar achter zich te nemen, hetgeen zij met vreugde aannam. Toen

zij nu voorbij een' ouden bouwval kwamen, verzocht zij een oogenblik te

mogen afstijgen. De prins sprong van zijn paard en bood haar de hand.

Maar hoe groot was zijne verbazing toen hij de dame, die zich in den

bouwval begeven had, nu overluid hoorde zeggen: „Verblijd u, kinderen,

ik breng u ditmaal een' schoonen jongeling mede, die welgevoed en vet

is;” waarop andere stemmen antwoordden: „Mama, waar is hij? opdat wij

hem dadelijk kunnen opeten, want wij hebben grooten eetlust.”

De prins had niet noodig meer te hooren, om het gevaar te beseffen,

waarin hij zich bevond. Hij bemerkte thans dat de dame, welke zich voor

de dochter van een' Indischen koning had uitgegeven, de vrouw was van

een' wildeman, welke vrouwen in de eenzaamste en meest woeste oorden

haar verblijf houden; en zich van duizenderlei listen bedienen om de

eenzame of verdwaalde reizigers ten harent te lokken, en ze als een

lekker brokje verslinden. Hevig verschrikt, wierp de prins zich in den

zadel. Op dit oogenblik verscheen de gewaande prinses, en ziende dat

haren aanslag dreigde te mislukken, riep zij den prins toe: „Vrees niet,

waar wilt gij heen gaan?” „Ik ben verdwaald,” antwoordde hij, „en ik

zoek den regten weg.” „Indien gij verdwaald zijt,” zeide zij, „beveel

u dan Gode aan, die u uit de verlegenheid, waarin gij u bevindt, kan

redden.” De jeugdige prins, die zeer goed begreep, dat de gewaande

prinses niet opregt met hem sprak, en steeds vreesde in hare handen te

zullen vallen, hief de oogen ten hemel, en riep uit: „Almagtig God en

Heer, zie in genade op mij neder, en verlos mij van deze vijandin.” Na

dit gebed trad de vrouw van den wildenman den bouwval weder binnen,

terwijl de prins zich in groote haast verwijderde. Gelukkig vond hij

den regten weg weder, en kwam gezond en wel bij den koning zijn' vader

terug, wien hij in alle bijzonderheden het gevaar, dat hij door de

schuld van den groot-vizier geloopen had, mededeelde. De koning,

hierdoor tegen dezen minister in hevigen toom ontstoken, liet hem

oogenblikkelijk dooden.

VERVOLG DER GESCHIEDENIS VAN DEN GRIEKSCHEN KONING EN DEN GENEESHEER

DOUBAN.

„Sire,” vervolgde de vizier van den Griekschen Koning, „om op den

geneesheer Douban terug te komen, indien gij niet voorzigtig zijt, zal u

het vertrouwen, dat gij in hem stelt, hoogst noodlottig worden. Ik weet

uit eene goede bron, dat hij een spion is, door uwe vijanden omgekocht,

om uwe Majesteit van het leven te berooven. Hij heeft u genezen, zegt

gij, niet waar! maar wie verzekert u zulks! Waarschijnlijk heeft hij u

slechts in schijn, en niet geheel afdoende hersteld. Wie weet of zijn

geneesmiddel met der tijd niet eene hoogst schadelijke uitwerking zal

hebben.”

De koning van Griekenland, die noch een vlug begrip, noch een groot

verstand bezat, had te weinig doorzigt om de slechte bedoelingen van

zijnen vizier te doorgronden, en te weinig vastheid van karakter, om in

zijn eerst genomen besluit te blijven volharden. De woorden van den

vizier schokten hem. „Vizier,” zeide hij, „gij hebt gelijk; misschien is

hij alleen gekomen om mij om het leven te brengen, zelfs de reuk van een

zijner geneesmiddelen zou mij den dood kunnen veroorzaken. Wij moeten

zien hoe wij in dezen het verstandigst handelen.”

Toen de vizier zag, dat de koning geheel in de meening verkeerde zoo

als hij die wenschte, zeide hij tot hem: „Sire, het zekerste en beste

middel, om uwe rust te verzekeren en uw leven in veiligheid te stellen,

is de geneesheer Douban onmiddelijk te laten halen, en hem dadelijk bij

zijne komst te doen onthoofden.” „Inderdaad,” hernam de koning, „ik

geloof, dat ik daardoor zijn vreeselijk voornemen moet verijdelen.”

