GESCHIEDENIS VAN DEN TWEEDEN GRIJSAARD EN VAN DE TWEE ZWARTE HONDEN.

„Gebieder der geesten,” zoo, sire, ving de tweede grijsaard aan.

„Vooraf moet gij weten, dat wij, deze zwarte honden en ik, drie broeders

zijn. Onze vader had bij zijn overlijden aan ieder van ons duizend

sequinen nagelaten. Wij bepaalden ons allen tot hetzelfde vak en werden

kooplieden. Niet lang echter nadat wij onzen bazar geopend hadden,

kreeg mijn oudste broeder, een van deze twee honden, lust om te

reizen; hij maakte dus zijne waren tot geld en kocht daarvoor andere

handelsartikelen, die hem tot het bereiken van zijn doel het geschiktste

voorkwamen.

Hij vertrok en bleef een geheel jaar afwezig. Na verloop van dien tijd

kwam er een in lompen gekleede man in mijn' winkel. Ik wierp, daar ik

het zeer druk had, slechts een' vlugtigen blik op hem, denkende dat hij

eene aalmoes kwam vragen. „God zegene u!” zeide ik, en wilde hem een

klein geldstuk geven. Maar hij trok zijne hand terug, zag mij strak

aan en zeide: „God zegene u insgelijks, doch hoe is het mogelijk,

dat gij mij niet herkent!” Toen bezag ik hem oplettender en riep, hem

omhelzende, uit: „Broeder! hoe zou ik u in dit kleed en in zulk eenen

staat dadelijk herkennen?” Ik nam hem in mijn huis, en vroeg naar zijne

gezondheid en hoe hij het op zijne reis gemaakt had. „Doe mij zulke

vragen niet,” sprak hij, „gij hebt mij slechts aan te zien, om alles te

weten. Door u al de ongelukken mede te deelen, die mij op mijne reis

getroffen en in dezen ellendigen toestand gebragt hebben, zou ik slechts

mijne smart vermeerderen.”

Ik liet dadelijk mijnen winkel sluiten, en alle overige zorgen ter zijde

stellende, geleidde ik mijnen broeder naar het bad en gaf hem het beste

kleed, dat ik bezat. Ik zag vervolgens mijne boeken na, maakte mijne

balans op, en bevond dat mijn kapitaal verdubbeld was, zoo dat ik twee

duizend sequinen bezat; ik schonk daarvan de helft aan mijnen broeder.

„Hiermede broeder,” zeide ik, „kunt gij uw verlies herstellen.” Hij nam

de duizend sequinen met blijdschap aan, begon op nieuw zijne zaken en

wij leefden weder met elkander als vóór zijn vertrek.

Eenigen tijd daarna kreeg mijn tweede broeder, de andere van deze twee

honden, ook lust zijne zaken tot geld te maken. Wij, zijn oudste broeder

en ik, deden ons best om hem dit uit het hoofd te zetten, maar er was

geen praten tegen. Hij verkocht zijne zaken, en voor het geld, dat hij

daarvan maakte, sloeg hij allerlei koopwaren in, waarmede hij in den

vreemde groote winst dacht te doen. Hij voegde zich bij eene karavaan

en vertrok. Een jaar daarna kwam hij terug in denzelfden jammervollen

toestand als zijn oudste broeder. Ik kleedde hem en gaf ook hem duizend

sequinen, die ik inmiddels weder had overgewonnen. Hij zette een' winkel

op, en begon als vroeger handel te drijven.

