In vroegeren tijd leefde er een visscher, die hoog bejaard en daarbij
zoo arm was, dat hij groote moeite had aan zijne vrouw en drie kinderen,
waaruit zijn huisgezin bestond, het noodige onderhoud te verschaffen.
Hoewel hij eene gelofte gedaan had om, hetzij hij veel of weinig visch
ving, zijne netten nimmer meer dan viermaal daags uit te werpen, ging
hij toch elken morgen vóór zonsopgang op de vischvangst.
Op zekeren morgen, dat hij reeds bij maneschijn, dus voor het aanbreken
van den dag, van huis ging, begaf hij zich naar een' inham der zee,
waar hij zijne netten uitwierp. Toen hij ze weder ophaalde en naar het
strand trok, voelde hij een' sterken tegenstand, hetgeen hem hoop gaf op
eene goede vangst, waarover hij zich reeds vooruit verheugde. Doch die
vreugde ging weldra in droefheid en bittere teleurstelling over, want in
plaats van de verwachte visch vond hij, toen hij het net met inspanning
van al zijne krachten opgetrokken had, daarin niets dan het geraamte van
een ezel.
Nadat de visscher, zeer ter neêrgeslagen wegens deze slechte vangst,
zijne netten, die door het ezelsgeraamte zeer beschadigd waren, weder
hersteld had, wierp hij die voor de tweede maal uit. Weder ondervond hij
bij het ophalen eenen hevigen tegenstand, als of het net vol groote
visschen ware, maar wat hij dit maal optrok was eene met puin en slijk
gevulde mand. „O Fortuin!” riep thans de arme visscher op klagenden
toon, „wees niet op mij vergramd, en kwel geen ongelukkige, die u
smeekt hem te sparen! Ik ben van huis gegaan om hier iets te zoeken tot
onderhoud mijns levens, en wat gij mij vinden doet is voor mij de dood.
Ik heb geen ander middel van bestaan, en hoezeer ik moeite noch arbeid
ontzie, is het mij hoogst bezwaarlijk in de behoeften van mijn gezin
te voorzien.” „Maar” vervolgde hij, „waarom mij aan u te beklagen,
gij schept er vermaak in brave lieden te kwellen, en groote mannen in
vergetelheid te laten, terwijl gij de slechten begunstigt en diegenen
verheft, welke geene enkele deugd of goede hoedanigheid bezitten,
waardoor zij zulks waardig zijn.”
Bij het eindigen dezer woorden smeet hij de mand vertoornd weg, wiesch
zijne netten, reinigde ze van het slik, en wierp ze voor de derde maal
uit. Ook nu haalde hij niets op dan steenen, schelpen en wier; zijne
wanhoop was onbeschrijfelijk, hij was als zinneloos! Daar echter de dag
begon aan te breken verzuimde hij als goed muzelman niet zijn gebed te
doen, waaraan hij deze bede toevoegde: Heere! gij weet dat ik mijne
netten niet meer dan viermaal daags uitwerp. Reeds heb ik ze driemaal
uitgeworpen, zonder van mijnen arbeid eenige vrucht te genieten. Nog
slechts ééne vraag blijft mij over; ik bid u laat ditmaal de zee even
gunstig voor mij zijn, als gij ze voor Mozes gemaakt hebt.
Na dit gebed wierp de visscher zijne netten voor de vierde maal
uit. Toen hij nu dacht dat er visch in was, trok hij ze niet zonder
krachtsinspanning op. Hij vond er ook nu geen visch in, maar eene
koperen vaas, die, naar haar gewigt te oordeelen, met iets zwaars gevuld
moest zijn. Ook bemerkte hij, dat de vaas met eenen looden zegel, waarop
eenige vreemde letters gegraveerd stonden, gesloten was. Deze vangst
verblijdde hem. Ik zal, dacht hij, de vaas bij den koperslager brengen,
en voor het geld, dat ik er van maak, eene maat koren koopen, opdat ik
iets te eten hebbe voor mij en voor mijne huisgenoten.
