GESCHIEDENIS VAN DEN GRIEKSCHEN KONING EN DEN GENEESHEER DOUBAN.

In Zouman, eene landstreek in Perzië, regeerde een koning, wiens

onderdanen van Griekschen oorsprong waren. Deze koning was in eene hooge

mate melaatsch. Zijne geneesheeren, na al de hun bekende middelen tot

zijne genezing te hebben aangewend, zonder dat de vorst daarbij eenige

baat of verligting van smart vond, wisten niet meer wat hem voor te

schrijven, toen er een zeer kundige arts, Douban genaamd, in zijne

hofstad aankwam.

Deze arts had zijne groote kennis geput uit Grieksche, Perzische,

Turksche, Arabische, Latijnsche, Syrische en Hebreeuwsche geneeskundige

werken; bovendien was hij een groot wijsgeer, en zeer ervaren in de

botanie, zoodat hij de kracht van bijna alle kruiden kende. Zoodra

de ziekte des konings hem ter ooren kwam en hij daarbij vernam, dat

zijne geneesheeren hem als ongeneesbaar hadden opgegeven, deed hij

zijn beste kleed aan en vond weldra gelegenheid om aan den vorst te

worden voorgesteld. „Sire,” sprak hij, „het is mij bekend dat alle

geneesheeren, die uwe majesteit behandeld hebben, u niet van uwe

melaatschheid hebben kunnen genezen; maar indien het u behaagt mijne

behandeling aan te nemen, zoo verbind ik mij u zonder in- of uitwendige

middelen volkomen te herstellen.” De Koning hoorde dit voorstel met even

veel verbazing als blijdschap aan. „Indien gij,” zeide hij „zoo bekwaam

zijt als gij voorgeeft, en in staat uwe belofte te verwezentlijken, zoo

zweer ik, dat ik u en uwe nakomelingen rijk zal maken, en behalve de

geschenken, welke gij van mij te verwachten hebt, zult gij mijn eerste

gunsteling zijn. Gij verzekert mij dus,” vervolgde de koning, „dat gij

mij van mijne kwaal kunt genezen, zonder mij eenigen drank toe te

dienen, en zonder mij eenige pijnlijke bewerking te doen ondergaan?” „Ja

Sire,” antwoordde de arts, „ik vlei mij daarin met Gods hulp te zullen

slagen, en reeds morgen zal ik er de proef van nemen.”

De medicijnmeester Douban keerde daarop naar zijne woning terug, en

maakte eene kolf met een hol handvatsel, dat hij met kruiden en

droogerijen vulde. Vervolgens vervaardigde hij ook een dusdanigen bal,

en begaf zich den volgenden morgen met een en ander naar den koning.

Volgens de gebruikelijke pligtplegingen wierp hij zich aan zijne voeten

neder, kuste de aarde, en zeide tot den koning, dat hij zijne majesteit

voorschreef te paard te stijgen en zich naar de maliebaan te begeven

om den bal te slaan. De koning deed zoo als hem gezegd werd. Toen hij

op de bestemde plaats was gekomen, trad de arts eerbiedig nader en

bood den vorst de door hem toebereide maliekolf aan. „Neem deze kolf,

Sire,” zeide hij, „oefen er u in om met dezelve den bal met alle kracht

voort te slaan, en ga hiermeê tot zweetens toe voort. Wanneer het

geneesmiddel, dat ik in de greep van deze kolf gedaan heb, door uwe hand

warm wordt, zal het door uw geheele ligchaam heen trekken. Zoodra gij

goed warm zijt, kunt gij uwe oefening staken, het middel zal dan zijne

werking gedaan hebben. In uw paleis terug gekomen, begeer dan dadelijk

een bad en laat u goed wasschen en wrijven. Begeef u vervolgens ter

ruste, en als gij morgen uw bed verlaat, zult gij volkomen genezen

zijn.”

De koning nam de kolf en zette zijn paard aan om den bal, dien hij had

opgeworpen, te achtervolgen. Hij trof den bal, en deze werd hem door

zijne hovelingen, die met hem speelden, teruggeworpen; hij sloeg hem

weder terug, en hield met dit spel zoo lang vol, dat niet alleen zijne

hand, maar zijn geheele ligchaam zweette. Dit was voldoende om de

kruiden hunne werking te laten doen. De koning staakte toen het spel,

reed naar zijn paleis terug, ging in het bad, en volgde in alles de

voorschriften van zijnen nieuwen geneesheer strikt op. Hierbij bevond

hij zich zeer goed, want den volgenden morgen opstaande, bleek hem tot

zijne groote verwondering en vreugde, dat hij van zijne melaatschheid

geheel was genezen, en dat zijn ligchaam even gezond was, als vóór

zijne ziekte. Zoodra hij gekleed was, begaf hij zich naar zijne

audientie-zaal, zette zich op den troon en vertoonde zich aan zijne

verbaasde hovelingen, die, nieuwsgierig naar de uitwerking van het

middel, zich reeds vroegtijdig daar lieten vinden. Toen zij nu den

koning geheel genezen zagen, gaven zij allen daarover hunne groote

vreugde te kennen.