Dit gezegd hebbende, riep hij een zijner officieren en beval hem den

geneesheer te gaan halen. Deze, niet wetende wat de koning hem te zeggen

had, begaf zich in haast naar het koninklijk paleis. „Weet gij wel,”

vroeg de koning, hem ziende, „waarom ik u hier heb laten roepen?” „Neen,

Sire,” antwoordde Douban, „en ik bid uwe Majesteit zich te verwaardigen

mij daarvan te onderrigten.” „Ik heb u laten komen,” hernam de koning,

„om mij van u te bevrijden door u het leven te benemen.”

Het is niet mogelijk de verbazing van den geneesheer uit te drukken,

toen hij aldus zijn doodvonnis hoorde uitspreken. „Sire,” zeide hij,

„welke reden kan uwe Majesteit hebben, om mij te doen sterven? Welke

misdaad heb ik bedreven?” „Ik heb uit eene goede bron vernomen,”

hernam de koning, „dat gij een spion zijt; en dat gij slechts aan mijn

hof verschenen zijt, om mij naar het leven te staan; maar om u te

voorkomen, wil ik u het uwe benemen. Sla toe,” voegde hij den beul, die

tegenwoordig was, toe, „en verlos mij van een' verrader, die zich hier

alleen heeft ingedrongen om mij te vermoorden.”

Op dit wreede bevel begreep de geneesheer zeer goed, dat de

eerbewijzingen en de weldaden, welke hij ontvangen had, hem vijanden

hadden verwekt, en dat zij den zwakken koning door hunne lasteringen tot

zijnen dood hadden doen besluiten. Het berouwde hem, den vorst van zijne

melaatschheid te hebben genezen; maar dit berouw kwam te laat. „Is het

op dusdanige wijze,” zeide hij tot hem, „dat gij de u bewezen weldaad

beloont?” Maar de koning luisterde niet naar hem, en beval ten tweeden

male aan den beul om den doodelijken slag toe te brengen. De geneesheer

zocht hulp in bidden en smeeken. „Helaas! Sire,” riep hij uit, „spaar

mijn leven, en God zal het uwe verlengen, doe mij niet sterven, uit

vrees dat God ook niet op dezelfde wijze jegens u handele.””

* * * * *

De visscher hield hier in zijn verhaal op, en rigtte het woord tot den

geest. „Welnu! geest,” zeide hij tot hem, „gij ziet, dat hetgeen toen

tusschen den Griekschen koning en den geneesheer Douban voorviel geheel

overeenkomt met wat zoo even tusschen ons is voorgevallen.

* * * * *

De Grieksche koning, in plaats van op de ootmoedige smeekingen van

den geneesheer acht te slaan, hernam met hardheid: „Neen, neen, het is

volstrekt noodzakelijk dat ik u doe sterven. Gij zoudt mij nog op eene

behendiger wijze het leven kunnen benemen, dan waarop gij mij genezen

hebt.” De geneesheer berstte in tranen los, en beklaagde zich bitter,

dat de dienst, die hij den koning bewezen had, zoo slecht werd beloond.

Hij bereidde er zich inmiddels op voor, om zijn vreesselijk lot te

ondergaan. De beul deed hem den blinddoek voor de oogen, bond hem de

handen, en sloeg de hand aan de sabel, om die uit de scheede te trekken.

De hovelingen, die hierbij tegenwoordig waren, met het lot van den

ongelukkigen Douban begaan, baden den koning hem genade te verleenen;

verzekerende dat hij onschuldig was, waarvoor zij borg wilden blijven.

Maar de vorst was onverbiddelijk, en sprak hen op eene wijze toe, dat

zij geen woord meer durfden uitbrengen.