Hij bekeek intusschen de vaas aan alle kanten, en schudde ze krachtig om
te vernemen of hetgeen zij inhield ook geluid of klank gaf. Hij vernam
niets, en deze omstandigheid, gevoegd bij die van het zegel, bragten
hem op het denkbeeld, dat deze vaas misschien eene zaak van waarde kon
inhouden. Hieromtrent zekerheid wenschende te hebben, nam hij zijn mes,
en ligtte met eenige moeite het zegel op. Hij keerde de nu geopende vaas
dadelijk het onderste boven, maar er viel niets uit, hetgeen hem ten
hoogste verwonderde. Dezelve met aandacht beschouwende, bemerkte hij
intusschen een' digten damp, die er uit opsteeg, en die hem vepligtte
twee of drie passen achterwaarts te doen, om niet te stikken. Deze damp
verhief zich tot de wolken, en breidde zich als een dikke mist over de
zee en het strand uit, een schouwspel dat, gelijk men ligt kan denken,
den visscher grootelijks verbaasde. Toen al de damp uit de vaas was
opgestegen, vereenigde hij zich tot een vast ligchaam, waaruit zich
een geest vormde langer dan de grootste reus, die ooit bestaan heeft.
Op het gezigt van dit bovennatuurlijke monster, wilde de visscher de
vlugt nemen, maar hij was zoo ontzet en door schrik getroffen, dat zijne
voeten hem hunne dienst weigerden en hij als aan den grond vastgenageld
staan bleef. „Salomo,” riep nu de uit zijne enge gevangenis ontslagen
geest, met eene stem gelijk aan het rollen van den donder, „Salomo,
groote profeet van God, vergiffenis, vergiffenis! Nimmer meer zal ik mij
tegen uwen wil verzetten. Ik zal gehoorzaam zijn aan al uwe bevelen.”
Toen de visscher deze woorden van den geest hoorde, schiep hij moed
en zeide: „Arme geest wat gij daar zegt is voor mij een raadsel.
Het is reeds meer dan achttienhonderd jaar geleden, dat Salomo, de
profeet van God, gestorven is, wat kunt gij dan met hem te doen gehad
hebben? Verhaal mij uwe geschiedenis en waarom gij in deze vaas waart
opgesloten?” Op deze toespraak, zag de geest den visscher met verachting
aan, en graauwde hem toe: „Spreek met meer beleefdheid, wat vermeet gij
u wel, mij dus gemeenzaam met den naam van „arme” aan te spreken?”
„Welnu!” hernam de visscher, „vindt gij beter dat ik u een geluksvogel
noem?”
„Ik zeg,” herhaalde de geest, „dat gij mij beleefder en met meer ontzag
hebt toe te spreken, voor dat ik u doe sterven.” „Wel nu nog fraaijer!”
riep de visscher, „om wat reden zoudt gij mij dooden? Ik heb u zoo even
uit uwe gevangenis verlost, waar gij al vrij benaauwd en dus niet op uw
gemak zult hebben gezeten: zijt gij dat misschien reeds vergeten, dan
hebt gij een heel kort geheugen.”—„Neen, dat weet ik zeer goed,” sprak
de geest, „maar het zal mij niet weêrhouden u te doen sterven; ik heb u
daarbij slechts ééne gunst toe te staan.” „En wat zal dat zijn?” vroeg
de visscher. „Dat ik het aan uwe keus laat,” antwoordde de geest, „op
welke wijze gij wilt dat ik u doode.” „Die keus,” hernam de visscher,
„bevalt mij niet, en moge een ander doen. Maar waarmede heb ik u
beleedigd? Wilt gij de weldaad, die ik u bewezen heb, vergelden door
mij het leven te benemen?” „Ik mag niet anders handelen,” hernam de
geest, „en opdat gij daarvan overtuigd moogt worden, zoo hoor mijne
geschiedenis.
Ik ben een dier weêrspannige geesten, die zich tegen den wil van God
verzet hebben. Alle andere geesten erkennen den grooten Salomo voor
Gods profeet, en onderwerpen zich aan hem: Wij, Sacar en ik, waren de
eenigsten, die zich hiertoe niet wilden vernederen. Om zich over onze
weêrspannigheid te wreken, belastte deze magtige koning zijnen eersten
minister Assaf, zoon van Barakhia, mij gevangen te doen nemen. Deze last
werd volvoerd. Assaf verzekerde zich van mijn persoon, en bragt mij
tegen mijnen wil voor den troon van den koning zijn' meester. Salomo,
de zoon van David, gelastte mij, om mijne verkeerde levenswijze te
veranderen, zijne oppermagt te erkennen, en mij aan zijne bevelen te
onderwerpen. Ik sloeg dit met trotschheid af en wilde liever zijnen
toorn ondervinden, dan den eed van getrouwheid en onderwerping, dien hij
van mij vorderde, afleggen. Om mij daarvoor te straffen sloot hij mij in
deze koperen vaas, en om zich te beter van mij te verzekeren, zoo dat ik
uit mijne gevangenis niet zou kunnen losbreken, drukte hij eigenhandig
op het looden deksel van de vaas zijn zegel, waarop de naam van den
almagtigen God gegraveerd was. Vervolgens stelde hij de vaas in handen
van een der hem onderdanige geesten, met last deze in zee te werpen,
welk bevel tot mijne groote spijt maar al te getrouw volbragt werd.
