Een jaloersche man had eene zeer schoone vrouw, en beminde haar zoo
hartstogtelijk, dat hij haar bijna nimmer uit het oog verloor. Eens
dat hij voor dringende zaken op reis moest, begaf hij zich vooraf naar
een' vogelverkooper, die er alle soorten van vreemde vogels op nahield,
en kocht van dezen een' papegaai, die niet alleen zeer goed kon
praten, maar daarbij de zonderlinge gave bezat, alles wat in zijne
tegenwoordigheid voorviel te kunnen navertellen. Hij bragt hem in eene
fraaie kooi te huis, en verzocht zijne vrouw deze in hare kamer te
plaatsen, en gedurende zijne afwezigheid goede zorg voor den vogel te
dragen, waarna hij op reis ging.
Bij zijne terugkomst verzuimde hij niet den papegaai te ondervragen,
naar hetgeen gedurende zijne afwezigheid had plaats gehad, en de vogel
deelde hem zaken mede, waaruit hij reden meende te hebben, om zijne
vrouw harde verwijten te doen. Zij dacht, dat eene van hare slavinnen
haar verraden had, doch deze bezwoeren allen hare onschuld, zoodat zij
eindelijk op de gedachte kwam, of ook de papegaai de verrader kon zijn.
Met dit denkbeeld bezield, was de vrouw bedacht op een middel om de
kwade vermoedens van haren man weg te nemen, en zich tevens op den
papegaai te wreken. Zij had hiertoe spoedig gelegenheid, want toen haar
man kort daarna weder voor één' dag en nacht op reis was, gaf zij eene
harer slavinnen bevel gedurende dien nacht met een' handmolen onder de
kooi van den papegaai te draaijen, aan eene andere om met een' gieter
water op de kooi te storten, even als of het zwaar regende, terwijl eene
derde in last kreeg met eenen spiegel, waar tegen zij een kaarslicht
liet schijnen, voor de oogen van den papegaai heen en weer te zwaaijen.
De slavinnen waren met dit werk den ganschen nacht bezig, en kweten er
zich met behendigheid van.
Toen de man den volgenden morgen terug kwam, haastte hij zich den
papegaai te ondervragen, over hetgeen ditmaal ten zijnent was
voorgevallen. „Mijn goede meester,” antwoordde de vogel, „de bliksem,
de donder, de wind en de regen hebben mij dezen ganschen nacht zoo
geplaagd, dat ik u bijna niet kan zeggen, hoe ik er onder geleden heb.”
De man, die wel wist, dat het dien nacht noch gedonderd, noch geregend
had, was overtuigd dat de papegaai hem maar wat voorjokte, en leidde
daaruit af, dat hij hem ook den vorigen keer geene waarheid gezegd had.
Hij werd hierover zoo toornig, dat hij den vogel uit zijne kooi rukte en
dood ter aarde wierp. Later echter vernam hij van zijne buren, dat de
papegaai hem over het gedrag zijner vrouw, gedurende zijne afwezigheid,
goed had ingelicht, zoodat hij groot berouw kreeg het onschuldige dier
gedood te hebben.
VERVOLG VAN DE GESCHIEDENIS VAN DEN GRIEKSCHEN KONING EN DEN GENEESHEER
DOUBAN.
Toen de Grieksche koning,” vervolgde de visscher tot den geest, „de
geschiedenis van den man en den papegaai geëindigd had, maakte hij
daaruit deze toepassing: „En gij vizier, door een' onbillijken naijver
tegen den medicijnmeester Douban, die u nooit eenig leed heeft gedaan,
ingenomen, wilt dat ik hem zal doen ombrengen. Maar ik zal er mij wel
voor in acht nemen, uit vreeze dat ik er spoedig berouw van mogt hebben,
even als de man die den papegaai doodde.” Het was voor den boosaardigen
vizier van te veel belang, Douban ten val te brengen om het hierbij te
laten berusten. „Sire,” bragt hij in, „de dood van den papegaai had
weinig te beduiden, en ik kan mij niet voorstellen, dat zijn meester er
lang over zal hebben getreurd. Maar waarom zou de vrees om misschien
een' onschuldige te treffen, u weêrhouden den geneesheer te laten
dooden. Is de beschuldiging u naar het leven te staan, die tegen hem
wordt ingebragt, niet reeds voldoende om u het regt te geven, hem het
zijne te doen verliezen? Wanneer het de veiligheid van een' groot koning
geldt, moet reeds de minste verdenking tot handelen leiden. Het is
veiliger en beter een onschuldige op te offeren, dan welligt den
schuldige te sparen. Maar, Sire, het geldt hier geene onzekere zaak, de
arts Douban wil u vermoorden. Het is geene afgunst, welke mij tegen hem
bezielt, het is alleen het belang dat ik in het behoud van uwe Majesteit
stel, het is alleen mijne getrouwheid, die mij dringt, u, Sire, een'
raad te geven, die voor uwe veiligheid van het allerhoogste gewigt
is. Is die raad slecht, dan verdien ik op dezelfde wijze gestraft te
worden als zeker vizier vroeger gestraft werd.” „En wat had die vizier
misdreven,” vroeg de Grieksche koning, „dat hem strafwaardig maakte?”
„Ik zal het u mededeelen, Sire,” antwoordde de vizier, „heb de goedheid
mij aan te hooren.”