De geneesheer, geknield, geblinddoekt, en ieder oogenblik den slag

afwachtende die zijn leven zou doen eindigen, wendde zich nog éénmaal

tot den koning, zeggende: „Sire, daar uwe Majesteit mijn doodvonnis

toch niet wil herroepen, bid ik haar mij ten minste de genade te

verleenen, dat ik mij nog eerst naar mijne woning begeve, om de noodige

beschikkingen voor mijne begrafenis te maken, mijn huisgezin een laatst

vaarwel te zeggen, aalmoezen uit te deelen, en mijne boeken aan personen

te maken, welke genoeg kunde bezitten, om er een goed gebruik van te

maken. Ik bezit onder anderen een boek, dat ik uwe Majesteit wensch

te schenken, omdat het een hoogst kostbaar werk is, wel waardig om

zorgvuldig in uwe schatkamer geborgen te worden.” „En waarom is dat boek

zoo kostbaar als gij zegt?” hernam de koning. „Sire,” antwoordde de

geneesheer, „dit werk bevat een groot aantal hoogst merkwaardige zaken,

waarvan de voornaamste is, dat, wanneer men mij het hoofd zal hebben

afgeslagen, en uwe Majesteit zich dan de moeite wil geven, het boek tot

aan het zesde blad te openen en te lezen hetgeen op den derden regel

van dat blad aan de linkerhand staat, mijn hoofd al de vragen zal

beantwoorden, welke uwe Majesteit tot hetzelve zal willen rigten.” De

koning, zeer nieuwsgierig om eene zoo wonderlijke zaak te zien, stelde

de teregtstelling tot den volgenden dag uit, en zond Douban onder eene

zorgvuldige bewaking naar huis.

De geneesheer stelde inmiddels orde op zijne zaken, en daar het gerucht

zich verspreid had, dat er een ongehoord wonder na zijnen dood zoude

plaats hebben, begaven zich de vizier, de emirs, de officieren der

lijfwacht, in een woord het geheele hof, den volgenden dag naar de

audientiezaal om er getuige van te zijn.

De geneesheer Douban verscheen weldra, hij naderde tot aan den voet van

den koninklijken troon met een dik boek in de hand. Vervolgens liet hij

zich een bekken brengen, waarop hij den doek uitspreide, die om het boek

was gewonden, en het den koning aanbiedende, zeide hij: „Sire, neem dit

boek en beveel dat mijn hoofd, zoodra het gevallen zal zijn, in het

bekken op den doek, waarmede het boek omwonden is, worde nedergezet.

Zoodra het daarop geplaatst zal zijn, zal het ophouden met bloeden; open

alsdan het boek, en mijn hoofd zal uwe vragen beantwoorden. Maar Sire,”

voegde hij er bij, „veroorloof mij, uwe Majesteit nog eenmaal om de

genade te smeeken. Laat u in Gods naam verbidden; ik betuig u plegtig

dat ik onschuldig ben.” „Uwe gebeden,” hernam de koning, „kunnen mij

niet van besluit doen veranderen. Al ware het ook maar om uw hoofd na

uwen dood te hooren spreken, wil ik dat gij sterft.” Dit zeggende nam

hij het boek uit de handen van den geneesheer, en beval den beul zijn

pligt te doen.

Het hoofd werd zoo behendig van den romp gescheiden, dat het in het

bekken viel; en naauwelijks was het op den doek geplaatst of het

hield op met bloeden. Tot groote verbazing van den koning en van alle

toeschouwers, opende het toen de oogen, en sprak: „Sire, uwe Majesteit

gelieve het boek te openen.” De koning opende het, doch daar het eerste

blad als aan het tweede vastgeplakt zat, bragt hij, om het gemakkelijker

om te slaan, den vinger aan den mond om dien nat te maken. Dit deed hij

tot aan het zesde blad, en daarop niets geschreven vindende, zeide hij

tot het hoofd: „Doctor, er staat hier niets geschreven.” „Sla nog eenige

bladen om,” hernam het hoofd. De koning ging daarop voort met het

omslaan der bladen, steeds den vinger aan den mond brengende tot dat

het vergift, waarmede ieder blad was doortrokken, zijne werking begon

te doen. De vorst gevoelde eensklaps eene vreemde gewaarwording, zijne

oogen werden beneveld, en in hevige stuiptrekkingen zakte hij aan den

voet van zijn' troon in een.

Toen de geneesheer Douban, of liever zijn hoofd zag, dat het vergift

zijne uitwerking had gedaan, en dat den koning nog slechts weinige

oogenblikken levens overschoten, riep het uit: „Tyran, ziedaar op welke

wijze de vorsten gestraft worden, die van hunne magt misbruik maken, en

het bloed van onschuldigen vergieten. God straft vroeg of laat hunne

ongeregtigheid en hunne wreedheid.” Naauwelijks had het hoofd deze

woorden gesproken, of de koning viel dood ter neder, en ook het hoofd

verloor het weinige leven dat nog aan hetzelve was bijgebleven.””

* * * * *

„Sire,” vervolgde Scheherazade, „aldus was het einde van den Griekschen

koning en den geneesheer Douban, ik wil thans de geschiedenis van den

visscher en den geest gaan vervolgen.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel · 第 20 / 29 题