Gedurende de eerste eeuw van mijne gevangenschap deed ik een' plegtigen
eed, dat ik dengene, die mij binnen verloop van die honderd jaren uit
mijne gevangenis mogt bevrijden, schatrijk zou maken. Maar die eeuw
verliep, zonder dat iemand mij deze dienst bewees. In de tweede eeuw
zwoer ik aan mijnen bevrijder al de onderaardsche schatten te zullen
schenken, maar ik was niet gelukkiger. In het derde honderdtal jaren
beloofde ik mijn' verlosser tot eenen magtigen monarch te zullen
verheffen, hem ten alle tijde als zijn beschermgeest ter zijde te
blijven, en hem elken dag drie wenschen toe te staan, van welken aard
die ook mogten zijn; maar deze eeuw ging om gelijk de beide voorgaanden,
zonder dat er eenige verandering in mijn treurig lot kwam. Eindelijk,
verbitterd dat zich niemand over mij ontfermde en verwoed wegens mijne
langdurige gevangenschap, zwoer ik dat, mogt in het vervolg iemand mij
bevrijden, ik hem zonder mededoogen om het leven zou brengen en geen
andere gunst toestaan, dan dat hij zou kunnen kiezen welken dood te
sterven. Daarom, gij, die mij heden bevrijd hebt, kies welken dood gij
van mijne hand wenscht te ontvangen. Maar haast u!”
Dit stond echter den visscher volstrekt niet aan. „Ik ben wel
ongelukkig,” riep hij op klagenden toon, „dat ik juist hier mijne netten
moest uitwerpen, om eene zoo groote dienst aan een' ondankbare te
bewijzen! Ik bid u, wees regtvaardig en herroep uwen onredelijken eed.
Wees mij genadig! God zal ook u genadig zijn, indien gij mij grootmoedig
het leven schenkt, doch de moord op een' onschuldige gepleegd is een
gruwel in zijne oogen.” „Neen, uw dood is onvermijdelijk,” sprak de
geest, „kies alleen op welke wijze gij sterven wilt.”
De visscher, ziende dat de geest besloten had hem te dooden, werd zeer
bedroefd, niet zoo zeer uit gehechtheid aan het leven, dan wel om zijne
drie kinderen, die door zijnen dood in de diepste armoede en ellenden
zouden worden gestort. Dit bewoog hem nogmaals te beproeven of hij den
geest niet zou kunnen vermurwen. „Ach,” smeekte hij, „heb mededoogen,
is het niet met mij, dan met mijne arme kinderen die, indien gij mij
het leven beneemt, van honger en gebrek zullen moeten omkomen. Wees
niet ondankbaar voor de dienst, die ik u bewezen heb.”—„Ik heb u reeds
gezegd,” hernam de geest, „dat het juist die dienst is, welke mij in
de verpligting brengt u te dooden.” „Het is toch vreemd,” hernam de
visscher, „dat gij er zoo op staat het goede, dat u bewezen is, met
kwaad te vergelden. Het spreekwoord zegt, dat wie aan een' onwaardige
eene weldaad bewijst, slechts ondank heeft te wachten. Ik heb altoos
gemeend dat die spreuk onwaar was, als strijdig met de wet der liefde
en verderfelijk voor de maatschappij, doch thans ondervind ik, helaas!
op eene vreeselijke wijze, dat zij maar al te waar is. En ....” „Geef
u geene vergeefsche moeite,” viel de geest ongeduldig in, „alle die
redeneringen kunnen u niet baten of mij van mijn voornemen afbrengen.
Haast u! op welke wijze wilt gij sterven!”
De nood maakt dikwijls vindingrijk en deed ook nu den anders eenvoudigen
visscher op eene list bedacht zijn. „Daar ik zie,” zeide hij tot den
geest, „dat ik den dood niet kan ontgaan, zoo zal ik mij aan den
goddelijken wil, zonder wiens toelating gij niets tegen mij zoudt
vermogen, onderwerpen. Doch alvorens eenen dood te kiezen, zoo bezweer
ik u bij den levenden God, wiens naam op het zegel van den profeet
Salomo, de zone Davids, gegrift is, mij de waarheid te zeggen omtrent
eene vraag, die ik u heb voor te stellen.”