Op zekeren dag kwamen mijne beide broeders mij opzoeken, en sloegen mij

voor om gezamentlijk eene handelsreis te ondernemen. Ik wees in het

eerst hun voorstel van de hand. „Gij hebt gereisd,” zeide ik, „en wat

hebt gij daarbij gewonnen? Wie verzekert mij dat ik gelukkiger zijn

zal, dan gij geweest zijt?” Te vergeefs trachtten zij mij door allerlei

fraaije berekeningen te verblinden en aan te moedigen om met hen mijn

geluk te beproeven; ik had er geen ooren naar. Doch zij kwamen zoo

dikwijls op dat punt terug, dat ik, na vijf jaren lang weêrstand te

hebben geboden, mij eindelijk liet overhalen. Maar toen wij nu de

toebereidselen voor de reis moesten maken, en er sprake was om de ons

benoodigde koopwaren aan te schaffen, bleek het mij dat zij alles

verbrasd en verteerd hadden zoodat hun van de duizend sequinen, die

ik aan elk hunner gegeven had, niets overgebleven was. Ik deed hun

deswegens niet het geringste verwijt. Integendeel, daar mijn kapitaal

tot zes duizend sequinen was aangegroeid, maakte ik daarvan op nieuw

eene gelijke deeling. „Broeders,” zeide ik, „drie duizend sequinen

zullen wij in onzen handel steken, en de anderen op eene veilige plaats

verbergen, opdat, mogt onze reis niet gelukkiger zijn dan zulks vroeger

met u het geval is geweest wij iets mogen hebben, om ons daarover te

troosten en onze oude zaken weder te kunnen opvatten.” Ik stelde dus aan

ieder duizend sequinen ter hand, behield er even zoo veel voor mij, en

de overige drie duizend begroef ik in den kelder van mijn huis. Wij

kochten nu de benoodigde koopwaren, scheepten ons in op een schip, dat

wij voor gezamentlijke rekening hadden uitgerust, en verlieten met den

eersten gunstigen wind onze geboorteplaats. Na eene reis van zestig

dagen liepen wij de haven van eene groote koopstad binnen, waar wij een

aanzienlijk deel van onze waren afzetten. Ik vooral verkocht de mijnen

zoo voordeelig, dat ik tien voor één daarop won. Wij kochten vervolgens

weder nieuwe artikelen in, om die op eene andere markt te verkoopen.

Op het oogenblik, dat wij scheep wilden gaan, ontmoette ik aan de haven

eene jonge vrouw, schoon van gelaat, doch zeer armoedig gekleed. Zij

trad op mij toe, kuste mij de hand, en bad mij met grooten aandrang,

haar tot mijne vrouw en mede aan boord te nemen. Ik maakte zwarigheid

haar zulk een vreemd verzoek toe te staan, maar zij bragt zoo vele

redenen bij, onder anderen dat ik op hare armoede geen acht moest slaan

en dat ik reden zou hebben over haar gedrag tevreden te zijn, dat ik mij

liet overhalen. Ik liet haar andere kleederen maken, en na met haar

gehuwd te zijn, begaven wij ons aan boord en gingen onder zeil.

Gedurende onze zeereis bespeurde ik zoo vele goede hoedanigheden

in mijne vrouw, dat ik volstrekt geen berouw van mijn overhaast en

zonderling huwelijk had, maar haar dagelijks liever kreeg. Intusschen

zagen mijn beide broeders, die minder goede zaken gemaakt hadden dan ik,

met leede oogen dat het geluk mij zoo begunstigde. Zij hielden allerlei

booze beraadslagingen, en op zekeren nacht, dat ik met mijne vrouw

gerust te bed lag, en wij in eenen vasten slaap gedompeld waren, grepen

zij haar en mij, en wierpen ons over boord.

Mijne vrouw was eene toovergodin en dus een geest. Gij kunt daarom wel

denken, dat zij niet verdronk. Wat mij betreft, ik zou zeker den dood in

de golven gevonden hebben, had zij mij niet in hare armen opgenomen en

op een eiland gebragt. Toen nu de dag aanbrak, zeide zij tot mij: „gij

ziet, mijn echtgenoot, dat ik de weldaad, die gij mij bewezen hebt door

mij te huwen, toen gij dacht dat ik behoeftig was, niet kwalijk heb

vergolden, door u het leven te redden. Weet dan, dat ik eene toovergodin

ben en dat ik mij juist aan het strand der zee bevond, ter plaatse waar

gij u inscheeptet, en toen eene groote genegenheid voor u opvatte. Dat

ik mij in een zoo slecht gewaad aan u vertoonde, was alleen om uwe

goedhartigheid en onbaatzuchtigheid te beproeven. Gij hebt edelmoedig

met mij gehandeld. Het verheugt mij eene gelegenheid te hebben gevonden,

om u mijne dankbaarheid te betoonen. Maar ik ben ten hoogste vertoornd

op uwe broeders en zal niet tevreden zijn, vóór dat ik hen het leven heb

benomen.”