Nu trad de arts Douban de zaal binnen, en wierp zich voor den troon op

zijn aangezigt neder. De koning echter riep hem tot zich, deed hem naast

zich op den troon zitten, vertoonde hem aan de vergaderde menigte en

gaf hem in het openbaar al den lof, dien hij verdiende. De vorst liet

het hierbij niet blijven; daar hij dien dag zijn geheele hof onthaalde,

noodigde hij ook den arts, en plaatste zich met hem aan eene

afzonderlijke tafel.

De Grieksche koning vergenoegde zich niet den medicijnmeester Douban

aan zijne tafel te ontvangen, hij deed hem tegen den avond in

tegenwoordigheid van het geheele hof met een' kostbaren tabberd

omkleeden, en schonk hem twee duizend sequinen. Zoo ging hij elken

dag voort den bekwamen Douban met nieuwe weldaden te overladen.

Deze koning nu had een groot-vizier, gierig, afgunstig en van nature

tot allerlei boosheden in staat. Hij zag niet zonder nijd, dat een

vreemdeling, wiens schitterende talenten hem meer en meer in de schaduw

stelden, zulke rijke geschenken ontving en bij den vorst zoo hoog in

gunst stond. Daarom besloot hij Douban bij den koning gehaat te maken.

Met dit doel ging hij tot den vorst en zeide, dat hij hem een' raad van

het allerhoogste gewigt te geven had. „En die raad is?” vroeg de vorst.

„Sire,” sprak de vizier, „het is voor een' groot monarch zeer gevaarlijk

vertrouwen te stellen in iemand, wiens trouw niet beproefd is. Terwijl

uwe Majesteit den geneesheer Douban met uwe hooge gunst en weldaden

overlaadt, bedenkt gij niet, Sire, dat deze besteed worden aan een'

verrader, die zich slechts aan dit hof heeft ingedrongen om u te

dooden.” „Hoe weet gij, hetgeen gij mij daar durft zeggen?” vraagde de

koning. „Bedenk wel dat gij tegen mij spreekt, en met eene beschuldiging

voor den dag komt, waaraan ik niet ligt geloof zal slaan!” „Sire,”

antwoordde de vizier, „ik ben zeer goed onderrigt omtrent de zaak, die

ik de eer heb, uwe Majesteit voor te dragen. Berust daarom niet in een

zoo gevaarlijk vertrouwen. Is uwe Majesteit blind voor het gevaar dat

zij loopt, het is mijn pligt, haar de oogen te openen, en ik moet het

herhalen, de arts Douban is met geen ander oogmerk uit Griekenland aan

dit hof gekomen, dan om het snoode ontwerp, waarvan ik u gesproken heb,

ten uitvoer te brengen.” „Neen, neen, vizier,” viel de koning in, „ik

ben verzekerd, dat deze man, dien gij van trouweloosheid en verraad

aanklaagt, de deugdzaamste en beste der menschen is; niemand ter wereld

is mij liever dan hij. Gij zelf weet, door welk middel of beter door

welk wonder hij mij van mijne melaatschheid genezen heeft. Indien hij

mij naar 't leven stond, waartoe zou hij mij gered hebben? Hij had mij

slechts aan mij zelven over te laten in den toestand waarin ik mij bij

zijne komst bevond, en zijn doel zou reeds lang bereikt zijn. Blaas mij

dus niet langer onregtvaardige vermoedens in. In plaats van daaraan

gehoor te geven, zal ik van heden af aan dien grooten man, zijn leven

lang, eene maandelijksche uitkeering schenken van duizend sequinen.

Wanneer ik al mijne schatten met hem deelde, ja, hem de helft van mijn

rijk gaf, ik zou daarmede niet naar waarde kunnen vergelden, hetgeen hij

aan mij gedaan heeft. Ik zie wel wat er aan scheelt, gij zijt afgunstig

op zijne deugd; maar geloof niet dat gij er ooit in slagen zult mij

tegen dien man in te nemen; te wel herinner ik mij, hetgeen zeker vizier

tot den koning Sindbad zeide, om hem te weêrhouden dat hij den prins

zijn' zoon zou dooden.”

„Sire,” hernam de vizier, „ik smeek uwe Majesteit mij de stoutmoedigheid

te vergeven, wanneer ik u verzoek, mij wel te willen mededeelen, wat

de vizier van den koning Sindbad tegen dezen zijnen heer zeide, om hem

terug te houden den prins zijnen zoon ter dood te brengen?” De koning

had de inschikkelijkheid om aan dit verzoek te voldoen. „De vizier van

den koning Sindbad,” antwoordde hij, „na aan zijnen vorst te hebben

doen opmerken, dat hij moest vreezen alleen op beschuldiging van eene

schoonmoeder tot eene daad over te gaan, waarover hij welligt later

groot berouw zou gevoelen, vertelde hem deze geschiedenis.”

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel · 第 18 / 29 题