Toen de geest zag, dat hem eene bezwering werd gedaan, dat hem tot een
bepaald antwoord noodzaakte, ging hem eene rilling door de leden, en
zich tot den visscher wendende, zeide hij: „Vraag wat gij wilt, doch
haast u!” „Ik wensch te weten,” hernam de visscher, „of gij werkelijk in
deze vaas waart opgesloten; durft gij dit bezweren bij den grooten naam
die op het zegel is gegrift!” „Ja,” antwoorde de geest, „ik zweer u bij
dien grooten naam, dat ik er in was en dat dit de waarachtige waarheid
is.” „Kom, geen praatjes,” hernam de visscher, „ik kan u niet gelooven.
Deze vaas is niet ruim genoeg om slechts een' van uwe voeten te kunnen
bevatten, hoe is het dan mogelijk, dat uw geheele ligchaam daarin
besloten is geweest!” „Ik zweer u nogthans,” sprak de geest, „dat ik
er in was, zoo als gij mij hier voor u ziet. Gelooft gij mij niet,
na den zwaren eed, dien ik gedaan heb!” „Neen inderdaad niet,” zeide de
visscher, „en ik zal u niet gelooven, tenzij gij het mij met eigen oogen
zien laat, zoodat ik daardoor overtuigd wordt.”
Nu ontbond zich het ligchaam van den geest, dat weder in damp
veranderde, verspreidde zich als vroeger over de zee en het strand, trok
daarop weder te zamen en verdween van lieverlede in de vaas, zoodat er
eindelijk niets meer buiten bleef. Vervolgens liet zich uit de vaas eene
stem aldus hooren: „Welnu, ongeloovige visscher, thans ben ik in de
vaas, gelooft gij mij nu?”
De visscher, in plaats van te antwoorden, nam het loden deksel en sloot
zonder talmen de vaas digt. „Geest!” riep hij nu op triomferenden toon,
„thans is de beurt aan u, mij om genade te smeeken; kies, door welken
dood gij wilt dat ik u doe sterven! Doch neen, het is beter, dat ik u
weder in zee werp, ter plaatse waar ik er u uit opgehaald heb. Ik zal
dan hier mijne hut opslaan en mijne woning vestigen, ten einde alle
visschers, die te dezer plaatse hunne netten mogten willen uitwerpen, te
waarschuwen, om zich wel in acht te nemen een' zoo slechten geest, die
den zondigen eed heeft gedaan, zijn bevrijder te zullen dooden, niet
weder op te visschen.”
Op deze honende taal spande de vertoornde geest al zijne krachten in om
uit de vaas te komen maar te vergeefs, want het opschrift van Salomo op
het zegel belette hem zulks. Zich geheel in de magt van den visscher
ziende, besloot hij zijne gramschap te ontveinzen. „Visscher,” sprak hij
op zachten toon, „neem u wel in acht aan uwe bedreiging gevolg te geven.
Mijne handelwijze met u is slechts gekschering geweest, gij moet haar
geenszins in ernst opnemen.” „O Geest!” antwoordde de visscher, „gij,
die een oogenblik geleden de grootste waart, doch nu de kleinste van
alle geesten zijt, maak er staat op, dat al die listige praatjes u niets
zullen baten. Gij keert naar den bodem der zee terug. Indien gij daar
zoo vele eeuwen hebt gewoond, als gij mij gezegd hebt, dan kunt gij er
ook wel huisvesten tot aan den dag des oordeels. Ik heb u gesmeekt en
bij den hemel bezworen, mij het leven niet te benemen, doch gij bleeft
doof voor mijne gebeden; het is billijk, dat ik u thans met gelijke munt
betaal.”
De geest spaarde inmiddels geene fraaije woorden en beloften om den
visscher te vermurwen. „Open de vaas,” sprak hij, „geef mij de vrijheid
terug, ik smeek er u om en beloof u, dat gij over mij tevreden zult
zijn.” „Gij zijt slechts een trouwelooze,” hernam de visscher. „Ik zou
verdienen het leven te verliezen, indien ik de onvoorzigtigheid beging,
mij op u te verlaten. Gij zoudt dan gewis niet in gebreke blijven met
mij op gelijke wijze te handelen, als zeker Grieksche koning met den
geneesheer Douban handelde. Dit is eene geschiedenis, welke ik u
vertellen zal, luister!