Ik hoorde dit gesprek van de toovergodin met verwondering aan, en

bedankte haar zoo veel mogelijk voor de verpligting, die ik aan haar

had. „Intusschen,” vervolgde ik, „wat mijne broeders aangaat, zoo smeek

ik u hun hunne misdaad te vergeven. Hoeveel reden ik ook heb mij over

hunne handelwijze te beklagen, wil ik toch hun verderf niet.” Hierop

zeide ik haar, hoe lief ik hen had en wat ik, door broederliefde

gedreven, voor hen gedaan had. Doch dit deed hare verontwaardiging

slechts hooger klimmen. „Ha!” riep zij uit, „niets zal mij beletten

dadelijk naar deze verraders en ondankbaren heen te vliegen, en mij

aan hen te wreken. Ik zal het schip doen vergaan, en hen op den bodem

der zee werpen.” „Neen, mijne lieve vrouw,” hernam ik, „bij den hemel

bezweer ik u, doe niets van dit alles, matig uwe gramschap, bedenk dat

het mijne broeders zijn, en dat men geen kwaad met kwaad vergelden, maar

goed voor kwaad terug moet geven.”

Deze woorden bragten de toovergodin tot bedaren, en zoodra ik ze

uitgesproken had, bragt zij mij in een' oogwenk van het eiland, waar wij

ons bevonden, op het platte dak van mijn huis. Een oogenblik daarna

was zij verdwenen. Ik klom den trap af, die van het terras naar het

binnenste mijner woning leidde, opende de deuren en ging naar den kelder

om de drie duizend sequinen, welke ik daar had verborgen, op te graven.

Vervolgens begaf ik mij naar mijn' winkel, opende deze, en ontving de

kooplieden, mijne buren, die mij geluk kwamen wenschen met mijne

behouden terugkomst. Toen ik naar mijne woning terugkeerde, zag ik deze

twee honden, die mij met ter neêr gebogen koppen naderden. Ik wist niet

wat dit te beteekenen had, en was er ten hoogste verwonderd over, doch

de toovergodin, die weldra verscheen, helderde mij deze zaak op. „Man,”

zeide zij, „wees niet verwonderd deze twee honden hier bij u te zien,

het zijn uwe broeders.” Eene rilling voer mij bij deze woorden door de

leden en ik vroeg haar, door wien zij in dezen toestand gebragt waren.

„Door mij,” sprak zij, „of liever door eene mijner zusters, welke ik

daartoe last gegeven heb, zij heeft uwe broeders in honden herschapen en

hun schip doen vergaan. De handelswaren, die gij daarbij verliest, zal

ik u langs eenen anderen weg vergoeden. Wat uwe broeders betreft, ik

heb hen gedoemd om gedurende tien jaren in deze gestalte te blijven,

waarlijk eene nog te zachte straf voor hunne verraderlijke handelwijze.”

Na mij nog de plaats te hebben opgegeven, waar ik haar alsdan zou kunnen

vinden, verdween zij.

Daar deze tien jaren thans verstreken zijn, heb ik mij op weg begeven

om de toovergodin te gaan vinden, en hier voorbij komende, ontmoette

ik dezen koopman en dezen goeden grijsaard met de hinde. O! vorst der

geesten, ziedaar mijne geschiedenis, vindt gij ze niet zeer wonderbaar?”

„Dat stem ik toe,” antwoordde de geest, „en daarom zij den koopman het

tweede derde deel kwijt gescholden van de misdaad, waaraan hij zich

jegens mij heeft schuldig gemaakt?”

* * * * *

Dadelijk nam nu de derde grijsaard het woord, en deed aan den geest

hetzelfde voorstel als de beide anderen hem gedaan hadden. De geest

nam er genoegen mede en de grijsaard verhaalde zijne geschiedenis, door

verscheidenheid en wonderlijke avonturen nog boeijender dan die der twee

andere grijsaards. De geest was er dan ook geheel door bevredigd, en

schonk den koopman het laatste derde deel zijner schuld kwijt. „Hij mag

u alle drie wel bedanken,” vervolgde de geest, „dat gij hem door uwe

geschiedenissen uit zijne gevaarlijken toestand gered hebt, zonder u zou

hij thans niet meer onder de levenden zijn.” Bij het eindigen dezer

woorden verdween de geest.

De koopman bleef niet in gebreke zijnen dank aan zijne bevrijders te

betuigen. Zij namen vervolgens afscheid van elkander, en ieder hunner

vervolgde zijnen weg. De koopman haastte zich naar zijne vrouw en

kinderen terug te keeren, en bragt met hen zijne overige levensdagen in

volkomen huisselijk geluk door.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel · 第 16 / 29 题